HvJ EU 1 augustus 2022, C-422/21, ECLI:EU:C:2022:616

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

1 augustus 2022 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Personen die om internationale bescherming verzoeken – Richtlijn 2013/33/EU – Artikel 20, leden 4 en 5 – Ernstige vormen van geweld – Recht van de lidstaten om de toepasselijke sancties vast te stellen – Draagwijdte – Intrekking van de materiële opvangvoorzieningen”

In zaak C‑422/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) bij beslissing van 30 december 2020, ingekomen bij het Hof op 9 juli 2021, in de procedure

Ministero dell’Interno

tegen

TO,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, D. Gratsias (rapporteur) en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door L. D’Ascia en D. G. Pintus, avvocati dello Stato,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs en M. Van Regemorter als gemachtigden, bijgestaan door A. Detheux, advocaat,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en A. Hoesch als gemachtigden,

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en M. Gijzen als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma en E. Montaguti als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 20, leden 4 en 5, van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 96).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen het Ministero dell’Interno (ministerie van Binnenlandse Zaken, Italië) en TO over het verzoek van laatstgenoemde om nietigverklaring van een besluit van de Prefettura di Firenze (prefectuur van Florence, Italië) waarbij hem de materiële opvangvoorzieningen werden ontzegd.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Volgens artikel 1 van richtlijn 2013/33 heeft deze richtlijn ten doel normen vast te stellen voor de opvang in de lidstaten van personen die om internationale bescherming verzoeken („verzoekers”).

4 Artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift „Definities”, bepaalt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: [...] f) ‚opvangvoorzieningen’: alle maatregelen die de lidstaten overeenkomstig deze richtlijn treffen ten behoeve van verzoekers; g) ‚materiële opvangvoorzieningen’: de opvangvoorzieningen met inbegrip van huisvesting, voedsel en kleding, die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt of een combinatie van deze drie, alsmede een dagvergoeding; [...] i) ‚opvangcentrum’: elke plaats die wordt gebruikt voor de collectieve huisvesting van verzoekers; [...]”

5 Artikel 8 van richtlijn 2013/33 heeft als opschrift „Bewaring”. In lid 3 ervan is bepaald: „Een verzoeker mag alleen in bewaring worden gehouden: [...] e) wanneer de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde dat vereisen; [...]”

6 Artikel 17 van die richtlijn heeft als opschrift „Algemene bepalingen betreffende de materiële opvang en gezondheidszorg”. De leden 1 tot en met 4 ervan luiden: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers materiële opvangvoorzieningen beschikbaar zijn wanneer zij hun verzoek om internationale bescherming indienen. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat de materiële opvangvoorzieningen voor verzoekers een levensstandaard bieden die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt. De lidstaten zien erop toe dat die levensstandaard ook gehandhaafd blijft in het specifieke geval van kwetsbare personen als bedoeld in artikel 21, alsmede in het geval van personen in bewaring. 3. De lidstaten kunnen de toekenning van alle of bepaalde materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de verzoekers niet beschikken over de nodige middelen voor een levensstandaard die voldoende is om hun gezondheid te verzekeren, noch over de nodige bestaansmiddelen. 4. Overeenkomstig lid 3 kunnen de lidstaten van de verzoekers, indien zij over voldoende middelen beschikken, bijvoorbeeld wanneer zij gedurende een redelijke tijd gewerkt hebben, een bijdrage verlangen voor het totaal of een deel van de kosten van de door deze richtlijn geboden materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg. Indien komt vast te staan dat een verzoeker over voldoende middelen beschikte om in die basisbehoeften te voorzien toen de materiële opvangvoorzieningen werden verstrekt, mogen de lidstaten hem vragen deze voorzieningen te vergoeden.”

7 Artikel 18 van richtlijn 2013/33, getiteld „Nadere bepalingen betreffende de materiële opvangvoorzieningen”, bepaalt in lid 1: „Indien huisvesting in natura wordt verstrekt, gebeurt dit in één van de volgende vormen of een combinatie daarvan: a) in ruimten die gebruikt worden om verzoekers te huisvesten gedurende de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat aan de grens of in een transitzone is ingediend; b) in opvangcentra die een toereikend huisvestingsniveau bieden; c) in particuliere huizen, appartementen, hotels of andere voor de huisvesting van verzoekers aangepaste ruimten.”

8 Artikel 20 van richtlijn 2013/33, dat de enige bepaling van hoofdstuk III van deze richtlijn is, heeft als opschrift „Beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen”. Dit artikel luidt: „1. De lidstaten kunnen de materiële opvangvoorzieningen beperken of, in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, intrekken indien een verzoeker: a) de door de bevoegde instanties vastgestelde verblijfplaats verlaat zonder deze instanties op de hoogte te stellen of, indien toestemming vereist is, zonder toestemming; of b) gedurende een in het nationale recht vastgestelde redelijke termijn niet voldoet aan de meldingsplicht of aan verzoeken om informatie te verstrekken of te verschijnen voor een persoonlijk onderhoud betreffende de asielprocedure; dan wel c) een volgend verzoek als omschreven in artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60)] heeft ingediend. In de onder a) en b) bedoelde gevallen, wanneer de verzoeker wordt opgespoord of zich vrijwillig bij de betrokken instantie meldt, wordt een met redenen omklede, op de redenen voor de verdwijning gebaseerde beslissing genomen inzake het opnieuw verstrekken van sommige of alle beperkte of ingetrokken materiële opvangvoorzieningen. 2. De lidstaten kunnen de materiële opvangvoorzieningen tevens beperken indien zij kunnen aantonen dat de verzoeker zonder gerechtvaardigde reden na zijn binnenkomst in die lidstaat niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. 3. De lidstaten kunnen de materiële opvangvoorzieningen beperken of intrekken indien een verzoeker financiële middelen verborgen heeft gehouden en daardoor ten onrechte van materiële opvangvoorzieningen gebruik heeft gemaakt. 4. De lidstaten kunnen sancties vaststellen op ernstige inbreuken op de regels met betrekking tot de opvangcentra en op ernstige vormen van geweld. 5. De in de leden 1, 2, 3 en 4 van dit artikel bedoelde beslissingen tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen of sancties worden individueel, objectief en onpartijdig genomen en met redenen omkleed. De beslissingen worden genomen op grond van de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor personen die onder artikel 21 vallen, en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De lidstaten zien erop toe dat verzoekers te allen tijde toegang hebben tot medische hulp overeenkomstig artikel 19 en zorgen ervoor dat alle verzoekers een waardige levensstandaard genieten. 6. De lidstaten zorgen ervoor dat er geen materiële opvangvoorzieningen beperkt of ingetrokken worden voordat er een beslissing genomen is overeenkomstig lid 5.”

9 Artikel 21 van richtlijn 2013/33 heeft als opschrift „Algemeen beginsel” en bepaalt dat de lidstaten in hun nationale recht tot uitvoering van deze richtlijn rekening houden met de specifieke situatie van kwetsbare personen zoals minderjarigen en niet-begeleide minderjarigen.

Italiaans recht

10 Artikel 14 van decreto legislativo n. 142 – Attuazione della direttiva 2013/33/UE recante norme relative all'accoglienza dei richiedenti protezione internazionale, nonché della direttiva 2013/32/UE, recante procedure comuni ai fini del riconoscimento e della revoca dello status di protezione internazionale (wetsbesluit nr. 142 tot uitvoering van richtlijn 2013/33/EU tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming en van richtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming) van 18 augustus 2015 (GURI nr. 214 van 15 september 2015, blz. 1), in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding (hierna: „wetsbesluit nr. 142/2015”), bepaalt: „1. De persoon die een verzoek heeft ingediend [om erkenning van de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus] en die niet over voldoende middelen beschikt om zichzelf en zijn gezinsleden een toereikende levensstandaard te verzekeren, heeft samen met zijn gezinsleden toegang tot de opvangmaatregelen waarin dit besluit voorziet. [...] 3. Om in aanmerking te komen voor de opvangmaatregelen waarin dit besluit voorziet, moet de verzoeker bij de indiening van zijn verzoek verklaren dat hij niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt. De prefectuur – lokaal kantoor van de centrale overheid gaat na of de in lid 1 bedoelde bestaansmiddelen ontoereikend zijn in verhouding tot het jaarlijkse bedrag van de sociale uitkering. [...]”

11 Artikel 23 van dit wetsbesluit bepaalt: „1. De prefect van de provincie waar de centra [voor eerste opvang] gelegen zijn, besluit bij met redenen omkleed besluit tot intrekking van de opvangmaatregelen in de volgende gevallen: [...] e) ernstige of herhaalde overtreding door de asielzoeker van de regels van het centrum waar hij wordt gehuisvest, met inbegrip van opzettelijke beschadiging van roerende of onroerende goederen, of ernstige vormen van geweld. 2. Bij de vaststelling van het besluit tot intrekking wordt rekening gehouden met de situatie van de verzoeker, in het bijzonder wat de voorwaarden [voor de opvang van personen met bijzondere behoeften] betreft. [...] 4. In het in lid 1, onder e), bedoelde geval doet de voor het centrum verantwoordelijke persoon een verslag toekomen aan het bureau van de prefectuur – lokaal kantoor van de centrale overheid over de feiten die aanleiding kunnen geven tot een eventuele intrekking, binnen drie dagen nadat deze zich hebben voorgedaan. 5. Het besluit tot intrekking van de opvangmaatregelen wordt van kracht op het tijdstip waarop het wordt meegedeeld [...]. Het besluit wordt ook meegedeeld aan de verantwoordelijke van het centrum. Tegen het besluit tot intrekking kan beroep worden ingesteld bij de bevoegde regionale bestuursrechter. [...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12 Als aanvrager van internationale bescherming kwam TO in aanmerking voor de materiële opvangvoorzieningen waarin wetsbesluit nr. 142/2015 voorziet, en werd hij gehuisvest in een centrum voor tijdelijke huisvesting.

13 Uit een proces-verbaal van 28 juni 2019, dat de bevoegde politieautoriteit aan de prefectuur van Florence heeft gezonden, blijkt dat TO, samen met een andere aanvrager van internationale bescherming, in een treinstation een spoorwegbeambte en twee agenten van de gemeentepolitie van Florence verbaal en fysiek heeft aangevallen. De drie liepen verwondingen op en dienden door de plaatselijke spoeddienst te worden behandeld.

14 Na TO te hebben verzocht zijn opmerkingen in te dienen – wat hij niet heeft gedaan – heeft de prefectuur van Florence een besluit vastgesteld waarbij de materiële opvangvoorzieningen die hij genoot, op grond van artikel 14, lid 3, en artikel 23, lid 1, onder e), van wetsbesluit nr. 142/2015 werden ingetrokken.

15 TO is tegen dit besluit opgekomen bij de Tribunale amministrativo regionale per la Toscana (bestuursrechter in eerste aanleg voor de regio Toscane, Italië; hierna: „TAR”). Die rechter heeft het beroep toegewezen en het besluit van de prefectuur van Florence nietig verklaard. Hij heeft in wezen geoordeeld dat artikel 23, lid 1, onder e), van wetsbesluit nr. 142/2015 in strijd was met het Unierecht, zoals uitgelegd door het Hof in zijn arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956), voor zover volgens die bepaling in feitelijke omstandigheden als die van het hoofdgeding de intrekking van de materiële opvangvoorzieningen de enige mogelijke sanctie is.

16 Het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft tegen de beslissing van de TAR hoger beroep ingesteld bij de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië), op grond dat die rechter zowel het nationale recht als het Unierecht, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956), onjuist had toegepast.

17 De verwijzende rechter geeft aan dat hij twijfels heeft over de manier waarop de TAR het arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956), leest.

18 In dit verband herinnert de verwijzende rechter eraan dat de lidstaten overeenkomstig artikel 20, lid 4, van richtlijn 2013/33 sancties kunnen vaststellen op ernstige inbreuken op de regels met betrekking tot de opvangcentra en op ernstige vormen van geweld. Er kan echter geen twijfel over bestaan dat het begrip „sancties” in de zin van die bepaling in beginsel ook de intrekking en de beperking van de materiële opvangvoorzieningen omvat, zoals het Hof overigens heeft erkend in zijn arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956).

19 De verwijzende rechter betoogt dat, indien het onmogelijk is om de materiële opvangvoorzieningen in te trekken, zelfs in gevallen van bijzonder ernstige en laakbare feiten, zoals fysiek geweld of de verkoop van verdovende middelen, dit tot misbruik zou kunnen leiden. Voor dergelijke feiten zouden minder strenge sancties, zoals het onderbrengen van de betrokkene in een afzonderlijk gedeelte van het opvangcentrum of in andere huisvesting, waarschijnlijk ondoeltreffend blijken te zijn.

20 Dienaangaande herinnert de verwijzende rechter eraan dat vreemdelingen volgens de toepasselijke Italiaanse wettelijke regeling geen verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst of als zelfstandige kunnen verkrijgen wanneer zij zijn veroordeeld wegens strafbare feiten die als bijzonder ernstig en laakbaar worden beschouwd. Het zou niet redelijk zijn te oordelen dat de plegers van even laakbare feiten aan de strengste straffen kunnen ontkomen wanneer zij aanvragers van internationale bescherming zijn die, anders dan de verzoeker in het hoofdgeding van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956), niet behoren tot de categorie van kwetsbare personen als bedoeld in artikel 21 van richtlijn 2013/33. Volgens de verwijzende rechter zou de uitbreiding van de uit het arrest Haqbin voortvloeiende beginselen tot deze personen neerkomen op de toepassing van een identieke behandeling op verschillende situaties.

21 Bovendien houdt de uitlegging van artikel 20, lid 4, van richtlijn 2013/33 waarop de TAR zich heeft gebaseerd, geen rekening met de overweging in punt 44 van het arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956), dat de lidstaten, indien zij – teneinde zich te beschermen tegen het risico op misbruik van het opvangstelsel – maatregelen kunnen treffen die betrekking hebben op de materiële opvangvoorzieningen, eveneens over deze mogelijkheid moeten beschikken wanneer er sprake is van ernstige inbreuken op de regels met betrekking tot de opvangcentra of van ernstige vormen van geweld.

22 Met betrekking tot de eerbiediging van de menselijke waardigheid, waarop het Hof heeft gewezen in zijn arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956), wijst de verwijzende rechter erop dat deze lijkt te kunnen worden gewaarborgd door een strikte naleving van de procedurele waarborgen, met name de verplichting om een volledig onderzoek in te stellen en de verplichting om administratieve handelingen te motiveren. Die waarborgen strekken er volgens de verwijzende rechter toe het in punt 46 van het arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956), bedoelde risico te voorkomen dat de intrekking van de materiële opvangvoorzieningen de betrokkene de mogelijkheid zou ontnemen om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals wonen, eten, zich kleden en zich wassen, hetgeen hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.

23 Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich ook af of de „ernstige vormen van geweld” die op grond van artikel 20, lid 4, van richtlijn 2013/33 kunnen worden bestraft, ook zien op feiten die buiten een opvangcentrum worden gepleegd.

24 Derhalve heeft de Consiglio di Stato de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Verzet artikel 20, leden 4 en 5, van richtlijn [2013/33] zich tegen een nationale wettelijke regeling die voorziet in de intrekking van opvangmaatregelen ten aanzien van een meerderjarige asielzoeker die niet tot de categorie ‚kwetsbare personen’ behoort, wanneer deze wordt geacht zich buiten het opvangcentrum schuldig te hebben gemaakt aan ernstige vormen van geweld, waarbij fysiek geweld is gebruikt tegen ambtenaren en/of personeelsleden van de openbare dienst, waardoor de slachtoffers zodanig letsel hebben opgelopen dat zij zich op de plaatselijke spoedafdeling dienden te laten behandelen?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

25 De prejudiciële vraag valt uiteen in twee delen, die afzonderlijk moeten worden onderzocht.

Eerste deel van de prejudiciële vraag

26 Met het eerste deel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 20, lid 4, van richtlijn 2013/33 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op ernstige vormen van geweld die buiten een opvangcentrum worden gepleegd.

27 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 20, lid 4, van richtlijn 2013/33 de lidstaten de mogelijkheid biedt „sancties vast te stellen op ernstige inbreuken op de regels met betrekking tot de opvangcentra en op ernstige vormen van geweld”.

28 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arrest van 28 januari 2020, Commissie/Italië (Richtlijn bestrijding van betalingsachterstand), C‑122/18, EU:C:2020:41, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

29 Wat de bewoordingen van artikel 20, lid 4, van richtlijn 2013/33 betreft, is het duidelijk dat een „ernstige inbreuk op de regels van de opvangcentra” en „ernstige vormen van geweld” twee afzonderlijke hypothesen vormen, die elk op zich volstaan om te rechtvaardigen dat een sanctie wordt opgelegd.

30 Bij gebreke van een uitdrukkelijke andersluidende beperking in de bewoordingen van deze bepaling en gelet op de noodzaak om de Unierechtelijke bepalingen aldus uit te leggen dat de nuttige werking ervan behouden blijft (zie in die zin arrest van 21 maart 2019, Falck Rettungsdienste en Falck, C‑465/17, EU:C:2019:234, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak), moet worden aangenomen dat de uitdrukking „ernstige vormen van geweld” dergelijk gedrag dekt, ongeacht waar het zich heeft voorgedaan.

31 Indien het de bedoeling van de Uniewetgever was om in artikel 20, lid 4, van richtlijn 2013/33 alleen te verwijzen naar ernstige vormen van geweld die door een aanvrager van internationale bescherming worden gepleegd in een opvangcentrum, zou een specifieke verwijzing naar de hypothese van dergelijk gedrag niet nodig zijn geweest, aangezien dergelijk gedrag binnen een opvangcentrum ongetwijfeld een ernstige inbreuk op de regels met betrekking tot dat centrum zou vormen en dus onder de eerste hypothese van die bepaling zou vallen zodat de tweede van geen nut zou zijn.

32 De voorgaande overwegingen worden bevestigd zowel door de context van artikel 20, lid 4, van richtlijn 2013/33 als door het doel dat met deze bepaling wordt nagestreefd.

33 Wat de context betreft, volstaat het vast te stellen dat de leden 1 tot en met 3 van artikel 20 betrekking hebben op hypotheses die, naargelang van het geval, de beperking of de intrekking kunnen rechtvaardigen van de materiële opvangvoorzieningen en die geen verband houden met het in een opvangcentrum vertoonde gedrag.

34 Aangezien artikel 20, lid 4, van richtlijn 2013/33 tot doel heeft de lidstaten te machtigen om ernstige vormen van geweld die worden gepleegd door aanvragers van internationale bescherming op passende wijze te bestraffen, gelet op het gevaar dat dergelijk gedrag voor de openbare orde en voor de veiligheid van personen en zaken kan opleveren (zie in die zin arrest van 12 november 2019, HaqbinC‑233/18, EU:C:2019:956, punt 44), is er geen grond om deze mogelijkheid te beperken tot ernstige vormen van geweld binnen een opvangcentrum.

35 Gelet op al deze overwegingen moet op het eerste deel van de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 20, lid 4, van richtlijn 2013/33 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op ernstige vormen van geweld buiten een opvangcentrum.

Tweede deel van de prejudiciële vraag

36 Met het tweede deel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 20, leden 4 en 5, van richtlijn 2013/33 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat aan een persoon die om internationale bescherming verzoekt die zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige vormen van geweld jegens overheidsambtenaren, een sanctie wordt opgelegd die bestaat in de intrekking van de materiële opvangvoorzieningen in de zin van artikel 2, onder f) en g), van die richtlijn.

37 In dit verband heeft het Hof in punt 44 van het arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956), inderdaad vastgesteld dat in artikel 20, lid 4, van richtlijn 2013/33 niet uitdrukkelijk wordt uitgesloten dat een sanctie betrekking kan hebben op de materiële opvangvoorzieningen.

38 Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat, indien de lidstaten – teneinde zich te beschermen tegen het risico op misbruik van het opvangstelsel – maatregelen kunnen treffen die betrekking hebben op die voorzieningen, zij eveneens over deze mogelijkheid moeten beschikken wanneer er sprake is van ernstige inbreuken op de regels met betrekking tot de opvangcentra of van ernstige vormen van geweld. Dergelijke handelingen kunnen immers de openbare orde verstoren alsook de veiligheid van personen en zaken in gevaar brengen.

39 Het Hof oordeelde evenwel dat het met de uit artikel 20, lid 5, derde volzin, van richtlijn 2013/33 voortvloeiende verplichting om ervoor te zorgen dat de verzoeker een waardige levensstandaard geniet, onverenigbaar zou zijn dat enkel om een in artikel 20, lid 4, van die richtlijn genoemde reden een sanctie wordt opgelegd waarbij – al was het maar tijdelijk – alle materiële opvangvoorzieningen of de materiële opvangvoorzieningen met betrekking tot huisvesting, voedsel of kleding worden ingetrokken, aangezien die verzoeker daardoor de mogelijkheid zou worden ontnomen om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals wonen, eten, zich kleden en zich wassen (arrest van 12 november 2019, Haqbin, C‑233/18, EU:C:2019:956, punt 47).

40 Een dergelijke sanctie zou bovendien in strijd zijn met het in artikel 20, lid 5, tweede volzin, van richtlijn 2013/33 neergelegde evenredigheidsvereiste, aangezien zelfs de zwaarste sancties die erop gericht zijn de in artikel 20, lid 4, van deze richtlijn bedoelde inbreuken of gedragingen strafrechtelijk te beteugelen, de verzoeker niet de mogelijkheid mogen ontnemen om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften (arrest van 12 november 2019, Haqbin, C‑233/18, EU:C:2019:956, punt 48).

41 In het licht van deze overwegingen kan de door de verwijzende rechter aangevoerde omstandigheid dat de te bestraffen gedraging bijzonder ernstig en laakbaar kan zijn, niet tot een andere conclusie leiden.

42 Om dezelfde reden kan geen parallel worden getrokken tussen de situatie van een persoon die om internationale bescherming verzoekt en die niet in zijn meest elementaire behoeften kan voorzien, en die van een onderdaan van een derde land aan wie een verblijfsvergunning wordt geweigerd voor arbeid in loondienst of als zelfstandige.

43 Het Hof heeft er in punt 52 van het arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956), evenwel op gewezen dat de lidstaten in de in artikel 20, lid 4, van richtlijn 2013/33 bedoelde gevallen, naargelang van de omstandigheden van het geval en onder voorbehoud van de naleving van de in artikel 20, lid 5, van deze richtlijn neergelegde vereisten, sancties kunnen opleggen die niet tot gevolg hebben dat de verzoeker wordt uitgesloten van de materiële opvangvoorzieningen, zoals zijn verblijf in een afzonderlijk gedeelte van het opvangcentrum waarbij het hem verboden is om in contact te treden met bepaalde bewoners van het centrum, of zijn overbrenging naar een ander opvangcentrum of andere huisvesting in de zin van artikel 18, lid 1, onder c), van die richtlijn.

44 In datzelfde punt heeft het Hof tevens opgemerkt dat artikel 20, leden 4 en 5, van richtlijn 2013/33 evenmin in de weg staat aan een maatregel waarbij de verzoeker op grond van artikel 8, lid 3, onder e), van deze richtlijn in bewaring wordt gehouden, mits is voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 8 tot en met 11 van die richtlijn.

45 Met betrekking tot de procedurele waarborgen die overeenkomstig het nationale recht dienen te worden nageleefd in geval van een beslissing tot intrekking van de materiële opvangvoorzieningen ten aanzien van een aanvrager van internationale bescherming die zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige vormen van geweld, zij erop gewezen dat dergelijke waarborgen, hoe belangrijk ook, het risico niet kunnen uitsluiten dat de betrokken verzoeker als gevolg van die intrekking niet kan voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals wonen, eten, zich kleden en zich wassen, die het Hof heeft genoemd in punt 46 van het arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956).

46 Voorts zij erop gewezen dat de overwegingen in de punten 46 tot en met 52 van het arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956) – die in wezen zijn herhaald in de punten 39 tot en met 45 van het onderhavige arrest – zoals duidelijk blijkt uit deze punten en uit de bewoordingen van de daarin uitgelegde bepalingen, gelden voor alle aanvragers van internationale bescherming en niet alleen voor degenen die de hoedanigheid van „kwetsbare persoon” hebben in de zin van artikel 21 van richtlijn 2013/33, waarnaar wordt verwezen in de punten 53 tot en met 55 van het arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956).

47 Gelet op al deze overwegingen moet op het tweede deel van de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 20, leden 4 en 5, van richtlijn 2013/33 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat aan een persoon die om internationale bescherming verzoekt en die zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige vormen van geweld jegens overheidsambtenaren, een sanctie wordt opgelegd die bestaat in de intrekking van de materiële opvangvoorzieningen in de zin van artikel 2, onder f) en g), van deze richtlijn die betrekking hebben op huisvesting, voedsel of kleding, wanneer dit tot gevolg zou hebben dat die persoon de mogelijkheid wordt ontnomen om in zijn meest elementaire behoeften te voorzien. Bij het opleggen van andere sancties uit hoofde van genoemd artikel 20, lid 4, moet onder alle omstandigheden worden voldaan aan de voorwaarden van lid 5 van dat artikel, met name die betreffende de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel en de menselijke waardigheid.

Kosten

48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 20, lid 4, van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op ernstige vormen van geweld die buiten een opvangcentrum hebben plaatsgevonden.

2) Artikel 20, leden 4 en 5, van richtlijn 2013/33 moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat aan een persoon die om internationale bescherming verzoekt en die zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige vormen van geweld jegens overheidsambtenaren, een sanctie wordt opgelegd die bestaat in de intrekking van de materiële opvangvoorzieningen in de zin van artikel 2, onder f) en g), van deze richtlijn die betrekking hebben op huisvesting, voedsel of kleding, wanneer dit tot gevolg zou hebben dat die persoon de mogelijkheid wordt ontnomen om in zijn meest elementaire behoeften te voorzien. Bij het opleggen van andere sancties uit hoofde van genoemd artikel 20, lid 4, moet onder alle omstandigheden worden voldaan aan de voorwaarden van lid 5 van dat artikel, met name die betreffende de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel en de menselijke waardigheid.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in