HvJ EU 7 september 2023, C-135/22, ECLI:EU:C:2023:640

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

7 september 2023 ( *1 )

„Hogere voorziening – Toegang tot documenten van de instellingen van de Europese Unie – Verordening (EG) nr. 1049/2001 – Artikel 4, lid 2, eerste streepje – Uitzondering op het recht van toegang – Bescherming van commerciële belangen – Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie ‚Horizon 2020’ (2014‑2020) – Documenten betreffende het onderzoeksproject ,iBorderCtrl: Intelligent Portable Border Control System’ – Besluit van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA) waarbij de toegang tot bepaalde informatie wordt geweigerd – Hoger openbaar belang”

In zaak C‑135/22 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 25 februari 2022,

Patrick Breyer, wonende te Kiel (Duitsland), vertegenwoordigd door J. Breyer, Rechtsanwalt,

rekwirant,

andere partijen in de procedure:

Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA), vertegenwoordigd door V. Canetti en S. Payan-Lagrou als gemachtigden, bijgestaan door R. van der Hout en C. Wagner, Rechtsanwälte,

verweerder in eerste aanleg,

ondersteund door:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Erlbacher, A.‑C. Simon en A. Spina als gemachtigden,

interveniënte in hogere voorziening,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, M. Ilešič en I. Jarukaitis (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn hogere voorziening vordert Patrick Breyer de vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 15 december 2021, Breyer/REA (T‑158/19, EU:T:2021:902; hierna: „bestreden arrest”), houdende gedeeltelijke verwerping van zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA) van 17 januari 2019 [Ares(2019) 266593] (hierna: „litigieus besluit”) waarbij hem de toegang is geweigerd tot bepaalde documenten die betrekking hebben op het „iBorderCtrl: Intelligent Portable Control System”-project (hierna: „iBorderCtrl-project”), dat is opgezet in de context van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie „Horizon 2020” (2014‑2020) (hierna: „programma Horizon 2020”).

Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 1049/2001

2 Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43) bepaalt de beginselen, de voorwaarden en de beperkingen van het recht van toegang tot de documenten van deze instellingen.

3 In overweging 2 van deze verordening staat te lezen: „Deze openheid maakt een betere deelneming van de burgers aan het besluitvormingsproces mogelijk en waarborgt een grotere legitimiteit en meer doelmatigheid en verantwoordelijkheid van de administratie ten opzichte van de burgers binnen een democratisch systeem. Zij draagt bij aan de versterking van de beginselen van democratie en eerbiediging van de grondrechten, zoals vervat in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: ‚Handvest’)].”

4 Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1049/2001 bepaalt dat iedere burger van de Europese Unie een recht van toegang tot documenten van de instellingen heeft volgens de beginselen en onder de voorwaarden en beperkingen die in deze verordening worden bepaald.

5 Artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 heeft als opschrift „Uitzonderingen” en bepaalt in lid 2 het volgende: „De instellingen weigeren de toegang tot een document wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van: – de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van intellectuele eigendom, […] tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt.”

6 Volgens artikel 6, lid 1, van die verordening is „[d]e verzoeker […] niet verplicht de redenen voor zijn verzoek te vermelden”.

Verordening nr. 58/2003

7 Artikel 23, lid 1, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (PB 2003, L 11, blz. 1), luidt: „Het uitvoerend agentschap is onderworpen aan de bepalingen van [verordening nr. 1049/2001] wanneer het een verzoek ontvangt om toegang tot een document dat in [zijn] bezit is.”

Verordening nr. 1290/2013

8 Verordening (EU) nr. 1290/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van ‚Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020)’ en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1906/2006 (PB 2013, L 347, blz. 81), is met ingang van 1 januari 2021, dat wil zeggen na de vaststelling van het litigieuze besluit, ingetrokken bij verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (PB 2021, L 170, blz. 1). Derhalve blijft eerstgenoemde verordening in casu hoe dan ook van toepassing.

9 Artikel 3 van verordening nr. 1290/2013 luidde: „Alle gegevens, kennis en informatie die in het kader van een actie als vertrouwelijk zijn meegedeeld, worden onder de in de uitvoeringsovereenkomsten, -besluiten of contracten vastgestelde voorwaarden ook als dusdanig behandeld, waarbij het Unierecht betreffende de bescherming van en toegang tot gerubriceerde informatie terdege worden nageleefd.”

10 In artikel 4, lid 1, van deze verordening was bepaald: „Onverminderd artikel 3 verstrekt de [Europese] Commissie desgevraagd aan de instellingen, organen, bureaus of agentschappen van de Unie en aan de lidstaten of geassocieerde landen alle nuttige informatie die zij in haar bezit heeft over de resultaten die zijn gegenereerd door een deelnemer in een actie waarvoor Uniefinanciering is ontvangen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de informatie in kwestie is relevant voor het overheidsbeleid; b) de deelnemers hebben geen deugdelijke en toereikende redenen opgegeven om de informatie in kwestie niet te verstrekken. […]”

11 In artikel 43, leden 2 en 3, van die verordening stond te lezen: „2. Met inachtneming van de beperkingen als gevolg van de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten, veiligheidsvoorschriften of legitieme belangen, verspreidt elke deelnemer de resultaten die hij in eigendom houdt, zo snel mogelijk met adequate middelen. In de subsidieovereenkomst kunnen dienaangaande termijnen worden vastgesteld. Eventuele aanvullende verspreidingsverplichtingen worden in de subsidieovereenkomst vastgesteld en worden vermeld in het werkprogramma of werkplan. De resultaten die via wetenschappelijke publicaties worden verspreid, zijn openbaar toegankelijk met inachtneming van de voorwaarden die in de subsidieovereenkomst zijn vastgesteld. […] Wat de verspreiding van onderzoeksgegevens betreft, kunnen in de subsidieovereenkomst, in het kader van de open toegang tot en de bewaring van onderzoeksgegevens, de voorwaarden worden opgenomen om in open toegang tot die resultaten te voorzien, met name inzake grensverleggende onderzoeksprojecten van de [Europese Onderzoeksraad (ERC)] en in het kader van FET (Future and Emerging Technologies), alsmede op andere relevante gebieden, met inachtneming van de legitieme belangen van de deelnemers en de beperkingen die voortvloeien uit gegevensbeschermingsvoorschriften, beveiligingsvoorschriften of intellectuele-eigendomsrechten. In dergelijke gevallen wordt in het werkprogramma of werkplan vermeld of de verspreiding van de onderzoeksgegevens via open toegang vereist is. De andere betrokken deelnemers dienen vooraf van elke verspreidingsactiviteit in kennis te worden gesteld. Na die kennisgeving mag een deelnemer bezwaar maken indien hij kan aantonen dat zijn legitieme belangen met betrekking tot zijn resultaten en background aanzienlijke schade zouden kunnen lijden. In dergelijke gevallen mag de verspreiding slechts plaatsvinden indien de nodige maatregelen zijn genomen om deze legitieme belangen te beschermen. In de subsidieovereenkomst worden dienaangaande termijnen vastgesteld. 3. Met het oog op monitoring en verspreiding door de Commissie of het desbetreffende financieringsorgaan stellen de deelnemers alle informatie over hun exploitatie- en verspreidingsactiviteiten alsmede de nodige documenten ter beschikking, overeenkomstig de in de subsidieovereenkomst vastgestelde voorwaarden. Onder voorbehoud van de legitieme belangen van de deelnemers die de informatie hebben verstrekt, wordt deze informatie openbaar gemaakt. In de subsidieovereenkomst worden onder meer termijnen voor deze rapportageverplichtingen vastgesteld.”

Voorgeschiedenis van het geding

12 De voorgeschiedenis van het geding en de inhoud van het litigieuze besluit zijn uiteengezet in de punten 1 tot en met 8 van het bestreden arrest. Ten behoeve van de onderhavige procedure kunnen zij worden samengevat als volgt.

13 Op 19 april 2016 heeft het REA in het kader van het programma Horizon 2020 met de leden van een consortium voor een periode van 36 maanden vanaf 1 september 2016 subsidieovereenkomst nr. 700626 (hierna: „subsidieovereenkomst”) gesloten met het oog op de financiering van het iBorderCtrl-project.

14 Dit project had tot doel nieuwe technologieën te testen om de doeltreffendheid van het beheer van de controles aan de buitengrenzen van de Unie te verhogen door te zorgen voor een vlottere afhandeling van de reizigers en een snellere detectie van illegale activiteiten.

15 Op 5 november 2018 heeft rekwirant op grond van verordening nr. 1049/2001 bij de Commissie een verzoek ingediend om toegang te verkrijgen tot verschillende documenten die betrekking hebben op zowel de goedkeuring van het project als het verloop ervan. Dit verzoek is op 7 november 2018 doorgestuurd naar het REA.

16 Op 23 november 2018 heeft het REA rekwirant meegedeeld dat het zijn verzoek om toegang volledig inwilligde voor een van de gevraagde documenten – omdat dit openbaar beschikbaar was – en gedeeltelijk inwilligde voor een ander gevraagd document. Het REA heeft hem tevens laten weten dat het zijn verzoek om toegang tot andere tijdens het project opgestelde documenten afwees op grond van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu – omdat sommige van die documenten persoonsgegevens bevatten van natuurlijke personen die aan het project deelnamen – alsook op grond van de bescherming van de commerciële belangen, in de zin van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001, van de leden van het consortium.

17 Op 26 november 2018 heeft rekwirant een confirmatief verzoek om toegang ingediend, waarbij hij aanvaardde dat de namen van de bij het project betrokken natuurlijke personen onleesbaar zouden worden gemaakt.

18 Bij het litigieuze besluit heeft het REA gedeeltelijke toegang tot bepaalde gevraagde documenten verleend en het verzoek van rekwirant om toegang voor het overige afgewezen.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

19 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 maart 2019, heeft Breyer beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld, waarbij hij het REA verwijt dat het met betrekking tot de documenten over de goedkeuring van het iBorderCtrl-project niet heeft beslist op zijn verzoek om toegang, alsmede dat het hem met betrekking tot de documenten over het verloop van dat project slechts gedeeltelijke toegang tot een eerste reeks documenten heeft verleend en hem de toegang tot een tweede reeks documenten heeft geweigerd onder verwijzing naar de bescherming van de commerciële belangen van de leden van het consortium.

20 Ter ondersteuning van dat beroep had rekwirant twee middelen aangevoerd, waarvan alleen het eerste relevant is voor de beoordeling van de onderhavige hogere voorziening.

21 Dit middel, waarmee het REA werd verweten dat het de toegang had geweigerd of slechts gedeeltelijke toegang had verleend tot de documenten over het verloop van het project, bestond uit twee onderdelen. In het eerste onderdeel werd gesteld dat er geen sprake was van ondermijning van de bescherming van commerciële belangen in de zin van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001. In het tweede onderdeel werd betoogd dat er een hoger openbaar belang bestond dat openbaarmaking van de documenten in kwestie overeenkomstig artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van die verordening gebood.

22 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig verklaard en het beroep van Breyer verworpen voor het overige.

Procedure bij het Hof en conclusies van partijen in hogere voorziening

23 Bij beslissing van 4 juli 2022 heeft de president van het Hof de Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van het REA.

24 Met zijn hogere voorziening verzoekt rekwirant het Hof: – het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen; – het litigieuze besluit nietig te verklaren, en – het REA te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.

25 Het REA, daarin ondersteund door de Commissie, verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en – Breyer te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.

Hogere voorziening

26 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant één middel aan, waarmee hij in wezen stelt dat het Gerecht bij de afweging van de betrokken belangen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door hem – ten onrechte – volledige toegang tot de documenten over de uitvoering van het iBorderCtrl-project te weigeren terwijl het openbaar belang bij toegang tot de informatie zwaarder weegt dan de commerciële belangen van de deelnemers aan dat project.

27 De Commissie betwist de ontvankelijkheid van de hogere voorziening in haar geheel.

Ontvankelijkheid

Argumenten van partijen

28 Het REA betoogt om te beginnen dat rekwirant geen voordeel kan halen uit de vernietiging van het bestreden arrest in zijn geheel, omdat het Gerecht bij dat arrest de vorderingen van rekwirant gedeeltelijk heeft toegewezen.

29 Vervolgens zet het REA uiteen dat de beweringen van rekwirant betrekking hebben op de ruimere politieke context van de hogere voorziening en niet slaan op de motivering van het bestreden arrest, dat zij op algemene overwegingen berusten en dat zij niet duidelijk vermelden in welke opzichten het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Rekwirant volstaat ermee de – grotendeels materiële – argumenten die hij reeds voor het Gerecht heeft aangevoerd, te herhalen, waarbij hij bovendien verwijst naar feitelijke aspecten die het Gerecht niet heeft vastgesteld, zonder dat hij overeenkomstig artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de middelen en juridische argumenten nauwkeurig beschrijft.

30 Ten slotte betoogt het REA dat het voorwerp van de hogere voorziening op onrechtmatige wijze is verruimd doordat rekwirant enkel de punten 181 tot en met 205 van het bestreden arrest heeft bekritiseerd, zonder de middelen en juridische argumenten te beschrijven die hij tegen de overige onderdelen van dat arrest wilde aanvoeren.

31 Rekwirant brengt daartegen in dat hij tegen het bestreden arrest niet opkomt voor zover daarbij zijn beroep is toegewezen, dat hij in zijn hogere voorziening de door het Gerecht begane fouten heeft beschreven zonder te volstaan met een herhaling van de in eerste aanleg aangevoerde argumenten, en dat de juiste afweging van de betrokken belangen geen feitelijke maar een rechtsvraag is die door het Hof kan worden getoetst.

Beoordeling door het Hof

32 In de eerste plaats moet meteen worden opgemerkt dat rekwirant weliswaar aanvankelijk de volledige vernietiging van het bestreden arrest had gevorderd, maar in punt 2 van zijn opmerkingen over de memorie in interventie van de Commissie heeft gepreciseerd dat hij slechts de vernietiging van dat arrest vorderde voor zover daarbij zijn beroep was verworpen.

33 Bovendien volgt uit artikel 56, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat hogere voorziening slechts openstaat voor een partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld.

34 Aangezien rekwirant gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, is zijn hogere voorziening tegen het bestreden arrest ontvankelijk voor zover daarbij zijn beroep tegen het litigieuze besluit gedeeltelijk is verworpen.

35 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie alsook uit artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat in een hogere voorziening duidelijk moet worden vermeld tegen welke punten van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of van het middel in kwestie (arrest van 23 november 2021, Raad/Hamas,C‑833/19 P, EU:C:2021:950, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Aan de motiveringsvereisten van die bepalingen is dus niet voldaan wanneer in een hogere voorziening enkel de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten worden herhaald of letterlijk worden weergegeven (arrest van 17 december 2020, Duitsland/Commissie,C‑475/19 P en C‑688/19 P, EU:C:2020:1036, punt 33).

37 De in eerste aanleg onderzochte rechtspunten kunnen in hogere voorziening evenwel opnieuw worden behandeld wanneer een rekwirant opkomt tegen de uitlegging of toepassing van het Unierecht door het Gerecht. De procedure in hogere voorziening zou immers ten dele haar betekenis verliezen indien de rekwirant zijn hogere voorziening niet aldus zou kunnen baseren op middelen en argumenten die reeds voor het Gerecht zijn aangevoerd (arresten van 3 december 2015, Italië/Commissie,C‑280/14 P, EU:C:2015:792, punt 43, en 10 november 2022, Commissie/Valencia Club de Fútbol,C‑211/20 P, EU:C:2022:862, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 In dit verband moet worden vastgesteld dat rekwirant met zijn hogere voorziening – waarin op nauwkeurige wijze wordt vermeld tegen welke onderdelen van het bestreden arrest wordt opgekomen – niet slechts een heroverweging van het bij het Gerecht ingediende verzoek beoogt, maar opkomt tegen de in specifieke punten van dat arrest vervatte motivering door juridische argumenten te formuleren die ertoe strekken aan te tonen dat het Gerecht in een aantal opzichten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de kwalificatie van de ter ondersteuning van het verzoek tot openbaarmaking aangevoerde openbare belangen en bij de afweging van de betrokken belangen.

39 Het staat vast dat de juridische kwalificatie van een feit of handeling door het Gerecht een rechtsvraag is die in het kader van een hogere voorziening aan de orde kan worden gesteld (arrest van 12 mei 2022, Klein/Commissie,C‑430/20 P, EU:C:2022:377, punt 41). In casu geldt dit voor de vraag of de door rekwirant ingeroepen belangen moeten worden beschouwd als een hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001.

40 In de derde plaats kan niet worden ingestemd met het betoog van het REA dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is omdat het voorwerp ervan onrechtmatig is verruimd. Zoals in punt 32 van het onderhavige arrest is benadrukt, vordert rekwirant in de laatste versie van zijn memories slechts de vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarbij zijn beroep gedeeltelijk is verworpen. Bovendien is de omstandigheid dat hij slechts opkomt tegen bepaalde punten van het bestreden arrest, geen reden om zijn hogere voorziening of zijn middel niet-ontvankelijk te achten.

41 De hogere voorziening is bijgevolg ontvankelijk.

Ten gronde

Argumenten van partijen

42 Het enige middel van rekwirant, waarmee hij betoogt dat het Gerecht artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 heeft geschonden door hem geen volledige toegang te verlenen tot de documenten over de uitvoering van het iBorderCtrl-project terwijl volgens hem een hoger openbaar belang openbaarmaking ervan gebood, bestaat uit twee onderdelen.

43 In de eerste plaats betoogt rekwirant dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet had aangetoond dat er een hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001 bestond, terwijl hij verschillende belangen inriep die volgens hem aan die kwalificatie beantwoordden.

44 Ten eerste zet rekwirant uiteen dat er een hoger openbaar belang bestaat dat toegang gebiedt tot documenten die betrekking hebben op een project dat volledig wordt gefinancierd met openbare middelen.

45 Het openbaar belang om te kunnen discussiëren over de wenselijkheid een zo ingrijpend en discutabel project als het iBorderCtrl-project met overheidsmiddelen te financieren is des te groter omdat die overheidsmiddelen aan andere, minder controversiële onderzoeksprojecten zouden kunnen worden besteed.

46 Ten tweede betoogt rekwirant dat er een openbaar belang bestaat om de wetenschappelijke grondslag en de betrouwbaarheid te onderzoeken van de technologie die wordt toegepast in het kader van het iBorderCtrl-project. Van deze technologie wordt aangenomen dat zij het mogelijk maakt om leugens automatisch te detecteren dankzij een analyse van de micro-expressies op het gezicht van reizigers die vragen beantwoorden die hun worden gesteld voordat zij de Unie binnenkomen.

47 Rekwirant beroept zich ten derde op het bestaan van een hoger openbaar belang dat verband houdt met de gevolgen die de in het kader van het iBorderCtrl-project toegepaste technologieën kunnen hebben voor de grondrechten.

48 Transparantie is volgens rekwirant vereist omdat deze technologieën tests en experimenten vereisen waarbij biometrische gegevens worden gebruikt en die discriminerende gevolgen kunnen hebben, met name ten aanzien van personen in kwetsbare situaties.

49 Voorts stelt rekwirant dat het experimentele karakter van het iBorderCtrl-project – net zoals bij klinische proeven – vereist dat het publiek reeds in de onderzoeksfase wordt geïnformeerd, opdat er een openbaar debat kan worden gevoerd over de relevantie van de gebruikte technologieën en opdat ethische kwesties en vragen over de bescherming van de grondrechten aan de orde kunnen worden gesteld.

50 Ten vierde betoogt rekwirant dat er een hoger openbaar belang bij openbaarmaking van de projectdocumenten bestaat uit het oogpunt van de wetenschap, de media, de politiek en de democratie.

51 Overeenkomstig het „beginsel van de universaliteit van wetenschap” wordt een wetenschappelijk belang gediend met de openbaarmaking van alle onderzoeksresultaten, opdat deze kunnen worden besproken en bekritiseerd, temeer omdat er een wetenschappelijk debat wordt gevoerd over de vraag of de zeer controversiële visuele leugendetectietechnologie overtuigende resultaten oplevert.

52 Dat er meerdere studies aan deze technologieën gewijd zijn, toont dan ook aan dat die technologieën grote wetenschappelijke belangstelling wekken en dat hun resultaten weinig overtuigend zijn. Uit het grote aantal reportages over het iBorderCtrl-project blijkt dat er veel mediabelangstelling is voor dit soort projecten, terwijl de werkzaamheden van het Europees Parlement wijzen op de politieke belangstelling voor dat project.

53 Voorts kan de gebruikte technologie, die oorspronkelijk bestemd was voor grenscontroles, op andere gebieden worden ingezet om personen te ondervragen en hun verklaringen te controleren. Er bestaat dus een democratisch en politiek belang bij de vaststelling of het gebruik van deze – thans verboden –massacontroletechnologieën wenselijk is en of daarvoor een rechtsgrondslag moet worden gecreëerd.

54 Rekwirant merkt voorts op dat reeds veel informatie over het iBorderCtrl-project openbaar is gemaakt, ook door deelnemers aan het project. Volgens hem strookt het niet met het openbaar belang dat aldus selectieve informatie wordt verspreid, zonder dat een onafhankelijke derde objectieve verificaties kan verrichten.

55 Rekwirant is dan ook van mening dat bij de afweging van de betrokken belangen de commerciële belangen van de leden van het consortium „niet bijzonder zwaar wegen” en gelet op het belang van het publiek bij transparantie op de achtergrond dienen te worden geschoven.

56 Het openbaar belang is bij uitstek doorslaggevend als het gaat om documenten die weinig te maken hebben met bedrijfsgeheimen, zoals ethische en juridische beoordelingen van de technologie, plannen voor communicatie met het publiek, het verslag over het kwaliteitsbeheer of documenten over de goedkeuring van het onderzoeksproject.

57 In de tweede plaats zet rekwirant uiteen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 194 tot en met 200 van het bestreden arrest te oordelen dat de bepalingen van verordening nr. 1290/2013 en verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020) en tot intrekking van besluit 1982/2006/EG (PB 2013, L 347, blz. 104) alsook de bepalingen van de subsidieovereenkomst volstonden om aan dit belang tegemoet te komen, omdat de deelnemers aan het project verplicht waren de resultaten ervan te verspreiden, onder meer door middel van vrijelijk toegankelijke wetenschappelijke publicaties, dat het REA communicatie- en publiciteitsacties voerde waarvoor samenvattingen van verslagen konden worden gebruikt, dat de instellingen, organen, bureaus of agentschappen van de Unie en de lidstaten over een recht van toegang tot informatie beschikten, dat toezicht werd uitgeoefend op de rechtmatigheid van de ontwikkeling van het project in kwestie, en ten slotte dat de ethische en juridische beoordelingen van dat project werden voorgelegd aan een onafhankelijke ethisch adviseur.

58 Om te beginnen betoogt rekwirant dat de bekendmakingsverplichting van de deelnemers aan het onderzoeksproject in kwestie niet kan tegemoetkomen aan het openbaar belang bij toegang tot de informatie, omdat alle documenten over dat project moeten worden gepubliceerd, daaronder begrepen de documenten die verband houden met de stand van het onderzoek alsook met de gebruikte materialen en methoden, en omdat deze verplichting zich niet uitstrekt tot commerciële informatie die beschermenswaardig wordt geacht.

59 Volgens rekwirant moet het publiek, dat het project financiert, tijdig toegang krijgen tot alle informatie vanaf de onderzoeks- en ontwikkelingsfase. Deze benadering strookt overigens met de praktijk van de Commissie voor wetenschappelijke artikelen die verband houden met projecten die worden gefinancierd in het kader van het programma Horizon 2020, en is in overeenstemming met de opzet van verordening nr. 1290/2013, waarvan artikel 43, lid 2, bepaalt dat elke deelnemer aan dit programma de resultaten die hij in eigendom houdt, zo spoedig mogelijk met adequate middelen moet verspreiden. Rekwirant merkt in die zin tevens op dat verordening nr. 1049/2001 niet voorziet in een uitzondering op het recht op toegang tot informatie voor lopende onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten en dat de dwingende vereisten van bescherming van de commerciële belangen van de deelnemers tijdens het project niet groter zijn dan na de voltooiing ervan.

60 Hij verwijt het Gerecht dan ook dat het heeft geoordeeld dat de deelnemers aan het iBorderCtrl-project alle informatie die specifiek betrekking heeft op het systeem geheim mogen houden, met inbegrip van de informatie die ziet op de rechtmatigheid en ethische aanvaardbaarheid van dat systeem alsook op de daaraan verbonden risico’s en nadelen.

61 Voorts betoogt rekwirant dat de communicatie- en publiciteitsactiviteiten van het REA evenmin het openbaar belang bij toegang tot de informatie kunnen dienen, omdat dit agentschap de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie moet eerbiedigen en omdat de informatie die het publiceert – die vaak de vorm van „reclame” aanneemt – geen onafhankelijk of kritisch debat mogelijk maakt.

62 Ten slotte is rekwirant van mening dat het recht van de instellingen, organen, bureaus of agentschappen van de Unie en de lidstaten om toegang te krijgen tot de informatie niet in het belang van het publiek om te worden geïnformeerd kan zijn aangezien het niet gaat om een openbare toegang tot informatie.

63 Het REA, daarin ondersteund door de Commissie, is van mening dat ten eerste het Gerecht naar behoren heeft vastgesteld en gemotiveerd dat rekwirant niet heeft aangetoond dat er sprake is van een hoger openbaar belang dat openbaarmaking van de gevraagde documenten gebiedt, en dat ten tweede rekwirant er niet in is geslaagd te preciseren waarom het Gerecht zodanig blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dat het bestreden arrest ter discussie kan worden gesteld.

Beoordeling door het Hof

64 Vooraf zij opgemerkt dat rekwirant tegen het bestreden arrest enkel opkomt voor zover daarbij is geweigerd om te erkennen dat er sprake was van een hoger openbaar belang dat openbaarmaking kon gebieden van bepaalde documenten of delen van documenten ten aanzien waarvan het REA tot de slotsom was gekomen dat zij onder de uitzonderingsregeling van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 vielen.

65 De beoordelingen die het Gerecht in de punten 117, 135, 146, 152, 164, 172 en 178 van het bestreden arrest heeft verricht en die inhouden dat het REA het recht niet onjuist heeft toegepast door zich op het standpunt te stellen dat openbaarmaking van de in bepaalde documenten of delen van documenten vervatte informatie de commerciële belangen van de leden van het consortium kon schaden, worden dus niet ter discussie gesteld in het kader van de onderhavige hogere voorziening, waarvan het enige middel moet worden onderzocht.

66 Zoals artikel 23 van verordening nr. 58/2003 uitdrukkelijk bepaalt, moeten uitvoerende agentschappen, zoals het REA, de regels van verordening nr. 1049/2001 naleven.

67 Verordening nr. 1049/2001 is volgens overweging 1 ervan in overeenstemming met de in artikel 1, tweede alinea, VEU tot uiting gebrachte wil van de Uniewetgever om een nieuwe fase te markeren in het proces van de totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa, waarin de besluiten in zo groot mogelijke openheid en zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen (arrest van 21 januari 2021, Leino-Sandberg/Parlement,C‑761/18 P, EU:C:2021:52, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68 Deze fundamentele doelstelling van de Unie komt eveneens tot uitdrukking in artikel 15, lid 1, VWEU – waarin met name is bepaald dat de instellingen, organen en instanties van de Unie in een zo groot mogelijke openheid moeten werken, welk uitgangspunt ook opnieuw is bevestigd in artikel 10, lid 3, VEU en artikel 298, lid 1, VWEU – en in de erkenning van het recht van toegang tot documenten in artikel 42 van het Handvest (arrest van 21 januari 2021, Leino-Sandberg/Parlement,C‑761/18 P, EU:C:2021:52, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69 Bovendien maakt transparantie het volgens overweging 2 van verordening nr. 1049/2001 mogelijk om de legitimiteit, doelmatigheid en verantwoordelijkheid van de Unie ten opzichte van de burgers van de Unie in een democratisch systeem te vergroten. Doordat transparantie een open discussie over meerdere uiteenlopende gezichtspunten mogelijk maakt, draagt zij tevens bij tot het vergroten van het vertrouwen van die burgers (arrest van 4 september 2018, ClientEarth/Commissie,C‑57/16 P, EU:C:2018:660, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

70 Daartoe bepaalt artikel 1 van deze verordening dat zij het publiek een zo ruim mogelijke toegang tot documenten van de instellingen beoogt te verlenen, onder voorbehoud van een regeling die voorziet in uitzonderingen die gebaseerd zijn op redenen van openbaar of particulier belang en die restrictief moeten worden uitgelegd en toegepast omdat zij afwijken van het in dat artikel neergelegde beginsel (zie in die zin arrest van 4 september 2018, ClientEarth/Commissie,C‑57/16 P, EU:C:2018:660, punten 76‑78).

71 Een van die uitzonderingen op het recht van toegang is die welke is neergelegd in artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001, op grond waarvan de instellingen van de Unie de toegang tot een document moeten weigeren wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van „de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van de intellectuele eigendom”, tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt.

72 De uitzonderingsregeling van artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 berust dus op een afweging van belangen die in een bepaalde situatie tegenover elkaar staan, namelijk enerzijds de belangen die met openbaarmaking van de documenten in kwestie worden gediend en anderzijds de belangen die daardoor worden bedreigd, zodat de beslissing op een verzoek om toegang tot documenten afhangt van het antwoord op de vraag welk belang in een specifiek geval moet primeren (arresten van 14 november 2013, LPN en Finland/Commissie, C‑514/11 P en C‑605/11 P, EU:C:2013:738, punt 42, en 27 februari 2014, Commissie/EnBW,C‑365/12 P, EU:C:2014:112, punt 63).

73 In casu moet worden nagegaan of het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze afweging te maken en door te weigeren de door rekwirant ingeroepen belangen aan te merken als een hoger openbaar belang dat openbaarmaking van de documenten in kwestie gebiedt.

74 Dienaangaande zij om te beginnen opgemerkt dat het Gerecht in punt 187 van het bestreden arrest op goede gronden heeft vastgesteld dat wie zich beroept op een hoger openbaar belang, concreet de omstandigheden moet vermelden die de openbaarmaking van de betreffende documenten gebieden (zie in die zin arrest van 14 november 2013, LPN en Finland/Commissie, C‑514/11 P en C‑605/11 P, EU:C:2013:738, punt 94).

75 Eveneens op goede gronden heeft het Gerecht in punt 188 van het bestreden arrest in herinnering gebracht dat het hoger openbaar belang dat openbaarmaking van een document kan gebieden, weliswaar niet noodzakelijk hoeft te verschillen van de aan verordening nr. 1049/2001 ten grondslag liggende beginselen, maar dat niet kan worden volstaan met algemene overwegingen om aan te tonen dat het transparantiebeginsel een bijzonder gewicht heeft dat belangrijker is dan de redenen om openbaarmaking van de documenten te weigeren (zie in die zin arresten van 14 november 2013, LPN en Finland/Commissie, C‑514/11 P en C‑605/11 P, EU:C:2013:738, punten 92 en 93; 16 juli 2015, ClientEarth/Commissie,C‑612/13 P, EU:C:2015:486, punten 92 en 93, en 14 juli 2016, Sea Handling/Commissie,C‑271/15 P, EU:C:2016:557, punt 95).

76 In de eerste plaats moet worden geconstateerd dat het middel in hogere voorziening deels berust op algemene overwegingen die verband houden met de vermeende noodzaak om alle informatie over met overheidsmiddelen gefinancierde projecten bekend te maken, alsmede met het wetenschappelijke belang dat bij de bekendmaking van de resultaten van technologisch onderzoek zou bestaan op grond van het „beginsel van de universaliteit van wetenschap”.

77 Dienaangaande zij opgemerkt dat de omstandigheid dat een onderzoeksproject met Uniemiddelen wordt gefinancierd en de ontwikkeling van een nieuwe technologie tot doel heeft, in beginsel kan wijzen op een reëel belang van het publiek bij toegang tot de documenten over dat project. Zoals in punt 75 van dit arrest in herinnering is gebracht, volstaat een dergelijke reden van algemene aard echter niet om aan te tonen dat dit belang noodzakelijkerwijs zwaarder moet wegen dan de redenen om openbaarmaking van die documenten te weigeren.

78 In de tweede plaats moet worden geconstateerd dat het Gerecht niet heeft ontkend dat de wetenschap, de media en het publiek in het algemeen een belang hebben bij de verspreiding van informatie over het iBorderCtrl-project, maar dat het in de punten 193, 197 en 200 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat aan dit belang werd tegemoetgekomen met het in verordening nr. 1290/2013 en in de subsidieovereenkomst vastgelegde systeem voor de verspreiding van de resultaten.

79 Het Gerecht heeft zich in de punten 194 en 195 van het bestreden arrest gebaseerd op de verplichtingen van de deelnemers aan het project om de resultaten bekend te maken, en in punt 196 van dat arrest op het recht van toegang van de instellingen van de Unie en de lidstaten tot informatie over de resultaten van het project.

80 Ten aanzien van de verplichtingen van de deelnemers aan het project heeft het Gerecht om te beginnen opgemerkt dat artikel 43, lid 2, van verordening nr. 1290/2013 en artikel 29.1 van de subsidieovereenkomst die deelnemers verplichtten om de resultaten van het project met adequate middelen te verspreiden, met inachtneming van de beperkingen die onder meer voortvloeien uit de bescherming van de intellectuele eigendom, veiligheidsvoorschriften of legitieme belangen.

81 Het Gerecht heeft voorts vastgesteld dat de omvang van de op de deelnemers aan het project rustende verplichting om de onderzoeksresultaten te verspreiden werd gepreciseerd in de subsidieovereenkomst. Het heeft gerefereerd aan artikel 29.2 van deze overeenkomst, dat bepaalde dat vrije toegang tot de wetenschappelijke publicaties van peer-reviewed resultaten moet worden gewaarborgd, alsmede aan artikel 38.2.1 van die overeenkomst, waarin was bepaald dat het REA, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van de informatie, voor zijn communicatie- en publiciteitsactiviteiten kon gebruikmaken van de informatie over het project en de documenten, in het bijzonder de voor publicatie bestemde samenvattingen en de voor het publiek beschikbare gegevens. Het Gerecht heeft ook verwezen naar artikel 20.3, onder a), iii), en artikel 20.4, onder a), van de subsidieovereenkomst, op grond waarvan de deelnemers samen met de periodieke technische en financiële verslagen de voor publicatie door het REA bestemde samenvattingen, met in het bijzonder een overzicht van de resultaten en hun verspreiding, moesten indienen bij het REA.

82 Wat het recht op toegang tot informatie over de resultaten van het project betreft, heeft het Gerecht opgemerkt dat artikel 4 van verordening nr. 1290/2013 en artikel 36.1 van de subsidieovereenkomst – onder de daarin vermelde voorwaarden – voorzagen in de toegang van de instellingen, organen, bureaus of agentschappen van de Unie en de lidstaten tot informatie over de resultaten die waren gegenereerd door een deelnemer die Uniefinanciering had ontvangen, alsmede dat artikel 49 van die verordening waarborgde dat diezelfde instellingen, organen, bureaus of agentschappen van de Unie en de lidstaten recht op toegang tot die resultaten hadden met het oog op de ontwikkeling, uitvoering en monitoring van het beleid of de programma’s van de Unie.

83 In dit verband moet worden nagegaan of het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat aan de openbare belangen waarop rekwirant zich beroept om zijn verzoek tot openbaarmaking te ondersteunen, werd tegemoetgekomen met het in verordening nr. 1290/2013 en in de subsidieovereenkomst vastgelegde systeem voor de verspreiding van de resultaten.

84 Zoals in punt 79 van dit arrest in herinnering is gebracht, heeft het Gerecht zich om te beginnen gebaseerd op de verplichtingen van de deelnemers aan het project om de resultaten bekend te maken.

85 Dienaangaande zij ten eerste opgemerkt dat het Gerecht, anders dan rekwirant stelt, niet heeft vastgesteld dat alle informatie die specifiek betrekking had op het iBorderCtrl-project – daaronder begrepen de informatie over de rechtmatigheid en de ethische aanvaardbaarheid ervan – geheim mocht worden gehouden.

86 In het licht van punt 194 van het bestreden arrest blijkt het Gerecht enkel te hebben vastgesteld dat de in artikel 43, lid 2, van verordening nr. 1290/2013 en artikel 29.1 van de subsidieovereenkomst neergelegde verplichting van de deelnemers aan het project om de onderzoeksresultaten te verspreiden werd beperkt door de bescherming van de intellectuele eigendom, veiligheidsvoorschriften of legitieme belangen.

87 Wat meer in het bijzonder de documenten over de ethische en juridische gevolgen van het project betreft, komt uit de punten 113 tot en met 118 van het bestreden arrest naar voren dat het Gerecht het litigieuze besluit slechts geldig heeft bevonden met betrekking tot de documenten die informatie bevatten over de instrumenten en technologieën die de leden van het consortium concreet hadden ontwikkeld in het kader van het iBorderCtrl-project. Het Gerecht heeft dat besluit daarentegen nietig verklaard voor zover daarbij de toegang was geweigerd tot informatie over de algemene ethische en juridische beoordeling van systemen die gebruikmaken van innovatieve technologische middelen als de geautomatiseerde detectie van leugens.

88 Het argument van rekwirant dat de door het Gerecht in het bestreden arrest ontwikkelde criteria ertoe leiden dat een hele reeks documenten over de resultaten van het project – waaronder met name die welke zien op de resultaten van de pilots – geheim blijven, berust op een ongerechtvaardigde extrapolatie van de vaststellingen van het Gerecht naar andere documenten dan die waarop het verzoek tot openbaarmaking en bijgevolg het litigieuze besluit betrekking hadden.

89 Ten tweede kan evenmin worden ingestemd met het betoog van rekwirant dat de op de deelnemers aan het project rustende verplichting tot bekendmaking niet in het openbaar belang kan zijn omdat deze verplichting niet toestaat dat commerciële informatie wordt bekendgemaakt die als beschermenswaardig wordt beschouwd. Indien dat betoog werd aanvaard, zou namelijk in feite worden aangenomen dat de ter ondersteuning van het verzoek ingeroepen openbare belangen voorrang hebben op de belangen waarmee de weigering van de openbaarmaking werd gerechtvaardigd, terwijl – zoals in punt 74 van dit arrest in herinnering is gebracht – degene die zich op een hoger openbaar belang beroept, daarvan het bewijs moet leveren.

90 Ten derde is de door rekwirant gemaakte vergelijking met eerdere „soortgelijke” onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten – die zouden bevestigen dat de publicaties van de deelnemers aan dergelijke projecten geen openbaar debat mogelijk maken – gebaseerd op een algemene overweging die betrekking heeft op andere projecten en waarmee niet kan worden aangetoond dat de op grond van verordening nr. 1290/2013 en de subsidieovereenkomst verstrekte informatie, wat specifiek het iBorderCtrl-project betreft, niet voldoet aan het transparantievereiste.

91 Ten vierde toont rekwirant niet aan in welk opzicht het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn analyse dat er een geïnformeerde openbare discussie kon worden gehouden over de verschillende aspecten van het iBorderCtrl-project dat thans wordt ontwikkeld op basis van de resultaten die zijn verspreid op grond van die verordening en die overeenkomst.

92 In dit verband zij allereerst opgemerkt dat uit het bestreden arrest niet blijkt dat het Gerecht heeft geoordeeld dat verordening nr. 1049/2001 voorziet in een algemene uitzondering op het recht van toegang tot informatie voor lopende onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten.

93 Vervolgens moet worden opgemerkt dat rekwirant met zijn betoog in wezen aanvoert dat er sprake is van een hoger openbaar belang – in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001 – om kennis te nemen van alle informatie over alle stadia van een met overheidsmiddelen gefinancierd technologisch onderzoeksproject, dat systematisch voorrang zou hebben op de commerciële belangen van de ondernemingen die aan dit project deelnemen. Dit betoog kan slechts slagen indien er een vermoeden geldt dat met die informatie een hoger openbaar belang gemoeid is. Bij gebreke van dergelijk vermoeden staat het – zoals in de punten 74 en 89 van dit arrest in herinnering is gebracht – aan rekwirant om concreet de omstandigheden te vermelden die openbaarmaking van de documenten in kwestie gebieden.

94 In dit verband moet worden geconstateerd dat uit geen enkel element van het middel naar voren komt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 202 van het bestreden arrest te oordelen dat rekwirant niet had aangetoond dat het transparantiebeginsel in casu van bijzonder belang was en zwaarder woog dan het legitieme belang dat de leden van het aan het project deelnemende consortium hadden bij de bescherming van hun commerciële belangen.

95 Derhalve heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat aan de door rekwirant ingeroepen openbare belangen kon worden tegemoetgekomen met de verplichtingen om de resultaten van het iBorderCtrl-project openbaar te maken die op de deelnemers aan dat project rustten krachtens artikel 43, lid 2, van verordening nr. 1290/2013 alsook artikel 20.3, onder a), iii), artikel 20.4, onder a), en de artikelen 29.1, 29.2 en 38.2.1 van de subsidieovereenkomst.

96 Daarentegen heeft het Gerecht in punt 196 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat die belangen werden gewaarborgd door de rechten op beschikbaarstelling en toegang die bij artikel 4 en artikel 49 van verordening nr. 1290/2013 alsook artikel 36.1 van de subsidieovereenkomst worden toegekend aan de instellingen, organen, bureaus of agentschappen van de Unie en de lidstaten, terwijl die rechten en het in verordening nr. 1049/2001 neergelegde recht van toegang tot documenten noch dezelfde begunstigden, noch dezelfde doelstellingen hebben.

97 Krachtens artikel 4, lid 1, onder a), en artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1290/2013 is het recht op beschikbaarstelling van informatie waarover de Commissie beschikt en die betrekking heeft op de resultaten die zijn gegenereerd door een deelnemer in een actie waarvoor Uniefinanciering is ontvangen, immers voorbehouden aan de instellingen, organen, bureaus of agentschappen van de Unie en aan de lidstaten. Zij kunnen op verzoek alleen toegang krijgen tot informatie die relevant is voor het overheidsbeleid. Zodra deze informatie is verstrekt, blijft zij vertrouwelijk, tenzij zij openbaar is geworden of door de deelnemers ter beschikking van het publiek wordt gesteld. Evenzo blijkt uit artikel 49, lid 1, van verordening nr. 1290/2013 dat de in deze bepaling bedoelde rechten van toegang tot de resultaten van deelnemers die Uniefinanciering hebben ontvangen, voorbehouden zijn aan de instellingen, organen, bureaus of agentschappen van de Unie, en dit uitsluitend „met als naar behoren gerechtvaardigd doel het ontwikkelen, uitvoeren en monitoren van het beleid en de programma’s van de Unie”.

98 Daarentegen komt het in verordening nr. 1049/2001 neergelegde recht van toegang krachtens artikel 2, lid 1, van deze verordening toe aan iedere Unieburger en iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat. Bovendien is de verzoeker volgens artikel 6, lid 1, tweede volzin, van die verordening niet verplicht om de redenen voor zijn verzoek om toegang te vermelden.

99 Zoals rekwirant terecht aanvoert, kan met het in artikel 4 van verordening nr. 1290/2013 bedoelde recht op beschikbaarstelling dan ook niet worden tegemoetgekomen aan het openbaar belang dat een Unieburger dan wel een natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat inroept ter ondersteuning van een door hem op grond van verordening nr. 1049/2001 ingediend verzoek om toegang tot documenten.

100 De overwegingen van het Gerecht in punt 196 van het bestreden arrest zijn evenwel overtollig ten opzichte van die welke in de punten 194 en 195 van dat arrest zijn uiteengezet, aangezien het Gerecht – zoals blijkt uit de punten 84 tot en met 95 van het onderhavige arrest – op goede gronden heeft geoordeeld dat aan de door rekwirant ingeroepen openbare belangen kon worden tegemoetgekomen met de verplichtingen tot openbaarmaking die bij artikel 43, lid 2, van verordening nr. 1290/2013 alsook artikel 20.3, onder a), iii), artikel 20.4, onder a), en de artikelen 29.1, 29.2 en 38.2.1 van de subsidieovereenkomst zijn opgelegd aan de deelnemers aan onderzoeksprojecten. Die rechtstreeks aan deze deelnemers opgelegde verplichtingen maken het immers mogelijk om de informatie over de onderzoeksresultaten openbaar te maken, los van eventuele verspreidingsmaatregelen van de Unie of de lidstaten naar aanleiding van de uitoefening van hun recht van toegang tot die informatie.

101 Het door rekwirant in dit verband aangevoerde argument moet dus worden afgewezen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een middel dat gericht is tegen een overweging van het bestreden arrest waarvan het dictum rechtens genoegzaam gebaseerd is op andere rechtsoverwegingen, niet ter zake dienend in hogere voorziening, zodat het moet worden afgewezen (zie in die zin arresten van 8 mei 2003, T. Port/Commissie,C‑122/01 P, EU:C:2003:259, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 oktober 2021, Banco Santander/Commissie,C‑52/19 P, EU:C:2021:794, punt 127).

102 In de derde plaats heeft het Gerecht het argument van rekwirant dat er sprake is van een hoger openbaar belang ten gevolge van het feit dat het iBorderCtrl-project mogelijkerwijs inbreuk maakt op de grondrechten, verworpen door in punt 198 van het bestreden arrest te oordelen dat de relevante bepalingen inzake onderzoeks- en innovatieprojecten die worden gefinancierd in het kader van het programma Horizon 2020, de deelnemers verplichtten om de grondrechten en de met name in het Handvest erkende beginselen te eerbiedigen, en de Commissie verplichtten om erop toe te zien dat de deelnemers zich daaraan houden. Het Gerecht heeft daaraan toegevoegd dat deze vereisten ook tot uiting kwamen in het feit dat de juridische en ethische beoordelingen van het iBorderCtrl-project specifiek waren betrokken in de verplichte stadia van de ontwikkeling van dit project, en dat de ethische kwesties zelf tegen het licht werden gehouden door een onafhankelijke ethisch adviseur.

103 Het Gerecht heeft met name gerefereerd aan artikel 19 van verordening nr. 1291/2013, artikel 14 van verordening nr. 1290/2013, gelezen in het licht van overweging 9 ervan, en artikel 34 van de subsidieovereenkomst.

104 Aldus heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

105 Dat de deelnemers aan het iBorderCtrl-project de grondrechten en de met name in het Handvest erkende beginselen moeten eerbiedigen en dat de Commissie erop moet toezien dat de deelnemers zich daaraan houden, wettigt immers niet het vermoeden dat die rechten en beginselen niet worden geschonden, en sluit evenmin uit dat er een hoger openbaar belang bij de openbaarmaking van de documenten over dat project bestaat wegens de mogelijke gevolgen van de gebruikte technieken voor de bescherming van de grondrechten.

106 De verwijzing naar de verplichting van de deelnemers aan het project om de grondrechten te eerbiedigen en naar de verplichting van de Commissie om erop toe te zien dat die rechten worden gerespecteerd, weerspiegelt weliswaar het belang dat de Uniewetgever hecht aan de bescherming van die rechten, maar kan niet rechtvaardigen dat derden de mogelijkheid wordt ontnomen om te verzoeken om toegang tot die documenten teneinde met name na te gaan of de deelnemers aan het project en de instellingen van de Unie hun respectieve verplichtingen zijn nagekomen.

107 De in punt 198 van het bestreden arrest geformuleerde overweging is evenwel overtollig.

108 In punt 199 van dat arrest heeft het Gerecht namelijk geconstateerd dat ten eerste rekwirant niet stelde dat inbreuk was gemaakt op de grondrechten van de personen die hadden deelgenomen aan de in het kader van het iBorderCtrl-project uitgevoerde pilots, en dat ten tweede aan het door hem ingeroepen openbaar belang – dat in werkelijkheid betrekking had op de mogelijke toekomstige inzet, in reële omstandigheden, van systemen die berusten op technieken en technologieën die werden ontwikkeld in het kader van dat project – werd tegemoetgekomen met de verspreiding van de resultaten onder de voorwaarden van verordening nr. 1290/2013 en de subsidieovereenkomst.

109 Rekwirant beroept zich echter niet op een onjuiste opvatting van zijn eigen argumenten in eerste aanleg.

110 Bovendien kan het Gerecht – om de in de punten 84 tot en met 95 van dit arrest uiteengezette redenen – niet worden verweten dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het feit dat het iBorderCtrl-project slechts een onderzoeksproject in ontwikkeling was dat enkel tot doel had technologieën te testen, met zich meebracht dat aan het door rekwirant ingeroepen openbaar belang kon worden tegemoetgekomen met de verspreiding van de resultaten van het project onder de voorwaarden van verordening nr. 1290/2013 en de subsidieovereenkomst.

111 Gelet op een en ander moet het middel worden verworpen omdat het deels niet ter zake dienend en deels ongegrond is.

112 De hogere voorziening moet bijgevolg worden afgewezen.

Kosten

113 Ingevolge artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd.

114 Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van het REA worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van het REA.

115 Overeenkomstig artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de Commissie, die in het geding heeft geïntervenieerd, verwezen in haar eigen kosten.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) Patrick Breyer wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA).

3) De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in