HvJ EU 12 december 2024, C-181/22, ECLI:EU:C:2024:1020
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
12 december 2024 ( *1 )
„Hogere voorziening – Economisch en monetair beleid – Prudentieel toezicht op kredietinstellingen – Verordening (EU) nr. 1024/2013 – Aan de Europese Centrale Bank (ECB) opgedragen specifieke toezichttaken – Artikel 24 – Besluit tot intrekking van de vergunning van een kredietinstelling – Procedure voor administratieve toetsing – Besluit waarbij een eerder besluit wordt ingetrokken – Beroep tot nietigverklaring – Behoud van het procesbelang – Beroep tot schadevergoeding – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”
In zaak C‑181/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 9 maart 2022,
Nemea Bank plc, gevestigd te San Giljan (Malta), vertegenwoordigd door A. Meriläinen, asianajaja,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Heikki Niemelä, wonende te Ohain (België),
Mika Lehto, wonende te Espoo (Finland),
Nemea plc, gevestigd te San Giljan,
Nevestor SA, gevestigd te Ohain,
verzoekers in eerste aanleg,
Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door D. M. Brinkman, C. Hernández Saseta en A. Witte als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Nijenhuis en A. Steiblytė als gemachtigden, vervolgens door Steiblytė als gemachtigde,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, I. Jarukaitis (rapporteur) en E. Regan, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 november 2023,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt Nemea Bank plc om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 20 december 2021, Niemelä e.a./ECB (T‑321/17, EU:T:2021:942; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht heeft verklaard dat niet meer hoefde te worden beslist op het beroep tot nietigverklaring van besluit ECB/SSM/2017 – 213800JENPXTUY75VSO/1 WHD‑2017‑0003 van de Europese Centrale Bank (ECB) van 23 maart 2017 tot intrekking van de vergunning van Nemea Bank voor het uitoefenen van de werkzaamheden van een kredietinstelling (hierna: „litigieus besluit”), en het verzoek tot vergoeding van de schade die rekwirante stelt te hebben geleden door de intrekking van de vergunning, kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Toepasselijke bepalingen
GTM‑verordening
2 Overweging 64 van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de ECB specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63; hierna: „GTM‑verordening”) luidt als volgt: „De ECB moet natuurlijke en rechtspersonen de mogelijkheid bieden een toetsing te vragen van besluiten die zij op grond van de bij deze verordening aan haar verleende bevoegdheden heeft genomen en die tot hen zijn gericht of die hen rechtstreeks en individueel raken. De toetsing moet betrekking hebben op de procedurele en materiële conformiteit van die besluiten met deze verordening, met inachtneming van de discretionaire bevoegdheid van de ECB om te beslissen over het nut van die besluiten. Daartoe, en om redenen van proceseconomie, dient de ECB een administratieve raad voor toetsing in te stellen die een dergelijke interne toetsing uitvoert. Voor de samenstelling van die administratieve raad voor toetsing dient de raad van bestuur van de ECB personen van hoog aanzien [te] benoemen. […] De toetsingsprocedure moet inhouden dat de raad van toezicht zijn oorspronkelijk ontwerpbesluit zo nodig heroverweegt.”
3 Artikel 4, lid 1, onder a), van deze verordening bepaalt: „Binnen het kader van artikel 6 heeft de ECB overeenkomstig lid 3 van dit artikel de exclusieve bevoegdheid om met het oog op het prudentieel toezicht ten aanzien van alle in de deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen de volgende taken uit te voeren: a) vergunningen aan kredietinstellingen verlenen en die vergunningen intrekken, volgens artikel 14”.
4 Artikel 14, lid 5, van deze verordening luidt als volgt: „Onder voorbehoud van lid 6 kan de ECB in de gevallen die in de toepasselijke Uniewetgeving zijn vastgesteld, op eigen initiatief, na overleg met de nationale bevoegde autoriteit van de deelnemende lidstaat waar de kredietinstelling gevestigd is, dan wel op voorstel van zo’n nationale bevoegde autoriteit, de vergunning intrekken. Bij dat overleg geeft de ECB, alvorens een besluit tot intrekking te nemen, de nationale autoriteiten voldoende tijd om te besluiten tot de vereiste herstelmaatregelen, waaronder eventuele afwikkelingsmaatregelen, en neemt zij die maatregelen in aanmerking. Indien de nationale bevoegde autoriteit die overeenkomstig lid 1 de vergunning heeft voorgesteld, van oordeel is dat die vergunning overeenkomstig de toepasselijke nationale wetgeving moet worden ingetrokken, dient zij daartoe bij de ECB een voorstel in. In dat geval neemt de ECB een besluit over het voorstel tot intrekking, terdege rekening houdend met de door de nationale bevoegde autoriteit aangevoerde motivering voor de intrekking.”
5 Artikel 24 van deze verordening bepaalt: „1. De ECB richt een administratieve raad voor toetsing [(hierna: ‚ART’)] op die, op verzoek overeenkomstig lid [5], een interne administratieve toetsing verricht van de besluiten die de ECB krachtens de haar bij deze verordening verleende bevoegdheden heeft genomen. De interne administratieve toetsing behelst toetsing van de procedurele en materiële conformiteit van die besluiten met deze verordening. […] 5. Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan in de in lid 1 vermelde gevallen een verzoek om toetsing indienen met betrekking tot een besluit van de ECB uit hoofde van deze verordening dat tot deze persoon is gericht of dat deze persoon rechtstreeks en individueel raakt. […] […] 7. Na het nemen van een besluit over de ontvankelijkheid van het verzoek om toetsing, brengt de [ART] advies uit binnen een termijn die gelet op de urgentie van de zaak als passend wordt aangemerkt, doch uiterlijk binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het verzoek om toetsing, en verwijst hij de zaak terug naar de raad van toezicht met het oog op de opstelling van een nieuw ontwerpbesluit. De raad van toezicht houdt rekening met het advies van de [ART] en legt de raad van bestuur onverwijld een nieuw ontwerpbesluit voor. Het nieuwe ontwerpbesluit kan het oorspronkelijke besluit opheffen, vervangen door een besluit waarvan de inhoud identiek is aan die van het oorspronkelijke besluit, of vervangen door een besluit waarvan de inhoud gewijzigd is ten opzichte van het oorspronkelijke besluit. Het nieuwe ontwerpbesluit wordt geacht te zijn aangenomen tenzij de raad van bestuur binnen een termijn van ten hoogste tien werkdagen bezwaar aantekent. 8. Een overeenkomstig lid 5 ingediend verzoek om toetsing heeft geen schorsende werking. De raad van bestuur kan echter, op voorstel van de administratieve raad voor toetsing, de toepassing van het bestreden besluit schorsen indien hij van oordeel is dat de omstandigheden dit vereisen. […] 11. Dit artikel laat het recht om overeenkomstig de Verdragen beroep in te stellen bij het [Hof van Justitie van de Europese Unie], onverlet.”
Verordening (EU) nr. 468/2014
6 Uit artikel 2, punt 8, van verordening (EU) nr. 468/2014 van de ECB van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de ECB en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM‑kaderverordening) (PB 2014, L 141, blz. 1) volgt dat een „minder belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat” een entiteit is „die[, onder meer,] niet de status heeft van een belangrijke onder toezicht staande entiteit in de zin van artikel 6, lid 4, van de GTM‑verordening.”
7 Artikel 80 van deze verordening bepaalt: „1. Indien de betreffende NBA overweegt dat een vergunning van een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ingetrokken zou moeten worden op grond van het relevante Unierecht of nationale wetgeving, waaronder begrepen een intrekking op verzoek van de kredietinstelling, doet zij een ontwerpbesluit toekomen aan de ECB waarin wordt voorgesteld de vergunning in te trekken […], samen met alle relevante ondersteunende documentatie. 2. De NBA coördineert met de nationale voor de afwikkeling van kredietinstellingen bevoegde autoriteit […] ontwerpintrekkingsbesluiten die relevant zijn voor deze nationale afwikkelingsautoriteit.”
Voorgeschiedenis van het geding
8 De feiten die tot het geding hebben geleid, zoals deze in de punten 1 tot en met 7 van de bestreden beschikking zijn uiteengezet, kunnen worden samengevat als volgt.
9 Nemea Bank is een Maltese kredietinstelling die valt onder het begrip „minder belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat” in de zin van de GTM‑kaderverordening en die financiële diensten verstrekte op grond van een vergunning die haar was verleend door de nationale bevoegde autoriteit, te weten de Awtorità għas-Servizzi Finanzjarji ta’Malta (Maltese autoriteit voor financiële diensten; hierna: „MFSA”), en onder rechtstreeks prudentieel toezicht van deze laatste stond.
10 Nemea plc en Nevestor SA zijn twee directe aandeelhouders van Nemea Bank. H. Niemelä en M. Lehto zijn leden van de raad van bestuur en, vanwege hun aandelenbezit in Nemea en Nevestor, de uiteindelijk begunstigden van Nemea Bank.
11 Na advies te hebben ingewonnen bij de nationale afwikkelingsautoriteit heeft de MFSA op 25 januari 2017 overeenkomstig artikel 80 van de GTM‑kaderverordening bij de ECB een ontwerpbesluit ingediend tot intrekking van de aan Nemea Bank verleende vergunning voor het uitoefenen van de werkzaamheden van een kredietinstelling.
12 Op 13 maart 2017 heeft de raad van toezicht van de ECB het ontwerpbesluit tot intrekking van de betrokken vergunning goedgekeurd en Nemea Bank een termijn van drie dagen gesteld om haar opmerkingen kenbaar te maken.
13 Nemea Bank heeft op 15 maart 2017 haar opmerkingen ingediend.
14 Op 23 maart 2017 heeft de ECB het litigieuze besluit vastgesteld op grond van artikel 4, lid 1, onder a), en artikel 14, lid 5, van de GTM‑verordening.
Feiten die zich na het litigieuze besluit hebben voorgedaan
15 Op 22 april 2017 hebben Nemea Bank en de overige verzoekers in eerste aanleg bij de ART een verzoek om toetsing van het litigieuze besluit ingediend.
16 Op 19 juni 2017 heeft de ART een advies uitgebracht waarin werd voorgesteld om het litigieuze besluit te vervangen door een inhoudelijk identiek besluit. Naar aanleiding van dit advies en op basis van een voorstel van de raad van toezicht heeft de raad van bestuur van de ECB op 30 juni 2017 overeenkomstig artikel 24, lid 7, van de GTM‑verordening besluit ECB/SSM/2017 – 213800JENPXTUY75VS 07/2 (hierna: „besluit van 30 juni 2017”) vastgesteld dat, zoals is aangegeven in het dispositief ervan, het litigieuze besluit heeft vervangen.
Beroep bij het Gerecht en bestreden beschikking
17 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 mei 2017, hebben Nemea Bank en de overige verzoekers in eerste aanleg een beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld en een vergoeding gevorderd van de schade die zij stellen te hebben geleden door de vaststelling van dit besluit. Ter ondersteuning van dat beroep hebben zij zes middelen aangevoerd.
18 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 oktober 2017, heeft de ECB krachtens artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Bij beschikking van 13 juli 2018 heeft het Gerecht de exceptie van niet-ontvankelijkheid overeenkomstig artikel 130, lid 7, van zijn Reglement voor de procesvoering gevoegd met de zaak ten gronde.
19 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 oktober 2017 heeft de Europese Commissie verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de ECB. Dit verzoek is ingewilligd op 23 juli 2018.
20 Bij maatregel tot organisatie van de procesgang van 30 april 2018 heeft het Gerecht partijen enkele vragen gesteld om met name te bepalen of verzoekers in eerste aanleg, ten gevolge van de benoeming van een persoon die bevoegd was om de voornaamste bevoegdheden uit te oefenen die normaliter toekomen aan de directieorganen van Nemea Bank met betrekking tot haar specifieke werkzaamheden en activa, bevoegd waren om een beroep tot nietigverklaring tegen een besluit van de ECB in te stellen alsook een beroep tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden ten gevolge van de vaststelling van dit besluit.
21 Op 1 april 2019 heeft het Gerecht de procedure opgeschort tot aan de uitspraak van het arrest van 5 november 2019, ECB e.a./Trasta Komercbanka e.a. (C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P, EU:C:2019:923), en bij een nieuwe maatregel tot organisatie van de procesgang van 10 december 2019 partijen uitgenodigd om het Gerecht mee te delen welke conclusies volgens hen uit dit arrest kunnen worden getrokken voor de beslechting van het geding.
22 Bij andere maatregelen tot organisatie van de procesgang van 30 januari en 23 december 2020 en 19 januari 2021 heeft het Gerecht partijen ondervraagd over de ontwikkelingen in de procedure voor de Tribunal għal Servizzi Finanzjarji (rechtbank voor aangelegenheden inzake financiële diensten, Malta) om de doeltreffende vertegenwoordiging van Nemea Bank te herstellen.
23 In punt 1 van het dictum van de bestreden beschikking heeft het Gerecht verklaard dat niet meer hoefde te worden beslist op het verzoek tot nietigverklaring omdat het zonder voorwerp was geraakt en verzoekers in eerste aanleg geen procesbelang meer hadden. In punt 2 van het dictum heeft het Gerecht het verzoek tot schadevergoeding kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. In punt 3 van voornoemd dictum heeft het verzoekers in eerste aanleg en de ECB verwezen in hun eigen kosten in verband met het verzoek tot nietigverklaring. In punt 4 van het dictum heeft het verzoekers in eerste aanleg verwezen in hun eigen kosten en in die van de ECB in verband met het verzoek tot schadevergoeding. Ten slotte heeft het in punt 5 van het dictum van de bestreden beschikking de Commissie verwezen in haar eigen kosten.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
24 Nemea Bank verzoekt het Hof: – de bestreden beschikking te vernietigen; – de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht opdat deze zaak wordt toegewezen aan een kamer die is samengesteld uit andere rechters dan diegenen die deel hebben uitgemaakt van de kamer die de bestreden beschikking heeft gegeven, en – de ECB te verwijzen in de kosten.
25 De ECB verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en rekwirante te verwijzen in de kosten.
26 De Commissie verzoekt het Hof eveneens de hogere voorziening af te wijzen en rekwirante te verwijzen in de kosten.
Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling
27 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 27 november 2024, heeft Nemea Bank om heropening van de mondelinge behandeling op grond van artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht.
28 Ter ondersteuning van haar verzoek geeft zij aan dat zij argumenten wenst aan te voeren betreffende de arresten van 8 februari 2024, Pilatus Bank/ECB (C‑750/21 P, EU:C:2024:124), en Pilatus Bank/ECB (C‑256/22 P, EU:C:2024:125), waarover partijen hun standpunten niet hebben kunnen uitwisselen.
29 In dat verband dient te worden opgemerkt dat het Hof op grond van artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering, in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de opening of de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof.
30 In casu is het Hof echter van oordeel dat het over alle gegevens beschikt die het nodig heeft om uitspraak te doen en dat de door Nemea Bank ter onderbouwing van haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling aangevoerde gegevens geen nieuwe feiten aan het licht brengen die van invloed kunnen zijn op de door het Hof te geven beslissing.
31 Het Hof ziet bijgevolg, de advocaat-generaal gehoord, geen aanleiding om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.
Hogere voorziening
32 Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante vijf middelen aan. De eerste drie middelen zijn gericht tegen de beslissing van het Gerecht om het beroep tot nietigverklaring zonder beslissing af te doen. Zij zijn respectievelijk ontleend aan schending van artikel 263, eerste alinea, VWEU, schending van wezenlijke vormvoorschriften en aan het niet in aanmerking nemen van een schending van de rechten die rekwirante ontleent aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). De twee laatste middelen zijn gericht tegen de beslissing van het Gerecht om het verzoek tot schadevergoeding kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren en zijn ontleend aan het niet in aanmerking nemen van de schending van de rechten die rekwirante aan artikel 41 van het Handvest en artikel 340 VWEU ontleent.
Eerste middel
Argumenten van partijen
33 Met haar eerste middel, dat gericht is tegen de punten 29 tot en met 55 van de bestreden beschikking, betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door het beroep tot nietigverklaring zonder beslissing af te doen op grond dat rekwirante haar procesbelang om op te komen tegen het litigieuze besluit, had verloren. Daardoor heeft het Gerecht niet voldaan aan zijn verplichting krachtens artikel 263 VWEU om de wettigheid na te gaan van de handelingen van de ECB die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te sorteren en zijn verplichting om de wettelijke en fundamentele rechten van rekwirante te beschermen.
34 Verder voert rekwirante aan dat de door het Gerecht aanvaarde ex‑tuncwerking van het besluit van 30 juni 2017 strijdig is met artikel 263 VWEU, aangezien het haar het recht ontneemt om het litigieuze besluit door de Unierechter te laten toetsen. Dergelijke werking is zuiver fictief want zelfs indien het litigieuze besluit op laatstgenoemde datum nietig was verklaard, zou de situatie waarin rekwirante zich bevond voor de intrekking, niet worden hersteld. De daadwerkelijke werking van het besluit van 30 juni 2017 kan slechts ex nunc zijn, en hetzelfde geldt voor de gevolgen van een eventueel herstel van de betrokken vergunning. De situatie van rekwirante was, wat betreft de vergunning, onveranderd gebleven tijdens de periode tussen de vaststelling van het litigieuze besluit en de vaststelling van het besluit van 30 juni 2017. Het litigieuze besluit heeft dus vanaf de vaststelling ervan voor rekwirante ongewijzigd en ononderbroken rechtsgevolgen gehad, zodat de nietigverklaring ervan rechtsgevolgen kan sorteren en voordelen kan opleveren voor rekwirante.
35 De ECB betoogt dat het Gerecht terecht heeft vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring tegen het litigieuze besluit zonder voorwerp was geraakt. In dit verband stelt zij dat deze vaststelling de rechten die rekwirante aan artikel 263 VWEU ontleent, niet schendt aangezien na de vervanging van het litigieuze besluit door het besluit van 30 juni 2017, het beroep tot nietigverklaring tegen het besluit van 30 juni 2017 ontvankelijk was binnen de termijn die in deze bepaling was gesteld. Een dergelijk beroep kan volgens de ECB worden beschouwd als een doeltreffend rechtsmiddel in de zin van artikel 47 van het Handvest. Het in vaste rechtspraak van het Gerecht verankerde vereiste van het voortbestaan van procesbelang is evenmin strijdig met artikel 263 VWEU.
36 Het is volgens de ECB bovendien niet meer mogelijk om na de vervanging van het litigieuze besluit door het besluit van 30 juni 2017, tegen dit laatste besluit een beroep tot nietigverklaring in te stellen. Een dergelijk beroep is namelijk zonder voorwerp, aangezien het litigieuze besluit is opgeheven en zijn eventuele schadelijke effecten thans zijn toe te rekenen aan het besluit van 30 juni 2017, waartegen rekwirante geen beroep heeft ingesteld en dat bijgevolg definitief is geworden. Ook al was het litigieuze besluit nietig verklaard, rekwirantes vergunning zou door het besluit van 30 juni 2017 ingetrokken blijven, zodat een dergelijke nietigverklaring haar geen voordeel zou verschaffen. Deze omstandigheid ontneemt rekwirante niet de mogelijkheid die het Unierecht haar biedt om een beroep tot schadevergoeding in te stellen wat betreft de intrekking van haar vergunning, zonder dat zij verplicht is om eerst een beroep tot nietigverklaring in te stellen.
Beoordeling door het Hof
37 Uit het dossier waarover het Hof beschikt volgt dat Nemea Bank een Maltese kredietinstelling is die als „minder belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat” wordt beschouwd in de zin van de GTM‑kaderverordening. Op 23 maart 2017 heeft de ECB, op aanvraag van de nationale bevoegde autoriteit, te weten de MFSA, het litigieuze besluit vastgesteld waarbij zij de aan Nemea Bank verleende vergunning voor het uitoefenen van de werkzaamheden van een kredietinstelling heeft ingetrokken. Op 22 april 2017 hebben Nemea Bank en de overige verzoekers in eerste aanleg bij de ART een verzoek om administratieve toetsing van het litigieuze besluit ingediend krachtens artikel 24, lid 5, van de GTM‑verordening. De ECB heeft na afloop van deze toetsing op 30 juni 2017 een besluit vastgesteld dat het litigieuze besluit heeft ingetrokken en vervangen en waarvan de inhoud gelijk is aan die van het litigieuze besluit.
38 Op 22 mei 2017, tijdens de administratieve toetsingsprocedure, hebben Nemea Bank en de overige verzoekers in eerste aanleg eveneens een beroep tegen het litigieuze besluit bij het Gerecht ingesteld waarbij zij hebben verzocht om nietigverklaring van dat besluit en om vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden door dat besluit. Zij hebben echter bij het Gerecht geen beroep in de voorgeschreven vorm ingesteld tegen het besluit van 30 juni 2017.
39 Het Gerecht heeft in de punten 41, 45, 47 en 52 van de bestreden beschikking in wezen geoordeeld dat artikel 24, lid 7, van de GTM‑verordening de ECB verplicht om het besluit dat is aangenomen na afloop van de administratieve toetsingsprocedure, te laten terugwerken tot de inwerkingtreding van het oorspronkelijke besluit, en dat de vervanging van dat oorspronkelijke besluit door een identiek of een gewijzigd besluit de definitieve verdwijning ervan in de rechtsorde tot gevolg heeft. Het Gerecht was van oordeel dat het besluit van 30 juni 2017 het litigieuze besluit had ingetrokken en vervangen vanaf de datum waarop laatstgenoemd besluit was vastgesteld, te weten 23 maart 2017, zodat verzoekers in eerste aanleg geen belang meer hadden bij de nietigverklaring ervan. Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat hun beroep tot nietigverklaring zonder voorwerp was geraakt.
40 In dit verband is het juist dat, zoals het Gerecht in punt 35 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt, volgens vaste rechtspraak het procesbelang, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid moet bestaan in het stadium van de instelling van het beroep. Dit voorwerp van het geding moet, evenals het procesbelang, op straffe van afdoening zonder beslissing blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing, hetgeen onderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (arresten van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie,C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 42, en 21 januari 2021, Leino-Sandberg/Parlement,C‑761/18 P, EU:C:2021:52, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 In verscheidene situaties heeft het Hof aanvaard dat het procesbelang van een verzoeker niet noodzakelijkerwijs verdwijnt vanwege het feit dat de door hem aangevochten handeling gedurende de procedure heeft opgehouden effect te sorteren. Een verzoeker kan er immers belang bij blijven hebben een verklaring van onrechtmatigheid van die handeling te verkrijgen voor de periode dat deze toepasselijk was en effect sorteerde, aangezien een dergelijke verklaring op zijn minst een grondslag voor een aansprakelijkheidsvordering zou kunnen opleveren (arresten van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie, C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punt 62, en 6 mei 2021, Bayer CropScience en Bayer/Commissie, C‑499/18 P, EU:C:2021:367, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Bovendien moet het voortbestaan van het procesbelang van een verzoeker in concreto worden beoordeeld, met name rekening houdend met de gevolgen van de gestelde onrechtmatigheid en met de aard van de beweerdelijk geleden schade (arresten van 30 april 2020, Izba Gospodarcza Producentów i Operatorów Urządzeń Rozrywkowych/Commissie,C‑560/18 P, EU:C:2020:330, punt 41, en 7 september 2023, Versobank/ECB,C‑803/21 P, EU:C:2023:630, punt 160 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 In dit verband is het juist dat uit de bewoordingen van artikel 24, lid 7, van de GTM‑verordening blijkt dat wanneer de ECB na afloop van de administratieve toetsingsprocedure van mening is dat het besluit dat het voorwerp uitmaakt van deze toetsing niet hoeft te worden gewijzigd, zij dit besluit intrekt en vervangt door een besluit met dezelfde inhoud. Hieruit kan evenwel niet worden afgeleid dat een dergelijke intrekking, gevolgd door een dergelijke vervanging, een terugwerkende kracht heeft die gelijk is aan die van een nietigverklaring van een handeling van een instelling van de Europese Unie door een rechterlijke instantie van de Unie.
44 Zoals ook blijkt uit de rechtspraak van het Hof, houdt de opheffing van een handeling van een instelling van de Unie geen erkenning in van de onrechtmatigheid ervan en werkt zij ex nunc, in tegenstelling tot een arrest houdende nietigverklaring, dat de nietig verklaarde handeling met terugwerkende kracht uit de rechtsorde van de Unie verwijdert, zodat deze handeling wordt geacht nooit te hebben bestaan (zie in die zin arrest van 28 mei 2013, Abdulrahim/Raad en Commissie, C‑239/12 P, EU:C:2013:331, punt 68). De omstandigheid dat na deze opheffing de oorspronkelijke handeling is vervangen door een nieuwe handeling, kan aan deze laatste geen terugwerkende kracht verlenen.
45 Uit artikel 24, lid 7, van de GTM‑verordening blijkt bijgevolg, zoals de advocaat-generaal in punt 72 van haar conclusie heeft benadrukt, dat het oorspronkelijke besluit door de vaststelling van het tweede besluit met dezelfde inhoud – dat het oorspronkelijke besluit intrekt en vervangt – niet met terugwerkende kracht uit de rechtsorde van de Unie wordt verwijderd. Doordat het oorspronkelijke besluit de vergunning voor een kredietinstelling heeft ingetrokken, worden door de vaststelling van dit tweede besluit de gevolgen van het oorspronkelijke besluit verlengd zonder dat de gevolgen van het oorspronkelijke besluit verdwijnen.
46 Zoals rekwirante terecht aanvoert, heeft in casu het litigieuze besluit tot gevolg gehad dat de vergunning die haar was verleend voor het uitoefenen van de werkzaamheden van een kredietinstelling is ingetrokken. Het is dus dit besluit dat de mogelijke nadelige effecten heeft gesorteerd waarnaar zij verwijst.
47 Bovendien is, aangezien het verzoek om het oorspronkelijke besluit te toetsen overeenkomstig artikel 24, lid 8, van de GTM‑verordening geen opschortende werking heeft, het litigieuze besluit gevolgen blijven sorteren tot de inwerkingtreding van het besluit van 30 juni 2017, te weten op het moment van de kennisgeving ervan aan rekwirante. Het is dus pas vanaf deze kennisgeving dat dit laatste besluit het litigieuze besluit heeft ingetrokken en vervangen, zoals ook blijkt uit de bewoordingen van het dispositief van het besluit van 30 juni 2017.
48 Het Gerecht heeft derhalve in de punten 41, 42 en 47 van de bestreden beschikking onterecht vastgesteld dat het besluit van 30 juni 2017 het litigieuze besluit vanaf de datum van vaststelling van dit laatste besluit met terugwerkende kracht heeft vervangen.
49 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 53 en 55 van de bestreden beschikking te oordelen dat het litigieuze besluit met terugwerkende kracht was vervangen en dat het beroep tot nietigverklaring van dit besluit zonder voorwerp was geraakt.
50 Bijgevolg moet het eerste middel van de hogere voorziening worden toegewezen en moeten de punten 1 en 3 van het dictum van de bestreden beschikking worden vernietigd, zonder dat het tweede en het derde middel hoeven te worden onderzocht.
Vierde en vijfde middel
Argumenten van partijen
51 Met haar vierde en vijfde middel, die zijn gericht tegen de punten 56 tot en met 63 van de bestreden beschikking en die tezamen moeten worden onderzocht, betoogt rekwirante dat het Gerecht, door het verzoek tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, niet in aanmerking heeft genomen dat de ECB de rechten heeft geschonden die zij ontleent aan artikel 41 van het Handvest en artikel 340 VWEU en die zien op de vergoeding door de Unie van de schade die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt. Het Gerecht heeft haar aldus haar rechten ontnomen, ondanks de aanzienlijke schade die de ECB en haar personeelsleden haar hebben berokkend. Het Gerecht heeft zijn analyse van het verzoek tot schadevergoeding gebaseerd op de beslissing om geen uitspraak te doen op het verzoek tot nietigverklaring, teneinde de ECB in staat te stellen haar aansprakelijkheid voor haar handelingen te ontlopen.
52 Bovendien heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voorbij te gaan aan het verband tussen de grondslag van het verzoek tot nietigverklaring en de grondslag van het verzoek tot schadevergoeding, aangezien het verzoek tot schadevergoeding niet los van de grondslag van het verzoek tot nietigverklaring kan worden onderzocht.
53 Verder is de vaststelling van het Gerecht in punt 60 van de bestreden beschikking dat het verzoek tot schadevergoeding te abstract is en geen middelen, argumenten of een samenvatting daarvan bevat, onjuist, aangezien het verzoek tot nietigverklaring dat aan het verzoek tot schadevergoeding ten grondslag ligt, al deze elementen bevat.
54 Rekwirante stelt verder dat als het Gerecht niet ten onrechte had geoordeeld dat er niet meer hoefde te worden beslist op het verzoek tot nietigverklaring en het verband had erkend tussen dit verzoek en het verzoek tot schadevergoeding, het zou hebben vastgesteld dat de procedure tot vaststelling van het litigieuze besluit een groot aantal onregelmatigheden bevatte, die op zich volstonden als grondslag voor het verzoek tot schadevergoeding. In dit verband voert zij aan dat Nemea Bank gedurende de procedure niet doeltreffend werd vertegenwoordigd, het litigieuze besluit ontoereikend werd gemotiveerd en dat de ECB zich tijdens de procedure voor administratieve toetsing van dat besluit door de ART onrechtmatig heeft gedragen.
55 Rekwirante stelt bovendien dat de handelwijze van de ECB en in het bijzonder de intrekking van de vergunning die haar was verleend voor het uitoefenen van de werkzaamheden van een kredietinstelling de rechtstreekse oorzaak is van de door haar geleden schade, hetgeen zij heeft aangetoond. Het bedrag van deze schade, dat zij op 100 miljoen EUR begroot, dekt echter noch het verlies van reputatie, handelsbetrekkingen en activiteiten dat Nemea Bank heeft geleden, noch de daling van haar inkomsten, maar vormt enkel een vergoeding voor het rechtstreekse waardeverlies van deze bank als gevolg van de handelwijze van de ECB.
56 Rekwirante betoogt voorts dat het Gerecht bij de kritiek op de gebreken in het verzoekschrift in eerste aanleg, eraan is voorbijgegaan dat deze zijn veroorzaakt doordat rekwirante niet doeltreffend werd vertegenwoordigd en geen toegang had tot de bewijzen, aangezien zij niet over haar bronnen kon beschikken en geen toegang had tot het dossier van de ECB.
57 De ECB en de Commissie concluderen tot afwijzing van deze twee middelen.
Beoordeling door het Hof
58 Wat ten eerste het in de punten 51 tot en met 53 van het onderhavige arrest samengevatte betoog van rekwirante betreft dat het Gerecht haar in wezen de in de artikelen 41 en 47 van het Handvest en de artikelen 263 en 340 VWEU neergelegde rechten heeft ontnomen door zijn beslissing om geen uitspraak te doen over het verzoek tot nietigverklaring te gebruiken als grondslag voor zijn analyse van het verzoek tot schadevergoeding en door geen rekening te houden met het verband tussen die twee verzoeken – teneinde de ECB in staat te stellen de aansprakelijkheid voor haar beweerdelijk schadelijke handelingen te ontlopen – moet worden opgemerkt dat het Gerecht in de punten 59 tot en met 61 van de bestreden beschikking de relevante rechtspraak heeft aangehaald betreffende de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie en het vereiste dat voortvloeit uit artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op de procedure voor het Gerecht en volgens hetwelk het verzoekschrift het onderwerp van het geschil, de middelen en aangevoerde argumenten en een summiere uiteenzetting van die middelen moet bevatten. Verder heeft het in punt 62 van deze beschikking terecht opgemerkt dat verzoekers in eerste aanleg niet rechtens genoegzaam hebben aangetoond uit welke handelingen van de ECB voortvloeit dat de Unie aansprakelijk kan worden gesteld, en evenmin dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en de gevolgen die het litigieuze besluit eventueel had kunnen sorteren.
59 Hieruit volgt dat de beslissing om het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen niet is gegrond op de beslissing van het Gerecht om geen uitspraak te doen op het verzoek tot nietigverklaring, maar op de onvolledigheid van het verzoek tot schadevergoeding.
60 Volgens vaste rechtspraak van het Hof staat het aan de partij die zich op de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie beroept om overtuigend bewijs over te leggen betreffende het bestaan en de omvang van de gestelde schade, alsmede betreffende het bestaan van een voldoende rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de gedraging van de betrokken instelling en de gestelde schade (arrest van 3 mei 2018, EUIPO/European Dynamics Luxembourg e.a.,C‑376/16 P, EU:C:2018:299, punt 92 en aangehaalde rechtspraak).
61 In casu voldoet het verzoekschrift in eerste aanleg kennelijk niet aan de in deze rechtspraak gestelde eisen, aangezien het zich beperkte tot de vaststelling dat de ECB moest worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die verzoekers in eerste aanleg door het litigieuze besluit stellen te hebben geleden – ten belope van 10 miljoen EUR, vermeerderd met rente –, welk bedrag zij in het kader van hun repliek in eerste aanleg tot 100 miljoen EUR hebben verhoogd. Zij hebben echter noch het bestaan van de gestelde schade aangetoond, noch argumenten aangevoerd waaruit het causale verband tussen de vermeend onrechtmatige handelwijze van de ECB en die gestelde schade blijkt. Verzoekers in eerste aanleg hebben in dat verband ook geen enkel bewijs overgelegd.
62 Het Gerecht heeft dus in de punten 62 en 63 van de bestreden beschikking geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het verzoek tot schadevergoeding kennelijk niet-ontvankelijk was omdat het tekortkomingen bevatte.
63 Bovendien zet rekwirante niet uiteen hoe de beschikking van het Gerecht haar het recht heeft ontnomen om te verzoeken om vergoeding van de eventuele schade die de ECB heeft veroorzaakt. Zij behoudt in principe het recht om een nieuw verzoek tot schadevergoeding in te dienen. Daartoe dient zij de door het Gerecht in de bestreden beschikking vastgestelde gebreken te herstellen en de voorwaarden na te leven die zijn gesteld in artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie, dat krachtens artikel 53, eerste alinea, ervan toepasselijk is op de procedure voor het Gerecht en volgens hetwelk de vorderingen tegen de Unie inzake niet-contractuele aansprakelijkheid vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven, verjaren, waarbij deze verjaring met name wordt gestuit door een bij het Hof ingesteld beroep.
64 Wat ten tweede het in punt 55 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte argument van rekwirante betreft dat de handelwijze van de ECB de rechtstreekse oorzaak is van het waardeverlies van Nemea Bank en dat het bedrag van 100 miljoen EUR slechts een deel van de door rekwirante geleden schade dekt, moet worden vastgesteld dat rekwirante met dat betoog niet aanvoert dat het Gerecht blijkt heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, maar zij enkel de feitelijke overwegingen herhaalt die in het kader van het beroep in eerste aanleg zijn aangevoerd.
65 Volgens vaste rechtspraak van het Hof blijkt uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van zijn vaststellingen blijkt uit de aan het Gerecht overgelegde processtukken, alsmede om die feiten te beoordelen. Bijgevolg levert de beoordeling van de feiten – behoudens het geval van onjuiste opvatting van de aan het Gerecht overgelegde bewijselementen – geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (arrest van 11 januari 2024, Wizz Air Hungary/Commissie,C‑440/22 P, EU:C:2024:26, punten 57 en 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 Wat ten derde het in punt 56 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte argument van rekwirante betreft dat het Gerecht bij zijn kritiek op de tekortkomingen van het verzoekschrift in eerste aanleg heeft nagelaten om in aanmerking te nemen dat deze tekortkomingen zijn veroorzaakt doordat rekwirante niet doeltreffend werd vertegenwoordigd en geen toegang heeft gehad tot de bewijzen, moet worden opgemerkt dat, zoals ook blijkt uit punt 62 van het onderhavige arrest, het Gerecht terecht heeft vastgesteld dat het verzoek tot schadevergoeding kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het onvolledig is. Uit het verzoekschrift in eerste aanleg blijkt immers dat rekwirante geen elementen voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie heeft verstrekt en zij ook niet uiteenzet hoe het gestelde gebrek aan toegang tot bronnen van de instelling en bewijsmiddelen haar had kunnen beletten om met de vereiste mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid haar betoog over het bestaan van die elementen te formuleren, met name gelet op het feit dat zij werd vertegenwoordigd door een advocaat en dat zij daartoe geen aanvraag voor rechtsbijstand had ingediend.
67 Bijgevolg zijn het vierde en het vijfde middel gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond.
68 Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat de punten 1 en 3 van het dictum van de bestreden beschikking moeten worden vernietigd.
Beroep bij het Gerecht
69 Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
70 Dit is in casu niet het geval. Aangezien het Gerecht heeft geoordeeld dat niet hoefde te worden beslist zonder de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring en het geding ten gronde te hebben onderzocht, is het geding niet in staat van wijzen en moet de zaak bijgevolg worden terugverwezen naar het Gerecht, dat over dit beroep een uitspraak zal doen.
71 Bijgevolg moet het verzoek van rekwirante om de zaak te verwijzen naar een kamer van het Gerecht die is samengesteld uit andere rechters dan die welke de bestreden beschikking hebben gegeven, worden afgewezen. Het Reglement voor de procesvoering van het Hof voorziet namelijk niet in de mogelijkheid voor het Hof om na afloop van het onderzoek van een hogere voorziening instructies aan het Gerecht te geven omtrent de samenstelling van de kamer die de zaak zal behandelen na de verwijzing door het Hof. In voorkomend geval staat het aan de president van het Gerecht om, op grond van artikel 192, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de zaak eventueel toe te wijzen aan een andere kamer die zitting houdt met een gelijk aantal rechters.
Kosten
72 Daar de zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht, dient de beslissing omtrent de kosten van deze hogere voorziening te worden aangehouden.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
1) De punten 1 tot en met 3 van het dictum van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 20 december 2021, Niemelä e.a./ECB (T‑321/17, EU:T:2021:942), worden vernietigd.
2) De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.
3) De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie, dat opnieuw uitspraak zal doen op het verzoek tot nietigverklaring van Nemea Bank plc.
4) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 8 februari 2024, C-750/21, ECLI:EU:C:2024:124
- HvJ EU 8 februari 2024, C-256/22, ECLI:EU:C:2024:125
- HvJ EU 11 januari 2024, C-440/22, ECLI:EU:C:2024:26
- HvJ EU 6 mei 2021, C-499/18, ECLI:EU:C:2021:367
- HvJ EU 21 januari 2021, C-761/18, ECLI:EU:C:2021:52
- HvJ EU 30 april 2020, C-560/18, ECLI:EU:C:2020:330
- HvJ EU 5 november 2019, C-663/17, ECLI:EU:C:2019:923
- HvJ EU 3 mei 2018, C-376/16, ECLI:EU:C:2018:299
- HvJ EU 28 mei 2013, C-239/12, ECLI:EU:C:2013:331
- HvJ EU 7 juni 2007, C-362/05, ECLI:EU:C:2007:322