HvJ EU 7 juli 2022, C-24/21, ECLI:EU:C:2022:526

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

7 juli 2022 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Landbouw – Genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders – Verordening (EG) nr. 1829/2003 – Doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu – Richtlijn 2001/18/EG – Artikel 26 bis – Mogelijkheid voor de lidstaten om de passende maatregelen te nemen om de onbedoelde aanwezigheid van genetisch gemodificeerde organismen in andere producten te voorkomen – Toepassingsvoorwaarden – Evenredigheidsbeginsel – Richtsnoeren voor de ontwikkeling van nationale co‑existentiemaatregelen om de onbedoelde aanwezigheid van genetisch gemodificeerde organismen in conventionele en biologische gewassen te vermijden – Maatregel van een lager openbaar lichaam dat op zijn grondgebied de teelt van genetisch gemodificeerde maïs verbiedt”

In zaak C‑24/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale ordinario di Pordenone (rechter in eerste aanleg Pordenone, Italië) bij beslissing van 4 januari 2021, ingekomen bij het Hof op 14 januari 2021, in de procedure

PH

tegen

Regione Autonoma Friuli Venezia Giulia,

Direzione centrale risorse agroalimentari, forestali e ittiche – Servizio foreste e corpo forestale della Regione Autonoma Friuli Venezia Giulia,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, J. Passer, F. Biltgen, N. Wahl en M. L. Arastey Sahún, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– PH, vertegenwoordigd door G. Martorana, avvocato,

– de Regione Autonoma Friuli Venezia Giulia, vertegenwoordigd door B. Croppo, D. Iuri en E. Massari, avvocati,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castilla Contreras, I. Galindo Martín en F. Moro als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB 2001, L 106, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 (PB 2003, L 268, blz. 1) (hierna: „richtlijn 2001/18”), gelezen in het licht van verordening nr. 1829/2003 en de aanbeveling van de Commissie van 13 juli 2010 inzake richtsnoeren voor de ontwikkeling van nationale co-existentiemaatregelen om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in conventionele en biologische gewassen te vermijden (PB 2010, C 200, blz. 1; hierna „aanbeveling van 13 juli 2010”), alsook de artikelen 34, 35 en 36 VWEU.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen PH en de Regione Autonoma Friuli Venezia Giulia (autonome regio Friuli-Venezia Giulia, Italië; hierna: „regio FVG”) en de Direzione centrale risorse agroalimentari, forestali e ittiche – Servizio foreste e corpo forestale della Regione Autonoma Friuli Venezia Giulia (centrale directie agrovoedingsmiddelen, bos- en visbestanden – dienst bossen en bosbeheer van de autonome regio Friuli-Venezia Giulia, Italië) over een beschikking waarbij PH is veroordeeld tot een geldboete wegens schending van het verbod om genetisch gemodificeerde maïs te telen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2001/18

3 Artikel 1 van richtlijn 2001/18, met als opschrift „Doel”, bepaalt: „Overeenkomstig het voorzorgsbeginsel is het doel van deze richtlijn de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten en de bescherming van de volksgezondheid en het milieu bij: – de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen [(ggo’s)] in het milieu voor andere doeleinden dan het in de handel brengen in de [Europese Unie]; – het in de handel brengen in de [Unie] van [ggo’s] als product of in producten.”

4 Artikel 4 van deze richtlijn, met als opschrift „Algemene verplichtingen”, luidt: „1. De lidstaten dragen er, overeenkomstig het voorzorgsbeginsel, zorg voor dat alle nodige maatregelen worden genomen ter voorkoming van negatieve effecten van de doelbewuste introductie en het in de handel brengen van ggo’s op de gezondheid van mens en milieu. Doelbewuste introductie of het in de handel brengen van ggo’s is alleen toegestaan overeenkomstig deel B, respectievelijk deel C [die de introductie en het in de handel brengen afhankelijk stellen van een voorafgaande vergunning]. [...]”

5 Artikel 22 van deze richtlijn, met als opschrift „Vrij verkeer”, luidt als volgt: „Onverminderd artikel 23 mogen de lidstaten het in de handel brengen van ggo’s, als product of in producten, die aan de eisen van deze richtlijn voldoen, niet verbieden, beperken of verhinderen.”

6 Artikel 23 van deze richtlijn, met als opschrift „Vrijwaringsclausule”, bepaalt in lid 1, eerste en tweede alinea: „Wanneer een lidstaat op grond van na de datum van de toestemming beschikbaar gekomen nieuwe of nadere informatie die gevolgen heeft voor de milieurisicobeoordeling of op grond van een herbeoordeling van de bestaande informatie aan de hand van nieuwe of nadere wetenschappelijke kennis duidelijke redenen heeft om aan te nemen dat een ggo als product of in een product, waarvoor overeenkomstig deze richtlijn naar behoren een kennisgeving is ingediend en schriftelijk toestemming is verleend, gevaar oplevert voor de gezondheid van de mens of het milieu, kan die lidstaat het gebruik en/of de verkoop van dat ggo als product of in een product op zijn grondgebied tijdelijk beperken of verbieden. De lidstaat draagt er zorg voor dat in geval van een ernstig risico noodmaatregelen worden getroffen, zoals de onderbreking of beëindiging van het in de handel brengen, met inbegrip van voorlichting van het publiek.”

7 Artikel 26 bis van richtlijn 2001/18, met als opschrift „Maatregelen om niet-doelbewuste aanwezigheid van ggo’s te voorkomen”, luidt: „1. De lidstaten kunnen alle passende maatregelen nemen om de niet-doelbewuste aanwezigheid van ggo’s in andere producten te voorkomen. 2. De Commissie verzamelt en coördineert gegevens die zijn gebaseerd op onderzoeken op [het niveau van de Unie] en [op] nationaal niveau en observeert de ontwikkelingen inzake het naast elkaar voorkomen in de lidstaten, en ontwikkelt op basis van deze gegevens en waarnemingen richtsnoeren over het naast elkaar voorkomen van genetisch gemodificeerde, conventionele en organische gewassen.”

Verordening nr. 1829/2003

8 Overweging 9 van verordening nr. 1829/2003 luidt: „De nieuwe vergunningsprocedures voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders dienen te berusten op de nieuwe beginselen die zijn ingevoerd bij richtlijn [2001/18]. Voorts dienen zij gebruik te maken van het nieuwe kader voor risicobeoordeling met het oog op de voedselveiligheid dat is ingesteld bij verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden [(PB 2002, L 31, blz. 1)]. Er mag dus pas vergunning worden verleend voor het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders nadat er een wetenschappelijke beoordeling van het hoogste niveau onder verantwoordelijkheid van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid heeft plaatsgevonden van de risico’s die de bedoelde producten inhouden voor de gezondheid van mens en dier en in voorkomend geval voor het milieu. Bedoelde wetenschappelijke beoordeling dient te worden gevolgd door een risicomanagementbeslissing van de [Unie] volgens een regelgevingsprocedure waarbij de Commissie en de lidstaten nauw samenwerken.”

9 Artikel 1 van verordening nr. 1829/2003, met als opschrift „Doelstelling”, luidt als volgt: „Deze verordening heeft overeenkomstig de algemene beginselen van verordening [nr. 178/2002] tot doel: a) de basis te leggen voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt gewaarborgd is; b) communautaire procedures vast te stellen voor de toelating van en het toezicht op genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders; c) bepalingen vast te stellen voor de etikettering van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.”

10 Artikel 3 van verordening nr. 1829/2003 heeft als opschrift „Toepassingsgebied” en bepaalt in lid 1 het volgende: „Deze afdeling is van toepassing op: a) ggo’s die voor voedingsdoeleinden worden gebruikt; b) levensmiddelen die geheel of gedeeltelijk uit ggo’s bestaan; c) levensmiddelen die met ggo’s zijn geproduceerd of ingrediënten bevatten die daarmee zijn geproduceerd.”

11 Artikel 4 van deze richtlijn, met als opschrift „Voorschriften”, luidt als volgt: „1. Levensmiddelen die onder deze afdeling vallen: a) mogen geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu hebben; [...] 2. Niemand mag een ggo dat voor voedingsdoeleinden wordt gebruikt of een levensmiddel, vermeld in artikel 3, lid 1, in de handel brengen, tenzij daarvoor overeenkomstig deze afdeling een vergunning is verleend en de bij die vergunning vastgestelde voorwaarden worden nageleefd. [...] 5. Een vergunning zoals bedoeld in lid 2 mag slechts worden verleend, geweigerd, verlengd, gewijzigd, geschorst of ingetrokken om de redenen en volgens de procedures die in deze verordening zijn vastgelegd. [...]”

12 Artikel 16 van deze verordening bepaalt: „[...] 2. Niemand mag [ggo’s die in diervoeding worden gebruikt, diervoeders die geheel of gedeeltelijk uit ggo’s bestaan of met ggo’s geproduceerde diervoeders] in de handel brengen, gebruiken of verwerken, tenzij daarvoor overeenkomstig deze afdeling een vergunning is verleend en de bij die vergunning vastgestelde voorwaarden worden nageleefd. [...] 5. Een vergunning zoals bedoeld in lid 2 mag slechts worden verleend, geweigerd, verlengd, gewijzigd, geschorst of ingetrokken om de redenen en volgens de procedures die in deze verordening zijn vastgelegd. [...]”

13 Artikel 19, lid 5, van deze verordening luidt: „De volgens de procedure van deze verordening verleende vergunning is in de gehele [Unie] gedurende tien jaar geldig en kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 23 worden verlengd. [...]”

14 Artikel 20, lid 1, van verordening nr. 1829/2003 bepaalt: „In afwijking van artikel 16, lid 2, kunnen onder deze afdeling vallende producten die vóór de datum van toepassing van deze verordening wettig in de handel zijn gebracht in de [Unie], verder in de handel gebracht, gebruikt en verwerkt worden, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) in het geval van producten die uit hoofde van richtlijn 90/220/EEG [van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (PB 1990, L 117, blz. 15)] of richtlijn [2001/18] zijn toegelaten, inclusief voor gebruik als diervoeder, uit hoofde van richtlijn 82/471/EEG [van de Raad van 30 juni 1982 betreffende bepaalde in diervoeding gebruikte producten (PB 1982, L 213, blz. 8)], wanneer die producten met ggo’s geproduceerd zijn, of uit hoofde van richtlijn 70/524/EEG [van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB 1970, L 270, blz. 1)], wanneer die producten geheel of gedeeltelijk uit ggo’s bestaan of daarmee geproduceerd zijn, delen de exploitanten die verantwoordelijk zijn voor het in de handel brengen van de betrokken producten, de Commissie binnen zes maanden na de datum van toepassing van onderhavige verordening mee op welke datum deze producten voor het eerst in de [Unie] in de handel zijn gebracht; [...]”

15 Artikel 23, lid 1, van deze verordening luidt: „Krachtens deze verordening verleende vergunningen kunnen telkens voor tien jaar worden verlengd, indien de aanvrager hiertoe uiterlijk een jaar voor het verstrijken van de vergunning een aanvraag indient bij de Commissie.”

16 Artikel 43 van verordening nr. 1829/2003 heeft met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening richtlijn 2001/18 gewijzigd en daarbij artikel 26 bis ingevoegd.

Aanbeveling van 13 juli 2010

17 De overwegingen 1 en 3 van de aanbeveling van 13 juli 2010 luiden als volgt: „(1) Artikel 26 bis van richtlijn [2001/18] bepaalt dat de lidstaten alle passende maatregelen kunnen nemen om de niet-doelbewuste aanwezigheid van ggo’s in andere producten te voorkomen. Dit geldt met name om de aanwezigheid van ggo’s in andere gewassen, zoals conventionele of biologische gewassen, te vermijden. [...] (3) Het kan nodig zijn dat de overheden in de lidstaten in de gebieden waar ggo’s worden geteeld passende maatregelen vaststellen om de consumenten en de producenten een keuze te bieden tussen conventionele, biologische en gg-productie (hierna ‚co-existentiemaatregelen’ genoemd).”

18 Punt 1 van deze aanbeveling bepaalt: „Bij de ontwikkeling van nationale maatregelen om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in conventionele en biologische gewassen te vermijden, moeten de lidstaten de richtsnoeren in de bijlage bij deze aanbeveling volgen.”

19 In punt 1.2, laatste alinea, van de bij deze aanbeveling gevoegde richtsnoeren staat te lezen: „Aangezien alleen toegestane ggo’s in de [Unie] mogen worden geteeld en de milieu- en gezondheidsaspecten reeds bij de beoordeling van de risico’s voor het milieu in het kader van het vergunningsproces van de [Unie] zijn behandeld, betreffen de nog in de context van de co-existentie aan te pakken hangende kwesties de economische aspecten die aan de vermenging van gg- en niet-gg-gewassen verbonden zijn.”

20 Punt 1.4 van deze richtsnoeren, met als opschrift „Doel en reikwijdte van de richtsnoeren”, luidt: „Deze richtsnoeren nemen de vorm aan van niet-bindende aanbevelingen aan de lidstaten. Zij zijn bedoeld om algemene beginselen te verstrekken voor de ontwikkeling van nationale maatregelen om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in conventionele en biologische gewassen te vermijden. Er wordt erkend dat veel van de factoren die van belang zijn in deze context specifiek zijn voor de nationale, regionale en lokale omstandigheden.”

21 Punt 2 van die richtsnoeren, met als opschrift „Algemene beginselen voor de ontwikkeling van nationale co-existentiemaatregelen om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in conventionele en biologische gewassen te vermijden”, bevat de volgende passage: „2.2. Evenredigheid Maatregelen om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in andere gewassen te vermijden moeten in verhouding staan tot het doel dat wordt nagestreefd (bescherming van de bijzondere behoeften van conventionele of biologische landbouwers). Co-existentiemaatregelen moeten alle onnodige lasten voor landbouwers, zaadproducenten, coöperaties en andere bij de diverse productietypen betrokken exploitanten vermijden. Bij de keuze van de maatregelen moet rekening worden gehouden met de regionale en lokale omstandigheden en karakteristieken, zoals de vorm en de grootte van de akkers in een regio, de versnippering en de geografische verspreiding van de tot de afzonderlijke bedrijven behorende akkers en de regionale landbouwbeheerspraktijken. 2.3. Te bereiken vermengingsniveaus door nationale co-existentiemaatregelen om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in conventionele en biologische gewassen te vermijden De nationale maatregelen om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in conventionele en biologische gewassen te vermijden, moeten rekening houden met de beschikbare kennis over de waarschijnlijkheid en de bronnen van vermenging tussen gg- en niet-gg-gewassen. Deze maatregelen moeten in verhouding staan tot het na te streven vermengingsniveau, dat zal afhangen van de specifieke regionale en nationale omstandigheden en de bijzondere lokale behoeften van conventionele, biologische en andere soorten gewassen en productie. 2.3.1. In sommige gevallen heeft de aanwezigheid van ggo-sporen in levensmiddelen en diervoeders alleen een economisch effect wanneer zij de etiketteringsdrempel van 0,9 % overschrijden. In deze gevallen moeten de lidstaten uitmaken of maatregelen om te voldoen aan de etiketteringsdrempel van 0,9 % voldoende zijn. 2.3.2. De lidstaten moeten nagaan of het wel nodig is om specifieke vermengingsniveaus na te streven als de etikettering van een gewas als genetisch gemodificeerd geen economische gevolgen heeft. 2.3.3. In verscheidene andere gevallen kan de mogelijke inkomstenderving voor biologische en sommige conventionele producenten (bv. bepaalde levensmiddelenproducenten) te wijten zijn aan de aanwezigheid van sporen van ggo’s in gehalten van minder dan 0,9 %. In die gevallen en met het oog op de bescherming van bijzondere productietypen kunnen de betrokken lidstaten maatregelen vaststellen om de aanwezigheid van ggo’s in andere gewassen te beperken tot minder dan 0,9 %. Ongeacht het via de co-existentiemaatregelen na te streven vermengingsniveau zullen de in de [Uniewetgeving] vastgestelde drempels blijven gelden voor de etikettering van de aanwezigheid van ggo’s in levensmiddelen, diervoeders en voor directe verwerking bedoelde producten. 2.4. Maatregelen om de teelt van ggo’s in grote gebieden te verbieden (‚gg-vrije gebieden’) Verschillen in regionale aspecten, zoals klimatologische omstandigheden (die van invloed zijn op de activiteit van bestuivers of het transport van pollen in de lucht), topografie, teeltpatronen en vruchtwisselingssystemen of structuren van de landbouwbedrijven (waaronder omliggende structuren zoals heggen, bossen, onbebouwde gebieden en de ruimtelijke ordening van akkers) kunnen van invloed zijn op de mate van vermenging tussen gg- en conventionele en biologische gewassen en de maatregelen die nodig zijn om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in andere gewassen te vermijden. Onder bepaalde economische en natuurlijke omstandigheden moeten de lidstaten de mogelijkheid bekijken om de teelt van ggo’s in grote delen van hun grondgebied te verbieden om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in conventionele en biologische gewassen te vermijden. Daartoe moeten de lidstaten aantonen dat voor die gebieden andere maatregelen niet voldoende zijn om de nodige zuiverheidsniveaus te bereiken. Bovendien moeten de beperkingsmaatregelen in verhouding staan tot het nagestreefde doel (d.w.z. de bescherming van de bijzondere behoeften van de conventionele en/of biologische landbouw).”

Italiaans recht

22 Artikel 2.1 van legge regionale Friuli Venezia Giulia n. 5/2011 recante disposizioni relative all’impiego di organismi geneticamente modificati (OGM) in agricoltura [regionale wet van Friuli-Venezia Giulia nr. 5/2011 houdende bepalingen inzake het gebruik van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) in de landbouw] van 8 april 2011, in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „regionale wet nr. 5/2011”), bepaalt: „Om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in conventionele en biologische maïsgewassen te vermijden is op het grondgebied van de regio FVG, die wordt gekenmerkt door productiemodellen en bedrijfsstructuren die van invloed zijn op de mate van vermenging tussen genetisch gemodificeerde en overige gewassen, de teelt van genetisch gemodificeerde maïs overeenkomstig de mogelijkheid die wordt geboden in de aanbeveling [van 13 juli 2010] verboden. De teelt van genetisch gemodificeerde maïs leidt tot een administratieve geldboete tussen 5000 en 50000 EUR die wordt opgelegd door de bevoegde regionale bosbeheerdienst.”

Hoofdzaak en prejudiciële vragen

23 PH is eigenaar van een landbouwbedrijf op het grondgebied van de regio FVG en heeft daar op 9 mei 2015 een genetisch gemodificeerd maïsras MON 810 geteeld.

24 Op 11 augustus 2015 hebben de bevoegde milieudiensten van de regio FVG aan PH een geldboete van 10000 EUR opgelegd omdat hij deze maïs in strijd met artikel 2.1 van regionale wet nr. 5/2011 had geteeld.

25 Nadat PH deze sanctie had betwist, heeft de adjunct-directeur van de dienst voor bossen en bosbeheer van de regio FVG deze schending bij beschikking van 8 oktober 2019 bevestigd, maar de geldboete verlaagd tot 5000 EUR.

26 PH heeft tegen deze beschikking verzet aangetekend bij de Tribunale ordinario di Pordenone (rechter in eerste aanleg Pordenone, Italië), de verwijzende rechter.

27 Onder verwijzing naar de inhoud van artikel 2.1 van regionale wet nr. 5/2011, punt 2.4 van de richtsnoeren bij de aanbeveling van 13 juli 2010, artikel 26 bis van richtlijn 2001/18 en de artikelen 16 en 17 van richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (PB 2002, L 193, blz. 1), merkt deze rechter op dat het hoofdgeding geen betrekking heeft op het feit dat MON 810-maïs binnen de Unie vrij in de handel mag worden gebracht, maar op het feit dat de teelt van deze maïs krachtens regionale wet nr. 5/2011 op het gehele grondgebied van de regio FVG verboden is. In dit verband herinnert deze rechter er ten eerste aan dat het Hof in de beschikking van 8 mei 2013 in de zaak Fidenato (C‑542/12, niet gepubliceerd, EU:C:2013:298) heeft geoordeeld dat artikel 26 bis van richtlijn 2001/18 aldus moet worden uitgelegd dat het een lidstaat niet toestaat zich te verzetten tegen de teelt op zijn grondgebied van ggo’s, zoals rassen van MON 810-maïs, op grond dat het verkrijgen van een nationale vergunning een co-existentiemaatregel vormt om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in andere gewassen te vermijden, en ten tweede dat bij uitvoeringsbesluit (EU) 2016/321 van de Commissie van 3 maart 2016 tot aanpassing van het geografische toepassingsgebied van de vergunning voor de teelt van genetisch gemodificeerde maïs (Zea mays L.) MON 810 (MON-ØØ81Ø-6) (PB 2016, L 60, blz. 90) de teelt van de genetisch gemodificeerde MON 810-maïs op het gehele grondgebied van Italië verboden is.

28 In het licht van deze elementen en de conclusies en middelen van partijen onderzoekt de verwijzende rechter, ten eerste, of het verbod van artikel 2.1 van de regionale wet nr. 5/2011 om genetisch gemodificeerde maïs op het grondgebied van de regio FVG te telen in overeenstemming is met richtlijn 2001/18, gelezen in het licht van verordening nr. 1829/2003 en de aanbeveling van 13 juli 2010, en, ten tweede, of dit verbod een met de artikelen 34 tot en met 36 VWEU strijdige maatregel van gelijke werking kan vormen.

29 Tegen deze achtergrond heeft de Tribunale ordinario di Pordenone de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is het verbod van artikel 2.1 van regionale wet nr. 5/2011 van de regio [FVG] houdende co-existentiemaatregelen die neerkomen op een verbod op de teelt van het maïsras MON 810 op het grondgebied van de regio [FVG] verenigbaar of onverenigbaar met de regeling van richtlijn 2001/18, mede in het licht van verordening nr. 1829/2003 en [de aanbeveling van 13 juli 2010]? 2) Kan dit verbod ook een maatregel van gelijke werking vormen en derhalve in strijd zijn met de artikelen 34, 35 en 36 VWEU?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

Bevoegdheid van het Hof en ontvankelijkheid

30 De Italiaanse regering betwist de ontvankelijkheid van de eerste vraag op grond dat, ten eerste, de verwijzende rechter niet uiteenzet waarom de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling in strijd is met richtlijn 2001/18, verordening nr. 1829/2003 en de aanbeveling van 13 juli 2010 en, ten tweede, deze vraag noch de onderdelen van de aanbeveling van 13 juli 2010, noch de bepalingen van richtlijn 2001/18 en verordening nr. 1829/2003 aanduidt die in casu van toepassing zijn. Voorts betoogt deze regering dat de eerste vraag niet-ontvankelijk is voor zover zij betrekking heeft op de aanbeveling van 13 juli 2010, aangezien de bevoegdheid van het Hof op het gebied van prejudiciële vragen beperkt is tot de uitlegging van handelingen van de instellingen die bindende rechtsgevolgen hebben.

31 In de eerste plaats, in zoverre de Italiaanse regering met dit laatste argument in feite de bevoegdheid van het Hof ter discussie stelt om uitspraak te doen over de eerste vraag voor zover het de uitlegging van de aanbeveling van 13 juli 2010 betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 267 VWEU het Hof de bevoegdheid toekent om zonder enige uitzondering bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid en de uitlegging van handelingen van de instellingen van de Unie (arresten van 13 december 1989, Grimaldi, C‑322/88, EU:C:1989:646, punt 8, en 13 juni 2017, Florescu e.a., C‑258/14, EU:C:2017:448, punt 30).

32 Hieruit volgt dat het Hof bevoegd is om zich uit te spreken over de uitlegging van de aanbeveling van 13 juli 2010 en dus om uitspraak te doen over de eerste vraag in haar geheel.

33 Wat in de tweede plaats de betwisting door de Italiaanse regering van de ontvankelijkheid van de eerste vraag betreft, op grond dat de verwijzende rechter onvoldoende uiteenzet waarom hij deze vraag stelt, dient eraan te worden herinnerd dat de vereisten met betrekking tot de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing volgens vaste rechtspraak van het Hof uitdrukkelijk zijn vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en de verwijzende rechter in het kader van de door artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking wordt geacht deze te kennen en nauwgezet na te leven (arrest van 9 maart 2017, Milkova, C‑406/15, EU:C:2017:198, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Zo dient de verwijzende rechter de precieze redenen te vermelden die hem ertoe hebben gebracht te twijfelen over de uitlegging van bepalingen van het Unierecht en het noodzakelijk te achten prejudiciële vragen aan het Hof te stellen (arrest van 9 maart 2017, Milkova, C‑406/15, EU:C:2017:198, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing genoegzaam dat bij de verwijzende rechter een geschil aanhangig is over de rechtmatigheid van een sanctie die is opgelegd krachtens een door een regio uitgevaardigde wettelijke bepaling waarbij de teelt van genetisch gemodificeerde MON 810-maïs op het gehele grondgebied ervan wordt verboden om redenen die verband houden met het vermijden van de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in conventionele en biologische gewassen. Verder blijkt dat dit ras op het tijdstip van de oplegging van deze sanctie krachtens artikel 20 van verordening nr. 1829/2003 in de Unie vrij mocht worden geteeld en in de handel gebracht, dat de betrokken bepaling op basis van artikel 26 bis van richtlijn 2001/18 is vastgesteld, en dat deze rechter in de eerste vraag de geldigheid van de bestreden bepaling betwijfelt, gelet op richtlijn 2001/18, gelezen in het licht van verordening nr. 1829/2003 en de aanbeveling van 13 juli 2010.

36 Voorts heeft het feit dat de verwijzende rechter in deze vraag niet heeft verwezen naar een specifieke bepaling van richtlijn 2001/18 of verordening nr. 1829/2003, noch naar een specifiek deel van de aanbeveling van 13 juli 2010, geen invloed op de ontvankelijkheid van deze vraag.

37 Uit zijn vaste rechtspraak blijkt namelijk dat het Hof tot taak heeft alle bepalingen van het recht van de Unie uit te leggen die noodzakelijk zijn voor de beslechting van bij de nationale rechterlijke instanties aanhangige gedingen, ook wanneer die bepalingen niet uitdrukkelijk worden genoemd in de door deze rechterlijke instanties aan het Hof voorgelegde vragen (arrest van 28 juni 2018, Crespo Rey, C‑2/17, EU:C:2018:511, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Hieruit volgt dat de eerste vraag ontvankelijk is.

Ten gronde

39 Zoals blijkt uit punt 35 van het onderhavige arrest wenst de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in essentie te vernemen of artikel 26 bis van richtlijn 2001/18, gelezen in het licht van verordening nr. 1829/2003 en de aanbeveling van 13 juli 2010, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale maatregel die verbiedt dat op het grondgebied van een regio van de betrokken lidstaat ggo’s worden geteeld die krachtens verordening nr. 1829/2003 zijn toegelaten teneinde de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in andere producten te vermijden.

40 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het doel van richtlijn 2001/18 is om de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten onderling aan te passen en de volksgezondheid en het milieu te beschermen bij de doelbewuste introductie van ggo’s in het milieu, hetzij door het in de handel brengen in de Unie van ggo’s als product, hetzij voor andere doeleinden dan het in de handel brengen ervan, zoals blijkt uit artikel 1 ervan. Om dit doel te bereiken onderwerpt richtlijn 2001/18 deze vormen van doelbewuste introductie van ggo’s in het milieu aan vergunningsprocedures die een beoordeling en monitoring van de risico’s voor de volksgezondheid en het milieu inhouden volgens geharmoniseerde voorwaarden en beginselen.

41 Bovendien vormt verordening nr. 1829/2003 de basis voor het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor het leven en de gezondheid van de mens, de gezondheid en het welzijn van dieren, het milieu en de belangen van de consument met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, waarbij de goede werking van de interne markt gewaarborgd is, zoals blijkt uit artikel 1 ervan. Hiertoe voert deze richtlijn uniforme procedures in voor de toelating van en het toezicht op deze levensmiddelen en diervoeders die berusten op de in richtlijn 2001/18 neergelegde beginselen, zoals blijkt uit overweging 9 van verordening nr. 1829/2003. Artikel 19, lid 5, van verordening nr. 1829/2003 bepaalt dat de volgens de procedure van deze verordening verleende vergunning in de gehele Unie geldig is.

42 Wat het bijzondere geval van genetisch gemodificeerde maïs betreft, is het in de handel brengen van MON 810-maïs overeenkomstig richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB 1998, L 131, blz. 32) toegestaan bij beschikking 98/293/EG van de Commissie van 22 april 1998 betreffende het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde maïs (Zea mays L. T25). Richtlijn 90/220 is weliswaar ingetrokken bij richtlijn 2001/18, maar de vergunning voor het in de handel brengen van MON 810-maïs is overeenkomstig de artikelen 20 en 23 van verordening nr. 1829/2003 geldig gebleven en was nog steeds geldig op de datum waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde sanctie aan PH is opgelegd.

43 Dat neemt echter niet weg dat artikel 26 bis, lid 1, van richtlijn 2001/18 bepaalt dat de lidstaten alle passende maatregelen kunnen nemen om de niet-doelbewuste aanwezigheid van ggo’s in andere producten te voorkomen.

44 Op grond van deze bepaling heeft de regio FVG regionale wet nr. 5/2011 vastgesteld, waarvan artikel 2.1 de teelt van genetisch gemodificeerde maïs op het gehele grondgebied ervan verbiedt en waarvan de geldigheid door PH in het kader van het hoofdgeding wordt betwist.

45 Voor de beantwoording van de eerste vraag, zoals geherformuleerd in punt 39 van het onderhavige arrest, moeten derhalve de voorwaarden voor de toepassing van artikel 26 bis, lid 1, van richtlijn 2001/18 worden onderzocht.

46 In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat deze bepaling niet alleen van toepassing is op rassen van ggo’s die overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn zijn toegelaten, maar ook op rassen waarvoor de vergunningen overeenkomstig de artikelen 20 en 23 van verordening nr. 1829/2003 zijn aangemeld of verlengd, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde genetisch gemodificeerde maïsrassen (zie in die zin arrest van 6 september 2012, Pioneer Hi Bred Italia, C‑36/11, EU:C:2012:534, punten 60, 67 en 68, en beschikking van 8 mei 2013, Fidenato, C‑542/12, niet gepubliceerd, EU:C:2013:298, punt 23).

47 Voorts moeten de door de lidstaten overeenkomstig artikel 26 bis, lid 1, van richtlijn 2001/18 genomen preventieve maatregelen tot doel hebben de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in andere producten te voorkomen zodat producenten en consumenten kunnen kiezen tussen conventionele, biologische en gg-producten. Deze maatregelen mogen niet tot doel hebben de volksgezondheid of het milieu te beschermen. De bescherming van deze laatste doelstellingen wordt immers gewaarborgd door de geharmoniseerde vergunningprocedures voor de doelbewuste introductie van ggo’s die zijn vastgesteld bij richtlijn 2001/18 en verordening nr. 1829/2003, die de verlening van deze vergunningen afhankelijk stellen van een beoordeling van de risico’s van de introductie ervan voor de volksgezondheid en voor het milieu. Deze maatregelen beogen daarentegen de pluraliteit van gewassen te beschermen en met name, in de mate van het mogelijke, de co-existentie van gg-gewassen enerzijds en biologische en conventionele gewassen anderzijds. Deze maatregelen impliceren dus dat er rekening moet worden gehouden met de economische belangen van de biologische en conventionele producenten bij de onvoorziene aanwezigheid van ggo’s in hun gewassen.

48 Bijgevolg mag een lidstaat de teelt van krachtens verordening nr. 1829/2003 toegestane ggo’s niet afhankelijk stellen van een nationale vergunning die is gebaseerd op overwegingen in verband met de bescherming van de gezondheid of het milieu. Bovendien zijn beperkingen, en a fortiori geografisch beperkte verbodsbepalingen, op grond van artikel 26 bis van richtlijn 2001/18 slechts mogelijk wanneer zij voortvloeien uit co-existentiemaatregelen die daadwerkelijk met inachtneming van het doel van deze beperkingen of verbodsbepalingen zijn vastgesteld (zie in die zin arrest van 6 september 2012, Pioneer Hi Bred Italia, C‑36/11, EU:C:2012:534, punten 69 en 75). Ten slotte verzet dit artikel zich ertegen dat een nationale vergunningsprocedure voor de teelt van ggo’s een co-existentiemaatregel kan vormen (zie in die zin beschikking van 8 mei 2013, Fidenato, C‑542/12, niet gepubliceerd, EU:C:2013:298, punt 33).

49 Zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 26 bis, lid 1, van richtlijn 2001/18, moeten de maatregelen die zijn genomen om de niet-doelbewuste aanwezigheid van ggo’s in andere producten te voorkomen, bovendien passend zijn. Dit vereiste van noodzakelijkheid, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel, vereist dat de lidstaten maatregelen nemen die niet verder gaan dan noodzakelijk is en die de doelen en beginselen van deze richtlijn zo min mogelijk aantasten, terwijl het doel om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in andere producten te voorkomen toch doeltreffend kan worden bereikt, zodat de keuzevrijheid van producenten en consumenten wordt gewaarborgd. Volgens de rechtspraak van het Hof over dit beginsel moet, wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, namelijk die maatregel worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en mogen de veroorzaakte nadelen niet onevenredig zijn aan de nagestreefde doelen (zie in die zin arrest van 29 juni 2017, Commissie/Portugal, C‑126/15, EU:C:2017:504, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Ten slotte moet de verwijzende rechter bij de beoordeling of een co-existentiemaatregel aan deze toepassingsvoorwaarden van artikel 26 bis, lid 1, van richtlijn 2001/18 voldoet, rekening houden met de bij de aanbeveling van 13 juli 2010 gevoegde richtsnoeren, die door de Commissie zijn vastgesteld op grond van artikel 26 bis, lid 2, van deze richtlijn.

51 Richtsnoeren als die welke bij de aanbeveling van 13 juli 2010 zijn gevoegd, hebben als zodanig weliswaar geen bindende kracht, maar dat neemt niet weg dat de nationale rechterlijke instanties deze richtsnoeren met het oog op de oplossing van de bij hen aanhangige geschillen in aanmerking dienen te nemen, met name wanneer zij van dien aard zijn dat zij duidelijkheid verschaffen over de uitlegging van Unierechtelijke bepalingen die door nationale bepalingen ten uitvoer zijn gelegd of wanneer zij bedoeld zijn om dwingende bepalingen van Unierecht te preciseren (zie in die zin arrest van 3 september 2014, Baltlanta, C‑410/13, EU:C:2014:2134, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 De bij de aanbeveling van 13 juli 2010 gevoegde richtsnoeren zetten in punt 2 de algemene beginselen uiteen voor de ontwikkeling van co-existentiemaatregelen door de lidstaten en werken aldus artikel 26 bis, lid 1, van richtlijn 2001/18 nader uit.

53 In casu staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of het in artikel 2.1 van regionale wet nr. 5/2011 neergelegde verbod op de teelt van genetisch gemodificeerde maïs op het gehele grondgebied van de regio FVG daadwerkelijk tot doel heeft consumenten en producenten de keuze te waarborgen tussen met behulp van gg-technieken geproduceerde maïs en biologisch of conventioneel geproduceerde maïs.

54 Deze rechter moet ook beoordelen of dit verbod, gelet op de argumenten van partijen in het hoofdgeding, noodzakelijk en evenredig is om dat doel te bereiken. In dat kader dient hij met name rekening te houden met de algemene beginselen die zijn uiteengezet in de punten 2.2, 2.3 en 2.4 van de bij de aanbeveling van 13 juli 2010 gevoegde richtsnoeren, waarin relevante factoren worden genoemd om de omvang van de vereiste maatregel te bepalen, zodat producenten en consumenten kunnen kiezen tussen gg-gewassen en niet-gg-gewassen.

55 Tot die factoren behoren de in punt 2.3 van deze richtsnoeren bedoelde vermengingsniveaus die door nationale co-existentiemaatregelen moeten worden bereikt. Deze vermengingsniveaus hangen af van de specifieke regionale en nationale omstandigheden en de bijzondere lokale behoeften van de soorten gewassen en de conventionele, biologische en andere soorten producten, maar ook van de beschikbare kennis over de waarschijnlijkheid van vermenging tussen gg- en niet-gg-gewassen en de bronnen ervan. In dit verband kan de mate van onbedoelde vermenging van deze gewassen overeenkomstig punt 2.4 van die richtsnoeren variëren naargelang van verschillende parameters, zoals de klimatologische omstandigheden, topografie, teeltpatronen en vruchtwisselingssystemen of de structuren van de landbouwbedrijven, waaronder omliggende structuren.

56 Bij het onderzoek naar de evenredigheid van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verbod op de teelt van genetisch gemodificeerde maïs op het gehele grondgebied van de regio FVG teneinde de keuzevrijheid voor producenten en consumenten te waarborgen, moet dus rekening worden gehouden met de te bereiken mate van vermenging van genetisch gemodificeerde maïs en de waarschijnlijkheid van vermenging van deze genetisch gemodificeerde maïs met maïs die op biologische of traditionele wijze wordt geteeld.

57 Hierbij moet met name rekening worden gehouden met de te bereiken mate van zuiverheid, rekening houdend met de economische gevolgen van de onbedoelde aanwezigheid van genetisch gemodificeerde maïs in conventionele of biologische gewassen. In dit verband dient in het bijzonder het economische effect van overschrijding van de etiketteringsdrempel overeenkomstig de punten 2.3.1 tot en met 2.3.3 van de bij de aanbeveling van 13 juli 2010 gevoegde richtsnoeren te worden beoordeeld.

58 Bovendien moet rekening worden gehouden met de bronnen van het risico van vermenging en met de doeltreffendheid van de methoden voor het scheiden van de gewassen, die moet worden beoordeeld in het licht van onder meer de beperkingen en de geografische en klimatologische kenmerken van de regio FVG en de aldaar toegepaste teeltpatronen. Zoals vermeld in punt 2.2 van die richtsnoeren omvatten deze kenmerken onder meer de vorm en de grootte van de akkers in die regio, de versnippering en de geografische verspreiding van de tot de afzonderlijke bedrijven behorende akkers en de landbouwbeheerspraktijken in die regio. Zoals bepaald in punt 2.4 van die richtsnoeren moeten de autoriteiten die een verbod vaststellen, daartoe bovendien aantonen dat voor de regio FVG andere maatregelen niet voldoende zijn om de nodige zuiverheidsniveaus te bereiken.

59 In het licht van de voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 26 bis van richtlijn 2001/18, gelezen in het licht van verordening nr. 1829/2003 en de aanbeveling van 13 juli 2010, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale maatregel die verbiedt dat op het grondgebied van een regio van de betrokken lidstaat ggo’s worden geteeld die krachtens verordening nr. 1829/2003 zijn toegelaten teneinde de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in andere producten te vermijden, op voorwaarde dat deze maatregel het doel helpt te bereiken om de keuze voor producenten en consumenten tussen genetisch gemodificeerde gewassen en biologische of conventionele gewassen te waarborgen, en dat deze maatregel, gezien de bijzondere kenmerken van deze gewassen op dit grondgebied, noodzakelijk is om dit doel te bereiken en evenredig is aan dit doel.

Tweede vraag

60 Gelet op de inhoud van de eerste vraag moet de tweede vraag aldus worden begrepen dat zij betrekking heeft op de vraag of een nationale maatregel die de teelt van krachtens verordening nr. 1829/2003 toegelaten ggo’s op het grondgebied van een regio van de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 26 bis van richtlijn 2001/18, gelezen in het licht van verordening nr. 1829/2003 en de aanbeveling van 13 juli 2010, verbiedt, daarnaast afzonderlijk moet worden getoetst aan de artikelen 34 tot en met 36 VWEU.

61 Het is vaste rechtspraak dat alle nationale maatregelen die betrekking hebben op een gebied dat op het niveau van de Unie uitputtend is geharmoniseerd, moeten worden getoetst aan de bepalingen van die harmonisatiemaatregel en niet aan die van het primaire recht (arrest van 1 juli 2014, Ålands Vindkraft, C‑573/12, EU:C:2014:2037, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62 In dit verband moet worden opgemerkt dat richtlijn 2001/18 en verordening nr. 1829/2003 het in de handel brengen van ggo’s door middel van een product, levensmiddel of diervoeder afhankelijk maken van een op het niveau van de Unie vastgestelde regeling inzake voorafgaande vergunning.

63 Zo bepalen artikel 4, leden 2 en 5, en artikel 16, leden 2 en 5, van verordening nr. 1829/2003 respectievelijk dat, ten eerste, ggo’s die voor voedingsdoeleinden of als levensmiddelen worden gebruikt en, ten tweede, ggo’s die in diervoeding worden gebruikt, diervoeders die geheel of gedeeltelijk uit ggo’s bestaan of met ggo’s geproduceerde diervoeders, niet in de handel mogen worden gebracht zonder vergunning, die wordt verleend, geweigerd, verlengd, gewijzigd, geschorst of ingetrokken om de redenen en volgens de procedures die in deze verordening zijn vastgelegd.

64 Bovendien bepaalt artikel 4 van richtlijn 2001/18 dat doelbewuste introductie of het in de handel brengen van ggo’s alleen is toegestaan overeenkomstig de in deze richtlijn bedoelde vergunningsprocedures. Artikel 22 van deze richtlijn bepaalt uitdrukkelijk dat de lidstaten het in de handel brengen van ggo’s – als product of in producten – die aan de eisen van deze richtlijn voldoen, niet mogen verbieden, beperken of verhinderen.

65 Ten slotte zijn de uitzonderingen op dit verbod, te weten de vrijwaringsclausule van artikel 23 van richtlijn 2001/18 en de mogelijkheid om op grond van artikel 26 bis van die richtlijn co-existentiemaatregelen vast te stellen, nauwkeurig afgebakend. Zij kunnen dus geen afbreuk doen aan het feit dat de voorwaarden voor het in de handel brengen van ggo’s in wezen op uniforme wijze op het niveau van de Unie worden geregeld.

66 Richtlijn 2001/18 en verordening nr. 1829/2003 hebben derhalve de voorwaarden voor het in de handel brengen van ggo’s door middel van producten, levensmiddelen of diervoeders geharmoniseerd. Elke nationale maatregel die de teelt en het in de handel brengen van ggo’s verbiedt, moet bijgevolg worden getoetst aan de bepalingen van dit regelgevingskader en niet aan de artikelen 34 tot en met 36 VWEU.

67 Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat een nationale maatregel die de teelt van krachtens verordening nr. 1829/2003 toegelaten ggo’s op het grondgebied van een regio van de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 26 bis van richtlijn 2001/18, gelezen in het licht van verordening nr. 1829/2003 en de aanbeveling van 13 juli 2010, verbiedt, daarnaast niet afzonderlijk hoeft te worden getoetst aan de artikelen 34 tot en met 36 VWEU.

Kosten

68 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 26 bis van richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van richtlijn 90/220/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003, gelezen in het licht van verordening nr. 1829/2003 en de aanbeveling van de Commissie van 13 juli 2010 inzake richtsnoeren voor de ontwikkeling van nationale co-existentiemaatregelen om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in conventionele en biologische gewassen te vermijden, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale maatregel die verbiedt dat op het grondgebied van een regio van de betrokken lidstaat genetisch gemodificeerde organismen worden geteeld die krachtens verordening nr. 1829/2003 zijn toegelaten teneinde de onbedoelde aanwezigheid van genetisch gemodificeerde organismen in andere producten te vermijden, op voorwaarde dat deze maatregel het doel helpt te bereiken om de keuze voor producenten en consumenten tussen genetisch gemodificeerde gewassen en biologische of conventionele gewassen te waarborgen, en dat deze maatregel, gezien de bijzondere kenmerken van deze gewassen op dit grondgebied, noodzakelijk is om dit doel te bereiken en evenredig is aan dit doel.

2) Wanneer een nationale maatregel de teelt van krachtens verordening nr. 1829/2003 toegelaten genetisch gemodificeerde organismen op het grondgebied van een regio van de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 26 bis van richtlijn 2001/18, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1829/2003, gelezen in het licht van deze verordening en de aanbeveling van de Commissie van 13 juli 2010 inzake richtsnoeren voor de ontwikkeling van nationale co-existentiemaatregelen om de onbedoelde aanwezigheid van ggo’s in conventionele en biologische gewassen te vermijden, verbiedt, hoeft deze maatregel daarnaast niet afzonderlijk te worden getoetst aan de artikelen 34 tot en met 36 VWEU.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in