HvJ EU 28 september 2023, C-320/21, ECLI:EU:C:2023:712

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

28 september 2023 ( *1 )

„Hogere voorziening – Staatssteun – Artikel 107, lid 2, onder b), VWEU – Zweedse markt voor luchtvervoer – Steun van het Koninkrijk Zweden aan een luchtvaartmaatschappij in het kader van de COVID-19-pandemie – Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun – Staatsgarantie voor een doorlopende kredietlijn – Besluit van de Europese Commissie om geen bezwaar te maken – Steunmaatregel tot herstel van de schade die één enkel slachtoffer heeft geleden – Evenredigheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel – Vrijheid van vestiging en vrij verrichten van diensten”

In zaak C‑320/21 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 21 mei 2021,

Ryanair DAC, gevestigd te Swords (Ierland), aanvankelijk vertegenwoordigd door V. Blanc, F.‑C. Laprévote, E. Vahida, avocats, I.‑G. Metaxas-Maranghidis, dikigiros, en S. Rating, abogado, en vervolgens door V. Blanc, F-C. Laprévote, E. Vahida, avocats, I. G. Metaxas Maranghidis, dikigoros, D. Pérez de Lamo en S. Rating, abogados,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Flynn, S. Noë en F. Tomat als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères, P. Dodeller, A. Ferrand en N. Vincent, vervolgens door A.‑L. Desjonquères en N. Vincent en ten slotte door A.‑L. Desjonquères als gemachtigden,

Koninkrijk Zweden, aanvankelijk vertegenwoordigd door O. Simonsson, H. Eklinder, J. Lundberg, C. Meyer-Seitz, M. Salborn Hodgson, R. Shahsavan Eriksson, H. Shev en A. Runeskjöld en vervolgens door O. Simonsson, H. Eklinder, C. Meyer-Seitz, M. Salborn Hodgson, R. Shahsavan Eriksson, H. Shev en A. Runeskjöld als gemachtigden,

SAS AB, gevestigd te Stockholm (Zweden), vertegenwoordigd door A. Lundmark en F. Sjövall, advokater,

interveniënten in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, L. S. Rossi, J.‑C. Bonichot, S. Rodin (rapporteur) en O. Spineanu–Matei, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: M. Longar, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 september 2022,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 januari 2023,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt Ryanair DAC om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 14 april 2021, Ryanair/Commissie (SAS, Zweden; COVID-19) (T‑379/20, EU:T:2021:195; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht het beroep heeft verworpen dat Ryanair had ingesteld tot nietigverklaring van besluit C(2020) 2784 final van de Commissie van 24 april 2020 betreffende steunmaatregel SA.57061 (2020/N) – Zweden – Vergoeding van schade die SAS SA heeft geleden ten gevolge van de COVID-19-pandemie (PB 2020, C 220, blz. 9; hierna: „litigieus besluit”).

Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

2 De voorgeschiedenis van het geding kan, blijkens het bestreden arrest, als volgt worden samengevat.

3 Op 11 april 2020 heeft de Europese Commissie besluit C(2020) 2366 final betreffende steunmaatregel SA.56812 (2020/N) – Zweden – COVID-19: leninggarantieregeling voor luchtvaartmaatschappijen vastgesteld, waarbij zij krachtens artikel 107, lid 3, onder b), VWEU een steunmaatregel in de vorm van een garantieregeling voor leningen aan bepaalde luchtvaartmaatschappijen heeft goedgekeurd (PB 2020, C 269, blz. 1; hierna: „Zweedse steunregeling”), die het Koninkrijk Zweden op 3 april 2020 had aangemeld. Met deze steunregeling werd beoogd aan de luchtvaartmaatschappijen die een belangrijke rol spelen om Zweden „bereikbaar” te houden en die over een exploitatievergunning van de Zweedse autoriteiten beschikken, door middel van een overheidsgarantie voldoende liquiditeiten te verschaffen waarmee zij hun economische activiteiten tijdens en na de COVID‑19-pandemie konden voortzetten.

4 Op 21 april 2020 heeft het Koninkrijk Zweden overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU bij de Commissie een steunmaatregel ten gunste van SAS AB aangemeld die de vorm had van een garantie voor een doorlopende kredietlijn van maximaal 1,5 miljard Zweedse kronen (SEK) (ongeveer 137 miljoen EUR) (hierna: „betrokken maatregel”), aangezien deze luchtvaartmaatschappij moeilijkheden ondervond om in de context van de Zweedse steunregeling leningen bij kredietinstellingen te verkrijgen. Met die maatregel werd beoogd SAS gedeeltelijk te vergoeden voor de schade als gevolg van de annulering of omboeking van haar vluchten na de invoering van reisbeperkingen in het kader van de COVID-19-pandemie.

5 Op 24 april 2020 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld, waarbij zij de betrokken maatregel op grond van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU verenigbaar met de interne markt heeft verklaard.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

6 Ryanair heeft bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 juni 2020, beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.

7 Tot staving van haar beroep heeft Ryanair vijf middelen aangevoerd. Het eerste middel was ontleend aan schending door de Commissie van het vereiste dat de krachtens artikel 107, lid 2, onder b), VWEU toegekende steun niet strekt tot herstel van door één slachtoffer geleden schade, het tweede middel aan het feit dat de betrokken maatregel niet gebaseerd was op artikel 107, lid 2, onder b), VWEU en dat de Commissie ten onrechte van mening was dat de betrokken maatregel evenredig was ten opzichte van de door SAS wegens de COVID-19-pandemie geleden schade, het derde middel aan het feit dat de Commissie een aantal bepalingen inzake de liberalisering van het luchtvervoer binnen de Unie had geschonden, het vierde middel aan het feit dat de Commissie de procedurele rechten van Ryanair had geschonden door, ondanks het bestaan van ernstige moeilijkheden, te weigeren de formele onderzoeksprocedure in te leiden, en het vijfde middel aan het feit dat de Commissie artikel 296, tweede alinea, VWEU had geschonden.

8 Gelet op de overwegingen die tot toewijzing van het verzoek om versnelde behandeling van de onderhavige procedure hebben geleid en op het belang van een snel antwoord ten gronde voor zowel Ryanair als de Commissie en het Koninkrijk Zweden, heeft het Gerecht geoordeeld dat het dienstig was te beginnen met een onderzoek van de gegrondheid van het beroep, zonder vooraf uitspraak te doen over de ontvankelijkheid ervan.

9 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het eerste tot en met het derde en het vijfde middel van Ryanair ongegrond verklaard. Met betrekking tot het vierde middel heeft het geoordeeld, met name gelet op de redenen die tot de afwijzing van het eerste tot en met het derde middel hadden geleid, dat de gegrondheid ervan niet hoefde te worden onderzocht. Bijgevolg heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen, zonder uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van dit beroep.

Conclusies van partijen voor het Hof

10 Met haar hogere voorziening verzoekt Ryanair het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het litigieuze besluit nietig te verklaren, – en de Commissie en de interveniënten in eerste aanleg te verwijzen in de kosten, – subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en de beslissing omtrent de kosten van het beroep in eerste aanleg en de hogere voorziening aan te houden.

11 De Commissie, het Koninkrijk Zweden en SAS verzoeken het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en – rekwirante in de kosten te verwijzen.

12 De Franse Republiek verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen.

Hogere voorziening

13 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert Ryanair zes middelen aan. Volgens het eerste middel heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door rekwirantes argument af te wijzen dat de op grond van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU toegekende steun niet strekt tot vergoeding van de door één slachtoffer geleden schade. Volgens het tweede middel heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten kennelijk onjuist opgevat bij de toepassing van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU en van het evenredigheidsbeginsel wat betreft de door SAS AB wegens de COVID-19-pandemie geleden schade. Het derde middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting voor zover het Gerecht ten onrechte het argument van Ryanair inzake de schending van het beginsel van non-discriminatie heeft verworpen. Het vierde middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijk onjuiste opvatting van de feiten bij de beslissing van het Gerecht om rekwirantes argument inzake schending van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten af te wijzen. Het vijfde middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijk onjuiste opvatting van de feiten door te beslissen om het vierde middel van het beroep in eerste aanleg, ontleend aan schending van de procedurele rechten van rekwirante, niet ten gronde te onderzoeken. Met het zesde middel wordt een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijk onjuiste opvatting van de feiten aangevoerd doordat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie de krachtens artikel 296, tweede alinea, VWEU op haar rustende motiveringsplicht niet heeft geschonden.

Eerste middel

Argumenten van partijen

14 Met haar eerste middel, dat betrekking heeft op de punten 22 tot en met 27 van het bestreden arrest, verwijt Ryanair het Gerecht in wezen dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ten onrechte te oordelen dat op grond van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU verleende steun kan dienen tot herstel van de schade die is geleden door één enkel slachtoffer van een buitengewone gebeurtenis, terwijl concurrenten van dat slachtoffer, zoals rekwirante, eveneens door die gebeurtenis zijn getroffen.

15 Volgens Ryanair rechtvaardigen de in de punten 23 en 24 van het bestreden arrest genoemde redenen niet de afwijzing van het eerste middel van haar beroep in eerste aanleg. Het gaat er niet om of het Koninkrijk Zweden meer steun had moeten verlenen, maar veeleer of deze lidstaat überhaupt steun aan SAS had moeten verlenen. Het feit dat een lidstaat nooit verplicht is steun te verlenen, kan niet rechtvaardigen dat hij dergelijke steun verleent in strijd met de relevante rechtsgrondslag ervan, te weten artikel 107, lid 2, onder b), VWEU. Ook is het niet de vraag of de steun alle door een buitengewone gebeurtenis veroorzaakte schade dekt, maar wel of hij wordt toegekend aan alle concurrerende ondernemingen die op een bepaalde markt actief zijn en die schade hebben geleden, dan wel aan één willekeurig gekozen onderneming, waarbij deze bepaling niet juist wordt toegepast als dit laatste het geval is.

16 Ryanair voert aan dat het Gerecht had moeten vaststellen dat de gegrondheid van dat argument wordt bevestigd door de duidelijke bewoordingen en de opzet van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU, dat strikt moet worden uitgelegd, alsook door de beslissingspraktijk van de Commissie vóór de COVID-19-pandemie. Deze bepaling beoogt namelijk om de lidstaten in staat te stellen te handelen als „verzekeraars in laatste instantie” wanneer de ondernemingen van de markt het risico in verband met natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen niet kunnen dekken. Dit is een fundamentele economische taak van elke staat. Deze taak als „verzekeraar in laatste instantie” veronderstelt per definitie dat de staat, onder voor het overige gelijke omstandigheden, aan alle ondernemingen die aan het onderliggende risico zijn blootgesteld dezelfde bescherming biedt. Een staat die slechts een klein aantal ondernemingen of, zoals in casu, één enkele onderneming bescherming biedt, handelt dus niet meer als verzekeraar in laatste instantie, maar uit het oogpunt van andere redenen van algemeen beleid, zoals industriebeleid.

17 Ryanair stelt dat wanneer een lidstaat meerdere doelstellingen van algemeen beleid nastreeft door middel van op grond van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU verleende steun, het rechtstreekse verband tussen de buitengewone gebeurtenis, de schade en de toegekende steun wordt verzwakt, terwijl een dergelijk verband een essentiële voorwaarde is voor de toepassing van deze bepaling, die berust op een zuiver compenserende logica.

18 De Commissie, de Franse Republiek en het Koninkrijk Zweden betogen dat het eerste middel van de hogere voorziening ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling door het Hof

19 Vooraf zij eraan herinnerd dat de betrokken maatregel in het litigieuze besluit verenigbaar met de interne markt is verklaard op grond van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU, dat bepaalt dat steunmaatregelen „tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen” verenigbaar zijn met de interne markt.

20 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat artikel 107, lid 2, onder b), VWEU strikt moet worden uitgelegd, aangezien het gaat om een uitzondering op het in artikel 107, lid 1, VWEU neergelegde algemene beginsel dat staatssteun onverenigbaar is met de interne markt. Zo heeft het Hof met name geoordeeld dat op grond van deze bepaling uitsluitend de schade kan worden vergoed die het rechtstreekse gevolg is van natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen. Bijgevolg moet er een rechtstreeks verband bestaan tussen de door de buitengewone gebeurtenis veroorzaakte schade en de staatssteun, en moet de schade van de betrokken marktdeelnemers zo nauwkeurig mogelijk worden geraamd (zie in die zin arrest van 23 februari 2006, Atzeni e.a.,C‑346/03 en C‑529/03, EU:C:2006:130, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21 Volgens Ryanair is een lidstaat die besluit steunmaatregelen op grond van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU vast te stellen, verplicht dit te doen ten aanzien van alle ondernemingen die schade hebben geleden.

22 In dit verband moet de uitzondering waarin deze bepaling voorziet weliswaar strikt worden uitgelegd, maar dat betekent nog niet dat de bewoordingen die ter omschrijving ervan worden gebruikt aldus moeten worden uitgelegd dat de uitzondering geen effect kan sorteren. Een uitzondering moet namelijk worden uitgelegd op een wijze die in overeenstemming is met de doelstellingen die ermee worden nagestreefd (zie in die zin arrest van 11 september 2014, Fastweb,C‑19/13, EU:C:2014:2194, punt 40).

23 Uit de bewoordingen van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU, gelezen in het licht van het doel van deze bepaling, kan geenszins worden afgeleid dat enkel steun die zou kunnen worden toegekend aan alle ondernemingen die schade ondervinden ten gevolge van met name een buitengewone gebeurtenis, verenigbaar kan worden verklaard met de interne markt in de zin van die bepaling. Ook als de steun slechts aan één onderneming wordt toegekend, kan deze in voorkomend geval namelijk tot doel hebben die schade te herstellen en, in volledige overeenstemming met het Unierecht, het in die bepaling uitdrukkelijk genoemde doel beogen te bereiken.

24 Zoals de advocaat-generaal in punt 17 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, sluit het doel van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU, dat erin bestaat de rechtstreeks door een buitengewone gebeurtenis veroorzaakte nadelen te compenseren, dus niet uit dat een lidstaat om objectieve redenen ervoor kiest om slechts één onderneming te laten genieten van een op grond van die bepaling vastgestelde steunmaatregel, zonder dat dit is ingegeven door de wens om een onderneming ten opzichte van haar concurrenten te bevoordelen.

25 Een andersluidende uitlegging van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU zou deze bepaling overigens een groot deel van haar nuttig effect ontnemen. Indien deze bepaling een lidstaat enkel de mogelijkheid zou bieden om steun te verlenen aan alle slachtoffers van een buitengewone gebeurtenis, zonder deze steun aan een beperkt aantal ondernemingen of zelfs aan één enkele onderneming te kunnen voorbehouden, zouden de lidstaten er immers vaak van worden weerhouden om van deze mogelijkheid gebruik te maken. Als in dergelijke omstandigheden aanzienlijke steun wordt toegekend aan alle onder de bevoegdheid van die lidstaat vallende benadeelde ondernemingen, zou dit namelijk hoge kosten met zich brengen.

26 Uit het voorgaande volgt dat artikel 107, lid 2, onder b), VWEU niet kan worden uitgelegd in de door Ryanair bepleite zin aangezien er dan afbreuk zou worden gedaan aan het doel en het nuttige effect van deze bepaling.

27 Voor zover Ryanair ter ondersteuning van haar eerste middel in wezen aanvoert dat een lidstaat die op grond van die bepaling uitsluitend steun verleent aan een klein aantal ondernemingen dat door de buitengewone gebeurtenis schade heeft geleden, of zelfs aan slechts één van die ondernemingen, niet het met die bepaling beoogde doel, namelijk het herstel van de schade die uit een dergelijke gebeurtenis voortvloeit, maar doelstellingen van algemeen beleid nastreeft – hetgeen bovendien het vereiste rechtstreekse verband tussen de door de buitengewone gebeurtenis veroorzaakte schade en de verleende steun zou verzwakken – zij eraan herinnerd dat, zoals in wezen blijkt uit de in punt 20 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, een steunmaatregel slechts verenigbaar met de interne markt kan worden verklaard uit hoofde van een uitzondering volgens artikel 107, lid 2, VWEU indien aan alle toepassingsvoorwaarden ervan is voldaan, hetgeen met name inhoudt dat de maatregel bijdraagt tot de verwezenlijking van een doel dat wordt genoemd in die bepaling en evenredig is aan het ermee nagestreefde doel.

28 Zoals de advocaat-generaal in punt 17 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, volgt hieruit dat op grond van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU toegekende steunmaatregelen die weliswaar strekken tot herstel van schade die is geleden ten gevolge van een buitengewone gebeurtenis, maar in werkelijkheid zijn ingegeven door willekeurige overwegingen of overwegingen die niets van doen hebben met dat doel– zoals de wens om, om redenen die geen verband houden met dat doel, een onderneming in het bijzonder te bevoordelen ten opzichte van haar concurrenten, met name een onderneming die reeds vóór het intreden van de betrokken gebeurtenis in moeilijkheden verkeerde– niet verenigbaar kunnen worden geacht met de interne markt.

29 Indien de Commissie bij het onderzoek van de verenigbaarheid van een steunmaatregel op grond van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU in het bijzonder zou vaststellen dat de selectie van de begunstigde niet in overeenstemming is met het door die bepaling bedoelde doel om de geleden schade te vergoeden die rechtstreeks door met name een buitengewone gebeurtenis is veroorzaakt, en dat die selectie dus niet daadwerkelijk beantwoordt aan het streven om dat doel te bereiken maar aan andere overwegingen die daar geen verband mee houden, kan die maatregel niet op grond van de bij die bepaling ingevoerde uitzondering verenigbaar met de interne markt worden verklaard.

30 In dit verband moet op grond van artikel 107, lid 2, VWEU toegekende steun noodzakelijk zijn om de in die bepaling genoemde doelstellingen te bereiken, zodat een steunmaatregel die de financiële positie van de begunstigde onderneming verbetert, maar niet noodzakelijk is om deze doelstellingen te bereiken, niet verenigbaar kan worden geacht met de interne markt (zie naar analogie arresten van 13 juni 2013, HGA e.a./Commissie,C‑630/11 P–C‑633/11 P, EU:C:2013:387, punt 104, en 19 juli 2016, Kotnik e.a.,C‑526/14, EU:C:2016:570, punt 49).

31 Anders dan Ryanair suggereert, impliceert het enkele feit dat steun op grond van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU in plaats van aan meerdere ondernemingen die mogelijkerwijs door de betrokken buitengewone gebeurtenis zijn getroffen, slechts aan één enkele onderneming, zoals in dit geval aan SAS, wordt verleend, echter niet dat deze steun noodzakelijkerwijs andere doelstellingen nastreeft dan de doelstellingen die met die bepaling worden beoogd, of dat hij willekeurig wordt toegekend.

32 In die context moet het argument van Ryanair dat het doel van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU impliceert dat de betrokken lidstaat als „verzekeraar in laatste instantie” optreedt, worden verworpen, aangezien een dergelijke uitlegging van deze bepaling noch uit de bewoordingen noch uit de doelstelling ervan blijkt, zoals in de punten 19 en 20 van dit arrest in herinnering is gebracht.

33 Voor zover Ryanair zich ten slotte beroept op een aan de COVID-19-pandemie voorafgaande beslissingspraktijk van de Commissie, volstaat het erop te wijzen dat de rechtmatigheid van het litigieuze besluit en vervolgens van het bestreden arrest ter zake uitsluitend aan de hand van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU moet worden beoordeeld, en niet aan een vermeende eerdere beslissingspraktijk van deze instelling (zie naar analogie arresten van 21 juli 2011, Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt/Commissie, C‑459/10 P, EU:C:2011:515, punt 50, en 26 maart 2020, Larko/Commissie,C‑244/18 P, EU:C:2020:238, punt 114).

34 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 26 van het bestreden arrest tot de slotsom te komen dat Ryanair niet op goede gronden kon stellen dat de Commissie het recht onjuist had toegepast louter omdat de betrokken maatregel niet ten goede kwam aan alle ondernemingen die schade hadden geleden door de COVID-19-pandemie.

35 Derhalve moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.

Tweede middel

Argumenten van partijen

36 Met haar tweede middel, dat betrekking heeft op de punten 31 tot en met 66 van het bestreden arrest en uit acht onderdelen bestaat, verwijt Ryanair het Gerecht blijk te hebben gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en de feiten kennelijk onjuist te hebben opgevat door ten onrechte te oordelen dat de betrokken maatregel gebaseerd was op artikel 107, lid 2, onder b), VWEU en evenredig was aan de door SAS als gevolg van de COVID-19-pandemie geleden schade.

37 Met het eerste onderdeel voert Ryanair aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat een maatregel als de betrokken maatregel, die een subsidiair karakter had ten opzichte van de op grond van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU verenigbaar verklaarde Zweedse steunregeling, kon worden goedgekeurd op grond van lid 2, onder b), van dat artikel. In dit verband heeft het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest volgens rekwirante ten onrechte geoordeeld dat het VWEU zich niet verzet tegen een gelijktijdige toepassing van die bepalingen, mits de voorwaarden van elk van beide bepalingen zijn vervuld.

38 Deze redenering is volgens rekwirante met name rechtens onjuist, aangezien de betrokken lidstaat, gelet op het vereiste van een rechtstreeks verband tussen de schade en de steun, niet kan worden geacht op te treden als „verzekeraar in laatste instantie” in de zin van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU indien hij tegelijkertijd – en met dezelfde maatregel – een ander politiek doel nastreeft dan het doel dat het bestaan van de uitzondering van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU rechtvaardigt. Het standpunt van het Gerecht leidt ertoe dat de afzonderlijke bepalingen van artikel 107, lid 2, onder b), en artikel 107, lid 3, onder b), VWEU worden „samengevoegd” tot één „crisisregeling”, waarvan de rechtsgrondslagen zonder onderscheid onderling verwisselbaar zijn.

39 Met het tweede onderdeel van haar tweede middel betoogt Ryanair dat het Gerecht in punt 40 van het bestreden arrest de punten 40 en 41 van het arrest van 11 november 2004, Spanje/Commissie (C‑73/03, EU:C:2004:711), onjuist heeft uitgelegd, voor zover het daaruit een waarschijnlijkheidscriterium heeft afgeleid. Indien de betrokken maatregel bestemd is om toekomstige schade te dekken, zoals in de onderhavige zaak, zouden alle steunmaatregelen die de door de begunstigde ondernemingen geleden verliezen kunnen overschrijden als onverenigbaar met de interne markt moeten worden beschouwd, ongeacht de mate van waarschijnlijkheid dat er overcompensatie van de schade plaatsvindt. De invoering van een mechanisme voor de terugvordering van te veel betaalde steun volstaat volgens rekwirante niet om te voorkomen dat aan de begunstigde onderneming een onrechtmatig voordeel wordt toegekend, zij het tijdelijk.

40 Met het derde onderdeel verwijt Ryanair het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten kennelijk onjuist te hebben opgevat bij de toepassing van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU en van het daaraan ten grondslag liggende evenredigheidscriterium, doordat het ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie het litigieuze besluit correct had gemotiveerd, terwijl de door deze instelling gehanteerde methode voor de berekening van de door SAS geleden schade onvoldoende nauwkeurig was.

41 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat steun slechts kan worden goedgekeurd op grond van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU op basis van een nauwkeurige methode voor de raming van de geleden schade. In casu kan de overweging in punt 46 van het bestreden arrest, volgens welke de Commissie in het litigieuze besluit voldoende nauwkeurig een berekeningsmethode voor de begroting van de schade had vastgesteld, niet worden verzoend met de inhoud van dat besluit, in het bijzonder punt 35 ervan, waarin wordt gepreciseerd dat de Zweedse autoriteiten zich ertoe hadden verbonden om de methode die voor de raming van de schade zou worden gebruikt uiterlijk op 31 december 2020 ter voorafgaande goedkeuring aan de Commissie voor te leggen. De betrokken maatregel is dus niets anders dan een blanco cheque die gedurende meer dan een jaar aan SAS is gegeven, te weten tot aan het eerste verslag over de reële schade van SAS.

42 Met het vierde onderdeel van haar tweede middel verwijt Ryanair het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten kennelijk onjuist heeft opgevat door in de punten 47 en 48 van het bestreden arrest te verklaren dat zij geen enkel element had aangedragen waaruit bleek dat de berekeningsmethode, zoals omschreven in het litigieuze besluit, had geresulteerd in de betaling van staatssteun voor een hoger bedrag dan de door SAS daadwerkelijk geleden schade. Volgens rekwirante heeft het Gerecht bij de toetsing van de vraag of de berekeningsmethode in dit geval een dergelijk risico inhield, onderzocht of de toepassing ervan tot overcompensatie „kon” leiden. Ryanair heeft tal van gegevens verstrekt waaruit bleek dat de steun aan SAS wel degelijk hoger was dan haar verliezen waren. Verder is de redenering van het Gerecht in deze context ook tegenstrijdig. Zo heeft het Gerecht voor de berekening van de schade enerzijds het belang erkend van de variabele kosten, die moesten worden uitgesloten om de schade te begroten, maar anderzijds geoordeeld dat rekwirante had moeten bewijzen dat het gebrek aan informatie over die kosten als resultaat kon hebben dat er steun voor een hoger bedrag dan de geleden schade werd verleend. Bovendien heeft het Gerecht volgens rekwirante blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de bewijslast systematisch bij haar en niet bij de Commissie te leggen.

43 Met het vijfde onderdeel verwijt Ryanair het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het niet de noodzakelijke consequenties heeft verbonden aan de constatering in punt 49 van het bestreden arrest dat met de door de Commissie vastgestelde methode niet kon worden voorkomen dat de raming van die schade ook de gevolgen omvatte van beslissingen van SAS die geen rechtstreeks verband hielden met de COVID-19-pandemie. Ook op dit punt heeft het Gerecht de bewijslast omgekeerd door te oordelen dat rekwirante niet had bewezen dat de inkomsten van SAS zonder die pandemie waarschijnlijk zouden zijn gedaald.

44 Met het zesde onderdeel verwijt Ryanair het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 51 van het bestreden arrest, louter onder verwijzing naar punt 25 van dat arrest, rekwirantes argument af te wijzen dat de Commissie rekening had moeten houden met de schade die andere luchtvaartmaatschappijen die in Zweden actief waren hadden geleden. Het beginsel dat de steun evenredig moet zijn aan de schade, vereist immers dat de schade niet alleen wordt geraamd in hoofde van de begunstigde van de steun, maar ook in hoofde van zijn concurrenten. In casu hadden de gevolgen van de betrokken maatregel dus ook moeten worden beoordeeld voor de andere luchtvaartmaatschappijen die actief zijn in Zweden. Hoe dan ook kon het Gerecht niet redelijkerwijs oordelen, zoals het in de punten 8 en 84 van het bestreden arrest heeft gedaan, dat de betrokken maatregel gerechtvaardigd was omdat SAS meer schade had geleden gelet op haar concurrentiepositie, en kon het evenmin weigeren om deze situatie in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de evenredigheid van de steun ten opzichte van de door deze vennootschap geleden schade.

45 Met het zevende onderdeel van haar tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het ermee akkoord is gegaan dat de Commissie geen rekening hoefde te houden met de door het Koninkrijk Noorwegen verleende steun –en dit wegens de verbintenis van het Koninkrijk Zweden om de terugbetaling van de steun ex post te vorderen ingeval de betrokken maatregel, samen met andere steun, waaronder die van buitenlandse autoriteiten, de door SAS daadwerkelijk geleden schade te boven zou gaan. Volgens rekwirante had de Commissie meteen rekening moeten houden met de door het Koninkrijk Noorwegen verleende steun, aangezien deze bekend was op het tijdstip van de vaststelling van litigieuze besluit.

46 Met het achtste onderdeel van dit middel verwijt Ryanair het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 62 en 63 van het bestreden arrest haar argument af te wijzen dat het concurrentievoordeel dat voortvloeide uit het feit dat SAS de enige luchtvaartmaatschappij was die van de betrokken maatregel profiteerde, in aanmerking had moeten worden genomen bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de steun met artikel 107, lid 2, onder b), VWEU. Een dergelijke beoordeling is van wezenlijk belang om te bepalen of de steun niet verder gaat dan noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken, en dus evenredig is.

47 De Commissie, de Franse Republiek, het Koninkrijk Zweden en SAS betogen dat het tweede middel ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling door het Hof

48 Wat het eerste onderdeel van het tweede middel betreft, dat is gericht tegen de punten 34 en 35 van het bestreden arrest, moet ten eerste worden opgemerkt, zoals blijkt uit de punten 32 en 33 van het bestreden arrest, die door Ryanair niet worden betwist, dat de betrokken maatregel slechts „subsidiair” was ten opzichte van de eerder goedgekeurde Zweedse steunregeling, in die zin dat alleen de luchtvaartmaatschappijen die in aanmerking kwamen voor deze eerder goedgekeurde steunregeling begunstigden konden zijn van de individuele steunmaatregelen – waaronder de betrokken maatregel – die het Koninkrijk Zweden voornemens was toe te kennen aan deze luchtvaartmaatschappijen, in de mate dat het voor hen moeilijk bleek om onder de voorwaarden van die steunregeling toegang tot het krediet te krijgen. Afgezien van dit kenmerk vormt de betrokken maatregel dus een steunmaatregel die losstaat van de Zweedse steunregeling en die afzonderlijk is aangemeld en afzonderlijk door de Commissie verenigbaar is verklaard.

49 Ten tweede moet worden opgemerkt dat het Gerecht, door in punt 34 van het bestreden arrest te verwijzen naar de „gelijktijdige toepassing” van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU, waarop de betrokken maatregel was gebaseerd, en artikel 107, lid 3, onder b), VWEU, waarop de Zweedse steunregeling was gebaseerd, in geen geval suggereert dat deze twee verschillende steunmaatregelen SAS ten goede zouden zijn gekomen. Integendeel, uit punt 32 van het bestreden arrest blijkt dat SAS niet tegelijkertijd de betrokken maatregel en de Zweedse steunregeling kon genieten. Overigens staat vast dat zij geen gebruik heeft gemaakt van deze steunregeling.

50 Door aldus te verwijzen naar de gelijktijdige toepassing van deze twee bepalingen heeft het Gerecht enkel duidelijk gesteld dat het niet is uitgesloten, zoals in deze zaak is geschied, dat een lidstaat met betrekking tot dezelfde gebeurtenis meerdere steunmaatregelen vaststelt die gebaseerd zijn op verschillende uitzonderingen waarin artikel 107, lid 2, dan wel lid 3, VWEU voorziet.

51 Zoals het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, kan een gebeurtenis zoals de COVID-19-pandemie immers tegelijkertijd als een „buitengewone gebeurtenis” in de zin van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU, en als een gebeurtenis die tot een „ernstige verstoring van de economie” in de zin van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU leidt worden aangemerkt.

52 In die omstandigheden heeft het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest op goede gronden vastgesteld dat het VWEU zich niet verzet tegen de gelijktijdige toepassing van die bepalingen, in de zin die is aangegeven in punt 50 van het onderhavige arrest, mits alle voorwaarden van elk van die bepalingen zijn vervuld.

53 Ten slotte, voor zover Ryanair ter ondersteuning van dit eerste onderdeel, net als in het kader van haar eerste middel, betoogt dat de betrokken lidstaat niet kan worden geacht op te treden als „verzekeraar in laatste instantie”, zoals waarin artikel 107, lid 2, onder b), VWEU voorziet, indien hij met dezelfde maatregel ook een ander doel nastreeft dan dat waarvan sprake is in artikel 107, lid 3, onder b), VWEU, volgt uit punt 32 van het onderhavige arrest dat dit argument op een onjuiste premisse berust.

54 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 35 van het bestreden arrest te oordelen dat de betrokken maatregel verenigbaar met de interne markt kon worden verklaard op grond van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU, hoewel de Zweedse steunregeling verenigbaar was verklaard op grond van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU.

55 Het eerste onderdeel van het tweede middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.

56 Het tweede tot en met het achtste onderdeel van het tweede middel is gericht tegen de punten 39 tot en met 66 van het bestreden arrest. In deze punten heeft het Gerecht het tweede onderdeel van het tweede middel van het beroep in eerste aanleg, waarmee rekwirante betwistte dat de betrokken maatregel evenredig was aan de door SAS geleden schade, met name omdat de Commissie een mogelijke overcompensatie van die schade zou hebben toegestaan, onderzocht en afgewezen.

57 Met het oog op het onderzoek van deze onderdelen van het tweede middel moet om te beginnen worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit punt 30 van het onderhavige arrest, op grond van artikel 107, lid 2, VWEU verleende steun noodzakelijk moet zijn om de in die bepaling genoemde doelstellingen te bereiken, zodat steun die leidt tot een verbetering van de financiële situatie van de begunstigde onderneming zonder dat deze noodzakelijk is om die doelstellingen te bereiken, niet verenigbaar met de interne markt kan worden geacht (zie naar analogie arresten van 13 juni 2013, HGA e.a./Commissie,C‑630/11 P–C‑633/11 P, EU:C:2013:387, punt 104, en 19 juli 2016, Kotnik e.a.,C‑526/14, EU:C:2016:570, punt 49).

58 Met betrekking tot artikel 107, lid 2, onder b), VWEU blijkt uit de in punt 20 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof dat krachtens deze bepaling enkel de schade kan worden gecompenseerd die rechtstreeks is veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen.

59 Hieruit volgt dat de toegekende steun niet hoger mag zijn dan de verliezen die de begunstigden als gevolg van de betrokken gebeurtenis hebben geleden, zoals het Hof in wezen reeds heeft geoordeeld in de punten 40 en 41 van het in punt 40 van het bestreden arrest vermelde arrest van 11 november 2004, Spanje/Commissie (C‑73/03, EU:C:2004:711).

60 Voor zover Ryanair het Gerecht met het tweede onderdeel van haar tweede middel verwijt dat het in dat punt van het bestreden arrest een onjuist waarschijnlijkheidscriterium heeft ingevoerd dat onverenigbaar is met de leer van het arrest van 11 november 2004, Spanje/Commissie (C‑73/03, EU:C:2004:711), moet worden opgemerkt dat dit onderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, aangezien het Gerecht geen dergelijk criterium heeft ingevoerd. In punt 40 van dat arrest heeft het Gerecht enkel verduidelijkt dat, voor zover het steunbedrag hoger zou zijn dan de door de begunstigde geleden schade, dit deel van de steun niet op grond van die bepaling kan worden gerechtvaardigd. Hoe dan ook blijkt uit het bestreden arrest niet dat het Gerecht, bij zijn verificatie of de Commissie in het litigieuze besluit een overcompensatie van de daadwerkelijk door SAS geleden schade had goedgekeurd, een dergelijk criterium heeft gehanteerd en dit criterium dus invloed zou hebben gehad op de uitkomst van dat onderzoek.

61 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.

62 Voor zover Ryanair met het derde onderdeel van dit middel het Gerecht in de eerste plaats verwijt dat het in punt 46 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie in het litigieuze besluit een voldoende nauwkeurige berekeningsmethode van de door SAS geleden schade had voorgelegd, moet worden vastgesteld dat het Gerecht in punt 45 van dat arrest verwijst naar punt 41 ervan, waar het alle elementen heeft uiteengezet die de Commissie in aanmerking had genomen bij de beoordeling van die schade. Op basis van deze gedetailleerde beschrijving heeft het Gerecht in dat punt 45 geoordeeld dat de Commissie in het litigieuze besluit ten eerste de elementen had geïdentificeerd die in aanmerking waren genomen om de schade te kwantificeren, te weten het inkomensverlies, de vermeden variabele kosten en de aanpassing van de winstmarge, alsook de periode waarin die schade zich kon voordoen, en ten tweede had bepaald dat bij de vaststelling van het inkomstenverlies rekening moest worden gehouden met alle inkomsten van SAS, en niet alleen met de inkomsten uit het luchtvervoer van passagiers. Bovendien heeft het Gerecht erop gewezen dat de Commissie nota ervan had genomen dat de Zweedse autoriteiten zich ertoe hadden verbonden om de door SAS geleden schade en het bedrag van de steun die zij uiteindelijk zou hebben ontvangen, achteraf gedetailleerd en concreet te kwantificeren, en daarnaast te waarborgen dat SAS een eventuele overcompensatie van die schade zou terugbetalen.

63 Gelet op al deze elementen betreffende de vaststelling van de door SAS geleden schade die de Commissie in aanmerking heeft genomen, heeft het Gerecht, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, in punt 46 van het bestreden arrest kunnen oordelen dat, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, met name het noodzakelijkerwijs prospectieve karakter van de kwantificatie van die schade en van het bedrag van de uiteindelijk toegekende steun, het litigieuze besluit een voldoende nauwkeurige uiteenzetting van de methode voor de berekening van die schade bevatte.

64 Anders dan Ryanair stelt, wordt deze conclusie niet op losse schroeven gezet door de enkele omstandigheid dat de Zweedse autoriteiten zich ertoe hadden verbonden de Commissie de gedetailleerde berekeningsmethode voor te leggen die zou worden gebruikt om de schade achteraf te begroten.

65 Voor zover Ryanair met dit derde onderdeel het Gerecht in de tweede plaats verwijt dat het de voorgelegde feiten onjuist heeft opgevat, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is, enerzijds, om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van zijn vaststellingen blijkt uit de aan het Gerecht overgelegde processtukken en, anderzijds, om die feiten te beoordelen (zie arrest van 25 juni 2020, CSUE/KF,C‑14/19 P, EU:C:2020:492, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66 Daaruit volgt dat de beoordeling van de feiten, behoudens het geval van een onjuiste opvatting van de aan het Gerecht overgelegde bewijsstukken, geen rechtsvraag oplevert die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie arrest van 25 juni 2020, CSUE/KF,C‑14/19 P, EU:C:2020:492, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67 Wanneer een rekwirant stelt dat het Gerecht bewijzen onjuist heeft opgevat, moet hij volgens artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, precies aangeven welke elementen volgens hem onjuist zijn opgevat, en aantonen welke fouten in de analyse tot die onjuiste opvatting in de beoordeling van het Gerecht hebben geleid. Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof dat een onjuiste opvatting duidelijk moet blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (zie arrest van 25 juni 2020, CSUE/KF,C‑14/19 P, EU:C:2020:492, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68 In casu moet worden vastgesteld dat Ryanair ter ondersteuning van dit onderdeel niet preciseert welke bewijzen het Gerecht onjuist zou hebben opgevat om tot de conclusie te komen dat de Commissie een voldoende nauwkeurige methode voor de berekening van de schade had voorgelegd, en a fortiori niet aantoont in welk opzicht deze bewijzen onjuist zijn opgevat.

69 Het derde onderdeel van het tweede middel is dus ongegrond.

70 Met het vierde en het vijfde onderdeel van dit middel, die samen moeten worden onderzocht, verwijt Ryanair het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een kennelijke onjuiste opvatting van de feiten in de punten 47 tot en met 49 van het bestreden arrest, volgens welke rekwirante geen enkel element had aangedragen waaruit bleek dat, ten eerste, de berekeningsmethode van de Commissie het mogelijk maakte dat staatssteun werd uitgekeerd die hoger was dan de daadwerkelijk door SAS geleden schade, ten tweede, de Commissie die schade mogelijkerwijs overwaardeerde waar zij voor het ramen van de schade de laatste twaalf maanden vóór de invoering van de beperkingen vanwege de COVID-19-pandemie in aanmerking nam en, ten derde, de inkomsten van SAS in de periode van maart 2020 tot en met februari 2021 ook zonder die pandemie waarschijnlijk zouden zijn gedaald ten opzichte van de periode van maart 2019 tot en met februari 2020.

71 In de mate dat Ryanair ter ondersteuning van deze onderdelen enkel stelt dat de door haar aan het Gerecht voorgelegde feitelijke gegevens de gegrondheid van deze drie argumenten konden aantonen, moet dit onderdeel overeenkomstig de in de punten 65 en 66 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien rekwirante, bij gebreke van concrete bewijzen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de feiten eventueel onjuist zijn opgevat, in werkelijkheid beoogt op te komen tegen de soevereine beoordeling van de feiten die het Gerecht heeft verricht om in punt 50 van het bestreden arrest tot de slotsom te komen dat de Commissie geen beoordelingsfout had gemaakt bij de begroting van de door SAS geleden schade.

72 Voor zover Ryanair bovendien betoogt dat het Gerecht daarmee de bewijslast, die volgens haar op de Commissie had moeten rusten, heeft omgekeerd, dient eraan te worden herinnerd dat het in beginsel staat aan degene die feiten ter ondersteuning van een vordering of een argument aanvoert, om het bewijs daarvan te leveren [zie in die zin arrest van 26 juni 2001, Brunnhofer,C‑381/99, EU:C:2001:358, punt 52, en beschikking van de president van het Hof van 25 januari 2008, Provincia di Ascoli Piceno en Comune di Monte Urano/Apache Footwear e.a., C‑464/07 P(I), EU:C:2008:49, punt 9].

73 Het Gerecht heeft de beginselen inzake de verdeling van de bewijslast dus niet geschonden door vast te stellen dat Ryanair niet het bewijs had geleverd van de feiten die zij aanvoerde ter ondersteuning van haar betoog dat de Commissie fouten had gemaakt bij de raming van de door SAS geleden schade.

74 Bijgevolg zijn het vierde en het vijfde onderdeel van het tweede middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond.

75 Met het zesde onderdeel van dit middel wordt in wezen aangevoerd dat het Gerecht, bij het onderzoek of de Commissie op goede gronden kon vaststellen dat de betrokken maatregel evenredig was aan de door SAS als gevolg van de COVID-19-pandemie geleden schade en dat SAS geen overcompensatie van haar schade had ontvangen, in punt 51 van het bestreden arrest ten onrechte het argument van Ryanair heeft afgewezen dat de Commissie rekening had moeten houden met de schade die was geleden door de andere luchtvaartmaatschappijen die actief zijn in Zweden.

76 Wat in dit verband de evenredigheid van een op grond van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU toegekende steunmaatregel aan het bedrag van de betrokken steun betreft, blijkt uit punt 59 van het onderhavige arrest dat dit bedrag niet hoger mag zijn dan de verliezen die de begunstigde ervan heeft geleden. Wanneer het, zoals in het onderhavige geval, om individuele steun gaat, staat het dus aan de Commissie om bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de steun met de interne markt na te gaan of de begunstigde geen steunbedrag ontvangt dat hoger is dan de schade die hij werkelijk heeft geleden als gevolg van de buitengewone gebeurtenis in kwestie.

77 Het is voor de beoordeling of dit voor een bepaalde luchtvaartmaatschappij het geval is kennelijk irrelevant om te weten of en in hoeverre andere maatschappijen ook schade hebben geleden als gevolg van die gebeurtenis.

78 Bovendien blijkt uit de punten 22 tot en met 26 van het onderhavige arrest dat Ryanair ter ondersteuning van haar eerste middel in hogere voorziening ten onrechte aanvoert dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de betrokken lidstaat niet verplicht is om alle door de betrokken buitengewone gebeurtenis veroorzaakte schade in aanmerking te nemen of om alle slachtoffers van die schade steun te verlenen. Het is dan ook op goede gronden dat het Gerecht, op basis van diezelfde overwegingen, in punt 51 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat voor de goedkeuring van de toekenning van steun ten gunste van uitsluitend SAS niet de voorwaarde gold dat de Commissie aantoonde dat de door die gebeurtenis veroorzaakte schade alleen die onderneming had geschaad.

79 Ten slotte stelt Ryanair enkel dat het tegenstrijdig is dat het Gerecht heeft gerechtvaardigd dat de betrokken maatregel noodzakelijk was door naar de concurrentiepositie van SAS te verwijzen, maar dat het geen rekening met deze situatie heeft gehouden om de evenredigheid van de steun te beoordelen, zonder dat het heeft aangegeven waar zijn vaststelling rechtens precies op gebaseerd was.

80 Hieruit volgt dat ook het zesde onderdeel van het tweede middel moet worden afgewezen.

81 Voor zover Ryanair met het zevende onderdeel van dit middel aanvoert dat de Commissie – anders dan het Gerecht in de punten 60 en 61 van het bestreden arrest heeft geoordeeld – bij de beoordeling van het bestaan van overcompensatie van de door SAS geleden schade van meet af aan rekening had moeten houden met de door het Koninkrijk Noorwegen verleende steun en dat het geen genoegen had mogen nemen met een evaluatie achteraf, volstaat het op te merken dat het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de Commissie in het litigieuze besluit wel degelijk rekening heeft gehouden met de door het Koninkrijk Noorwegen verleende steun en dat Ryanair geen enkel argument heeft aangevoerd om deze vaststelling te ontkrachten.

82 Derhalve moet het zevende onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard.

83 Met het achtste onderdeel van dit middel verwijt Ryanair het Gerecht in wezen dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 63 en 64 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de betrokken maatregel met de interne markt volgens artikel 107, lid 2, onder b), VWEU, en met name van de evenredigheid ervan, geen rekening hoefde te houden met het concurrentievoordeel dat voor SAS voortvloeide uit het feit dat zij de enige begunstigde van die steun was.

84 In dit verband moet worden vastgesteld, zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie heeft aangegeven, dat, anders dan Ryanair stelt, het arrest van 21 december 2016, Commissie/Aer Lingus en Ryanair Designated Activity (C‑164/15 P en C‑165/15 P, EU:C:2016:990, punt 92), waarnaar het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest heeft verwezen, weliswaar betrekking heeft op de vaststelling van het bedrag van onrechtmatige steun met het oog op de terugvordering ervan, maar dat dit arrest in casu toch relevant is, aangezien uit genoemd punt 92 kan worden afgeleid dat het voordeel dat deze steun de begunstigde ervan heeft opgeleverd, niet het eventuele economische profijt omvat dat deze begunstigde zou realiseren door de exploitatie van dat voordeel.

85 Wat de betrokken maatregel betreft, te weten steun in de vorm van een garantie, komt het bedrag van de aan SAS verleende steun dat de Commissie in aanmerking moet nemen om vast te stellen of er sprake is van een eventuele overcompensatie van de schade die deze luchtvaartmaatschappij als gevolg van de buitengewone gebeurtenis heeft geleden, in beginsel dus overeen, zoals blijkt uit de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen [107 en 108 VWEU] op staatssteun in de vorm van garanties (PB 2008, C 155, blz. 10) en zoals het Gerecht in punt 54 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, met het verschil tussen het aan SAS toegekende rentepercentage met en zonder de betrokken maatregel op de datum waarop het bestreden besluit is vastgesteld. Bij dit onderzoek hoeft de Commissie daarentegen geen rekening te houden met een eventueel voordeel dat SAS onrechtstreeks zou hebben genoten, zoals het door Ryanair aangevoerde concurrentievoordeel.

86 Hieruit volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 63 tot en met 65 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie geen rekening hoefde te houden met het concurrentievoordeel waarvan Ryanair het bestaan aanvoerde.

87 Gelet op het voorgaande moet het achtste onderdeel van het tweede middel, en bijgevolg dit middel in zijn geheel, ongegrond worden verklaard.

Derde middel

Argumenten van partijen

88 Met haar derde middel, dat betrekking heeft op de punten 70 tot en met 89 van het bestreden arrest, verwijt Ryanair het Gerecht blijk te hebben gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en de feiten kennelijk onjuist te hebben opgevat door het eerste onderdeel van het derde middel van haar beroep in eerste aanleg te hebben afgewezen en door in punt 89 van het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat het gerechtvaardigd was om het voordeel van de betrokken maatregel alleen aan SAS toe te kennen en dat deze maatregel geen schending opleverde van het non-discriminatiebeginsel.

89 Ryanair voert in dit verband met het eerste onderdeel van haar derde middel aan dat het Gerecht het beginsel van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, dat een fundamenteel beginsel van de rechtsorde van de Unie is, niet naar behoren heeft toegepast. Het Gerecht heeft in punt 80 van het bestreden arrest erkend dat het door de betrokken maatregel ingevoerde verschil in behandeling, voor zover de maatregel enkel ten goede kwam aan SAS, als discriminatie kon worden beschouwd, maar het heeft ten onrechte geoordeeld dat dergelijke discriminatie uitsluitend aan artikel 107, lid 2, onder b), VWEU moet worden getoetst, aangezien deze bepaling een bijzondere bepaling van de Verdragen in de zin van artikel 18 VWEU vormt. Bovendien had het Gerecht moeten onderzoeken of die discriminatie gerechtvaardigd was om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid in de zin van artikel 52 VWEU, of op zijn minst of zij gebaseerd was op objectieve overwegingen die losstonden van de nationaliteit van de betrokken personen.

90 Met het tweede onderdeel van dit middel betoogt rekwirante dat het Gerecht in de punten 74 tot en met 77 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten kennelijk onjuist heeft opgevat wat de vaststelling van het doel van de betrokken maatregel betreft. Met name heeft het Gerecht in de punten 74 en 75 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat deze maatregel niet tot doel had de „bereikbaarheid” van Zweden, de „onderlinge bereikbaarheid van de Scandinavische landen” of de Zweedse economie in stand te houden, hetgeen neerkomt op een te formalistische uitlegging van het litigieuze besluit. Deze stelling zou bovendien in tegenspraak zijn met punt 82 van het bestreden arrest. Volgens Ryanair zijn ook de bevindingen van het Gerecht in de punten 76 en 77 van het bestreden arrest dat de betrokken maatregel niet tot doel had de marktstructuur te handhaven en dat de discriminatie inherent was aan het individuele karakter van de steun, onjuist.

91 Met het derde onderdeel van haar derde middel voert Ryanair aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen door in punt 84 van het bestreden arrest ten onrechte te oordelen dat het door de betrokken maatregel vastgestelde verschil in behandeling gerechtvaardigd was aangezien SAS, gezien haar grotere marktaandeel, meer schade had geleden door de beperkingen ingevolge de COVID-19-pandemie dan de andere in Zweden aanwezige luchtvaartmaatschappijen.

92 Ten eerste zou het litigieuze besluit nergens melding maken van die rechtvaardiging. Ten tweede komt een dergelijke stelling er volgens rekwirante in wezen op neer dat een onderneming met een aanzienlijk marktaandeel met recht aanspraak zou kunnen maken op het geheel van de uit hoofde van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU goedgekeurde steun, hetgeen in strijd zou zijn met de beginselen van evenredigheid en onvervalste mededinging. Ten derde zou deze stelling „absurd en kennelijk onjuist” zijn voor zover het Gerecht in punt 85 van het bestreden arrest een dergelijk recht van SAS op alle steun zou hebben gerechtvaardigd op grond dat zij „naar verhouding aanzienlijk meer door deze beperkingen werd getroffen dan rekwirante”. Ten vierde heeft het Gerecht volgens rekwirante blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 87 van het bestreden arrest te oordelen dat, rekening ermee houdend dat het bedrag van de betrokken maatregel niet zeer hoog was, rekwirante niet had aangetoond dat het verdelen van dit bedrag over alle in Zweden aanwezige luchtvaartmaatschappijen er niet toe zou hebben geleid dat die maatregel geen nuttig effect meer zou hebben gesorteerd. De toepassing van een criterium dat verband houdt met het „nuttig effect”, dat door het Gerecht niet is gepreciseerd, komt neer op een „zuivere sui-generisuitlegging”. Hoe dan ook kwam een dergelijke analyse volgens rekwirante nergens voor in het litigieuze besluit.

93 De Commissie, de Franse Republiek en het Koninkrijk Zweden betogen dat het derde middel van de hogere voorziening ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling door het Hof

94 Met het tweede onderdeel van het derde middel, dat als eerste moet worden onderzocht, voert Ryanair in de eerste plaats in wezen aan dat het Gerecht in de punten 74 tot en met 76 van het bestreden arrest het doel van de betrokken maatregel, zoals dat naar voren komt uit het litigieuze besluit, onjuist heeft geïdentificeerd en dat het ten onrechte heeft geoordeeld dat dit doel niet erin bestond de „bereikbaarheid” van Zweden, de „onderlinge bereikbaarheid van de Scandinavische landen” of de Zweedse economie in stand te houden.

95 Zoals het Gerecht in punt 75 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, moet in dit verband worden vastgesteld dat uit overweging 9 van het litigieuze besluit, die deel uitmaakt van het punt met als opschrift „Doel van de maatregel”, uitdrukkelijk blijkt dat deze doelstelling erin bestaat „SAS te vergoeden voor de schade die het gevolg is van de annulering of omboeking van haar vluchten als gevolg van de invoering van reisbeperkingen in het kader van de COVID-19-pandemie”. Wat daarentegen de handhaving van de „bereikbaarheid” van Zweden en van de „onderlinge bereikbaarheid van de Scandinavische landen” en het behoud van de Zweedse economie betreft, naar deze aspecten wordt verwezen in een ander deel van het litigieuze besluit, namelijk onder het punt met als opschrift „Begunstigde”, dat uitsluitend beoogt het profiel te omschrijven van de onderneming tot wie de betrokken maatregel is gericht, en niet het doel van die maatregel.

96 In die omstandigheden heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of de bewoordingen van het litigieuze besluit onjuist opgevat door in punt 74 van het bestreden arrest te oordelen dat de betrokken maatregel, gelet op dat besluit, naast de gedeeltelijke vergoeding van SAS voor de schade die het gevolg was van de COVID-19-pandemie niet ook tot doel had om de „bereikbaarheid” van Zweden, de „onderlinge bereikbaarheid van de Scandinavische landen” of de Zweedse economie als zodanig in stand te houden.

97 In de mate dat Ryanair vervolgens aanvoert dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de motivering in de punten 74 en 75 van het bestreden arrest en die in punt 82 ervan, kan worden volstaan met de vaststelling dat het Gerecht in dat laatste punt niet langer het in de punten 74 en 75 van dat arrest aan de orde zijnde doel van de betrokken maatregel heeft onderzocht, maar wel de vraag of de voor de toekenning van die steunmaatregel geldende voorwaarden evenredig waren in het licht van dat doel, waarover het gaat in de punten 80 tot en met 87 van dat arrest.

98 Ten slotte, voor zover het tweede onderdeel van het derde middel betrekking heeft op punt 76 van het bestreden arrest, waar het Gerecht rekwirantes argument heeft afgewezen dat de betrokken maatregel tot doel had de marktstructuur in stand te houden, geeft deze vaststelling om dezelfde reden als die welke in punt 95 van het onderhavige arrest is uiteengezet geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

99 Bijgevolg dient het tweede onderdeel van het derde middel in zoverre ongegrond te worden verklaard.

100 Met een laatste argument dat zowel in het eerste als in het tweede onderdeel van dit middel is aangevoerd, verwijt Ryanair het Gerecht dat het in de punten 77 en 80 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de toepassing van het non-discriminatiebeginsel en, meer in het bijzonder, van het in artikel 18, eerste alinea, VWEU neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit.

101 Wat in de eerste plaats de stelling van Ryanair betreft dat het Gerecht in punt 77 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een nationale maatregel slechts als „staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan worden aangemerkt indien aan alle hierna genoemde voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of een maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd. Ten tweede moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. Ten derde moet de maatregel de begunstigde een selectief voordeel verschaffen. Ten vierde moet de maatregel de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (zie met name arrest van 28 juni 2018, Duitsland/Commissie,C‑208/16 P, EU:C:2018:506, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

102 Het is dus voor maatregelen die dergelijke kenmerken vertonen, doordat zij de mededinging kunnen vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden, dat het in artikel 107, lid 1, VWEU neergelegde beginsel van onverenigbaarheid met de interne markt geldt.

103 In het bijzonder veronderstelt het uit artikel 107, lid 1, VWEU voortvloeiende selectiviteitsvereiste dat de Commissie aantoont dat het economische voordeel, in ruime zin, dat rechtstreeks of indirect voortvloeit uit een bepaalde maatregel, specifiek aan een of meer ondernemingen ten goede komt. Te dien einde moet zij in het bijzonder bewijzen dat de betrokken maatregel leidt tot verschillen tussen ondernemingen die zich ten aanzien van het doel van de betrokken maatregel in een vergelijkbare situatie bevinden. Het voordeel moet dus op selectieve wijze worden toegekend en moet bepaalde ondernemingen in een gunstigere situatie kunnen brengen dan andere (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, België/Commissie,C‑270/15 P, EU:C:2016:489, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

104 Wanneer zoals in het onderhavige geval de betrokken maatregel bedoeld is als individuele steun, kan bij de vaststelling van een economisch voordeel in beginsel worden vermoed dat er sprake is van selectiviteit (zie arrest van 30 juni 2016, België/Commissie,C‑270/15 P, EU:C:2016:489, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

105 Hieruit volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 77 van het bestreden arrest in wezen te verklaren dat een individuele steunmaatregel naar zijn aard tot een verschil in behandeling leidt tussen de onderneming die deze steun ontvangt en alle andere ondernemingen die zich, gelet op het nagestreefde doel, in een vergelijkbare situatie bevinden. Bovendien kan dit punt 77, anders dan Ryanair lijkt te stellen, niet aldus worden begrepen dat het Gerecht van mening is dat individuele steun die het strijdig acht met het non-discriminatiebeginsel, toch verenigbaar is met de interne markt, aangezien het aan het einde van dat punt uitdrukkelijk heeft gepreciseerd dat het Unierecht de lidstaten toestaat dergelijke steun toe te kennen „mits aan alle voorwaarden van artikel 107 VWEU is voldaan”.

106 Wat dit laatste betreft, voorziet artikel 107, leden 2 en 3, VWEU in bepaalde uitzonderingen op het in punt 102 van het onderhavige arrest genoemde beginsel dat staatssteun onverenigbaar is met de interne markt. Staatssteun die is toegekend voor de doeleinden en in overeenstemming met de voorwaarden van deze afwijkende bepalingen, is dus verenigbaar met de interne markt of kan verenigbaar met de interne markt worden verklaard, ondanks het feit dat die steun de kenmerken vertoont en de gevolgen sorteert die zijn vermeld in punt 101 van het onderhavige arrest.

107 Bijgevolg kan staatssteun die is toegekend in overeenstemming met deze vereisten, dat wil zeggen om een in deze bepalingen erkend doel te bereiken en binnen de grenzen van hetgeen noodzakelijk en evenredig is ter verwezenlijking daarvan, niet onverenigbaar met de interne markt worden verklaard louter omdat die steun de in punt 101 van het onderhavige arrest vermelde kenmerken of gevolgen heeft die inherent zijn aan elke steunmaatregel, te weten met name om redenen die verband houden met het selectieve karakter van de steun of met het verstoren van de mededinging. In dat geval zouden die uitzonderingsbepalingen immers geen elk nuttig effect meer hebben (zie in die zin arresten van 22 maart 1977, Iannelli & Volpi, 74/76, EU:C:1977:51, punten 14 en 15, en 26 september 2002, Spanje/Commissie,C‑351/98, EU:C:2002:530, punt 57).

108 Een steunmaatregel kan dus niet als onverenigbaar met de interne markt worden beschouwd om redenen die uitsluitend ermee verband houden dat de steun selectief is of dat hij de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen.

109 Wat in de tweede plaats de stelling van Ryanair betreft dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het in punt 80 van het bestreden arrest het in artikel 18 VWEU neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit niet heeft toegepast, maar de betrokken maatregel heeft getoetst aan artikel 107, lid 2, onder b), VWEU, zij eraan herinnerd dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de procedure van artikel 108 VWEU echter nooit mag leiden tot een resultaat dat in strijd zou zijn met de specifieke bepalingen van het Verdrag. Aldus kan staatssteun die – als zodanig of vanwege bepaalde uitvoeringsvoorschriften ervan – bepalingen of algemene beginselen van het Unierecht schendt, niet verenigbaar met de interne markt worden verklaard (arrest van 31 januari 2023, Commissie/Braesch e.a.,C‑284/21 P, EU:C:2023:58, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

110 Wat specifiek artikel 18 VWEU betreft, is het evenwel vaste rechtspraak dat dit artikel slechts autonoom toepassing kan vinden in gevallen waarin het Unierecht wel geldt, maar waarvoor het VWEU niet in bijzondere discriminatieverboden voorziet (zie arrest van 18 juli 2017, Erzberger,C‑566/15, EU:C:2017:562, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

111 Aangezien artikel 107, leden 2 en 3, VWEU, zoals in punt 106 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, voorziet in uitzonderingen op het in lid 1 van dat artikel neergelegde beginsel dat staatssteun onverenigbaar is met de interne markt en aldus in het bijzonder verschillen in behandeling van de ondernemingen toestaat mits deze voldoen aan de in die uitzonderingen gestelde voorwaarden, moeten die leden 2 en 3, zoals de advocaat-generaal in punt 64 van zijn conclusie heeft opgemerkt, worden beschouwd als „bijzondere bepalingen” van de Verdragen in de zin van artikel 18, eerste alinea, VWEU.

112 Hieruit volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 80 van het bestreden arrest te oordelen dat artikel 107, lid 2, onder b), VWEU een dergelijke bijzondere bepaling vormde en dat enkel hoefde te worden onderzocht of het door de betrokken maatregel veroorzaakte verschil in behandeling was toegestaan op grond van alleen die bepaling.

113 Hieruit vloeit voort dat de uit de betrokken maatregel voortvloeiende verschillen in behandeling, anders dan Ryanair stelt, evenmin hoeven te worden gerechtvaardigd in het licht van de in artikel 52 VWEU genoemde redenen.

114 Gelet op het voorgaande moeten de laatste grief van het tweede onderdeel en het eerste onderdeel van het derde middel ongegrond worden verklaard.

115 Met het derde onderdeel van haar derde middel verwijt Ryanair het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en de feiten kennelijk onjuist heeft opgevat waar het, met name in de punten 84 tot en met 88 van het bestreden arrest, in het kader van de vraag naar de evenredigheid van de betrokken maatregel heeft onderzocht in welke mate het in punt 83 van dat arrest weergegeven betoog van rekwirante kon worden aanvaard dat het uit die maatregel voortvloeiende verschil in behandeling niet evenredig was voor zover volgens die maatregel alle steun waarmee de door de COVID-19-pandemie veroorzaakte schade diende te worden verholpen bij SAS terechtkwam, terwijl die onderneming slechts 35 % van deze schade zou hebben geleden.

116 In dit verband voert Ryanair met een eerste grief in wezen aan dat het Gerecht, door met name in punt 84 van het bestreden arrest te verklaren dat SAS vanwege haar grotere marktaandeel harder dan de andere in Zweden aanwezige luchtvaartmaatschappijen werd getroffen door de naar aanleiding van de COVID-19-pandemie gestelde beperkingen, een rechtvaardiging heeft aangevoerd die niet voorkwam in het litigieuze besluit, zodat het zijn eigen motivering in de plaats heeft gesteld van de door de Commissie ter ondersteuning van dat besluit verstrekte motivering.

117 In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof weliswaar dat in het kader van de rechtmatigheidstoetsing krachtens artikel 263 VWEU het Hof en het Gerecht in geen geval hun eigen motivering in de plaats mogen stellen van die van de instelling die de handeling heeft verricht (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, World Duty Free Group en Spanje/Commissie, C‑51/19 P en C‑64/19 P, EU:C:2021:793, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak), maar vastgesteld moet worden dat het Gerecht in punt 84 van het bestreden arrest als antwoord op het in punt 115 van het onderhavige arrest vermelde betoog van rekwirante louter de inhoud van het litigieuze besluit in herinnering heeft gebracht, en meer bepaald conclusies heeft getrokken uit de daarin opgenomen informatie, zonder evenwel de motivering van dat besluit te vervangen.

118 Voor zover rekwirante met de derde grief van dit derde onderdeel doelt op de vaststellingen van het Gerecht in de punten 84 en 85 van het bestreden arrest volgens welke de marktaandelen van SAS „aanzienlijk groter waren dan die van haar grootste concurrent” en dat SAS „naar verhouding aanzienlijk harder wordt getroffen door deze beperkingen”, te weten de in het kader van de COVID-19-pandemie opgelegde beperkingen, moet worden vastgesteld dat het gaat om soevereine feitelijke beoordelingen die het Gerecht bovendien ten overvloede heeft verricht.

119 Bijgevolg moet deze grief niet-ontvankelijk worden verklaard, temeer daar rekwirante niet aantoont dat het Gerecht die feiten onjuist zou hebben opgevat.

120 Voor zover Ryanair ter ondersteuning van de tweede en de derde grief van dit derde onderdeel in wezen aanvoert dat de steun op grond van het evenredigheidsbeginsel over alle slachtoffers van de betrokken buitengewone gebeurtenis had moeten worden verdeeld naar verhouding van de door hen geleden schade, berust deze redenering bovendien op een onjuiste premisse, zoals blijkt uit de punten 21 tot en met 26 van het onderhavige arrest.

121 Wat de vierde grief van het derde onderdeel van het derde middel van rekwirante betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat daarmee wordt opgekomen tegen punt 87 van het bestreden arrest dat ten overvloede is geformuleerd in het licht van de in punt 86 van het bestreden arrest gedane vaststelling dat het verschil in behandeling ten gunste van SAS niet in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. Dat argument dient dan ook geen doel zodat het moet worden afgewezen.

122 Gelet op het voorgaande dient het derde onderdeel van het derde middel, en bijgevolg dit middel in zijn geheel, te worden afgewezen.

Vierde middel

Argumenten van partijen

123 Met haar vierde middel, dat betrekking heeft op de punten 94 tot en met 96 van het bestreden arrest, verwijt Ryanair het Gerecht blijk te hebben gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en de feiten en bewijzen kennelijk onjuist te hebben opgevat door de afwijzing van het tweede onderdeel van het derde middel van haar beroep in eerste aanleg, waarmee zij schending van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting aanvoerde.

124 Met het eerste onderdeel van dit middel stelt Ryanair dat het Gerecht bij de beoordeling of de betrokken maatregel de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van vestiging belemmerde of minder aantrekkelijk maakte een verkeerd criterium heeft gekozen waar het in punt 94 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat zij niet had aangetoond hoe het exclusieve karakter van de maatregel, die uitsluitend aan SAS ten goede is gekomen, „haar ervan kon weerhouden om zich in Zweden te vestigen of om diensten te verrichten vanuit en naar dat land”. Rekwirante stelt dat het Gerecht overeenkomstig de rechtspraak veeleer had moeten onderzoeken of de betrokken maatregel „een willekeurige marktdeelnemer”, en dus in het onderhavige geval andere in Zweden actieve luchtvaartmaatschappijen dan SAS, ervan had kunnen weerhouden om zich in deze lidstaat te vestigen of om er diensten te verrichten.

125 Met het tweede onderdeel van dit middel betoogt Ryanair dat zij in het kader van haar beroep in eerste aanleg overeenkomstig het relevante criterium rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de betrokken maatregel in de praktijk enkel nadelig was voor luchtvaartmaatschappijen die hun zetel in een andere lidstaat dan het Koninkrijk Zweden hadden. Zij heeft immers tal van bewijzen overgelegd met betrekking tot de beperkende gevolgen van deze maatregel op het vrij verrichten van diensten. Door deze bewijzen niet te onderzoeken, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de bewijselementen onjuist opgevat.

126 Met het derde onderdeel van dit middel betoogt Ryanair dat zij, anders dan het Gerecht in punt 94 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, heeft aangetoond dat de beperking van de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van vestiging niet gerechtvaardigd was. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de context van artikel 18 VWEU in algemene zin te verwijzen naar zijn redenering inzake artikel 107 VWEU, terwijl het een beperking van het vrij verrichten van diensten behandelde. In werkelijkheid hadden het Gerecht, en daarvóór de Commissie, moeten onderzoeken of de uit de betrokken maatregel voortvloeiende beperking van het vrij verrichten van diensten gerechtvaardigd werd door een dwingende reden van algemeen belang, en of de beperking niet-discriminerend, noodzakelijk en evenredig was aan het nagestreefde doel van algemeen belang. Rekwirante stelt dat zij feitelijke en juridische elementen heeft aangevoerd waaruit bleek dat de betrokken maatregel beperkende gevolgen heeft gehad voor het vrij verrichten van diensten die niet noodzakelijk, passend of evenredig waren in het licht van het beweerde doel ervan. Het Gerecht heeft „dat reële gegeven genegeerd” en dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten kennelijk onjuist opgevat.

127 De Commissie, de Franse Republiek en het Koninkrijk Zweden betogen dat het vierde middel van de hogere voorziening ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling door het Hof

128 Voor zover Ryanair met het eerste onderdeel van dit middel van de hogere voorziening betoogt dat het Gerecht in de eerste zin van punt 94 van het bestreden arrest een onjuist criterium heeft gehanteerd om te beoordelen of de betrokken maatregel de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van vestiging belemmerde of minder aantrekkelijk maakte, moet worden vastgesteld dat dit onderdeel op een onjuiste lezing van dit punt berust. Zonder dat hoeft te worden onderzocht of het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de omvang van de op Ryanair rustende bewijslast, zoals deze laatste stelt, blijkt immers, zoals de Franse regering in haar memorie van antwoord terecht heeft opgemerkt, uit de tweede zin van punt 94, dat verwijst naar de punten 70 tot en met 89 van het bestreden arrest waarin het Gerecht de evenredigheid van de betrokken maatregel heeft onderzocht in het licht van de situatie van alle in Zweden aanwezige luchtvaartmaatschappijen, dat het Gerecht heeft gewezen op het bestaan van beperkende gevolgen in het algemeen, en dus op de gevolgen, niet alleen ten aanzien van Ryanair, maar ten aanzien van alle luchtvaartmaatschappijen die in Zweden actief waren of wilden worden.

129 Bijgevolg moet dit argument ongegrond worden verklaard.

130 Met het tweede en het derde onderdeel van het vierde middel, die samen moeten worden onderzocht, verwijt Ryanair het Gerecht in wezen dat het in punt 94 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen doordat het de vraag of de maatregel uitsluitend aan SAS ten goede kwam enkel heeft onderzocht in het licht van de criteria van artikel 107 VWEU, in plaats van na te gaan of deze maatregel gerechtvaardigd was bij toetsing ervan aan de redenen die zijn vastgesteld in de bepalingen inzake het vrij verrichten van diensten of de vrijheid van vestiging. Ryanair stelt dat zij het Gerecht feitelijke en juridische gegevens heeft overgelegd waaruit een schending van deze bepalingen blijkt.

131 Zoals in punt 109 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, mag de procedure van artikel 108 VWEU nooit leiden tot een resultaat dat in strijd zou zijn met de specifieke bepalingen van het Verdrag. Aldus kan staatssteun die – als zodanig of vanwege bepaalde uitvoeringsvoorschriften ervan – bepalingen of algemene beginselen van het Unierecht schendt, niet verenigbaar met de interne markt worden verklaard.

132 Zoals de advocaat-generaal in punt 85 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, leiden de beperkende gevolgen die een steunmaatregel heeft voor het vrij verrichten van diensten of voor de vrijheid van vestiging als zodanig echter niet tot een door het Verdrag verboden beperking, aangezien het kan gaan om een gevolg dat inherent is aan de aard zelf van een steunmaatregel, zoals het selectieve karakter ervan.

133 Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer de uitvoeringsvoorschriften van een steunmaatregel dermate onlosmakelijk verbonden zijn met het doel van de steun dat zij niet afzonderlijk kunnen worden beoordeeld, de gevolgen ervan voor de verenigbaarheid of onverenigbaarheid van de steun als geheel noodzakelijkerwijs aan de hand van de procedure van artikel 108 VWEU moeten worden beoordeeld (zie in die zin arresten van 22 maart 1977, Iannelli & Volpi, 74/76, EU:C:1977:51, punt 14, en 31 januari 2023, Commissie/Braesch e.a.,C‑284/21 P, EU:C:2023:58, punt 97).

134 Zoals blijkt uit punt 95 van het onderhavige arrest, maakt de keuze voor SAS als begunstigde van de betrokken maatregel in het onderhavige geval deel uit van het doel van de maatregel en, hoe dan ook, zelfs als die keuze als een modaliteit van die maatregel moet worden beschouwd, betwist Ryanair niet dat een dergelijke voorwaarde onlosmakelijk verbonden is met dat doel, dat erin bestaat die onderneming gedeeltelijk te vergoeden voor de schade die het gevolg is van de COVID-19-pandemie. Derhalve kunnen de gevolgen voor de interne markt die voortvloeien uit de keuze voor SAS als begunstigde van de betrokken maatregel, niet worden onderzocht los van de vraag naar de verenigbaarheid van deze steunmaatregel in zijn geheel met de interne markt via de procedure van artikel 108 VWEU.

135 Uit de voorgaande overwegingen en uit hetgeen met name in de punten 107 en 108 van het onderhavige arrest is opgemerkt, volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 94 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat waar rekwirante trachtte aan te tonen dat de betrokken maatregel een belemmering van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten opleverde doordat hij alleen ten goede kwam aan SAS, zij in casu had moeten aantonen dat deze maatregel beperkende gevolgen had die verder gingen dan die welke inherent zijn aan overeenkomstig de vereisten van artikel 107, lid 2, onder b), VWEU verleende staatssteun.

136 Het argument dat Ryanair ter ondersteuning van het tweede en het derde onderdeel van het vierde middel aanvoert, beoogt echter in zijn geheel kritiek te leveren op de keuze van SAS als enige begunstigde van de betrokken maatregel en op de gevolgen van die keuze, ook al is dit laatste inherent aan het selectieve karakter van die maatregel.

137 Wat verder de door Ryanair aan het Gerecht beweerdelijk overgelegde bewijzen betreft, moet worden vastgesteld dat zij geen enkel argument heeft aangevoerd waaruit zou blijken dat het deze bewijzen onjuist heeft opgevat.

138 Uit een en ander volgt dat het vierde middel moet worden afgewezen.

Vijfde middel

Argumenten van partijen

139 Met haar vijfde middel voert Ryanair aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en de feiten kennelijk onjuist heeft opgevat door in de punten 99 en 100 van het bestreden arrest vast te stellen dat haar vierde middel van het beroep in eerste aanleg, dat betrekking had op de weigering van de Commissie om de formele onderzoeksprocedure in te leiden, niet ter zake dienend was en geen eigen inhoud had.

140 Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, had dit middel volgens rekwirante immers een eigen inhoud die verschilde van de eerste drie middelen van het beroep in eerste aanleg, aangezien voor de vaststelling dat er ernstige moeilijkheden waren die tot de inleiding van een formele onderzoeksprocedure hadden moeten leiden, een ander toetsingscriterium moet worden toegepast dat zelfs kan zijn vervuld wanneer niet is aangetoond dat het onderzoek van de Commissie een kennelijke beoordelingsfout of een onjuiste rechtsopvatting bevatte, welke argumenten ten grondslag lagen aan deze eerste drie middelen.

141 Het vierde middel van het beroep in eerste aanleg is volgens rekwirante wel degelijk ter zake dienend, aangezien het bewijs van een kennelijke beoordelingsfout van de Commissie iets helemaal anders is dan het bewijs van ernstige moeilijkheden die tot de inleiding van een formele onderzoeksprocedure hadden moeten leiden. Bovendien heeft Ryanair dienaangaande autonome argumenten aangevoerd waaruit met name bleek dat de Commissie niet beschikte over marktgegevens betreffende de structuur van de luchtvaartsector, noch over informatie betreffende de raming van de schade die was veroorzaakt door de crisis wegens de COVID-19-pandemie en betreffende de omvang van de aan SAS verleende steun. Daaruit blijkt dat Ryanair voor het Gerecht had gewezen op leemten en tekortkomingen in de informatie van de Commissie die ernstige moeilijkheden aan het licht hebben gebracht en die een „eigen inhoud” ten opzichte van de andere middelen vormden.

142 De Commissie, de Franse Republiek en het Koninkrijk Zweden betogen dat het vijfde middel van de hogere voorziening ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling door het Hof

143 Wanneer een verzoeker om nietigverklaring van een besluit van de Commissie om geen bezwaar te maken betreffende staatssteun verzoekt, stelt hij in wezen het feit aan de orde dat dit besluit is vastgesteld zonder de formele onderzoeksprocedure in te leiden, waardoor zijn procedurele rechten zijn geschonden. Om ervoor te zorgen dat zijn vordering tot nietigverklaring wordt toegewezen, kan de verzoeker elk middel aanvoeren waaruit blijkt dat de Commissie bij de beoordeling van de gegevens en de elementen waarover zij tijdens de inleidende fase van het onderzoek van de aangemelde maatregel beschikte, twijfels had moeten koesteren over de verenigbaarheid van deze maatregel met de interne markt. Het gebruik van dergelijke argumenten leidt evenwel niet tot wijziging van het voorwerp van het beroep of van de ontvankelijkheidsvoorwaarden ervan. Integendeel, om aan te tonen dat de Commissie verplicht was de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU en artikel 6, lid 1, van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van [artikel 108 VWEU] (PB 2015, L 248, blz. 9) in te leiden, dient juist het bewijs te worden geleverd dat er twijfels inzake de verenigbaarheid bestonden (zie in die zin arrest van 24 mei 2011, Commissie/Kronoply en Kronotex, C‑83/09 P, EU:C:2011:341, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

144 Het staat aan de indiener van een dergelijk verzoek om aan te tonen dat er twijfels bestonden over die verenigbaarheid, zodat de Commissie verplicht was de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden. Een dergelijk bewijs moet worden gezocht in zowel de omstandigheden waarin het besluit om geen bezwaar te maken is vastgesteld als de inhoud van dit besluit, aan de hand van een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen (zie in die zin arrest van 2 september 2021, Commissie/Tempus Energy en Tempus Energy Technology, C‑57/19 P, EU:C:2021:663, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

145 In het bijzonder vormt de ontoereikendheid of de onvolledigheid van het door de Commissie tijdens de inleidende onderzoeksprocedure verrichte onderzoek een aanwijzing dat deze instelling ernstige moeilijkheden heeft ondervonden bij de beoordeling of de aangemelde maatregel verenigbaar was met de interne markt, hetgeen haar ertoe had moeten brengen de formele onderzoeksprocedure in te leiden (zie in die zin arrest van 2 september 2021, Commissie/Tempus Energy en Tempus Energy Technology, C‑57/19 P, EU:C:2021:663, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

146 Wat om te beginnen de grief betreft dat het Gerecht in punt 100 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat het vierde middel van het beroep in eerste aanleg geen eigen inhoud had, moet worden opgemerkt dat het klopt, zoals Ryanair in haar hogere voorziening heeft aangevoerd, dat indien het bestaan van „ernstige moeilijkheden” in de zin van de in het vorige punt bedoelde rechtspraak van het Hof was aangetoond, het litigieuze besluit op die enkele grond nietig had kunnen worden verklaard, zelfs indien niet eveneens was aangetoond dat de inhoudelijke beoordeling van de Commissie rechtens of feitelijk onjuist was (zie naar analogie arrest van 2 april 2009, Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie, C‑431/07 P, EU:C:2009:223, punt 66).

147 Voorts kan de vraag of dergelijke moeilijkheden zich hebben voorgedaan met name worden beantwoord tegen de achtergrond van die beoordelingen en kunnen zij in beginsel worden aangetoond met middelen of argumenten die een verzoeker aanvoert om de gegrondheid van het besluit om geen bezwaar te maken te betwisten, ook al leidt het onderzoek van die middelen of argumenten niet tot de conclusie dat de inhoudelijke beoordeling van de Commissie rechtens of feitelijk onjuist was (zie in die zin arrest van 2 april 2009, Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie, C‑431/07 P, EU:C:2009:223, punten 63 en 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

148 In casu moet worden vastgesteld dat, zoals de advocaat-generaal in punt 93 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het vierde middel van het beroep in eerste aanleg van Ryanair in wezen is ontleend aan de onvolledigheid en ontoereikendheid van het door de Commissie tijdens de inleidende onderzoeksprocedure verrichte onderzoek en aan het feit dat de Commissie na afloop van een formele onderzoeksprocedure tot een andere beoordeling van de verenigbaarheid van de betrokken maatregel zou zijn gekomen. Uit dit beroep blijkt ook dat rekwirante ter ondersteuning van dit middel in wezen hetzij de in het kader van de eerste drie middelen van dat beroep aangevoerde argumenten betreffende de gegrondheid van het litigieuze besluit heeft overgenomen, hetzij rechtstreeks naar die argumenten heeft verwezen.

149 In die omstandigheden kon het Gerecht in punt 100 van het bestreden arrest op goede gronden oordelen dat het vierde middel van het beroep in eerste aanleg „geen eigen inhoud” had ten opzichte van de eerste drie middelen van het beroep, in die zin dat het, na deze laatste middelen ten gronde te hebben onderzocht, daaronder begrepen de argumenten dat het door de Commissie verrichte onderzoek onvolledig en ontoereikend was, niet verplicht was om de gegrondheid van het vierde middel van dat beroep afzonderlijk te beoordelen. Dit geldt te meer daar Ryanair, zoals het Gerecht in dat punt van het bestreden arrest eveneens terecht heeft opgemerkt, met dit laatste middel geen specifieke elementen had aangedragen die het bestaan konden aantonen van mogelijke „ernstige moeilijkheden” die de Commissie had ondervonden bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de betrokken maatregel met de interne markt.

150 Hieruit volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 101 van het bestreden arrest te oordelen dat het niet hoefde na te gaan of het vierde middel van het beroep in eerste aanleg gegrond was, zonder dat voor het overige hoeft te worden onderzocht of het Gerecht in punt 99 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat dit middel subsidiair van aard en niet ter zake dienend was.

151 Bovendien moet worden vastgesteld dat Ryanair geen enkel argument heeft aangevoerd ten bewijze dat het Gerecht in het kader van zijn onderzoek van het vierde middel van het beroep in eerste aanleg de bewijzen onjuist heeft opgevat in de zin van de in punt 67 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

152 Gelet op het voorgaande moet het vijfde middel ongegrond worden verklaard.

Zesde middel

Argumenten van partijen

153 Met haar zesde middel verwijt Ryanair het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten kennelijk onjuist te hebben opgevat door in de punten 102 tot en met 115 van het bestreden arrest ten onrechte te oordelen dat de Commissie de krachtens artikel 296, tweede alinea, VWEU op haar rustende motiveringsplicht niet had geschonden.

154 Volgens rekwirante wekt de redenering van het Gerecht de indruk dat de feitelijke context die tot de vaststelling van het litigieuze besluit heeft geleid, namelijk de uitbraak van de COVID-19-pandemie en de gevolgen die deze situatie kan hebben gehad op de redactionele kwaliteit van de besluiten van de Commissie, zou kunnen verklaren waarom bepaalde essentiële elementen ontbreken in de motivering van het litigieuze besluit, terwijl zij voor rekwirante noodzakelijk waren om de concrete redenering die ten grondslag lag aan de conclusies van de Commissie te begrijpen. Een dergelijke lakse uitlegging van artikel 296, tweede alinea, VWEU, die in strijd is met de rechtspraak van het Hof, zou de motiveringsplicht elke zin ontnemen.

155 De Commissie, de Franse Republiek en het Koninkrijk Zweden betogen dat het zesde middel van de hogere voorziening ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling door het Hof

156 In herinnering moet worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak de door artikel 296, tweede alinea, VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten dus worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet vereist dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een handeling voldoet aan de vereisten van artikel 296, tweede alinea, VWEU, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betreffende materie regelen (zie in die zin arrest van 2 september 2021, Commissie/Tempus Energy en Tempus Energy Technology, C‑57/19 P, EU:C:2021:663, punt 198 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

157 Wanneer het inzonderheid gaat, zoals in het onderhavige geval, om een besluit op grond van artikel 108, lid 3, VWEU om geen bezwaar te maken tegen een steunmaatregel, heeft het Hof reeds de gelegenheid gehad om te verduidelijken dat een dergelijk besluit, dat binnen een kort tijdsbestek wordt gegeven, zoals het Gerecht eveneens terecht heeft opgemerkt in punt 107 van het bestreden arrest, alleen moet aangeven waarom de Commissie van mening is dat er geen ernstige moeilijkheden bestaan om de verenigbaarheid van de betrokken steun met de interne markt te beoordelen en dat zelfs een beknopte motivering van dat besluit moet worden aangemerkt als toereikend vanuit het oogpunt van het motiveringsvereiste van artikel 296, tweede alinea, VWEU indien deze toch duidelijk en ondubbelzinnig de redenen tot uitdrukking doet komen waarom de Commissie heeft gemeend dat er geen sprake was van ernstige moeilijkheden, waarbij de vraag naar de gegrondheid van deze motivering niets vandoen heeft met dit vereiste (zie in die zin arrest van 2 september 2021, Commissie/Tempus Energy en Tempus Energy Technology, C‑57/19 P, EU:C:2021:663, punt 199 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

158 Het is aan de hand van deze vereisten, die in de punten 105 en 107 van het bestreden arrest terecht in herinnering zijn gebracht, dat moet worden onderzocht of het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het litigieuze besluit rechtens genoegzaam was gemotiveerd.

159 Voor zover Ryanair om te beginnen het Gerecht dienaangaande in wezen verwijt de vereisten inzake de motiveringsplicht te hebben versoepeld in het licht van de context van de COVID-19-pandemie waarin het litigieuze besluit was vastgesteld, moet worden geconstateerd dat niets erop wijst dat het Gerecht, door in de punten 102 tot en met 115 van het bestreden arrest naar de crisis in verband met die pandemie te verwijzen, daarmee een motiveringsgebrek van dat besluit heeft willen rechtvaardigen.

160 Voor zover Ryanair voorts een aantal specifieke elementen vermeldt waarover de Commissie zich in strijd met de op haar rustende motiveringsplicht niet zou hebben uitgesproken of die zij in het litigieuze besluit niet zou hebben beoordeeld, zoals de verenigbaarheid van de betrokken maatregel met het beginsel van gelijke behandeling, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, het aan SAS toegekende concurrentievoordeel, de methode voor de berekening van de schade en het bedrag van de steun, de precieze redenen waarom SAS anders zou zijn behandeld dan de andere in Zweden opererende luchtvaartmaatschappijen die schade hebben geleden en de subsidiariteit van de betrokken maatregel ten opzichte van de Zweedse steunregeling, moet worden vastgesteld dat het Gerecht in de punten 108 tot en met 114 van het bestreden arrest bij het onderzoek van elk van deze elementen heeft geoordeeld dat hetzij deze niet relevant waren voor het litigieuze besluit, hetzij in dat besluit rechtens genoegzaam naar die elementen werd verwezen om de redenering van de Commissie dienaangaande te kunnen begrijpen.

161 Het blijkt niet dat het Gerecht met deze beoordelingen is voorbijgegaan aan de vereisten voor de motivering van een besluit van de Commissie om geen bezwaar te maken overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU, zoals die voortvloeien uit de in de punten 156 en 157 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, aangezien die motivering Ryanair in het onderhavige geval in staat heeft gesteld de rechtvaardigingsgronden van dat besluit te begrijpen en de Unierechter in staat heeft gesteld zijn toezicht uit te oefenen, zoals overigens blijkt uit het bestreden arrest.

162 In de mate dat het in het kader van het zesde middel ontwikkelde betoog in werkelijkheid ertoe strekt aan te tonen dat het litigieuze besluit is vastgesteld op basis van een ontoereikende of juridisch onjuiste beoordeling door de Commissie, moet dit betoog, dat betrekking heeft op de gegrondheid van dat besluit en niet op het motiveringsvereiste als wezenlijk vormvoorschrift, bovendien worden afgewezen gelet op de in punt 157 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

163 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 115 van het bestreden arrest te oordelen dat het litigieuze besluit rechtens genoegzaam was gemotiveerd.

164 Ten slotte moet worden vastgesteld dat Ryanair geen enkel argument heeft aangevoerd waaruit blijkt dat het Gerecht bij het onderzoek van het vijfde middel van het beroep in eerste aanleg de feiten onjuist heeft opgevat in de zin van de in punt 67 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

165 Bijgevolg moet het zesde middel ongegrond worden verklaard.

166 Aangezien geen van de door rekwirante aangevoerde middelen is aanvaard, dient de hogere voorziening in haar geheel te worden afgewezen.

Kosten

167 Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat het Hof over de kosten beslist wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

168 Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie en van SAS te worden verwezen in alle kosten van de onderhavige hogere voorziening.

169 Volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. Bijgevolg zullen de Franse Republiek en het Koninkrijk Zweden, interveniënten in het kader van het beroep in eerste aanleg die ook hebben deelgenomen aan de procedure voor het Hof, hun eigen kosten dragen.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) Ryanair DAC wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Europese Commissie en SAS AB.

3) De Franse Republiek en het Koninkrijk Zweden dragen hun eigen kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in