HvJ EU 13 januari 2022, C-377/19, ECLI:EU:C:2022:4

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

13 januari 2022 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Sector melk en zuivelproducten – Quota – Extra heffing – Verordening (EG) nr. 1788/2003 – Leveringen die de voor de producent beschikbare referentiehoeveelheid overschrijden – Inning van de bijdrage in de extra heffing door de koper – Terugbetaling van het teveel aan heffing – Verordening (EG) nr. 595/2004 – Artikel 16 – Criteria voor de verdeling van een teveel aan heffing”

In zaak C‑377/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) bij beslissing van 4 april 2019, ingekomen bij het Hof op 13 mei 2019, in de procedure

Benedetti Pietro e Angelo Ss,

Capparotto Giampaolo e Lorenzino Ss,

Gonzo Dino Ss,

Mantovani Giuseppe e Giorgio Ss,

Azienda agricola Padovani Luigi,

Azienda agricola La Pila di Mastrotto Piergiorgio e C. Ss,

Azienda agricola Mastrotto Giuseppe,

Soc. agr. semplice F.lli Isolan

tegen

Agenzia per le Erogazioni in Agricoltura (AGEA),

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Tweede kamer, I. Ziemele (rapporteur), T. von Danwitz, P. G. Xuereb en A. Kumin, rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Benedetti Pietro e Angelo Ss, Capparotto Giampaolo e Lorenzino Ss, Gonzo Dino Ss, Mantovani Giuseppe e Giorgio Ss, Azienda agricola Padovani Luigi, Azienda agricola La Pila di Mastrotto Piergiorgio e C. Ss en Azienda agricola Mastrotto Giuseppe, vertegenwoordigd door M. Aldegheri, avvocata,

– Soc. agr. semplice F.lli Isolan, vertegenwoordigd door M. Aldegheri en E. Ermondi, avvocate,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Bianchi, A. Dawes en F. Moro als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 16 van verordening (EG) nr. 595/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB 2004, L 94, blz. 22).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen, enerzijds, de Italiaanse melkproducenten Benedetti Pietro e Angelo Ss, Capparotto Giampaolo e Lorenzino Ss, Gonzo Dino Ss, Mantovani Giuseppe e Giorgio Ss, Azienda agricola Padovani Luigi, Azienda agricola La Pila di Mastrotto Piergiorgio e C. Ss, Azienda agricola Mastrotto Giuseppe en Soc. agr. semplice F.lli Isolan en, anderzijds, de Agenzia per le Erogazioni in Agricoltura (AGEA) (agentschap voor landbouwbetalingen, Italië) over de berekening van de extra heffing ten laste van deze producenten voor het verkoopseizoen van melk en zuivelproducten dat liep van 1 april 2005 tot en met 31 maart 2006 (hierna: „referentieperiode”).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Wegens het voortbestaan van een verstoord evenwicht tussen het aanbod en de vraag in de melksector, is in de loop van 1984 bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB 1984, L 90, blz. 10) een stelsel van extra heffing in die sector ingevoerd, dat berustte op het beginsel dat een heffing werd geïnd voor hoeveelheden melk en/of melkequivalent die een te bepalen referentiehoeveelheid overschreden. Die dag is ook verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB 1984, L 90, blz. 13) vastgesteld.

4 Het stelsel van extra heffing is meermaals verlengd, onder andere bij verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB 1992, L 405, blz. 1), en de uitvoeringsbepalingen ervan zijn achtereenvolgens vastgesteld bij verordening (EG) nr. 536/93 van de Commissie van 9 maart 1993 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB 1993, L 57, blz. 12) en verordening (EG) nr. 1392/2001 van de Commissie van 9 juli 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 3950/92 (PB 2001, L 187, blz. 19).

5 Met name om overwegingen van vereenvoudiging en verduidelijking is verordening nr. 3950/92 ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB 2003, L 270, blz. 123), die zelf met ingang van 1 april 2008 is ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (PB 2007, L 299, blz. 1).

6 Het hoofdgeding wordt ratione temporis beheerst door verordening nr. 1788/2003 en door verordening nr. 595/2004, waarbij verordening nr. 1392/2001 is ingetrokken.

Verordening nr. 1392/2001

7 Artikel 9 van verordening nr. 1392/2001 was als volgt verwoord:

„1. De lidstaten bepalen in voorkomend geval de in artikel 2, lid 4, van [verordening nr. 3950/92] bedoelde prioritaire categorieën producenten aan de hand van een of meer van de volgende objectieve criteria, in volgorde van prioriteit:

a) de formele erkenning door de bevoegde autoriteit van de lidstaat dat de heffing, geheel of gedeeltelijk, ten onrechte is geheven;

b) de geografische ligging van het bedrijf, in de eerste plaats de ligging in berggebieden [...];

c) de maximale veedichtheid van het bedrijf, die kenmerkend is voor extensivering van de dierlijke productie;

d) de hoeveelheid waarmee de individuele referentiehoeveelheid is overschreden;

e) de referentiehoeveelheid waarover de producent beschikt.

2. Indien bij toepassing van de in lid 1 vastgestelde criteria de beschikbare financiële middelen voor een gegeven periode niet volledig worden opgebruikt, worden door de lidstaat na overleg met de [Europese] Commissie andere objectieve criteria vastgesteld.”

Verordening nr. 1788/2003

8 De overwegingen 5, 12 en 22 van verordening nr. 1788/2003 luiden:

„(5) De heffing moet op een afschrikkend peil worden vastgesteld en door de lidstaten verschuldigd zijn zodra de nationale referentiehoeveelheid overschreden wordt; vervolgens moet ze door de lidstaat worden omgeslagen over de producenten die tot de overschrijding hebben bijgedragen. Deze moeten de lidstaat hun bijdrage in de louter wegens de overschrijding van hun beschikbare hoeveelheid te betalen heffing verschuldigd zijn.

[...]

(12) Met het oog op de doeltreffendheid van de regeling moet de door de producenten verschuldigde bijdrage in de heffing geïnd worden door de kopers, die in de beste positie verkeren om daartoe het nodige te doen, en moeten hun derhalve de middelen voor deze inning worden geboden. Daarentegen moeten bedragen die boven de door de lidstaat verschuldigde heffing worden geïnd, worden gebruikt voor de financiering van nationale herstructureringsprogramma’s en/of terugbetaald worden aan bepaalde categorieën producenten of aan producenten die zich in buitengewone omstandigheden bevinden. Wanneer echter blijkt dat geen heffing door de lidstaat verschuldigd is, moeten alle geïnde voorschotten teruggegeven worden.

[...]

(22) Het hoofddoel van de bij deze verordening ingestelde heffing is de markt voor zuivelproducten te reguleren en te stabiliseren. De opbrengst ervan moet derhalve worden gebruikt voor de financiering van de uitgaven in de zuivelsector.”

9 Artikel 1 van die verordening, met als opschrift „Werkingssfeer”, bepaalt in de leden 1 en 2:

„1. Gedurende [elf] opeenvolgende tijdvakken van twaalf maanden, te beginnen op 1 april 2004 [...], wordt een heffing ingesteld [...] over de hoeveelheden koemelk en andere zuivelproducten die in het betrokken tijdvak van twaalf maanden boven de in de bijlage I vastgestelde nationale hoeveelheden worden vermarkt.

2. Deze hoeveelheden worden overeenkomstig artikel 6 over de producenten verdeeld, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen levering en rechtstreekse verkoop als omschreven in artikel 5. De overschrijding van de nationale referentiehoeveelheid en de daaruit voortvloeiende heffing, worden, overeenkomstig hoofdstuk 3, op nationaal niveau in elke lidstaat en afzonderlijk voor leveringen en rechtstreekse verkopen vastgesteld.”

10 Artikel 4 van deze verordening, „Bijdrage van de producenten in de verschuldigde heffing”, luidt als volgt:

„De heffing wordt overeenkomstig de artikelen 10 en 12, volledig omgeslagen over de producenten die hebben bijgedragen tot elk van de overschrijdingen van de in artikel 1, lid 2, bedoelde nationale referentiehoeveelheden.

Onverminderd artikel 10, lid 3, en artikel 12, lid 1, zijn de producenten de lidstaat de betaling verschuldigd van hun bijdrage in de overeenkomstig hoofdstuk 3 berekende louter wegens de overschrijding van hun beschikbare referentiehoeveelheden verschuldigde heffing.”

11 Artikel 5 van die verordening, „Definities”, bepaalt:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

[...]

i) ‚nationale referentiehoeveelheid’: de voor elke lidstaat in bijlage I vastgestelde referentiehoeveelheid;

j) ‚individuele referentiehoeveelheid’: de referentiehoeveelheid van de producent per 1 april van elk tijdvak van twaalf maanden;

k) ‚beschikbare referentiehoeveelheid’: de voor de producent beschikbare referentiehoeveelheid per 31 maart van de periode van twaalf maanden waarvoor de heffing wordt berekend, rekening houdend met alle in deze verordening bedoelde overdrachten, omzettingen, verkopen en tijdelijke hertoewijzingen die in dit tijdvak van twaalf maanden hebben plaatsgevonden.”

12 Hoofdstuk 3 van deze verordening, betreffende de berekening van de heffing, bevat de artikelen 8 tot en met 12. Artikel 10 van die verordening, „Heffing bij leveringen”, bepaalt in lid 3:

„De bijdrage van de producenten in de betaling van de verschuldigde heffing wordt, naar keuze van de lidstaat, al dan niet na hertoewijzing van het ongebruikte deel van de nationale referentiehoeveelheid voor leveringen, door de lidstaten vastgesteld naar evenredigheid van de individuele referentiehoeveelheden van elke producent of overeenkomstig door de lidstaten vast te stellen objectieve criteria:

a) hetzij op nationaal niveau op basis van de hoeveelheid waarmee de beschikbare referentiehoeveelheid van elke producent overschreden is,

b) hetzij eerst voor iedere koper en vervolgens, in voorkomend geval, op nationaal niveau.”

13 Artikel 11 van verordening nr. 1788/2003, „Rol van koper”, is als volgt verwoord:

„1. De koper is verantwoordelijk voor de inning, bij de producenten, van de bijdragen die deze verschuldigd zijn uit hoofde van de heffing en betaalt aan de bevoegde instantie van de lidstaat, vóór een datum en overeenkomstig nadere voorschriften te bepalen volgens de procedure van artikel 23, lid 2, het bedrag van deze bijdragen die hij inhoudt op de aan de producenten die voor de overschrijding verantwoordelijk zijn betaalde melkprijs of die hij, bij gebreke daarvan, op een andere passende wijze int.

[...]

3. Wanneer, in de loop van de referentieperiode, de door een producent geleverde hoeveelheden zijn beschikbare referentiehoeveelheid overschrijden, kan de lidstaat beslissen dat de koper bij elke levering van die producent die zijn beschikbare referentiehoeveelheid voor leveringen overschrijdt, op de door de lidstaat vastgestelde wijze, een bedrag inhoudt op de voor de melk betaalde prijs als voorschot op de bijdrage van deze producent in de heffing. [...]”

14 Artikel 13 van deze verordening, „Te veel betaalde en onbetaalde bedragen”, in hoofdstuk 4, betreffende het beheer van de heffing, bepaalt:

„1. Wanneer met betrekking tot leveringen of rechtstreekse verkopen wordt geconstateerd dat heffing verschuldigd is en de van de producenten geïnde bijdrage hoger is, kan de lidstaat:

a) het te veel geïnde bedrag geheel of gedeeltelijk gebruiken voor de financiering van de in artikel 18, lid 1, onder a), bedoelde maatregelen en/of

b) dit bedrag geheel of gedeeltelijk terugbetalen aan producenten die behoren tot prioritaire categorieën die de lidstaat vaststelt op basis van volgens de procedure van artikel 23, lid 2, te bepalen objectieve criteria en termijnen, of die zich als gevolg van een niet met deze regeling verband houdende nationale maatregel in buitengewone omstandigheden bevinden.

2. Wanneer geconstateerd wordt dat geen heffing verschuldigd is, worden door de kopers of de lidstaat eventueel geïnde voorschotten uiterlijk aan het einde van het volgende tijdvak van twaalf maanden terugbetaald.

3. Indien de koper heeft veronachtzaamd om de bijdragen van de producenten in de heffing overeenkomstig artikel 11 te innen, kan de lidstaat de onbetaalde bedragen rechtstreeks bij de producent heffen, onverminderd de sancties die hij aan de in gebreke gebleven koper kan opleggen.

4. Indien de betalingstermijn door de producent of de koper, al naar het geval, niet in acht wordt genomen, blijft de volgens de procedure van artikel 23, lid 2, vast te stellen achterstandsrente aan de lidstaat toebehoren.”

Verordening nr. 595/2004

15 Overweging 1 van verordening nr. 595/2004 luidt:

„De heffingsregeling in de sector melk en zuivelproducten is bij [verordening nr. 1788/2003] verlengd en blijft nu gelden gedurende elf opeenvolgende tijdvakken van twaalf maanden vanaf 1 april 2004. Voor de nieuwe bepalingen van die verordening moeten uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld. In die uitvoeringsbepalingen moeten ook veel voorschriften van [verordening nr. 1392/2001] worden opgenomen. [Verordening nr. 1392/2001] dient daarom te worden ingetrokken.”

16 Artikel 13 van deze verordening, „Kennisgeving van de heffing”, bepaalt in lid 1:

„In het geval van leveringen doet de bevoegde autoriteit de kopers een kennisgeving of bevestiging van de door hen te betalen bijdragen in de heffing toekomen, zulks na al dan niet, naargelang van het besluit van de lidstaat, de ongebruikte referentiehoeveelheden in hun geheel of gedeeltelijk opnieuw te hebben toegewezen, hetzij rechtstreeks aan de betrokken producenten, hetzij in voorkomend geval aan de kopers voor verdeling over de betrokken producenten.”

17 Artikel 15 van die verordening, „Betalingstermijn”, bepaalt in lid 1:

„Vóór 1 september van elk jaar maken de heffingplichtige kopers of, in het geval van rechtstreekse verkopen, producenten het verschuldigde bedrag aan de bevoegde autoriteit over volgens de door de lidstaat vastgestelde regels.”

18 Artikel 16 van verordening nr. 595/2004, „Criteria voor de verdeling van een teveel aan heffing”, luidt als volgt:

„1. In voorkomend geval bepalen de lidstaten de in artikel 13, lid 1, onder b), van [verordening nr. 1788/2003] bedoelde prioritaire categorieën van producenten aan de hand van een of meer van de volgende objectieve criteria in volgorde van prioriteit:

a) de formele erkenning door de bevoegde autoriteit van de lidstaat dat de heffing in haar geheel of voor een deel onverschuldigd is geïnd,

b) de geografische ligging van het bedrijf, in de eerste plaats de ligging in berggebieden [...],

c) de maximale veebezetting op het bedrijf die kenmerkend is voor een extensieve dierlijke productie,

d) de procentuele overschrijding van de individuele referentiehoeveelheid,

e) de referentiehoeveelheid van de producent.

2. Indien het in artikel 13, lid 1, van [verordening nr. 1788/2003] bedoelde teveel aan heffing dat voor een bepaald tijdvak beschikbaar is, na verdeling volgens de in lid 1 van het onderhavige artikel vastgestelde criteria niet is opgebruikt, stelt de lidstaat na raadpleging van de Commissie andere objectieve criteria vast.

De verdeling van het teveel aan heffing moet uiterlijk [vijftien] maanden na afloop van het betrokken tijdvak van twaalf maanden zijn voltooid.”

19 In artikel 17 van deze verordening is bepaald:

„De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de heffing correct wordt geïnd en wordt afgewenteld op de producenten die tot de overschrijding hebben bijgedragen.”

Verordening nr. 1468/2006

20 In overweging 5 van verordening (EG) nr. 1468/2006 van de Commissie van 4 oktober 2006 tot wijziging van verordening nr. 595/2004 (PB 2006, L 274, blz. 6), die op 12 oktober 2006 in werking is getreden, staat te lezen:

„Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van [verordening nr. 595/2004] bepalen de lidstaten voor de verdeling van het teveel aan heffing prioritaire categorieën van producenten aan de hand van een of meer objectieve criteria. Uit ervaring is gebleken dat de lidstaten voor de vaststelling van prioritaire categorieën over meer duidelijkheid en flexibiliteit moeten beschikken.”

21 Artikel 16 van verordening nr. 595/2004, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1468/2006 (hierna: „verordening nr. 595/2004, zoals gewijzigd”), is als volgt verwoord:

„1. In voorkomend geval bepalen de lidstaten de in artikel 13, lid 1, onder b), van [verordening nr. 1788/2003] bedoelde prioritaire categorieën van producenten aan de hand van één of meer van de volgende objectieve criteria:

a) de formele erkenning door de bevoegde autoriteit van de lidstaat dat de heffing in haar geheel of voor een deel onverschuldigd is geïnd;

b) de geografische ligging van het bedrijf, en in de eerste plaats de ligging in berggebieden [...]

c) de maximale veebezetting op het bedrijf die kenmerkend is voor een extensieve dierlijke productie;

d) de individuele referentiehoeveelheid is overschreden met minder dan 5 % of minder dan 15 000 kg, indien dat minder is;

e) de individuele referentiehoeveelheid bedraagt minder dan 50 % van de nationale gemiddelde individuele referentiehoeveelheid;

f) andere door de lidstaat na overleg met de Commissie vastgestelde objectieve criteria.

2. De verdeling van het teveel aan heffing moet uiterlijk [vijftien] maanden na afloop van het betrokken tijdvak van twaalf maanden zijn voltooid.”

Italiaans recht

Decreto-legge nr. 49/2003

22 Decreto-legge n. 49 – Riforma della normativa in tema di applicazione del prelievo supplementare nel settore del latte e dei prodotti lattiero-caseari (wetsbesluit nr. 49 houdende herziening van de regeling inzake de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten) van 28 maart 2003 (GURI nr. 75 van 31 maart 2003), na wijzigingen omgezet in wet, bij wet nr. 119 van 30 mei 2003 (GURI nr. 124 van 30 mei 2003; hierna: „decreto-legge nr. 49/2003”), bepaalt in artikel 5, leden 1 en 2:

„1. De kopers verstrekken in de maand volgend op de referentiemaand de regio’s en autonome provincies die hen hebben erkend, de gegevens van het bijgewerkte maandelijkse register dat wordt bijgehouden overeenkomstig artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1392/2001, zelfs wanneer bij hen geen melk is geleverd. Kopers houden de extra heffing zoals berekend op basis van artikel 1 van verordening nr. 3950/92, zoals gewijzigd, in voor de melk die te veel is geleverd ten opzichte van de voor de afzonderlijke producenten vastgestelde individuele referentiehoeveelheid, rekening houdend met gedurende de periode optredende variaties. [...]

2. Binnen dertig dagen na afloop van de termijn bedoeld in lid 1 [...] schrijven de kopers de ingehouden bedragen over op de daartoe bestemde bankrekening van AGEA en zenden zij aan de regio’s en de autonome provincies een kopie van de betalingsbewijzen of van de borgstellingen als bedoeld in lid 6.”

23 Artikel 9 van decreto-legge nr. 49/2003, „Terugbetaling van te veel betaalde heffing”, bepaalt:

„1. Na afloop van elke termijn zorgt AGEA voor:

a) administratieve verwerking van de melkleveringen en van de heffing die in totaal door de kopers is betaald ter nakoming van de verplichtingen bedoeld in artikel 5;

b) berekening van de nationale heffing die in totaal aan de Europese Unie verschuldigd is wegens te veel geleverde productie;

c) berekening van het bedrag aan te veel betaalde heffing.

[...]

3. Het bedrag bedoeld in lid 1, onder c), verminderd met de voorziening van lid 2, wordt verdeeld over de producenten die houder zijn van quota en de heffing hebben betaald, volgens de hierna genoemde criteria en volgorde:

a) over producenten van wie de gehele of gedeeltelijke heffing ten onrechte is geheven of niet meer verschuldigd is;

b) over producenten van wie het bedrijf zich bevindt in berggebieden [...];

c) over producenten van wie het bedrijf zich bevindt in probleemgebieden [...];

c bis) over producenten aan wie op grond van een besluit van de bevoegde gezondheidsdienst een verbod is opgelegd om dieren te vervoeren in gebieden getroffen door wijdverspreide infectieziekten, gedurende ten minste negentig dagen van een verkoopseizoen, en die daarom gedwongen werden om meer dan de toegewezen referentiehoeveelheid te produceren [...].

4. Wanneer genoemde restituties het ingevolge lid 3 beschikbare bedrag niet volledig uitputten, wordt het restant volgens de hierna genoemde criteria en volgorde verdeeld over de producenten die houder zijn van quota en de heffing hebben betaald, met uitzondering van producenten die hun individuele referentiehoeveelheid met meer dan 100 % hebben overschreden [...]”.

Decreto-legge nr. 157/2004

24 Decreto-legge n. 157 – Disposizioni urgenti per l’etichettatura di alcuni prodotti agroalimentari, nonché in materia di agricoltura e pesca (wetsbesluit nr. 157 – Spoedmaatregelen inzake de etikettering van enkele voedingsmiddelen alsmede inzake landbouw en visserij) van 24 juni 2004 (GURI nr. 147 van 25 juni 2004), na wijzigingen omgezet in wet bij wet nr. 204 van 3 augustus 2004 (GURI nr. 186 van 10 augustus 2004; hierna: „decreto-legge nr. 157/2004”), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt in artikel 2, lid 3:

„Overeenkomstig artikel 9 van [decreto-legge nr. 49/2003] wordt de heffing die maandelijks te veel is betaald door producenten die hun betalingsverplichtingen zijn nagekomen, aan die producenten terugbetaald. Wanneer na die terugbetaling het totale restant van het bedrag dat aan heffingen is opgelegd, hoger blijkt te zijn dan de heffing die aan de [Unie] is verschuldigd vermeerderd met 5 %, annuleert AGEA het teveel aan extra heffing dat is opgelegd aan producenten die nog niet de maandelijkse betalingen hebben verricht, waarbij het de in de leden 3 en 4 van artikel 9 bedoelde prioriteitscriteria hanteert, met dien verstande dat de in artikel 5, lid 5, van [decreto-legge nr. 49/2003] bedoelde sancties worden gehandhaafd.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

25 Op 2 oktober 2006 heeft AGEA de koper Latte Più Srl, een vennootschap naar Italiaans recht, een mededeling gezonden over de extra heffingen die verzoeksters in het hoofdgeding voor de referentieperiode moesten betalen.

26 Uit deze mededeling blijkt dat overeenkomstig artikel 9 en artikel 10, leden 27 en 28, van decreto-legge nr. 49/2003 berekeningen waren verricht met het oog op de terugbetaling aan de producenten van de te veel betaalde heffing over de leveringen van koemelk tijdens het melkseizoen 2005/2006, op basis van de individuele referentiehoeveelheden en de maandelijkse leverings- en betalingsaangiften van de aankopende ondernemingen. Volgens die mededeling komen producenten die volledig hebben voldaan aan de verplichting tot betaling van de extra heffing, in aanmerking voor deze terugbetaling, op basis van de door de kopers ingediende betalingsaangiften en nadat deze zijn geverifieerd.

27 AGEA had als bijlage bij de in punt 25 van het onderhavige arrest bedoelde mededeling een formulier gevoegd, met als opschrift „Lijst van heffingen per koper – Tijdvak 2005/2006”, waarin voor elke producent de bedragen van de reeds betaalde en bevestigde heffingen vermeld stonden, alsmede de terug te betalen bedragen zoals berekend overeenkomstig artikel 9, leden 3 en 4, van decreto-legge nr. 49/2003. In dit verband heeft AGEA gepreciseerd dat de aankopende onderneming gehouden was om de terugbetaalde bedragen over te maken aan de producenten die de leveringen hadden verricht en om, als gesubrogeerde van de producenten, aan AGEA de volgens dat formulier geëiste bedragen te betalen, teneinde AGEA in staat te stellen de op de Italiaanse Republiek rustende verplichting na te komen om deze bedragen terug te betalen aan het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw (EOGFL).

28 Verzoeksters in het hoofdgeding hebben bij de Tribunale amministrativo regionale del Lazio – sede di Roma (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, zittingsplaats Rome, Italië) beroep ingesteld tot nietigverklaring van deze mededeling, met name op grond dat de Italiaanse wetgever met de invoering van de terugbetalingsregeling in artikel 2, lid 3, van decreto-legge nr. 157/2004 artikel 13 van verordening nr. 1788/2003 en artikel 16 van verordening nr. 595/2004 had geschonden.

29 Daar dit beroep werd verworpen, hebben verzoeksters in het hoofdgeding hoger beroep ingesteld bij de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië), de verwijzende rechter.

30 Wat de herverdeling van de te veel betaalde heffing betreft, wijst de verwijzende rechter er met name op dat de Italiaanse wetgever weliswaar op basis van het objectieve criterium van artikel 9, lid 3, onder a), van decreto-legge nr. 49/2003 heeft voorzien in een prioritaire categorie producenten, namelijk „producenten van wie de gehele of gedeeltelijke heffing ten onrechte is geheven of niet meer verschuldigd is”, maar ook lijkt te hebben voorzien, in artikel 2, lid 3, van decreto‑legge nr. 157/2004, in een prioritaire categorie van producenten die niet alleen voldoen aan dat objectieve criterium, maar voor wie de heffing bovendien met regelmaat elke maand is betaald.

31 De verwijzende rechter preciseert voorts dat krachtens decreto-legge nr. 157/2004 de fase van betaling van de heffing aan AGEA, die onder de verantwoordelijkheid en het optreden van de koper valt, is verbonden met de fase van de terugbetaling van de ten onrechte ontvangen heffing aan de producent, aangezien deze decreto-legge nr. 157/2004 in het kader van de terugbetalingen een prioritair „recht” toekent aan producenten voor wie de koper de heffing niet alleen heeft geïnd, maar ook met regelmaat maandelijks aan AGEA heeft betaald.

32 De verwijzende rechter meent voorts dat, anders dan bij het regelingskader dat aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 11 september 2019, Caseificio Sociale San Rocco e.a. (C‑46/18, EU:C:2019:706), de inwerkingtreding van de verordeningen nr. 1788/2003 en nr. 595/2004 voor de koper de verplichting – en niet louter de mogelijkheid – in het leven heeft geroepen om als extra heffing de bedragen in te houden die verschuldigd zijn door producenten die te veel melk hebben geleverd, hetgeen in de onderhavige zaak rechtvaardigt dat het Hof een vraag wordt gesteld die verschilt van en autonoom is ten opzichte van die welke is gesteld in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot voornoemd arrest.

33 Tegen deze achtergrond heeft de Consiglio di Stato de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Staat artikel 16 van [verordening nr. 595/2004] in een situatie zoals [die van het hoofdgeding] in de weg aan een nationaal voorschrift als artikel 9 van decreto-legge nr. 49/2003 juncto artikel 2, lid 3, van decreto-legge nr. 157/2004, waarin de regelmatige maandelijkse storting [van de heffing] door de koper als criterium wordt gehanteerd voor de aanwijzing van de prioritaire categorieën [van producenten] aan wie de onverschuldigd geïnde heffing [moet worden] terugbetaald?”

Procedure bij het Hof

34 Bij beslissing van de president van het Hof van 4 juli 2019 is de behandeling van de onderhavige zaak geschorst in afwachting van de eindbeslissing in zaak C‑46/18, Caseificio Sociale San Rocco e.a.

35 Na de uitspraak van het arrest van 11 september 2019, Caseificio Sociale San Rocco e.a. (C‑46/18, EU:C:2019:706), heeft het Hof de verwijzende rechter gevraagd of hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven dan wel in te trekken, waarop deze niet heeft geantwoord.

36 De behandeling van de onderhavige zaak is hervat op 1 juli 2020.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

37 Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die berust op een duidelijke taakverdeling tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, uitsluitend aan de nationale rechter staat om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen, alsook om de juiste strekking van nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen (arrest van 3 oktober 2019, Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, C‑632/18, EU:C:2019:833, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof is uitsluitend bevoegd zich over de uitlegging of geldigheid van het Unierecht uit te spreken tegen de achtergrond van de feitelijke en juridische situatie zoals die door de verwijzende rechter is beschreven, teneinde die rechter de elementen te verschaffen die hij nodig heeft om het bij hem aanhangige geschil te beslechten (arrest van 17 december 2020, Onofrei, C‑218/19, ECLI:EU:C:2020:1034, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Hoewel de Italiaanse regering de uitlegging van het nationale recht door de verwijzende rechter betwist, volgens welke artikel 2, lid 3, van decreto-legge nr. 157/2004 een prioritaire categorie producenten invoert voor wie de heffing niet alleen ten onrechte moet zijn geïnd, zoals bepaald in artikel 9, lid 3, onder a), van decreto-legge nr. 49/2003, maar voor wie de koper tevens de heffing maandelijks en met regelmaat moet hebben geïnd en betaald aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat, moet de gestelde vraag dus worden beantwoord op basis van de in de verwijzingsbeslissing geformuleerde premisse dat het Italiaanse recht een dergelijke categorie instelt.

39 Derhalve moet de gestelde vraag aldus worden opgevat dat daarmee in essentie wordt beoogd te vernemen of artikel 16, lid 1, van verordening nr. 595/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die tot gevolg heeft dat de te veel geïnde extra heffing bij voorrang moet worden terugbetaald aan de producenten voor wie de kopers hebben voldaan aan de verplichting tot maandelijkse betaling van die heffing.

40 Zoals blijkt uit de bewoordingen ervan, bepaalt artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1788/2003 dat wanneer met betrekking tot leveringen of rechtstreekse verkopen wordt geconstateerd dat de heffing verschuldigd is en de van de producenten geïnde bijdrage hoger is dan het verschuldigde bedrag, de lidstaat het te veel geïnde bedrag geheel of gedeeltelijk kan terugbetalen aan producenten die behoren tot prioritaire categorieën die de lidstaat vaststelt op basis van te bepalen objectieve criteria en termijnen, of die zich als gevolg van een niet met het stelsel van extra heffing verband houdende nationale maatregel in buitengewone omstandigheden bevinden.

41 Volgens artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1788/2003 worden de door de kopers of de lidstaat eventueel geïnde voorschotten, wanneer wordt geconstateerd dat geen heffing verschuldigd is, uiterlijk aan het einde van het volgende tijdvak van twaalf maanden terugbetaald.

42 De wijze waarop artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1788/2003 wordt uitgevoerd, is nader uitgewerkt in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 595/2004, dat de criteria voor de verdeling van een teveel aan heffing vaststelt. Op grond van laatstgenoemde bepaling stellen de lidstaten de in artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1788/2003 bedoelde prioritaire categorieën van producenten vast aan de hand van een of meer van de objectieve criteria die in volgorde van prioriteit zijn opgesomd in artikel 16, lid 1, onder a) tot en met e), van verordening nr. 595/2004. Artikel 16, lid 1, onder a), van verordening nr. 595/2004 bevat het criterium inzake de formele erkenning door de bevoegde autoriteit van de lidstaat dat de heffing in haar geheel of voor een deel onverschuldigd is geïnd.

43 Artikel 16, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 595/2004 bepaalt dat indien het in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1788/2003 bedoelde teveel aan heffing dat voor een bepaald tijdvak beschikbaar is, na verdeling volgens de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 595/2004 vastgestelde criteria niet is opgebruikt, de lidstaat na raadpleging van de Commissie andere objectieve criteria vaststelt.

44 Uit de bewoordingen van artikel 16 van verordening nr. 595/2004 volgt dus dat de lidstaten alleen aanvullende criteria mogen vaststellen naast die welke in artikel 16, lid 1, van deze verordening zijn vastgesteld, wanneer de op grond van deze criteria verrichte herverdeling het in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1788/2003 bedoelde te veel geïnde bedrag niet heeft uitgeput.

45 Een dergelijke uitlegging vindt steun in de regelingscontext van artikel 16 van verordening nr. 595/2004.

46 Zo bepaalt, ten eerste, artikel 16 hoe artikel 13, lid 1, onder b), van verordening nr. 1788/2003 moet worden uitgevoerd. Uit deze laatste bepaling vloeit voort dat de lidstaten weliswaar zelf kunnen bepalen om het te veel geïnde bedrag al dan niet terug te betalen, maar dat, indien zij daartoe besluiten, dit bedrag wordt terugbetaald aan producenten die behoren tot de prioritaire categorieën die de betrokken lidstaat vaststelt op basis van objectieve criteria die volgens de in deze verordening omschreven procedure zijn opgesteld, of aan producenten die zich als gevolg van een niet met het stelsel van extra heffing verband houdende nationale maatregel in buitengewone omstandigheden bevinden. Hieruit volgt dat de beoordelingsmarge van de lidstaten bij de vaststelling van de prioritaire categorieën wordt beperkt door de in verordening nr. 595/2004 vastgelegde criteria.

47 Ten tweede volgt uit overweging 1 van verordening nr. 595/2004 dat in de bepalingen van die verordening veel van de voorschriften van verordening nr. 1392/2001 zijn opgenomen. De bewoordingen van artikel 16, lid 1 en lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 595/2004 zijn vergelijkbaar met die van artikel 9, leden 1 en 2, van verordening nr. 1392/2001.

48 Het Hof heeft geoordeeld dat de criteria van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1392/2001 uitputtend waren en dat de lidstaten alleen aanvullende criteria mochten toevoegen indien bij toepassing van die criteria, in volgorde van prioriteit, de voor een bepaalde periode beschikbare financiële middelen niet volledig waren opgebruikt (arrest van 11 september 2019, Caseificio Sociale San Rocco e.a., C‑46/18, EU:C:2019:706, punt 38).

49 Ten derde heeft verordening nr. 1468/2006, zoals blijkt uit overweging 5 ervan, artikel 16, lid 1, van verordening nr. 595/2004 gewijzigd om te beantwoorden aan de behoefte van de lidstaten om over meer duidelijkheid en flexibiliteit te beschikken voor de vaststelling van de prioritaire categorieën. Artikel 16, lid 1, van verordening nr. 595/2004, zoals gewijzigd, bepaalt niet langer dat de in deze bepaling genoemde objectieve criteria moeten worden toegepast in volgorde van prioriteit, en biedt, onder f), de lidstaten de mogelijkheid om na raadpleging van de Commissie andere objectieve criteria vast te stellen. Pas bij deze bepaling, die in werking is getreden na de vaststelling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde en in punt 25 van het onderhavige arrest bedoelde mededeling, is de voorwaarde geschrapt dat de lidstaten alleen aanvullende criteria mochten toevoegen aan die welke in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 595/2004 waren vastgesteld indien bij toepassing van laatstgenoemde criteria, in volgorde van prioriteit, de voor een bepaalde periode beschikbare financiële middelen niet volledig waren opgebruikt.

50 Derhalve moet worden overwogen dat de criteria van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 595/2004, in de tijdens de referentieperiode geldende versie, uitputtend waren en dat de lidstaten alleen aanvullende criteria mochten toevoegen indien bij toepassing van die criteria, in volgorde van prioriteit, de voor een bepaalde periode beschikbare financiële middelen niet volledig waren opgebruikt.

51 Artikel 16, lid 1, van verordening nr. 595/2004 vermeldt niet, als criterium voor de verdeling van een teveel aan heffing, het behoren tot de categorie van melkproducenten voor wie de aankopers van melk hebben voldaan aan de verplichting tot regelmatige maandelijkse betaling van de extra heffing aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat.

52 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag derhalve worden geantwoord dat artikel 16, lid 1, van verordening nr. 595/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die tot gevolg heeft dat de te veel geïnde extra heffing bij voorrang moet worden terugbetaald aan de producenten voor wie de kopers hebben voldaan aan de verplichting tot maandelijkse betaling van die heffing.

Kosten

53 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 16, lid 1, van verordening (EG) nr. 595/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die tot gevolg heeft dat de te veel geïnde extra heffing bij voorrang moet worden terugbetaald aan de producenten voor wie de kopers hebben voldaan aan de verplichting tot maandelijkse betaling van die heffing.

ondertekeningen

* Procestaal: Italiaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in