HvJ EU 5 oktober 2023, C-219/22, ECLI:EU:C:2023:732
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
5 oktober 2023 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2008/675/JBZ – Wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie – Artikel 1, lid 1 – Werkingssfeer – Artikel 3, leden 1, 3 en 4 – Verplichting om aan in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen rechtsgevolgen toe te kennen die gelijkwaardig zijn aan die van nationale veroordelingen – Voorwaarden – Veroordeling tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf – Tijdens de proefperiode gepleegd nieuw strafbaar feit – Intrekking van de opschorting en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf – Doorkruising van de eerdere veroordeling en eventuele beslissingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging ervan – Kaderbesluit 2008/947/JBZ – Artikel 14, lid 1 – Erkenning van veroordelingen met het oog op het toezicht op de proeftijdvoorwaarden en de eventuele intrekking van de opschorting van tenuitvoerlegging”
In zaak C‑219/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Rayonen sad Nesebar (rechter in eerste aanleg Nesebar, Bulgarije) bij beslissing van 25 maart 2022, ingekomen bij het Hof op 28 maart 2022, in de strafrechtelijke procedure tegen
QS
in tegenwoordigheid van:
Rayonna prokuratura Burgas,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, L. S. Rossi (rapporteur), J.‑C. Bonichot, S. Rodin en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– QS, vertegenwoordigd door G. Koleva, advokat,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en I. Zaloguin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 april 2023,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie (PB 2008, L 220, blz. 32).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure tot daadwerkelijke tenuitvoerlegging in een lidstaat van een definitieve veroordeling tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf die jegens een onderdaan van een andere lidstaat is uitgesproken door een rechterlijke instantie van die andere lidstaat.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Kaderbesluit 2008/675
3 Overwegingen 2, 5 tot en met 7 en 14 van kaderbesluit 2008/675 luiden als volgt: „(2) Op 29 november 2000 heeft de Raad overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Tampere zijn goedkeuring gehecht aan een programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen dat voorziet in de ‚aanneming van één of verscheidene instrumenten tot vaststelling van het beginsel dat de rechter van een lidstaat bij de beoordeling van het strafrechtelijk verleden van de dader, de vaststelling van recidive en de bepaling van strafmodaliteiten en executiemodaliteiten rekening moet kunnen houden met onherroepelijke strafrechtelijke beslissingen in andere lidstaten’. […] (5) Als grondregel moet gelden dat de lidstaten aan een in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling gevolgen moeten verbinden die gelijkwaardig zijn aan de gevolgen van een nationale veroordeling overeenkomstig het nationale recht, ongeacht of het volgens het nationale recht om feitelijke gevolgen dan wel om procesrechtelijke of materieelrechtelijke gevolgen gaat. Dit kaderbesluit beoogt evenwel niet een harmonisatie tot stand te brengen wat betreft de gevolgen die door de verschillende nationale wetgevingen aan het bestaan van eerdere veroordelingen worden verbonden, en de verplichting om rekening te houden met eerdere, in andere lidstaten uitgesproken veroordelingen bestaat alleen voor zover volgens het nationaal recht met eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf rekening wordt gehouden. (6) In tegenstelling tot andere instrumenten richt dit kaderbesluit zich niet op de tenuitvoerlegging in een bepaalde lidstaat van rechterlijke beslissingen die in andere lidstaten zijn genomen, maar strekt het ertoe dat in het kader van een nieuwe strafrechtelijke procedure in een lidstaat aan eerdere, in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen gevolgen kunnen worden verbonden voor zover volgens het nationale recht van die lidstaat ook aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf gevolgen worden verbonden. […] (7) De gevolgen die aan veroordelingen uit andere lidstaten worden verbonden, moeten gelijkwaardig zijn aan de gevolgen die aan nationale veroordelingen verbonden worden, en zulks tijdens de fase die aan het strafproces voorafgaat, tijdens het strafproces zelf en bij de tenuitvoerlegging van het vonnis. […] (14) Een vonnis of de tenuitvoerlegging daarvan wordt onder meer doorkruist indien de bij het eerdere vonnis opgelegde sanctie volgens het nationale recht van de tweede lidstaat moet opgaan of moet worden opgenomen in een andere sanctie, die vervolgens daadwerkelijk ten uitvoer dient te worden gelegd, voor zover de eerste straf niet reeds ten uitvoer is gelegd of de tenuitvoerlegging ervan niet is overgedragen aan de tweede lidstaat.”
4 Artikel 1 van dit kaderbesluit, met als opschrift „Voorwerp”, bepaalt in lid 1 het volgende: „Dit kaderbesluit heeft ten doel de voorwaarden vast te stellen waaronder in een strafrechtelijke procedure in een lidstaat tegen een persoon rekening wordt gehouden met eerdere veroordelingen die in andere lidstaten wegens andere feiten tegen de betrokkene zijn uitgesproken.”
5 Artikel 2 van dit kaderbesluit, met als opschrift „Definities”, luidt als volgt: „In dit kaderbesluit wordt onder ‚veroordeling’ verstaan: elke definitieve beslissing van een strafgerecht waarbij wordt vastgesteld dat een persoon schuldig is aan een strafbaar feit.”
6 Artikel 3 van ditzelfde kaderbesluit, met als opschrift „Wijze waarop in een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met een in een andere lidstaat uitgesproken veroordeling”, bepaalt in de leden 1 tot en met 4 het volgende: „1. Elke lidstaat zorgt ervoor dat in een strafrechtelijke procedure tegen een persoon rekening wordt gehouden met in andere lidstaten tegen de betrokkene uitgesproken, eerdere veroordelingen wegens andere feiten, waarover krachtens de geldende rechtsinstrumenten inzake wederzijdse rechtsbijstand of inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister informatie is verkregen, zulks voor zover in de lidstaat zelf met eerdere veroordelingen rekening wordt gehouden, en dat aan die in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen rechtsgevolgen worden verbonden, gelijkwaardig aan die welke de nationale wetgeving verbindt aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf. 2. Lid 1 is van toepassing tijdens de fase die aan het strafproces voorafgaat, tijdens het strafproces zelf en bij de tenuitvoerlegging van de veroordeling, met name wat betreft de geldende procesrechtelijke regels, inclusief die met betrekking tot de voorlopige hechtenis, de kwalificatie van het strafbare feit, de soort opgelegde straf en de strafmaat, en wat betreft de regels inzake de tenuitvoerlegging van de beslissing. 3. De inaanmerkingneming van in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen als bedoeld in lid 1, leidt er niet toe dat eerdere veroordelingen of eventuele besluiten betreffende de tenuitvoerlegging daarvan door de lidstaat waar de nieuwe strafrechtelijke procedure loopt, erdoor worden doorkruist, ingetrokken of herzien. 4. Overeenkomstig lid 3 is lid 1 niet van toepassing voor zover, indien de eerdere veroordeling een nationale veroordeling was geweest van de lidstaat die de nieuwe procedure voert, de inaanmerkingneming van de eerdere veroordeling er overeenkomstig het nationale recht van die lidstaat toe zou hebben geleid dat de eerdere veroordeling of een eventuele beslissing betreffende de tenuitvoerlegging daarvan wordt doorkruist, ingetrokken of herzien.”
Kaderbesluit 2008/947/JBZ
7 Artikel 1, leden 1 en 3, van kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PB 2008, L 337, blz. 102) bepaalt het volgende: „1. Dit kaderbesluit is erop gericht de resocialisatie van gevonniste personen te bevorderen, de bescherming van slachtoffers en de gemeenschap in het algemeen te verbeteren, en de toepassing van passende proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen te vereenvoudigen in het geval van delinquenten die niet wonen in de staat waar zij zijn veroordeeld. Ter verwezenlijking hiervan wordt in dit kaderbesluit bepaald volgens welke regels een andere lidstaat dan de lidstaat waar de betrokkene is veroordeeld, vonnissen en, in voorkomend geval, proeftijdvoorwaarden erkent en toezicht houdt op de krachtens een vonnis opgelegde proeftijdvoorwaarden of op de in dat vonnis vervatte alternatieve straffen, en alle overige beslissingen in verband met dat vonnis neemt, tenzij in dit kaderbesluit anders is bepaald. […] 3. Dit kaderbesluit is niet van toepassing op: a) de tenuitvoerlegging van strafvonnissen waarbij een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel wordt opgelegd en die vallen onder kaderbesluit [2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27)]; […]”
8 In artikel 14, lid 1, van kaderbesluit 2008/947 is bepaald: „De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat is bevoegd alle vervolgbeslissingen in verband met een voorwaardelijke straf, een voorwaardelijke invrijheidstelling, een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging en een alternatieve straf te geven, met name in geval van het niet-naleven van een proeftijdvoorwaarde of een alternatieve straf en in het geval dat de gevonniste persoon een nieuw strafbaar feit pleegt. Deze vervolgbeslissingen omvatten met name: a) het wijzigen van de in de proeftijdvoorwaarde of de alternatieve straf vervatte verplichtingen of instructies, en het wijzigen van de duur van de proeftijd; b) het intrekken van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis of het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidsstelling; c) het opleggen van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel in het geval van een alternatieve straf of een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging.”
Bulgaars recht
9 Artikel 8, lid 2, van de Nakazatelen kodeks (Bulgaars wetboek van strafrecht; hierna: „NK”) bepaalt: „Met een in kracht van gewijsde gegane veroordeling die is uitgesproken in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens een handeling die volgens de [NK] een strafbaar feit vormt, wordt rekening gehouden in elke strafrechtelijke procedure die in de Republiek Bulgarije tegen die persoon wordt gevoerd.”
10 Artikel 68, lid 1, NK luidt als volgt: „Indien de gevonniste persoon vóór het einde van de door de rechter vastgestelde proeftijd een ander opzettelijk strafbaar feit pleegt dat door het openbaar ministerie wordt vervolgd en waarvoor hem, zelfs na de proeftijd, een vrijheidsstraf wordt opgelegd, moet hij ook de voorwaardelijke straf ondergaan.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
11 QS is een Roemeens onderdaan en woont in Roemenië.
12 Bij vonnis van 3 april 2019, dat is bevestigd bij een in kracht van gewijsde gegaan arrest van de Curte de Apel Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) van 24 juni 2019, is QS veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van één jaar en zes maanden, met een proeftijd van twee jaar, te weten tot 24 juni 2021 (hierna: „eerste veroordeling”), wegens het besturen van een motorvoertuig onder invloed van alcohol (hierna: „eerste strafbaar feit”).
13 Op 1 september 2020 heeft QS tijdens de in de eerste veroordeling bepaalde proeftijd op Bulgaars grondgebied een nieuw strafbaar feit gepleegd omdat hij onder invloed reed (hierna: „tweede strafbaar feit”).
14 Bij een op 9 maart 2022 definitief geworden beschikking van de verwijzende rechter – de Rayonen sad Nesebar (rechter in eerste aanleg Nesebar, Bulgarije) – is QS veroordeeld tot een vrijheidsstraf van drie maanden, een geldboete van 150 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 77 EUR) en ontzegging van de rijbevoegdheid voor twaalf maanden (hierna: „tweede veroordeling”).
15 Op 23 maart 2022 is bij de verwijzende rechter door de openbaar aanklager van de Rayonna prokuratura Burgas (regionaal openbaar ministerie Burgas, Bulgarije) op grond van artikel 68, lid 1, NK een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de eerste veroordeling, omdat het tweede strafbare feit was gepleegd tijdens de proeftijd die bij deze veroordeling was vastgesteld.
16 Gelet op een en ander koestert de verwijzende rechter twijfel over de uitlegging van kaderbesluit 2008/675. In dit verband voert hij aan dat artikel 3, lid 1, van dit kaderbesluit is omgezet bij artikel 8, lid 2, NK, volgens hetwelk met een in kracht van gewijsde gegane veroordeling die is uitgesproken in een andere lidstaat dan de Republiek Bulgarije wegens een handeling die volgens de NK een strafbaar feit vormt, rekening wordt gehouden in elke strafrechtelijke procedure die in Bulgarije tegen die persoon wordt gevoerd.
17 Dit is het geval voor de eerste veroordeling, aangezien QS in Roemenië definitief is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van één jaar en zes maanden en op basis van de informatie die via de instrumenten voor wederzijdse rechtshulp is verzameld, is komen vast te staan dat de handeling die het eerste strafbare feit oplevert ook een strafbaar feit op grond van de NK vormt.
18 De verwijzende rechter stelt bovendien vast dat in casu is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 68, lid 1, NK voor de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de eerste veroordeling. Vóór het einde van de proeftijd waarin die veroordeling voorziet, heeft QS immers een ander opzettelijk strafbaar feit gepleegd waarvoor hij tot een vrijheidsstraf is veroordeeld.
19 De verwijzende rechter is dan ook van oordeel dat hij op grond van artikel 8, lid 2, juncto artikel 68, lid 1, NK rekening moet houden met de eerste veroordeling en deze ten uitvoer moet leggen. Volgens die rechter rijst evenwel de vraag of artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675 zich tegen die inaanmerkingneming verzet.
20 De verwijzende rechter betoogt dat deze bepaling, zoals door het Hof, met name is uitgelegd in het arrest van 21 september 2017, Beshkov (C‑171/16, EU:C:2017:710), vereist dat een beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van een eerdere veroordeling niet wordt herzien. Hij is evenwel van mening dat de onderhavige zaak verschilt van die welke tot dat arrest heeft geleid, aangezien de wijze van tenuitvoerlegging van de eerste veroordeling niet naar goeddunken van deze rechter wordt gewijzigd, maar het gevolg is van een toepasselijke dwingende bepaling, te weten artikel 68, lid 1, NK.
21 Tegen deze achtergrond heeft de Rayonen sad Nesebar (rechter in eerste aanleg, Nesebar) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: „Moet artikel 3, lid 3, van kaderbesluit [2008/675] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die in artikel 68, lid 1, NK, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 2, NK, volgens welke de nationale rechter die uitspraak moet doen over een vordering tot tenuitvoerlegging van de straf die is opgelegd in het kader van een eerdere door een rechter van een andere lidstaat uitgesproken veroordeling, daartoe de wijze van tenuitvoerlegging van deze laatste straf kan wijzigen wanneer hij de daadwerkelijke tenuitvoerlegging daarvan gelast?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
22 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675 aldus moet worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie van een lidstaat waarbij een vordering is ingediend tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf die is opgelegd in het kader van een eerdere door een rechter van een andere lidstaat uitgesproken definitieve veroordeling wegens andere feiten, deze opschorting kan intrekken en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van die straf kan gelasten.
23 Om te beginnen moet worden nagegaan of een dergelijke vordering binnen de werkingssfeer van kaderbesluit 2008/675 valt.
24 In dit verband zij eraan herinnerd dat dit kaderbesluit volgens artikel 1, lid 1, ten doel heeft de voorwaarden vast te stellen waaronder rekening wordt gehouden met eerdere veroordelingen die in een lidstaat tegen een persoon zijn uitgesproken in geval van een nieuwe strafrechtelijke procedure in een andere lidstaat tegen dezelfde persoon wegens andere feiten (arrest van 5 juli 2018, Lada, C‑390/16, EU:C:2018:532, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Tevens moet worden opgemerkt dat het begrip „veroordeling” volgens artikel 2 van dat kaderbesluit ziet op elke definitieve beslissing van een strafgerecht waarbij wordt vastgesteld dat een persoon schuldig is aan een strafbaar feit.
25 Hieruit volgt dat kaderbesluit 2008/675, zoals de advocaat-generaal in punt 36 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, van toepassing is op elke nieuwe strafrechtelijke procedure die is ingeleid tegen een persoon die eerder definitief is veroordeeld wegens andere feiten in een andere lidstaat.
26 Bovendien volgt uit artikel 3, lid 2, van dit kaderbesluit, gelezen in het licht van de overwegingen 2 en 7 ervan, dat het begrip „nieuwe strafrechtelijke procedure” voor de toepassing van dat kaderbesluit de fase omvat die voorafgaat aan het strafproces, het strafproces zelf en de tenuitvoerlegging van de veroordeling (zie in die zin arrest van 5 juli 2018, Lada, C‑390/16, EU:C:2018:532, punten 29 en 30).
27 Kaderbesluit 2008/675 is dus niet alleen van toepassing op procedures die verband houden met de bepaling en de vaststelling van de mogelijke schuld van de vervolgde persoon, maar ook op procedures betreffende de tenuitvoerlegging van de straf waarvoor rekening moet worden gehouden met de straf die is opgelegd in een eerdere, in een andere lidstaat uitgesproken definitieve veroordeling (zie in die zin arrest van 21 september 2017, Beshkov, C‑171/16, EU:C:2017:710, punt 28).
28 In casu is de in punt 15 van het onderhavige arrest vermelde vordering in het hoofdgeding ingediend in een lidstaat, te weten de Republiek Bulgarije, tegen een persoon die eerder in een andere lidstaat, te weten Roemenië, definitief was veroordeeld.
29 Bovendien strekt deze vordering weliswaar tot de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de bij die eerste veroordeling opgelegde straf, maar is zij ingediend wegens de uitspraak in Bulgarije van een tweede veroordeling van die persoon wegens andere feiten en maakt zij deel uit van een procedure tot tenuitvoerlegging van die tweede veroordeling, waarvoor rekening moet worden gehouden met de bij die eerste veroordeling in Roemenië opgelegde straf.
30 Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt immers uit het toepasselijke nationale recht, zoals uiteengezet in de verwijzingsbeslissing, dat wanneer, zoals in casu, een persoon die eerder tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf is veroordeeld, in een andere lidstaat opnieuw tot een vrijheidsstraf wordt veroordeeld wegens een opzettelijk gepleegd strafbaar feit tijdens de in de eerste veroordeling vastgestelde proeftijd, de bevoegde rechter met het oog op de nieuwe veroordeling ook uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf waarin de eerste veroordeling voorziet.
31 Uit het voorgaande volgt dat de vordering in het hoofdgeding is ingediend in het kader van een nieuwe strafrechtelijke procedure die in een lidstaat is ingeleid tegen een persoon die eerder in een andere lidstaat definitief was veroordeeld voor andere feiten, en aldus binnen de werkingssfeer van kaderbesluit 2008/675 valt.
32 In die omstandigheden moet de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter aldus worden begrepen dat hij in wezen wenst te vernemen of artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een rechterlijke instantie van die lidstaat waarbij in een nieuwe strafrechtelijke procedure tegen een persoon die definitief is veroordeeld tot een voorwaardelijke straf die eerder in een andere lidstaat is uitgesproken wegens andere feiten en die nog niet volledig ten uitvoer is gelegd, een vordering tot tenuitvoerlegging van deze veroordeling is ingediend, deze opschorting kan intrekken en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van die straf kan gelasten.
33 In dit verband moet om te beginnen worden benadrukt dat het kaderbesluit, zoals in overweging 6 staat te lezen, zich dus niet richt op de tenuitvoerlegging in een bepaalde lidstaat van rechterlijke beslissingen die in andere lidstaten zijn genomen. Uit de overwegingen 2 en 5 tot en met 7 volgt dat kaderbesluit 2008/675 ertoe strekt dat elke lidstaat aan eerdere, in een andere lidstaat uitgesproken strafrechtelijke veroordelingen rechtsgevolgen verbindt die gelijkwaardig zijn aan de rechtsgevolgen van eerdere veroordelingen overeenkomstig het nationale recht, teneinde het strafrechtelijk verleden van de betrokkene te beoordelen, recidive vast te stellen en de strafmodaliteiten en de executiemodaliteiten te bepalen [zie in die zin arrest van 15 april 2021, AV (Verzamelvonnis),C‑221/19, EU:C:2021:278, punten 47‑49 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
34 Overeenkomstig deze doelstelling legt artikel 3, lid 1, van dit kaderbesluit, gelezen in het licht van overweging 5, de lidstaten de verplichting op om ervoor te zorgen dat, in geval van een nieuwe strafrechtelijke procedure tegen een persoon, enerzijds rekening wordt gehouden met de eerdere, in een andere lidstaat uitgesproken veroordelingen waarover krachtens de geldende rechtsinstrumenten inzake wederzijdse rechtsbijstand of inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister informatie is verkregen, voor zover naar nationaal recht met eerdere nationale veroordelingen rekening wordt gehouden, en anderzijds aan die veroordelingen rechtsgevolgen worden verbonden die gelijkwaardig zijn aan de rechtsgevolgen die volgens dat recht aan nationale veroordelingen worden verbonden, ongeacht of het om feitelijke gevolgen dan wel om procesrechtelijke of materieelrechtelijke gevolgen gaat [zie in die zin arrest van 15 april 2021, AV (Verzamelvonnis),C‑221/19, EU:C:2021:278, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
35 Evenwel mag volgens artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675 de inaanmerkingneming, in geval van een nieuwe strafrechtelijke procedure, van in andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen niet ertoe leiden dat eerdere veroordelingen of eventuele besluiten betreffende de tenuitvoerlegging daarvan door de lidstaat die de nieuwe strafrechtelijke procedure uitvoert worden doorkruist, of dat die veroordelingen, die in aanmerking moeten worden genomen zoals ze zijn uitgesproken, worden ingetrokken of herzien [zie in die zin arrest van 15 april 2021, AV (Verzamelvonnis),C‑221/19, EU:C:2021:278, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36 In het verlengde van deze bepaling preciseert artikel 3, lid 4, van dit kaderbesluit dat artikel 3, lid 1, niet van toepassing is voor zover, indien de eerdere veroordeling een nationale veroordeling was geweest van de lidstaat die de nieuwe procedure voert, de inaanmerkingneming van de eerdere veroordeling er overeenkomstig het nationale recht van die lidstaat toe zou hebben geleid dat de eerdere veroordeling of een eventuele beslissing betreffende de tenuitvoerlegging daarvan wordt doorkruist, ingetrokken of herzien.
37 Voor de toepassing van artikel 3, leden 3 en 4, van dit kaderbesluit preciseert overweging 14 dat „een vonnis of de tenuitvoerlegging daarvan” onder meer wordt doorkruist indien de bij het eerdere vonnis opgelegde sanctie volgens het nationale recht van de lidstaat waar de nieuwe strafrechtelijke procedure loopt, moet opgaan of moet worden opgenomen in een andere sanctie, die vervolgens daadwerkelijk ten uitvoer dient te worden gelegd, voor zover de eerste straf niet reeds ten uitvoer is gelegd of de tenuitvoerlegging ervan niet is overgedragen aan die lidstaat.
38 In dit verband heeft het Hof in de eerste plaats voor recht verklaard dat artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675, gelezen in het licht van overweging 6, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat een nationale rechter bij wie een nieuwe strafprocedure aanhangig is gemaakt, de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die is opgelegd bij een eerdere, in een andere lidstaat uitgesproken en reeds volledig ten uitvoer gelegde definitieve veroordeling, kan intrekken en deze straf kan omzetten in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De inaanmerkingneming van deze veroordeling in dergelijke omstandigheden zou immers tot gevolg hebben dat de wijze van tenuitvoerlegging van die veroordeling wordt herzien (zie in die zin arrest van 21 september 2017, Beshkov, C‑171/16, EU:C:2017:710, punten 44‑47).
39 Hieruit volgt dat, met betrekking tot een eerdere, in een lidstaat uitgesproken en volledig ten uitvoer gelegde definitieve veroordeling tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf, artikel 3, leden 3 en 4, van kaderbesluit 2008/675, gelezen in het licht van overwegingen 6 en 14, eraan in de weg staat dat een nationale rechter deze veroordeling op dezelfde voet als een nationale veroordeling in aanmerking neemt en er gevolgen toekent die gelijkwaardig zijn aan die welke aan nationale veroordelingen zijn verbonden, wanneer dit overeenkomstig het toepasselijke nationale recht tot gevolg zou hebben dat de proeftijd van de bij die veroordeling opgelegde straf wordt ingetrokken en deze straf wordt omgezet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
40 In de tweede plaats heeft het Hof gepreciseerd dat de inaanmerkingneming van een eerdere, in een andere lidstaat uitgesproken en niet volledig ten uitvoer gelegde definitieve veroordeling in het kader van een nieuwe strafrechtelijke procedure die wegens andere feiten tegen dezelfde persoon is ingeleid met het oog op de oplegging van een totaalstraf waarbij rekening wordt gehouden met die welke bij die veroordeling is opgelegd, niet tot gevolg heeft dat die veroordeling of enige beslissing betreffende de tenuitvoerlegging ervan wordt doorkruist in de zin van artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675, gelezen in het licht van overweging 14, wanneer diezelfde veroordeling overeenkomstig kaderbesluit 2008/909 is overgedragen en erkend met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de lidstaat waar de nieuwe strafprocedure plaatsvindt [zie in die zin arrest van 15 april 2021, AV (Verzamelvonnis),C‑221/19, EU:C:2021:278, punten 55 en 56].
41 In deze context moet worden opgemerkt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie heeft benadrukt, met betrekking tot een definitieve veroordeling tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, de toezending van die veroordeling aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de nieuwe strafprocedure loopt en de erkenning van die veroordeling door die lidstaat niet worden geregeld door kaderbesluit 2008/909, maar door kaderbesluit 2008/947 [zie in die zin arrest van 26 maart 2020, A. P. (Proeftijdvoorwaarden),C‑2/19, EU:C:2020:237, punt 59]. De werkingssfeer van deze twee kaderbesluiten sluit elkaar immers uit, zoals blijkt uit artikel 1, lid 3, onder a), van kaderbesluit 2008/947.
42 Dit neemt niet weg dat volgens artikel 14, lid 1, van laatstgenoemd kaderbesluit een van de gevolgen van de erkenning van een veroordeling tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf juist erin bestaat de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat de bevoegdheid te verlenen om maatregelen inzake de aanvankelijk verleende opschorting te treffen, die noodzakelijk lijken wanneer de veroordeelde persoon een nieuw strafbaar feit pleegt, waaronder met name de intrekking van de opschorting van de tenuitvoerlegging [zie in die zin arrest van 26 maart 2020, A. P. (Proeftijdvoorwaarden),C‑2/19, EU:C:2020:237, punten 47‑49].
43 Hieruit volgt dat met betrekking tot een definitieve veroordeling tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf die eerder in een lidstaat is uitgesproken en niet volledig ten uitvoer is gelegd, artikel 3, leden 3 en 4, van kaderbesluit 2008/675, gelezen in het licht van de overwegingen 6 en 14, zich slechts wanneer die veroordeling overeenkomstig kaderbesluit 2008/947 is toegezonden en erkend, er niet tegen verzet dat een nationale rechter deze veroordeling op dezelfde voet als een nationale veroordeling in aanmerking neemt en aan die veroordeling gevolgen toekent die gelijkwaardig zijn aan die van nationale veroordelingen, wanneer deze inaanmerkingneming tot gevolg heeft dat de aan die straf verbonden proeftijd wordt ingetrokken en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van die straf wordt gelast. Alleen in dat geval zou de inaanmerkingneming van dezelfde veroordeling immers niet tot gevolg hebben dat de beslissingen betreffende de tenuitvoerlegging ervan worden doorkruist in de zin van deze bepaling.
44 Enerzijds blijkt uit de verwijzingsbeslissing in de onderhavige zaak dat QS, na in Roemenië te zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf van één jaar en zes maanden met een proeftijd van twee jaar tot 24 juni 2021, op 1 september 2020, dat wil zeggen tijdens de proeftijd waarin de eerste veroordeling voorziet, een tweede strafbaar feit heeft gepleegd waarvoor hij in Bulgarije is veroordeeld. Hieruit volgt dat de eerste veroordeling niet volledig ten uitvoer was gelegd op de datum waarop het tweede strafbare feit is gepleegd.
45 Anderzijds zouden de inaanmerkingneming, in het hoofdgeding, van de eerste veroordeling op dezelfde voet als een nationale veroordeling en de erkenning van dezelfde gevolgen als die welke aan nationale veroordelingen worden verbonden, volgens de verwijzende rechter tot gevolg hebben dat deze rechter overeenkomstig het nationale recht, zoals uitgelegd door deze rechter, verplicht zou zijn om de aan die straf verbonden proeftijd in te trekken en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van die veroordeling te gelasten.
46 Zoals in punt 43 van het onderhavige arrest is opgemerkt, kan een dergelijke inaanmerkingneming van de eerste veroordeling slechts plaatsvinden wanneer de tenuitvoerlegging van die veroordeling is overgedragen en erkend in de lidstaat waar de nieuwe strafrechtelijke procedure loopt, in casu in Bulgarije, met inachtneming van de voorwaarden van kaderbesluit 2008/947.
47 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter geenszins dat het arrest van de Curte de Apel Cluj, waarnaar is verwezen in punt 12 van dit arrest, op grond van dit kaderbesluit is toegezonden aan de bevoegde Bulgaarse autoriteiten met het oog op de erkenning ervan en het toezicht op de in dat arrest vervatte proeftijdvoorwaarden, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.
48 Hieraan moet nog worden toegevoegd dat de door de verwijzende rechter genoemde omstandigheid dat een dergelijke doorkruising van de wijze van tenuitvoerlegging van de straf die is opgelegd bij de eerste veroordeling zoals deze is uitgesproken, niet voortvloeit uit een herziening van die veroordeling op initiatief van die rechter of de veroordeelde persoon, maar krachtens de Bulgaarse wet voortvloeit uit de inaanmerkingneming van die veroordeling alsof zij door een Bulgaarse rechter was uitgesproken, in dit verband irrelevant is. Het volstaat immers vast te stellen dat een nationale rechter buiten de in kaderbesluit 2008/947 bedoelde gevallen niet op deze wijze rekening kan houden met een eerdere definitieve veroordeling die in een andere lidstaat is uitgesproken.
49 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een rechterlijke instantie van die staat waarbij in een nieuwe strafrechtelijke procedure tegen een persoon die definitief is veroordeeld tot een voorwaardelijke straf die eerder in een andere lidstaat wegens andere feiten is uitgesproken en die nog niet volledig ten uitvoer is gelegd, een verzoek tot tenuitvoerlegging van deze veroordeling is ingediend, deze opschorting kan intrekken en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van die straf kan gelasten, op voorwaarde dat die veroordeling is toegezonden en erkend in de lidstaat waar de nieuwe strafprocedure plaatsvindt, overeenkomstig kaderbesluit 2008/947.
Kosten
50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 3, van kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan een rechterlijke instantie van die staat waarbij in een nieuwe strafrechtelijke procedure tegen een persoon die definitief is veroordeeld tot een voorwaardelijke straf die eerder in een andere lidstaat wegens andere feiten is uitgesproken en die nog niet volledig ten uitvoer is gelegd, een verzoek tot tenuitvoerlegging van die veroordeling is ingediend, deze opschorting kan intrekken en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van die straf kan gelasten, op voorwaarde dat die veroordeling is toegezonden en erkend in de lidstaat waar de nieuwe strafprocedure plaatsvindt, overeenkomstig kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.