HvJ EU 2 maart 2023, C-666/21, ECLI:EU:C:2023:149

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

2 maart 2023 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Vervoer over de weg – Verordening (EG) nr. 561/2006 – Werkingssfeer – Artikel 2, lid 1, onder a) – Artikel 3, onder h) – Begrip ‚wegvervoer van goederen’ – Begrip ‚toegestane maximummassa’ – Voertuig dat is toegerust als tijdelijke leefruimte voor privégebruik en goederenlaadruimte voor niet-commerciële doeleinden – Verordening (EU) nr. 165/2014 – Tachografen – Artikel 23, lid 1 – Verplichting om regelmatig inspecties te laten uitvoeren door erkende werkplaatsen”

In zaak C‑666/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hovrätt för Nedre Norrland (rechter in tweede aanleg voor Zuid-Norrland, Sundsvall, Zweden) bij beslissing van 25 oktober 2021, ingekomen bij het Hof op 5 november 2021, in de procedure

AI

tegen

Åklagarmyndigheten

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, M. Safjan, N. Piçarra (rapporteur), N. Jääskinen en M. Gavalec, rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Messina, K. Simonsson en G. Tolstoy als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 november 2022,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB 2006, L 102, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 (PB 2014, L 60, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 561/2006”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AI en de Åklagarmyndighet (openbaar ministerie, Zweden) over schending van de regels inzake het gebruik van tachografen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 561/2006

3 Overweging 17 van verordening nr. 561/2006 luidt: „Deze verordening strekt tot verbetering van de sociale omstandigheden van de werknemers op wie ze van toepassing is, alsmede tot verbetering van de verkeersveiligheid in het algemeen. Dit gebeurt vooral aan de hand van bepalingen in verband met de maximumrijtijd per dag, per week en per periode van twee opeenvolgende weken, de bepaling die een bestuurder verplicht om ten minste één keer per periode van twee opeenvolgende weken minstens één normale wekelijkse rusttijd te nemen en de bepalingen die voorschrijven dat een dagelijkse rusttijd in geen geval minder dan negen aaneengesloten uren mag duren. […]”

4 Volgens artikel 1 ervan geeft deze verordening „voorschriften voor de rijtijden, de onderbrekingen en de rusttijden van bestuurders in het wegvervoer van goederen en personen, met als doel de voorwaarden voor concurrentie tussen verschillende wijzen van vervoer over land te harmoniseren, met name met betrekking tot de wegvervoersector, en ter verbetering van de werkomstandigheden en de verkeersveiligheid” en heeft zij „tevens tot doel betere controle en handhaving door de lidstaten en betere arbeidsomstandigheden in de wegvervoersector te bevorderen”.

5 Artikel 2, lid 1, van die verordening bepaalt het volgende: „Deze verordening is van toepassing op wegvervoer: a) van goederen waarbij de toegestane maximummassa van de voertuigen, dat van de aanhangwagens of opleggers inbegrepen, meer dan 3,5 ton bedraagt; of b) van personen door voertuigen die zijn gebouwd of permanent zijn toegerust om meer dan negen personen, de bestuurder daaronder begrepen, te kunnen vervoeren en die daartoe zijn bestemd.”

6 In artikel 3 van diezelfde verordening is het volgende bepaald: „Deze verordening is niet van toepassing op wegvervoer door: […] h) voertuigen of een combinatie van voertuigen die worden gebruikt voor niet-commercieel goederenvervoer en waarvan de toegestane maximummassa niet meer dan 7,5 ton bedraagt; […]”

7 Artikel 4 van verordening nr. 561/2006 bepaalt: „Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities: a) ‚wegvervoer’: iedere verplaatsing die geheel of gedeeltelijk over voor openbaar gebruik toegankelijke wegen plaatsvindt, in lege of beladen toestand, door een voertuig, bestemd voor het vervoer van personen of goederen; […] m) ‚toegestane maximummassa’: de hoogst toegestane totaalmassa van een voertuig, het laadvermogen daaronder begrepen; […]”

Verordening nr. 165/2014

8 Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 165/2014, betreffende tachografen in het wegvervoer, luidt als volgt: „Deze verordening bepaalt de verplichtingen en voorschriften met betrekking tot de constructie, de installatie, het gebruik, het testen en de controle van tachografen die in het wegvervoer worden gebruikt om de naleving van [verordening nr. 561/2006] […] te verifiëren.”

9 Artikel 3 van verordening nr. 165/2014 heeft als opschrift „Toepassingsgebied” en bepaalt in lid 1: „De tachografen worden geïnstalleerd en gebruikt in voertuigen, bestemd voor het vervoer van personen of goederen over de weg, die in een lidstaat zijn ingeschreven en waarop verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is.”

10 Artikel 23 van verordening nr. 165/2014 heeft als opschrift „Inspectie van tachografen” en bepaalt in lid 1: „Tachografen worden regelmatig door een erkende werkplaats geïnspecteerd. Ten minste om de twee jaar wordt een routine-inspectie uitgevoerd.”

Zweeds recht

11 Hoofdstuk 9, § 6, van förordning (2004:865) om kör- och vilotider samt färdskrivare, m.m. [besluit (2004:865) betreffende rij- en rusttijden, tachografen enzovoort] bepaalt: „Een bestuurder die opzettelijk of door nalatigheid gebruikmaakt van een tachograaf die niet overeenkomstig artikel 23, lid 1, van [verordening 165/2014] is geïnspecteerd, krijgt een geldboete opgelegd.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12 Op 4 april 2019 is bij een politiecontrole vastgesteld dat AI onderweg was met een in Zweden geregistreerd voertuig dat was uitgerust met een niet binnen de gestelde termijn geïnspecteerde tachograaf. AI vervoerde in de laadruimte van dit voertuig twee sneeuwscooters en verklaarde dat hij op weg was naar een sneeuwscooterwedstrijd.

13 Bij vonnis van 7 september 2020 heeft de Sundsvalls tingsrätt (rechter in eerste aanleg Sundsvall, Zweden) AI veroordeeld wegens een snelheidsovertreding, maar hem vrijgesproken van de beschuldiging dat hij in strijd met hoofdstuk 9, § 6 van besluit (2004:865) de tachograaf in zijn voertuig niet heeft laten inspecteren. Aangezien dit voertuig slechts zes zitplaatsen voor passagiers had, heeft deze rechter geoordeeld dat het voertuig op grond van artikel 2, lid 1, onder b), van verordening nr. 561/2006 niet binnen de werkingssfeer van deze verordening viel.

14 Zowel AI als de Åklagarmyndighet heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Hovrätt för Nedre Norrland (rechter in tweede aanleg voor Zuid-Norrland, Sundsvall, Zweden), de verwijzende rechter.

15 Volgens de Åklagarmyndighet valt het betrokken voertuig wegens het gewicht ervan en doordat er sneeuwscooters mee werden vervoerd, onder verordening nr. 561/2006 en geldt dus de verplichting om een tachograaf te gebruiken.

16 AI voert aan dat dit juist niet het geval is, aangezien dit voertuig niet voor wegvervoer van goederen voor commerciële doeleinden wordt gebruikt. Hij betoogt dat, ook al beschikt dit voertuig over een laadruimte waarin hij soms zijn sneeuwscooters vervoert, hetzelfde voertuig ook een leefruimte bevat die hij en zijn familie gebruiken als zij op reis zijn om de sneeuwscootersport te beoefenen, zodat het voertuig hoofdzakelijk als tijdelijke leefruimte voor privégebruik dient.

17 De verwijzende rechter wijst erop dat het betrokken voertuig in het Vägtrafikregister (wegenverkeersregister) stond ingeschreven als vrachtwagen in de EU-voertuigcategorie N3 en dat de carrosserie als volgt is omschreven: „Het voorste deel van de bestelwagen is permanent ingericht als leefruimte, het achterste deel als laadruimte.” Hij merkt tevens op dat dit voertuig, dat door zijn carrosserie lijkt op een autobus, een opgegeven leeggewicht van 17680 kilogram (kg) heeft, een maximaal toegestane lading van 5120 kg, een hoogte van 3,6 meter (m) en een lengte van 14,7 m.

18 Aangezien het betrokken voertuig een laadruimte heeft die kan worden gebruikt voor wegvervoer van goederen en de toegestane maximummassa meer dan 3,5 ton bedraagt, valt dit voertuig volgens de verwijzende rechter op grond van artikel 2, lid 1, onder a), van verordening nr. 561/2006 binnen de werkingssfeer van deze verordening. Hij vraagt zich niettemin af hoe het begrip „wegvervoer van goederen” in de zin van deze bepaling moet worden uitgelegd, en betwijfelt in het bijzonder of de primaire functie dan wel het daadwerkelijke gebruik van het betrokken voertuig, het laadvermogen ervan en de inschrijving ervan in het nationale wegenverkeersregister relevant zijn voor de uitlegging van dit begrip.

19 De verwijzende rechter meent dat artikel 2, lid 1, onder a), van verordening nr. 561/2006 vooral betrekking heeft op wegvervoer van goederen in het kader van commerciële activiteiten. Deze uitlegging vindt steun in de doelstellingen van deze verordening, die erin bestaan de voorwaarden voor concurrentie met betrekking tot de wegvervoersector te harmoniseren en de arbeidsomstandigheden en de verkeersveiligheid te verbeteren.

20 Deze rechter merkt op basis van het arrest van 3 oktober 2013, Lundberg (C‑317/12, EU:C:2013:631), evenwel op dat het vervoer met vrachtwagens die particulieren uitsluitend voor hun hobby- of vrijetijdsactiviteiten en zonder verband met een commerciële activiteit gebruiken, bezwaarlijk kan worden geacht afbreuk te doen aan de doelstellingen van harmonisatie van de concurrentievoorwaarden in de wegvervoersector en verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Voorts vraagt hij zich af of het evenredig is aan die doelstellingen om de in verordening nr. 561/2006 opgenomen voorschriften voor de rijtijden, onderbrekingen en rusttijden toe te passen op dergelijke voertuigen.

21 In deze omstandigheden heeft de Hovrätt för Nedre Norrland de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet het in artikel 2, lid 1, onder a), van [verordening nr. 561/2006] gebezigde begrip ‚wegvervoer van goederen’ worden geacht zich mede uit te strekken tot het vervoer met een voertuig waarvan de totale massa meer dan 3,5 ton bedraagt en dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als tijdelijke leefruimte voor privégebruik? 2) Is in dergelijke omstandigheden van belang wat het laadvermogen van het voertuig is of hoe het voertuig in het nationale wegenverkeersregister is ingeschreven?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

22 Vooraf zij eraan herinnerd dat het Hof, om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, bepalingen van het Unierecht in aanmerking kan nemen waarnaar in de vragen van de nationale rechter niet wordt verwezen, door uit met name de motivering van de verwijzingsbeslissing de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven (zie in die zin arrest van 12 december 1990, SARPP, C‑241/89, EU:C:1990:459, punt 8, en 27 juni 2017, Congregación de Escuelas Pías Provincia Betania, C‑74/16, EU:C:2017:496, punt 36).

23 Om in het onderhavige geval te bepalen of een situatie als die in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van verordening nr. 561/2006 valt, moet niet alleen worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder a), van die verordening, maar ook of niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, onder h), van die verordening.

24 Bijgevolg moeten de vragen, die samen moeten worden onderzocht, aldus worden begrepen dat de verwijzende rechter in essentie wenst te vernemen of artikel 2, lid 1, onder a), van verordening nr. 561/2006, gelezen in samenhang met artikel 3, onder h), van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „wegvervoer van goederen” in de zin van deze eerste bepaling, het wegvervoer omvat dat plaatsvindt met een voertuig waarvan de toegestane maximummassa in de zin van artikel 4, onder m), van die verordening, meer dan 7,5 ton bedraagt, en wel ook wanneer dit voertuig is toegerust om behalve als tijdelijke leefruimte voor privégebruik tevens te dienen als goederenlaadruimte voor niet-commerciële doeleinden, waarbij in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met het laadvermogen van dit voertuig en de categorie waaronder het in het nationale wegenverkeersregister is ingeschreven.

25 Uit de bewoordingen van artikel 2, lid 1, onder a), en artikel 4, onder a), van verordening nr. 561/2006 blijkt dat deze verordening van toepassing is op het wegvervoer van goederen waarbij de toegestane maximummassa van de voertuigen, dat van de aanhangwagens of opleggers inbegrepen, meer dan 3,5 ton bedraagt.

26 Het begrip „wegvervoer” wordt in artikel 4, onder a), van deze verordening gedefinieerd als „iedere verplaatsing die geheel of gedeeltelijk over voor openbaar gebruik toegankelijke wegen plaatsvindt, in lege of beladen toestand, door een voertuig, bestemd voor het vervoer van personen of goederen”. Het begrip „toegestane maximummassa” wordt in artikel 4, onder m), van die verordening gedefinieerd als „de hoogst toegestane totaalmassa van een voertuig, het laadvermogen daaronder begrepen”.

27 Aangezien het begrip „wegvervoer” volgens de bewoordingen van artikel 2, lid 1, onder a), van verordening nr. 561/2006, gelezen in samenhang met artikel 4, onder a), van deze verordening, wordt gedefinieerd aan de hand van „iedere verplaatsing”, kan het niet-commerciële wegvervoer van goederen niet van de werkingssfeer van deze verordening worden uitgesloten.

28 Deze letterlijke uitlegging wordt bevestigd door de context van artikel 2, lid 1, onder a), van verordening nr. 561/2006. In artikel 3, onder h), van deze verordening wordt het wegvoer met voertuigen „die worden gebruikt voor niet-commercieel goederenvervoer en waarvan de toegestane maximummassa niet meer dan 7,5 ton bedraagt” immers uitdrukkelijk uitgesloten van de werkingssfeer van deze verordening. Zoals de advocaat-generaal in punt 39 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt uit deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, onder a), van die verordening, dat niet-commercieel wegvervoer van goederen slechts van de werkingssfeer van verordening nr. 561/2006 is uitgesloten wanneer de toegestane maximummassa van het betrokken voertuig niet meer dan 7,5 ton bedraagt.

29 Wanneer de toegestane maximummassa van het betrokken voertuig daarentegen meer dan 7,5 ton bedraagt, valt niet-commercieel wegvervoer van goederen op grond van een gezamenlijke lezing van deze twee bepalingen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 561/2006 en is het dus ook bij dit vervoer vereist de regels na te leven die in verordening nr. 165/2014 zijn vastgesteld voor de rijtijden, de onderbrekingen en de rusttijden van de bestuurder en moeten tevens de uit verordening nr. 165/2014 voortvloeiende verplichtingen en voorschriften over het gebruik en de controle van tachografen worden nagekomen.

30 De omstandigheid dat een voertuig, zoals in het hoofdgeding, is toegerust om behalve als tijdelijke leefruimte voor privégebruik tevens te dienen als goederenlaadruimte voor niet-commerciële doeleinden, kan niet afdoen aan de vaststelling in het voorgaande punt.

31 Wat het wegvervoer van goederen betreft, wordt de werkingssfeer van verordening nr. 561/2006 op grond van zowel artikel 2, lid 1, onder a), als artikel 3, onder h), van deze verordening immers bepaald door de „toegestane maximummassa” van het betrokken voertuig, zonder dat daarbij de toerusting, zoals die welke in het vorige punt is vermeld, het laadvermogen van dit voertuig en de categorie waaronder het in het nationale wegenverkeersregister is ingeschreven, relevant zijn.

32 Deze uitlegging vindt tevens steun in de doelstellingen van verordening nr. 561/2006, waaronder verbetering van de verkeersveiligheid en het bevorderen van betere controle en handhaving door de lidstaten van de in artikel 1 van deze verordening bedoelde voorschriften, gelezen in samenhang met overweging 17 ervan. De verwezenlijking van deze doelstellingen komt immers in het gedrang indien de bij deze verordening opgelegde verplichtingen inzake verkeersveiligheid niet zouden gelden voor voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 7,5 ton wegens het gebruik ervan als tijdelijke leefruimte voor privégebruik en goederenlaadruimte voor niet-commerciële doeleinden.

33 Hieraan moet worden toegevoegd dat de eventuele nadelen die ontstaan door de verplichtingen waaraan moet worden voldaan als een voertuig een „toegestane maximummassa” in de zin van artikel 4, onder m), van verordening nr. 561/2006 van meer dan 7,5 ton heeft en – ook wanneer het gebruik ervan is gericht op niet-commercieel wegvervoer van goederen – binnen de werkingssfeer van deze verordening valt, niet onevenredig blijken te zijn aan het doel de verkeersveiligheid te verbeteren. Deze doelstelling kan immers niet beperkt blijven tot het wegvervoer van goederen voor commerciële doeleinden. Zoals de advocaat-generaal in punt 47 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zou, indien elk niet-commercieel wegvervoer van goederen van de werkingssfeer van verordening nr. 561/2006 zou moeten worden uitgesloten, afbreuk worden gedaan aan het doel van verbetering van de verkeersveiligheid, dat de wetgever van de Europese Unie met de vaststelling van deze verordening heeft willen realiseren.

34 Hetzelfde geldt voor het doel om overeenkomstig artikel 1 van verordening nr. 561/2006 betere controle en handhaving door de lidstaten van de regels van deze verordening en van verordening nr. 165/2014 te bevorderen.

35 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, onder a), van verordening nr. 561/2006, gelezen in samenhang met artikel 3, onder h), van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „wegvervoer van goederen” in de zin van deze eerste bepaling, het wegvervoer omvat dat plaatsvindt met een voertuig waarvan de toegestane maximummassa in de zin van artikel 4, onder m), van die verordening meer dan 7,5 ton bedraagt, en wel ook wanneer dit voertuig is toegerust om behalve als tijdelijke leefruimte voor privégebruik tevens te dienen als goederenlaadruimte voor niet-commerciële doeleinden, zonder dat in dit verband het laadvermogen van dit voertuig en de categorie waaronder het in het nationale wegenverkeersregister is ingeschreven van belang zijn.

Kosten

36 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 2, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014, gelezen in samenhang met artikel 3, onder h), van verordening nr. 561/2006, zoals gewijzigd,

moet aldus worden uitgelegd dat

het begrip „wegvervoer van goederen” in de zin van deze eerste bepaling, het wegvervoer omvat dat plaatsvindt met een voertuig waarvan de toegestane maximummassa in de zin van artikel 4, onder m), van verordening nr. 561/2006, zoals gewijzigd, meer dan 7,5 ton bedraagt, en wel ook wanneer dit voertuig is toegerust om behalve als tijdelijke leefruimte voor privégebruik tevens te dienen als goederenlaadruimte voor niet-commerciële doeleinden, zonder dat in dit verband het laadvermogen van dit voertuig en de categorie waaronder het in het nationale wegenverkeersregister is ingeschreven van belang zijn.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Zweeds.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in