HvJ EU 16 december 2021, C-575/20, ECLI:EU:C:2021:1024
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)
16 december 2021 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Luchtverontreiniging – Systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten – Richtlijn 2003/87/EG – Installaties voor het verbranden van brandstoffen – Bijlage I – Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen – Berekeningswijze – Aggregatieregel”
In zaak C‑575/20,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije) bij beslissing van 29 september 2020, ingekomen bij het Hof op 3 november 2020, in de procedure
Apollo Tyres (Hungary) Kft.
tegen
Innovációért és Technológiáért Felelős Miniszter,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Tiende kamer, I. Jarukaitis en M. Ilešič, rechters,
advocaat-generaal: E. Tanchev ( 1 ),
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Apollo Tyres (Hungary) Kft., vertegenwoordigd door T. Biczi, ügyvéd,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Wils, B. De Meester en K. Talabér-Ritz als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van punt 3 van bijlage I bij richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB 2003, L 275, blz. 32), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/410 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2018 (PB 2018, L 76, blz. 3) (hierna: „richtlijn 2003/87”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Apollo Tyres (Hungary) Kft. (hierna: „Apollo Tyres”) en de Innovációért és Technológiáért Felelős Miniszter (minister van Innovatie en Technologie, Hongarije; hierna: „minister van Innovatie”) over de geldboete die laatstgenoemde aan die vennootschap heeft opgelegd omdat zij broeikasgassen had uitgestoten zonder over een emissievergunning te beschikken.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/87 luidt: „Deze richtlijn is van toepassing op emissies uit de in bijlage I genoemde activiteiten en de in bijlage II genoemde broeikasgassen.”
4 Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: [...] b) ‚emissie’: emissie van broeikasgassen in de atmosfeer door in een installatie aanwezige bronnen, of de emissie door een vliegtuig dat een in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteit uitoefent, van de met betrekking tot die activiteit gespecificeerde gassen; [...] e) ,installatie’: vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten plaatsvinden alsmede andere, daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging; [...]”
5 Artikel 4 van die richtlijn luidt: „De lidstaten dragen er zorg voor dat vanaf 1 januari 2005 geen installatie een in bijlage I genoemde activiteit verricht welke een voor die activiteit gespecificeerde emissie tot gevolg heeft, tenzij haar exploitant in het bezit is van een door een bevoegde autoriteit overeenkomstig de artikelen 5 en 6 verleende vergunning, of de installatie uit hoofde van artikel 27 is uitgesloten van het [systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten of Emission Trading System (ETS) van de Europese Unie (EU-ETS)]. Dit geldt tevens voor installaties die overeenkomstig artikel 24 zijn opgenomen.”
6 Artikel 7 van richtlijn 2003/87 bepaalt: „De exploitant stelt de bevoegde autoriteit in kennis van voorgenomen wijzigingen in de aard of de werking, van voorgenomen uitbreidingen of van aanzienlijke capaciteitsvermindering van de installatie, waarvoor een aanpassing van de broeikasgasemissievergunning vereist kan zijn. Zo nodig stelt de bevoegde autoriteit de vergunning bij. Bij een verandering in de identiteit van de exploitant van de installatie past de bevoegde autoriteit de vergunning aan door vermelding van de naam en het adres van de nieuwe exploitant.”
7 Artikel 12, lid 3, van richtlijn 2003/87 luidt: „De lidstaten dragen er voor de periode tot en met 31 december 2020 zorg voor dat de exploitant van iedere installatie uiterlijk op 30 april van ieder jaar een hoeveelheid niet krachtens hoofdstuk II verleende emissierechten inlevert die gelijk is aan de totale emissies van die installatie gedurende het voorgaande kalenderjaar, als geverifieerd overeenkomstig artikel 15, en dat die rechten vervolgens worden geannuleerd. De lidstaten dragen er voor de periode vanaf 1 januari 2021 zorg voor dat de exploitant van iedere installatie uiterlijk op 30 april van ieder jaar een hoeveelheid emissierechten inlevert die gelijk is aan de totale emissies van die installatie gedurende het voorgaande kalenderjaar, als geverifieerd overeenkomstig artikel 15, en dat die rechten vervolgens worden geannuleerd, onder voorbehoud van de in artikel 28 ter bedoelde evaluatie.”
8 Artikel 14, lid 3, van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten zorgen ervoor dat elke exploitant van een installatie of vliegtuigexploitant de emissies die gedurende elk kalenderjaar door die installatie, of, met ingang van 1 januari 2010, door het vliegtuig [plaatsvinden], overeenkomstig de in lid 1 bedoelde handelingen bewaakt en hierover na het eind van dat jaar aan de bevoegde autoriteit rapporteert.”
9 Artikel 27 bis, lid 3, van die richtlijn luidt: „De lidstaten kunnen ook reserve- of back-upeenheden die niet meer dan 300 uur per jaar operationeel waren in elk van de drie jaren voorafgaand aan de melding uit hoofde van lid 1, onder a), van het EU-ETS uitsluiten, onder dezelfde voorwaarden als in de leden 1 en 2.”
10 Tot de in bijlage I („Categorieën activiteiten, bedoeld in deze richtlijn”) bij richtlijn 2003/87 genoemde activiteiten behoort het „[v]erbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW (met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of huishoudelijk afval)”.
11 In punt 3 van deze bijlage staat te lezen: „Wanneer het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie wordt berekend met het oog op het nemen van een besluit inzake de opneming ervan in het EU-ETS, worden het nominaal thermisch ingangsvermogen van alle technische eenheden die deel uitmaken van de installatie en waarin brandstoffen worden verbrand, bij elkaar opgeteld. Deze eenheden kunnen onder andere alle soorten stookketels, branders, turbines, verwarmingstoestellen, ovens, verbranders, gloeiovens, draaiovens, droogovens, drogers, motoren, brandstofcellen, chemische looping-verbrandingseenheden, fakkels en thermische of katalytische naverbranders omvatten. Eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW en eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken, worden bij deze berekening buiten beschouwing gelaten. Tot ‚eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken’ behoren ook eenheden waarin alleen bij het opstarten of uitschakelen fossiele brandstoffen worden gebruikt.”
Hongaars recht
12 § 2, punt 24, van de az üvegházhatású gázok közösségi kereskedelmi rendszerében és az erőfeszítés-megosztási határozat végrehajtásában történő részvételről szóló 2012. évi CCXVII. törvény (wet nr. 217 van 2012 betreffende de deelname aan het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en betreffende de tenuitvoerlegging van het besluit inzake de verdeling van de inspanningen) [Magyar Közlöny, 2012/180. (XII. 27.)], bepaalt: „Installatie: vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage 1, punten I tot en met XXI, genoemde activiteiten of andere, daarmee samenhangende technologische activiteiten plaatsvinden, alsmede alle activiteiten die technisch in verband staan met de op een bepaalde plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten die leiden tot of rechtstreekse gevolgen hebben voor de in bijlage 1 omschreven broeikasgasemissies.”
13 In punt 3.1 van bijlage 1 bij die wet wordt een activiteit gedefinieerd als het „[v]erbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW (met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen en huishoudelijk afval)”.
14 § 1, lid 5, van de az üvegházhatású gázok közösségi kereskedelmi rendszerében és az erőfeszítés-megosztási határozat végrehajtásában való részvételről szóló 2012. évi CCXVII. törvény végrehajtásának egyes szabályairól szóló 410/2012. (XII. 28.) Korm. rendelet (besluit nr. 410 van de regering van 29 december 2012 houdende een aantal bepalingen ter uitvoering van wet nr. 217 van 2012 betreffende de deelname aan het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en betreffende de tenuitvoerlegging van het besluit inzake de verdeling van de inspanningen) [Magyar Közlöny 2012/182. (XII. 28.)], bepaalt: „De autoriteit verleent de emissievergunning op basis van een administratief besluit waarbij de voorwaarden voor milieugebruik worden vastgelegd, wanneer zij vaststelt dat de exploitant voldoet aan de voorwaarden van de wet betreffende het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten. Bijlage 3 bevat de gedetailleerde vereisten met betrekking tot de inhoud van de emissievergunning.”
15 In punt 2.7 van bijlage 2 bij dat besluit staat te lezen: „Wanneer het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie wordt berekend met het oog op het nemen van een besluit inzake de opneming ervan in het gemeenschappelijke systeem, worden de nominale thermische ingangsvermogens van alle technische eenheden – daaronder begrepen de op grond van § 15/B van de wet betreffende het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten uitgesloten voorzieningen (dat wil zeggen reserve- en back-upeenheden) – die deel uitmaken van de installatie en waarin brandstoffen worden verbrand, bij elkaar opgeteld. Deze eenheden – daaronder begrepen de op grond van § 15/B van de wet betreffende het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten uitgesloten voorzieningen – kunnen onder andere alle soorten stookketels, branders, turbines, verwarmingstoestellen, ovens, verbranders, gloeiovens, calcinatieovens, drogers, motoren, brandstofcellen, chemische looping-verbrandingseenheden, fakkels en thermische of katalytische naverbranders omvatten. Eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW en eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken, worden bij deze berekening buiten beschouwing gelaten. Tot ‚eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken’ behoren ook eenheden waarin alleen bij het opstarten of uitschakelen fossiele brandstoffen worden gebruikt.”
16 § 2, punt 7, van de a 140 kWth és annál nagyobb, de 50 MWth-nál kisebb teljes névleges bemenő hőteljesítményű tüzelőberendezések működési feltételeiről és légszennyező anyagainak kibocsátási határértékeiről szóló 53/2017. (X. 18.) FM rendelet (besluit nr. 53 van de minister van Landbouw van 18 oktober 2018 betreffende de werkingsvoorwaarden en de emissiegrenswaarden voor verbrandingsinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 140 kW maar minder dan 50 MW) [Magyar Közlöny 2017/169. (X. 18.)], bepaalt: „Het nominaal thermisch ingangsvermogen is het in kilowatt (kW) of megawatt (MW) uitgedrukte warmtegehalte van de per tijdseenheid aan de verbrandingsinstallatie toegevoerde brandstof die nodig is om deze verbrandingsinstallatie bij het in het besluit van de autoriteit vastgestelde nominaal vermogen te laten werken.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
17 Apollo Tyres exploiteert drie stoomketels in het kader van haar bandenproductie.
18 De alleenvertegenwoordiger van de fabrikanten van deze ketels heeft bevestigd dat het maximale thermisch vermogen van die ketels met behulp van software was afgesteld op de waarden van respectievelijk 8,991 MW, 8,791 MW en 8,962 MW. Opdat het thermisch ingangsvermogen van de ketels in kwestie onder 20 MW blijft, wordt een van deze ketels bovendien altijd zo ingesteld dat het maximale vermogen dat de installatie kan bereiken 17,953 MW (8,991 MW + 8,962 MW) bedraagt. Dit wordt gestaafd door het systeem voor de meting van het gasverbruik, de logboeken van de ketels en de documenten waaruit het gasverbruik blijkt. In de aan Apollo Tyres verleende exploitatievergunning, die is gewijzigd met het oog op de bescherming van de luchtkwaliteit, wordt tevens vermeld dat er hoogstens twee ketels met een maximaal totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 17,953 MW tezelfdertijd operationeel mogen zijn.
19 De minister van Innovatie heeft Apollo Tyres op 20 maart 2020 een geldboete van 29000000 Hongaarse forint (HUF) (ongeveer 81200 EUR) opgelegd omdat die vennootschap broeikasgassen had uitgestoten zonder over een vergunning te beschikken, aangezien haar installatie, gelet op het nominaal thermisch ingangsvermogen van de drie ketels waaruit deze installatie bestaat – anders dan die vennootschap stelt – over een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW beschikt, zonder dat rekening hoeft te worden gehouden met de beperkingen die zijn gesteld aan het nominaal vermogen van die ketels.
20 Voor de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije) betwist Apollo Tyres de rechtmatigheid van dat besluit.
21 Die rechter vraagt zich af of het voor de beantwoording van de vraag of een installatie moet worden opgenomen in het EU-ETS van belang is dat een technische eenheid die deel uitmaakt van die installatie rechtstreekse gevolgen heeft voor de emissies. Met andere woorden, de vraag is aan de orde of er in deze technische eenheid een activiteit moet plaatsvinden die de verbranding van brandstof inhoudt dan wel een activiteit die rechtstreeks met een dergelijke activiteit samenhangt of die er technisch gesproken rechtstreeks in verband mee staat.
22 In deze omstandigheden heeft de Fővárosi Törvényszék de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Kan richtlijn [2003/87], met name punt 3 van bijlage I bij deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat voor de beantwoording van de vraag of de in een installatie plaatsvindende verbranding van brandstoffen binnen de werkingssfeer van het EU-ETS valt, het aangetoonde feit dat een voorziening die deel uitmaakt van de installatie slechts beperkt operationeel is, van invloed is op het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de installatie?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
23 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of punt 3 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 aldus moet worden uitgelegd dat bij de berekening van het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie rekening moet worden gehouden met de beperkingen die de exploitant van deze installatie heeft gesteld aan het maximaal nominaal thermisch ingangsvermogen van die installatie.
24 Vooraf zij eraan herinnerd dat richtlijn 2003/87 tot doel heeft een systeem voor de handel in emissierechten in te voeren waarmee wordt beoogd de emissies van broeikasgassen in de atmosfeer te verminderen tot een niveau waarbij elke gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaat wordt voorkomen en waarvan het einddoel de bescherming van het milieu is (arrest van 11 november 2021, Energieversorgungscenter Dresden-Wilschdorf, C‑938/19, EU:C:2021:908, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/87 bepaalt dat de werkingssfeer van deze richtlijn zich uitstrekt tot de emissies uit de in bijlage I bij deze richtlijn genoemde activiteiten en de in bijlage II bij die richtlijn opgesomde broeikasgassen, waaronder met name kooldioxide (arrest van 28 juli 2016, Vattenfall Europe Generation, C‑457/15, EU:C:2016:613, punt 28).
26 In artikel 3, onder e), van richtlijn 2003/87 wordt het begrip „installatie” gedefinieerd als een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I genoemde activiteiten plaatsvinden en waarin andere, daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.
27 Het verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of huishoudelijk afval, is een van de in bijlage I bij richtlijn 2003/87 bedoelde activiteiten (arrest van 28 juli 2016, Vattenfall Europe Generation, C‑457/15, EU:C:2016:613, punt 35).
28 In punt 3 van die bijlage wordt een aggregatieregel vastgesteld die verduidelijkt wanneer moet worden nagegaan of het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie meer dan 20 MW bedraagt (zie in die zin arrest van 29 april 2021, Granarolo, C‑617/19, EU:C:2021:338, punt 59).
29 Op basis van deze aggregatieregel wordt het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie berekend door de nominale thermische ingangsvermogens van alle technische eenheden die deel uitmaken van de installatie en waarin brandstoffen worden verbrand, bij elkaar op te tellen, met uitzondering van de eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW en eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken.
30 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde installatie, waarvan de activiteit bestaat in de verbranding van brandstoffen die broeikasgassen produceren, bestaat uit drie stookketels. Hoewel het maximaal nominaal thermisch ingangsvermogen van elk van deze ketels meer dan 12 MW bedraagt, maakt een computergestuurd proces het mogelijk hun thermisch vermogen te beperken tot respectievelijk 8,991 MW, 8,791 MW en 8,962 MW. Voorts zorgt een door de exploitant van de betreffende ketels geïnstalleerd mechanisme ervoor dat slechts twee van die drie ketels tezelfdertijd operationeel kunnen zijn.
31 Met het oog op de beantwoording van de vraag van de verwijzende rechter moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de in punt 3 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 vastgestelde aggregatieregel aldus moet worden uitgelegd dat hij in beginsel vereist dat de maximale nominale thermische ingangsvermogens van alle technische eenheden die deel uitmaken van de installatie in kwestie bij elkaar worden opgeteld, zelfs wanneer deze eenheden niet op volle capaciteit operationeel zijn.
32 Ten eerste strookt deze uitlegging namelijk met de doelstelling van richtlijn 2003/87 die er volgens artikel 1 van deze richtlijn in bestaat om de emissies van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen (arrest van 20 juni 2019, ExxonMobil Production Deutschland, C‑682/17, EU:C:2019:518, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Door het maximaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de technische eenheden van de installatie in kwestie in aanmerking te nemen bij de berekening van het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van die installatie, kunnen dan ook meer installaties die broeikasgassen uitstoten worden onderworpen aan de verplichtingen die bij richtlijn 2003/87 worden opgelegd ter bescherming van het milieu.
34 Daarbij komt dat aldus zowel de voor de toewijzing van emissierechten bevoegde nationale autoriteit (hierna: „bevoegde nationale autoriteit”) als de exploitanten in staat worden gesteld om op stabiele wijze de binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/87 vallende installaties te identificeren.
35 Indien het werd toegestaan dat een installatie wordt opgenomen in of uitgesloten van het EU-ETS op basis van eenvoudige tijdelijke wijzigingen in de omvang van de verbranding van brandstoffen die in de betreffende installatie plaatsvinden, zou het voor de bevoegde nationale autoriteit uiterst moeilijk worden om de verplichtingen te doen naleven die krachtens richtlijn 2003/87 rusten op de exploitanten van installaties die onderworpen zijn aan het EU-ETS. Dit geldt met name voor de bij artikel 4 van deze richtlijn aan die exploitanten opgelegde verplichting om een vergunning voor broeikasgasemissies te verkrijgen en voor de krachtens artikel 14, lid 3, van die richtlijn op hen rustende verplichting om de door hun activiteiten veroorzaakte broeikasgasemissies te bewaken en hierover te rapporteren, alsmede voor de hun bij artikel 12, lid 3, van diezelfde richtlijn opgelegde verplichting om in beginsel een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan de totale emissies van hun installaties.
36 Door rekening te houden met het maximaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de technische eenheden waaruit een installatie bestaat, kan bovendien worden gewaarborgd dat de beperkingen voor de exploitanten van aan het EU-ETS onderworpen installaties voorzienbaar zijn, hetgeen dus ook bijdraagt tot de eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel, dat vereist dat de Unieregelgeving de belanghebbenden in staat stelt om ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen te kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen te treffen (zie in die zin arrest van 25 november 2021, Aurubis, C‑271/20, EU:C:2021:959, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Ten tweede vindt voornoemde uitlegging van de in punt 3 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 vastgestelde aggregatieregel steun in artikel 27 bis, lid 3, van deze richtlijn. Op grond van deze bepaling kunnen de lidstaten de reserve- of back-upeenheden van een installatie uitsluiten van het EU‑ETS mits deze eenheden niet meer dan 300 uur per jaar operationeel waren in elk van de drie jaren die voorafgingen aan de aanmelding van die eenheden door de betrokken lidstaat aan de Europese Commissie. Hieruit volgt dat het feit dat een technische eenheid van een installatie gedurende een bepaalde periode niet operationeel is, er op zichzelf niet automatisch toe leidt dat met die eenheid geen rekening hoeft te worden gehouden om vast te stellen of de installatie waarvan zij deel uitmaakt onderworpen is aan het EU-ETS.
38 In punt 3.3.1 van de leidraad van de Commissie van 18 maart 2010 betreffende de uitlegging van bijlage I bij richtlijn 2003/87 („Guidance on Interpretation of Annex I of the EU ETS Directive”) – die weliswaar niet bindend is, maar de algemene opzet van die richtlijn kan verduidelijken (zie in die zin arrest van 18 januari 2018, INEOS, C‑58/17, EU:C:2018:19, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak) – wordt bovendien gepreciseerd dat de fabrikant normaal gesproken het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen op het technische apparaat vermeldt met de toestemming van een toezichthoudende autoriteit.
39 Ten derde wordt de noodzaak om bij de berekening van het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie het maximaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de tot de installatie behorende technische eenheden in aanmerking te nemen nog bevestigd door de omstandigheid dat in verschillende taalversies van punt 3 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 – waaronder de Spaanse, de Griekse, de Italiaanse, de Hongaarse, de Nederlandse en de Portugese versie – uitdrukkelijk wordt verwezen naar het totaal „nominaal” thermisch ingangsvermogen van de installatie, dat wordt berekend door de „nominale” thermische ingangsvermogens van de technische eenheden die deel uitmaken van de installatie bij elkaar op te tellen [zie naar analogie arrest van 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten), C‑439/19, EU:C:2021:504, punt 79].
40 Wanneer het bijvoeglijk naamwoord „nominaal” – zoals in casu – wordt gebezigd in een technische en energiecontext, verwijst het in zijn gebruikelijke betekenis naar een door de fabrikant van een apparaat of installatie vermeld kenmerk of prestatievermogen, of voorts naar het continu maximumvermogen dat in normale operationele omstandigheden ten tijde van de ontvangst van dit apparaat of deze installatie wordt bereikt, ongeacht of dat apparaat of die installatie in voorkomend geval op bepaalde tijdstippen onder dat maximumvermogen operationeel kan zijn.
41 In de tweede plaats kan evenwel niet worden uitgesloten dat de beperking van het vermogen of de stillegging van een installatie of een technische eenheid die deel uitmaakt van de installatie, onder bepaalde omstandigheden in aanmerking kan worden genomen om vast te stellen of het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de installatie nog steeds meer dan 20 MW bedraagt.
42 In dit verband zij opgemerkt dat bij artikel 7 van richtlijn 2003/87 aan de exploitanten, teneinde de juistheid van de in het kader van het EU-ETS in aanmerking te nemen gegevens en omstandigheden te waarborgen, de verplichting wordt opgelegd om de bevoegde nationale autoriteiten in kennis te stellen van uitbreidingen of aanzienlijke verminderingen van de capaciteit van hun installaties, waarvoor een aanpassing van de broeikasgasemissievergunning vereist kan zijn (zie in die zin arrest van 8 maart 2017, ArcelorMittal Rodange en Schifflange, C‑321/15, EU:C:2017:179, punten 25 en 26). Hieruit volgt dat wanneer de eigenlijke verbrandingscapaciteit van een installatie wordt verminderd tot onder 20 MW, de betrokken exploitant bij de bevoegde nationale autoriteit moet kunnen aanvoeren dat voor zijn installatie niet langer een emissievergunning vereist is.
43 Wanneer permanente en controleerbare beperkingen worden gesteld aan het maximaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie of een van de eenheden daarvan, zou het overigens in strijd zijn met de in punt 32 van het onderhavige arrest vermelde doelstelling van richtlijn 2003/87 om geen rekening te houden met die beperkingen bij de beoordeling of die installatie nog onder het EU-ETS valt.
44 In punt 4.3 van de in punt 38 van dit arrest vermelde leidraad wordt trouwens gepreciseerd dat juridische of fysieke beperkingen die daadwerkelijk beletten dat het maximaal nominaal thermisch ingangsvermogen ten volle wordt gebruikt, in aanmerking kunnen worden genomen mits de bevoegde nationale autoriteit die beperkingen duidelijk identificeert in een uitvoerbare handeling en regelmatig controleert.
45 Gelet op het voorgaande – en met name gelet op de niet-bindende richtsnoeren die zijn verstrekt in die leidraad – moet worden geoordeeld dat het maximaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een technische eenheid die deel uitmaakt van een installatie, voor de toepassing van de in punt 3 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 neergelegde aggregatieregel niet in zijn geheel in aanmerking hoeft te worden genomen wanneer ten eerste dit prestatievermogen door de exploitant van de installatie in kwestie permanent is verminderd, dat wil zeggen op zodanige wijze dat deze vermindering niet zonder een grote technische ingreep of zonder de toestemming van de bevoegde nationale autoriteit ongedaan kan worden gemaakt, en ten tweede die autoriteit zowel die vermindering als het permanente karakter ervan daadwerkelijk kan controleren. Het staat aan die exploitant om de bevoegde nationale autoriteit de in dit verband vereiste bewijzen over te leggen.
46 Mits aan de in het vorige punt van dit arrest genoemde voorwaarden is voldaan, brengt de stillegging van een technische eenheid die deel uitmaakt van een installatie op haar beurt met zich mee dat het maximaal nominaal thermisch ingangsvermogen van deze eenheid niet in aanmerking hoeft te worden genomen voor de toepassing van bovengenoemde aggregatieregel.
47 Gelet op een en ander dient op de vraag van de verwijzende rechter te worden geantwoord dat punt 3 van bijlage I bij richtlijn 2003/87 aldus moet worden uitgelegd dat het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie moet worden berekend door de maximale nominale thermische ingangsvermogens van de technische eenheden die deel uitmaken van die installatie bij elkaar op te tellen, tenzij de door de exploitant aan het maximaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een dergelijke eenheid gestelde beperkingen permanent zijn en de voor de toewijzing van emissierechten bevoegde nationale autoriteit zowel het bestaan van deze beperkingen als het permanente karakter ervan daadwerkelijk kan controleren.
Kosten
48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Punt 3 van bijlage I bij richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/410 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2018, moet aldus worden uitgelegd dat het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie moet worden berekend door de maximale nominale thermische ingangsvermogens van de technische eenheden die deel uitmaken van die installatie bij elkaar op te tellen, tenzij de door de exploitant aan het maximaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een dergelijke eenheid gestelde beperkingen permanent zijn en de voor de toewijzing van emissierechten bevoegde nationale autoriteit zowel het bestaan van deze beperkingen als het permanente karakter ervan daadwerkelijk kan controleren.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Hongaars.
( 1 ) Advocaat-generaal in functie ten tijde van de uiteenzetting van de zaak op de algemene vergadering van 28 september 2021.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 25 november 2021, C-271/20, ECLI:EU:C:2021:959
- HvJ EU 11 november 2021, C-938/19, ECLI:EU:C:2021:908
- HvJ EU 22 juni 2021, C-439/19, ECLI:EU:C:2021:504
- HvJ EU 29 april 2021, C-617/19, ECLI:EU:C:2021:338
- HvJ EU 20 juni 2019, C-682/17, ECLI:EU:C:2019:518
- HvJ EU 18 januari 2018, C-58/17, ECLI:EU:C:2018:19
- HvJ EU 8 maart 2017, C-321/15, ECLI:EU:C:2017:179
- HvJ EU 28 juli 2016, C-457/15, ECLI:EU:C:2016:613