HvJ EU 26 maart 2020, C-2/19, ECLI:EU:C:2020:237
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
26 maart 2020 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Kaderbesluit 2008/947/JBZ – Wederzijdse erkenning van vonnissen en proeftijdbeslissingen – Werkingssfeer – Vonnis waarbij een voorwaardelijke vrijheidsstraf wordt opgelegd – Proeftijdvoorwaarde – Verplichting om geen nieuw strafbaar feit te plegen – Wettelijke verplichting”
In zaak C‑2/19,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Riigikohus (hoogste rechterlijke instantie, Estland) bij beslissing van 11 december 2018, ingekomen bij het Hof op 4 januari 2019, in de strafprocedure tegen
A. P.,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, M. Safjan, L. Bay Larsen (rapporteur), C. Toader en N. Jääskinen, rechters,
advocaat-generaal: M. Bobek,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 november 2019,
gelet op de opmerkingen van:
– A. P., vertegenwoordigd door M. Lentsius en G. Sile, vandeadvokaadid,
– de Estse regering, vertegenwoordigd door N. Grünberg als gemachtigde,
– de Letse regering, vertegenwoordigd door V. Soņeca, L. Juškeviča en I. Kucina als gemachtigden,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér, M. M. Tátrai en V. Kiss als gemachtigden,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en J. Sawicka als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en K. Toomus als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 februari 2020,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PB 2008, L 337, blz. 102).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure betreffende de erkenning, in Estland, van een vonnis van de Rīgas pilsētas Latgales priekšpilsētas tiesa (rechter van het district Latgale in Riga, Letland) waarbij A. P. is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan de tenuitvoerlegging is opgeschort.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 8 en 24 van kaderbesluit 2008/947 luiden als volgt: „(8) De wederzijdse erkenning van, alsook het toezicht op voorwaardelijke straffen, alternatieve straffen en beslissingen inzake voorwaardelijke invrijheidsstelling is erop gericht de resocialisatiekansen van de veroordeelde te vergroten, doordat hem de mogelijkheid wordt geboden familiale, taalkundige, culturele of andere banden te onderhouden. Doel is daarnaast de verbetering van het toezicht op de naleving van proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen, om recidive te voorkomen en aldus de nodige aandacht te schenken aan de bescherming van slachtoffers en de gemeenschap in het algemeen. […] (24) Daar de doelstellingen van dit kaderbesluit, namelijk de bevordering van de resocialisatie van gevonniste personen, de verbetering van de bescherming van slachtoffers en de gemeenschap in het algemeen en de vereenvoudiging van de toepassing van passende proeftijdvoorwaarden in het geval van delinquenten die niet wonen in de staat waar ze zijn gevonnist, [wegens de grensoverschrijdende aard van de betrokken situaties] niet voldoende door de lidstaten zelf, en dus, gezien de omvang van de actie, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen treffen, overeenkomstig het […] subsidiariteitsbeginsel […].”
4 In artikel 1, leden 1 en 2, van dit kaderbesluit is bepaald: „1. Dit kaderbesluit is erop gericht de resocialisatie van gevonniste personen te bevorderen, de bescherming van slachtoffers en de gemeenschap in het algemeen te verbeteren, en de toepassing van passende proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen te vereenvoudigen in het geval van delinquenten die niet wonen in de staat waar zij zijn veroordeeld. Ter verwezenlijking hiervan wordt in dit kaderbesluit bepaald volgens welke regels een andere lidstaat dan de lidstaat waar de betrokkene is veroordeeld, vonnissen en, in voorkomend geval, proeftijdvoorwaarden erkent en toezicht houdt op de krachtens een vonnis opgelegde proeftijdvoorwaarden of op de in dat vonnis vervatte alternatieve straffen, en alle overige beslissingen in verband met dat vonnis neemt, tenzij in dit kaderbesluit anders is bepaald. 2. Dit kaderbesluit is uitsluitend van toepassing op: a) de erkenning van vonnissen en, in voorkomend geval, proeftijdbeslissingen; b) de overname van de verantwoordelijkheid voor het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen; c) alle overige beslissingen die met de onder a) en b) bedoelde verband houden, zoals beschreven en vastgesteld in dit kaderbesluit.”
5 Artikel 2, punten 1) tot en met 4) en 7), van dat kaderbesluit luidt als volgt: „In dit kaderbesluit wordt verstaan onder: 1) ‚vonnis’: een onherroepelijke uitspraak of beschikking van een rechter van de beslissingsstaat, waarbij wordt vastgesteld dat een natuurlijke persoon een strafbaar feit heeft gepleegd en waarbij aan die persoon wordt opgelegd: a) een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, indien op grond van dat vonnis of bij een latere proeftijdbeslissing voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend, b) een voorwaardelijke straf, c) een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging, of d) een alternatieve straf; 2) ‚voorwaardelijke straf’: een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel waarvan de tenuitvoerlegging volledig of ten dele voorwaardelijk wordt opgeschort, doordat een of meer proeftijdvoorwaarden worden opgelegd. Deze proeftijdvoorwaarden worden in het vonnis zelf opgenomen of in een afzonderlijke proeftijdbeslissing van een bevoegde autoriteit bepaald; 3) ‚voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging’: een vonnis waarbij de oplegging van een straf voorwaardelijk is opgeschort doordat een of meer proeftijdvoorwaarden worden opgelegd, of waarbij in plaats van een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel een of meer proeftijdvoorwaarden worden opgelegd. Deze proeftijdvoorwaarden worden in het vonnis zelf opgenomen of in een afzonderlijke proeftijdbeslissing van een bevoegde autoriteit bepaald; 4) ‚alternatieve straf’: een andere straf dan een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel of een geldelijke sanctie, waarbij een verplichting of instructie wordt opgelegd; […] 7) ‚proeftijdvoorwaarden’: verplichtingen en instructies die volgens het nationale recht van de beslissingsstaat door een bevoegde autoriteit aan een natuurlijke persoon worden opgelegd in samenhang met een voorwaardelijke straf, een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging of een voorwaardelijke invrijheidstelling”.
6 Artikel 4 van dat kaderbesluit bepaalt: „1. Dit kaderbesluit is van toepassing op de volgende proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen: a) de verplichting dat de gevonniste persoon een bepaalde autoriteit in kennis stelt van iedere verandering van woonplaats of van de plaats waar hij werkt; b) de verplichting bepaalde locaties, plaatsen of afgebakende gebieden in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat niet te betreden; […] d) instructies betreffende het gedrag, de woonplaats, opleiding, de vrijetijdsbesteding, of houdende beperkingen op of voorwaarden inzake de beroepsuitoefening; […] f) de verplichting contact met bepaalde personen te vermijden; g) de verplichting contact te vermijden met bepaalde voorwerpen die door de gevonniste zijn gebruikt of waarschijnlijk zullen worden gebruikt om een strafbaar feit te plegen; […] 2. Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad bij de uitvoering van dit kaderbesluit mee op welke proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen, naast de in lid 1 genoemde, hij bereid is toezicht te houden. Het secretariaat-generaal van de Raad stelt de ontvangen informatie ter beschikking van alle lidstaten en van de Commissie.”
7 Artikel 6, leden 1 en 2, van kaderbesluit 2008/947 bepaalt: „1. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat die, op grond van artikel 5, lid 1 of lid 2, een vonnis en, in voorkomend geval, een proeftijdbeslissing aan een andere lidstaat toezendt, zorgt ervoor dat het vonnis vergezeld gaat van een certificaat volgens het modelformulier in bijlage I. 2. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zendt het vonnis en, in voorkomend geval, de proeftijdbeslissing, tezamen met het in lid 1 bedoelde certificaat rechtstreeks toe aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, in enigerlei vorm die toelaat dat het schriftelijk wordt vastgelegd en die de tenuitvoerleggingsstaat in staat stelt de echtheid ervan vast te stellen. Het origineel van het vonnis en, in voorkomend geval, van de proeftijdbeslissing, of de voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan, en het origineel van het certificaat worden aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat toegezonden, indien deze daarom verzoekt. Alle ambtelijke mededelingen worden eveneens rechtstreeks door deze bevoegde autoriteiten uitgewisseld.”
8 Artikel 8, lid 2, van dit kaderbesluit is als volgt verwoord: „Indien het in artikel 6, lid 1, bedoelde certificaat onvolledig is ingevuld of kennelijk niet overeenstemt met het vonnis of, in voorkomend geval, de proeftijdbeslissing, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, de proeftijdbeslissing uitstellen totdat het certificaat, binnen een redelijk geachte termijn, volledig is ingevuld of is gecorrigeerd.”
9 Artikel 11, lid 1, onder a), en lid 3, van dat kaderbesluit luidt: „1. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan in de volgende gevallen weigeren het vonnis en, in voorkomend geval, de proeftijdbeslissing te erkennen en het toezicht op proeftijdvoorwaarden of alternatieve straffen te aanvaarden: a) het in artikel 6, lid 1, bedoelde certificaat is onvolledig of stemt kennelijk niet overeen met het vonnis of de proeftijdbeslissing en is niet binnen de door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat gestelde redelijke termijn aangevuld of gecorrigeerd; […] 3. In de in lid 1, onder a), b), c), h), i), j) en k), bedoelde gevallen pleegt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, voordat zij beslist het vonnis of, in voorkomend geval, de proeftijdbeslissing niet te erkennen en het toezicht op de proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen niet te aanvaarden, langs passende weg overleg met de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, en verzoekt zij haar, in voorkomend geval, onverwijld de nodige aanvullende gegevens te verstrekken.”
10 In artikel 14, lid 1, van dat kaderbesluit is bepaald: „De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat is bevoegd alle vervolgbeslissingen in verband met een voorwaardelijke straf, een voorwaardelijke invrijheidstelling, een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging en een alternatieve straf te geven, met name in geval van het niet-naleven van een proeftijdvoorwaarde of een alternatieve straf en in het geval dat de gevonniste persoon een nieuw strafbaar feit pleegt. Deze vervolgbeslissingen omvatten met name: a) het wijzigen van de in de proeftijdvoorwaarde of de alternatieve straf vervatte verplichtingen of instructies, en het wijzigen van de duur van de proeftijd; b) het intrekken van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis of het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidsstelling; c) het opleggen van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel in het geval van een alternatieve straf of een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging.”
11 Artikel 20, lid 2, van kaderbesluit 2008/947 luidt als volgt: „Indien in de beslissingsstaat een nieuwe strafvervolging tegen de betrokkene is ingesteld, kan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat verzoeken de bevoegdheid inzake het toezicht op de proeftijdvoorwaarden of de alternatieve straffen en inzake alle vervolgbeslissingen in verband met het vonnis over te dragen aan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan dan de bevoegdheid overdragen aan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat.”
Ests recht
12 § 73, lid 1, van de Karistusseadustik (wetboek van strafrecht) is als volgt geformuleerd: „Wanneer een rechter gelet op de omstandigheden in verband met het gepleegde strafbaar feit en de persoon van de delinquent van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van de voor een bepaalde duur opgelegde vrijheidsstraf of de betaling van de geldboete door de delinquent niet doelmatig is, kan hij bepalen dat de tenuitvoerlegging van de straf geheel of ten dele voorwaardelijk wordt opgeschort. De tenuitvoerlegging van de straf kan geheel voorwaardelijk worden opgeschort, tenzij anders is voorgeschreven in de bijzondere bepalingen van dit wetboek. Bij een opschorting van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf wordt de opgelegde straf geheel of ten dele niet ten uitvoer gelegd, wanneer de delinquent gedurende de door de rechter bepaalde proeftijd geen nieuw opzettelijk strafbaar feit pleegt […].”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
13 Bij vonnis van 24 januari 2017 heeft de Rīgas pilsētas Latgales priekšpilsētas tiesa (Letland) A. P. veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan de tenuitvoerlegging is opgeschort.
14 Op 22 mei 2017 heeft het Justiitsministeerium (ministerie van justitie, Estland) aan de Harju Maakohus (rechter in eerste aanleg Harju, Estland) een van de bevoegde Letse autoriteiten afkomstig verzoek toegezonden tot erkenning en tenuitvoerlegging van dat vonnis in Estland.
15 Bij beschikking van 16 februari 2018 heeft de Harju Maakohus dat verzoek ingewilligd.
16 Nadat A. P. daartegen was opgekomen, heeft de Tallinna Ringkonnakohus (rechter in tweede aanleg, Tallinn, Estland) die beschikking bij beschikking van 21 maart 2018 bevestigd.
17 A. P. heeft tegen laatstgenoemde beschikking cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, Riigikohus (hoogste rechterlijke instantie, Estland).
18 Deze rechter meent, gelet op het vonnis van 24 januari 2017 van de Rīgas pilsētas Latgales priekšpilsētas tiesa (Letland), dat aan de opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf waartoe A. P. is veroordeeld alleen de uit § 73, lid 1, van het Estse wetboek van strafrecht voortvloeiende verplichting is verbonden om geen nieuw opzettelijk strafbaar feit te plegen.
19 Voorts komt een dergelijke verplichting volgens de verwijzende rechter niet overeen met een van de in artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2008/947 bedoelde proeftijdvoorwaarden of alternatieve straffen.
20 Aangezien het Estse recht de erkenning van een vonnis krachtens dat kaderbesluit enkel toestaat voor zover daarbij ten minste één van die proeftijdvoorwaarden of alternatieve straffen is opgelegd, rijst bij de verwijzende rechter de vraag of dat kaderbesluit aldus moet worden uitgelegd dat een vonnis zoals op 24 januari 2017 is gewezen door de Rīgas pilsētas Latgales priekšpilsētas tiesa (Letland), op grond van dat kaderbesluit kan worden erkend.
21 Daarop heeft de Riigikohus (Estland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Is de erkenning van een vonnis van een lidstaat en het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan ook verenigbaar met [kaderbesluit 2008/947] wanneer bij dit vonnis de tenuitvoerlegging van een aan de gevonniste persoon opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgeschort zonder enige extra proeftijdvoorwaarde, zodat de enige verplichting voor deze persoon behelst dat hij tijdens de proeftijd geen nieuw opzettelijk strafbaar feit pleegt (voorwaardelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf in de zin van § 73 van het Estse wetboek van strafrecht)?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
22 De Letse regering betoogt dat de gestelde vraag niet-ontvankelijk is omdat de verwijzingsbeslissing is gebaseerd op een onjuiste uitlegging van het Letse recht, hetgeen haars inziens de slotsom rechtvaardigt dat er geen werkelijk geding aanhangig is bij de verwijzende rechter.
23 Zij betoogt in de eerste plaats dat de verwijzende rechter ten onrechte meent dat A. P. uitsluitend gehouden is om tijdens een proeftijd geen nieuw opzettelijk strafbaar feit te plegen, terwijl het Letse recht het intrekken van de opschorting ook toelaat in geval van een niet-opzettelijk strafbaar feit en dit recht automatisch bepaalde proeftijdvoorwaarden oplegt aan personen die zijn veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf.
24 In de tweede plaats betoogt deze regering dat de Estse rechters op grond van artikel 8, lid 2, en artikel 11, lid 1, onder a), en lid 3, van kaderbesluit 2008/947 de beslissingsstaat hadden moeten verzoeken hun alle informatie toe te zenden die nodig is om het certificaat, waarvan het door de bevoegde Letse autoriteiten toegezonden vonnis overeenkomstig artikel 6, lid 1, van dat kaderbesluit vergezeld moet gaan, in te vullen. Indien de verwijzende rechter aan deze verplichting had voldaan, zou hij hebben vastgesteld dat er geen geschil aanhangig was in het hoofdgeding.
25 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, rekening houdend met de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 4 december 2018, minister for Justice and Equality en Commissioner of An Garda Síochána, C‑378/17, EU:C:2018:979, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Bijgevolg geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 4 december 2018, minister for Justice and Equality en Commissioner of An Garda Síochána, C‑378/17, EU:C:2018:979, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Voorts moet het Hof in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de Unierechter en de nationale rechter uitgaan van de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst. Bijgevolg moet de onderhavige prejudiciële verwijzing, niettegenstaande de kritiek van de Letse regering op de in de verwijzingsbeslissing gemaakte beoordeling van de gevolgen van het vonnis waarbij A. P. tot een voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld, worden onderzocht op basis van die beoordeling [zie in die zin arrest van 12 december 2019, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Gezinshereniging – Zus van een vluchteling), C‑519/18, EU:C:2019:1070, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
28 In deze context kan het argument van de Letse regering dat op de Estse rechters een verplichting rustte om informatie in te winnen bij de Letse rechters, niet slagen. Het staat immers aan de verwijzende rechter om te bepalen of hij over alle informatie beschikt die op grond van kaderbesluit 2008/947 moet worden toegezonden en in het bijzonder of het in artikel 6 ervan bedoelde certificaat moet worden ingevuld. Aangezien de verwijzende rechter van mening was dat hij over voldoende informatie beschikte om overeenkomstig de relevante bepalingen van het nationale recht te bepalen wat de gevolgen waren het vonnis waarbij A. P. tot een voorwaardelijke gevangenisstraf was veroordeeld, staat het dus niet aan het Hof om deze beoordeling in twijfel te trekken.
29 Uit het voorgaande vloeit voort dat de door de Letse regering aangevoerde argumenten niet volstaan om aan te tonen dat de gestelde vraag klaarblijkelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. Deze argumenten kunnen het vermoeden van relevantie dat op deze vraag rust dus niet weerleggen.
Ten gronde
30 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 2, van kaderbesluit 2008/947 aldus moet worden uitgelegd dat de erkenning van een vonnis waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd waarvan de tenuitvoerlegging is opgeschort met als enige voorwaarde dat een wettelijke verplichting wordt nageleefd om tijdens een proeftijd geen nieuw strafbaar feit te plegen, binnen de werkingssfeer van dit kaderbesluit valt.
31 Artikel 1, lid 2, van kaderbesluit 2008/947 bepaalt dat het uitsluitend van toepassing is op de erkenning van vonnissen en, in voorkomend geval, proeftijdbeslissingen, op de overname van de verantwoordelijkheid voor het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen en op alle overige beslissingen die verband houden met die erkenning of dat toezicht.
32 Uit artikel 2, punt 1, van dit kaderbesluit vloeit voort dat het woord „vonnis” in de zin van dit kaderbesluit ziet op een onherroepelijke uitspraak of beschikking van een rechter van de beslissingsstaat, waarbij wordt vastgesteld dat een natuurlijke persoon een strafbaar feit heeft gepleegd en waarbij aan die persoon een van de in artikel 2, punt 1, onder a) tot en met d), van dit kaderbesluit genoemde maatregelen wordt opgelegd.
33 Aangezien de gestelde vraag betrekking heeft op de erkenning van een rechterlijke beslissing waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd waarvan de tenuitvoerlegging is opgeschort, moet op basis van artikel 2, punt 1, onder b), ervan, dat ziet op rechterlijke beslissingen waarbij een voorwaardelijke straf wordt opgelegd, worden nagegaan of een dergelijke rechterlijke beslissing moet worden aangemerkt als een vonnis in de zin van artikel 2, punt 1, van kaderbesluit 2008/947.
34 Het begrip „voorwaardelijke straf” is in artikel 2, punt 2, van dat kaderbesluit omschreven als een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel waarvan de tenuitvoerlegging volledig of ten dele voorwaardelijk wordt opgeschort, doordat een of meer proeftijdvoorwaarden worden opgelegd.
35 Bijgevolg moet worden bepaald of de verplichting om tijdens een proeftijd geen nieuw strafbaar feit te plegen een proeftijdvoorwaarde in de zin van kaderbesluit 2008/947 vormt.
36 Blijkens artikel 2, punt 7, van dit kaderbesluit vormen verplichtingen en instructies die volgens het nationale recht van de beslissingsstaat door een bevoegde autoriteit aan een natuurlijke persoon worden opgelegd in samenhang met een voorwaardelijke straf, een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging of een voorwaardelijke invrijheidstelling, in dit verband proeftijdvoorwaarden.
37 Aangezien deze bepaling de kwalificatie als „proeftijdvoorwaarden” in de zin van genoemd kaderbesluit niet voorbehoudt aan bepaalde specifieke typen verplichtingen, kan de verplichting om tijdens een proeftijd geen nieuw strafbaar feit te plegen dus worden aangemerkt als een dergelijke proeftijdvoorwaarde wanneer dit de voorwaarde voor de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf vormt.
38 Artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2008/947 preciseert echter dat dit kaderbesluit van toepassing is op de proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen die daarin zijn genoemd en beperkt de werkingssfeer ervan dus in beginsel tot die proeftijdvoorwaarden en die alternatieve straffen.
39 Deze beperking kan weliswaar in bepaalde situaties opzij worden geschoven, voor zover iedere lidstaat krachtens artikel 4, lid 2, van dat kaderbesluit de mogelijkheid heeft om mee te delen op welke andere proeftijdvoorwaarden of andere alternatieve straffen hij bereid is toezicht te houden.
40 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel dat de Republiek Estland geen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid en dat het Estse recht enkel voorziet in het toezicht op de in artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2008/947 genoemde proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen.
41 In deze context moet worden opgemerkt dat de verplichting om tijdens een proeftijd geen nieuw strafbaar feit te plegen niet uitdrukkelijk wordt genoemd vermeld onder de in die bepaling vermelde categorieën verplichtingen en instructies.
42 Niettemin verwijst artikel 4, lid 1, onder d), van dit kaderbesluit naar een ruimere categorie „instructies betreffende het gedrag”.
43 Aangezien laatstgenoemde uitdrukking in het kaderbesluit niet is omschreven, moeten de betekenis en de strekking ervan volgens vaste rechtspraak van het Hof worden bepaald in overeenstemming met de gebruikelijke betekenis ervan in de omgangstaal, met inachtneming van de context waarin die uitdrukking wordt gebruikt en de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarin zij wordt gehanteerd (zie in die zin arrest van 25 oktober 2012, Ketelä,C‑592/11, EU:C:2012:673, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 In dit verband moet worden opgemerkt, ten eerste, dat de aan een gevonniste persoon opgelegde verplichting om tijdens een proeftijd geen nieuw strafbaar feit te plegen, voor zover dit een instructie is die ertoe strekt het gedrag van die persoon te bepalen, moet worden aangemerkt als een „instructie betreffende het gedrag” in de gebruikelijke betekenis die deze uitdrukking in de omgangstaal heeft.
45 Ten tweede duidt de context waarin artikel 4, lid 1, onder d), van kaderbesluit 2008/947 past, er eveneens op dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij onder meer een dergelijke verplichting omvat.
46 In de eerste plaats, voor zover de verwijzende rechter zich afvraagt of dat kaderbesluit op een dergelijke verplichting kan worden toegepast terwijl die verplichting volgens hem niet de toepassing van maatregelen tot actief toezicht door de tenuitvoerleggingsstaat meebrengt, moet worden vastgesteld dat bij verschillende van de in artikel 4 van dat kaderbesluit genoemde proeftijdvoorwaarden dergelijke toezichtmaatregelen niet noodzakelijk zijn. Dat is met name het geval voor de in artikel 4, lid 1, onder b), f) en g), van dat kaderbesluit genoemde verplichtingen respectievelijk om bepaalde locaties, plaatsen of afgebakende gebieden niet te betreden, om contact met bepaalde personen te vermijden of om contact te vermijden met bepaalde voorwerpen.
47 In de tweede plaats bepaalt artikel 14, lid 1, eerste alinea, van kaderbesluit 2008/947 dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat onder meer bevoegd is alle vervolgbeslissingen te geven in verband met een voorwaardelijke straf, in het bijzonder in het geval dat de gevonniste persoon een nieuw strafbaar feit pleegt.
48 Zoals voortvloeit uit artikel 14, lid 1, onder a) en b), van dat kaderbesluit, kunnen de uit dien hoofde genomen beslissingen de wijziging van een proeftijdvoorwaarde, de wijziging van de duur van de proeftijd of de intrekking van de opschorting behelzen.
49 Daaruit volgt dat een van de gevolgen van de erkenning van een vonnis waarbij een voorwaardelijke straf is opgelegd, erin bestaat dat aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de bevoegdheid wordt verleend om met betrekking tot de aanvankelijk verleende opschorting de maatregelen te nemen die noodzakelijk lijken wanneer de gevonniste persoon een nieuw strafbaar feit pleegt.
50 In die omstandigheden zou een uitlegging van de lijst in artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2008/947 in die zin dat deze niet de verplichting omvat om geen nieuw strafbaar feit te plegen, tot een paradoxale uitkomst leiden.
51 Een dergelijke uitlegging zou immers betekenen dat de bevoegdheid om vervolgmaatregelen te nemen ingeval door de gevonniste persoon een nieuw strafbaar feit wordt gepleegd, noodzakelijkerwijs zou worden ontzegd aan de bevoegde autoriteit van de woonlidstaat, wanneer het vonnis waarbij een voorwaardelijke straf is opgelegd, de handhaving van de opschorting uitsluitend afhankelijk stelt van de naleving van deze verplichting. Die bevoegdheid wordt aan deze autoriteit wel toegekend indien die opschorting afhankelijk is gesteld van de naleving van een andere in artikel 4, lid 1, van kaderbesluit 2008/947 bedoelde verplichting die niet rechtstreeks verband houdt met het eventuele plegen van een nieuw strafbaar feit. Deze laatste oplossing zou in het bijzonder toepassing vinden wanneer die andere verplichting een zeer beperkte strekking heeft, zoals de verplichting in artikel 4, lid 1, onder a), van dit kaderbesluit om een bepaalde autoriteit in kennis te stellen van iedere verandering van woonplaats of van de plaats waar hij werkt, of indien die andere verplichting geen enkel verband houdt met de tenuitvoerleggingsstaat, zoals de verplichting in artikel 4, lid 1, onder b), van genoemd kaderbesluit om bepaalde afgebakende gebieden in de beslissingsstaat niet te betreden.
52 Indien, ten derde, wordt aanvaard dat een vonnis waarbij een voorwaardelijke straf is opgelegd, krachtens kaderbesluit 2008/947 kan worden erkend wanneer de tenuitvoerlegging van die straf is opgeschort met als enkele voorwaarde dat geen nieuw strafbaar feit wordt gepleegd, draagt dit bij tot de verwezenlijking van de met dit kaderbesluit nagestreefde doelen. Uit artikel 1, lid 1, alsmede uit de overwegingen 8 en 24 van dat kadebesluit vloeit immers voort dat daarmee drie elkaar aanvullende doelen worden nagestreefd, te weten de resocialisatie van gevonniste personen bevorderen, de bescherming van slachtoffers en de gemeenschap in het algemeen verbeteren door recidive te voorkomen en de toepassing van passende proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen vereenvoudigen, in het geval van delinquenten die niet wonen in de staat waar zij zijn veroordeeld.
53 In het bijzonder zijn de autoriteiten van de lidstaat waarin de gevonniste persoon woont, in de regel beter in staat om toezicht te houden op de naleving van deze verplichting en om consequenties te verbinden aan de eventuele niet-naleving ervan, aangezien zij in beginsel beter geplaatst zijn om de aard van die niet-naleving, de situatie van de pleger en zijn resocialisatieperspectieven te beoordelen.
54 Voorts moet worden vastgesteld dat met het verband dat wordt gelegd tussen de opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf en de verplichting om geen nieuw strafbaar feit te plegen, wordt beoogd recidive tegen te gaan. Indien het de bevoegde autoriteit van de woonstaat wordt toegestaan om consequenties te verbinden aan een eventuele niet-naleving van die verplichting, draagt dit dus bij tot de verwezenlijking van het doel van bescherming van slachtoffers en van de gemeenschap in het algemeen.
55 Uit het voorgaande volgt dat de verplichting om tijdens een proeftijd geen nieuw strafbaar feit te plegen in beginsel een proeftijdvoorwaarde in de zin van artikel 2, punt 7, van kaderbesluit 2008/947 kan vormen, wanneer dit een voorwaarde voor de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf is.
56 Evenwel moet worden beklemtoond dat artikel 2, punt 2, van dit kaderbesluit preciseert dat de aan een voorwaardelijke straf gekoppelde proeftijdvoorwaarden in het vonnis zelf worden opgenomen of in een afzonderlijke proeftijdbeslissing van een bevoegde autoriteit worden bepaald.
57 Voorts blijkt uit artikel 2, punt 7, van voornoemd kaderbesluit dat de proeftijdvoorwaarden waarnaar in dat besluit wordt verwezen, per definitie „door een bevoegde autoriteit […] worden opgelegd”.
58 Daaruit volgt dat het aan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat staat om de voorwaarden vast te stellen waaronder de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel kan worden opgeschort, zodat de bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat op basis van het vonnis of de proeftijdbeslissing kunnen vaststellen welke proeftijdvoorwaarden aan de gevonniste persoon zijn opgelegd. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dat, gelet op de gegevens in het toegezonden vonnis, in het hoofdgeding het geval is.
59 Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, van kaderbesluit 2008/947, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, onder d), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat de erkenning van een vonnis waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd waarvan de tenuitvoerlegging is opgeschort met als enige voorwaarde dat een wettelijke verplichting wordt nageleefd om tijdens een proeftijd geen nieuw strafbaar feit te plegen, binnen de werkingssfeer van dat kaderbesluit valt voor zover deze wettelijke verplichting uit dat vonnis of een op grond van dat vonnis gegeven proeftijdbeslissing blijkt. Het staat aan de verwijzende rechter om dat na te gaan.
Kosten
60 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 1, lid 2, van kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, onder d), ervan, moet aldus worden uitgelegd dat de erkenning van een vonnis waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd waarvan de tenuitvoerlegging is opgeschort met als enige voorwaarde dat een wettelijke verplichting wordt nageleefd om tijdens een proeftijd geen nieuw strafbaar feit te plegen, binnen de werkingssfeer van dat kaderbesluit valt voor zover deze wettelijke verplichting uit dat vonnis of een op grond van dat vonnis gegeven proeftijdbeslissing blijkt. Het staat aan de verwijzende rechter om dat na te gaan.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Ests.