HvJ EU 28 april 2022, C-160/21, ECLI:EU:C:2022:315
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)
28 april 2022 (*)
„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Regelingen inzake rechtstreekse steunverlening – Verordening (EU) nr. 1306/2013 – Betalingen aan begunstigden – Artikel 75 – Betalingstermijn – Inachtneming – Geen – Stilzwijgende afwijzing van de steunaanvraag”
In de gevoegde zaken C‑160/21 en C‑217/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administrativen sad Veliko Tarnovo (bestuursrechter in eerste aanleg Veliko Tarnovo, Bulgarije) bij beslissingen van 10 februari en 19 februari 2021, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 10 maart en 6 april 2021, in de procedures
„Nikopolis AD Istrum 2010” EOOD (C‑160/21),
„Agro – eko 2013” EOOD (C‑217/21)
tegen
Izpalnitelen direktor na Darzhaven fond „Zemedelie”,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: S. Rodin, kamerpresident, J.‑C. Bonichot en O. Spineanu-Matei (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Pavliš en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll en V.‑S. Strasser als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Kaduczak en G. Koleva als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 75, lid 1, van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549), met rectificaties in PB 2016, L 130, blz. 6, en PB 2017, L 327, blz. 83, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 (PB 2017, L 350, blz. 15) (hierna: „verordening nr. 1306/2013”).
2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen enerzijds „Nikopolis AD Istrum” EOOD (hierna: „Nikopolis”) en „Agro – eko 2013” EOOD (hierna: „Agro – eko”), als landbouwer geregistreerde vennootschappen die landbouwproducten voortbrengen, en anderzijds de Izpalnitelen direktor na Darzhaven fond „Zemedelie” (uitvoerend directeur van het nationaal landbouwfonds – het betaalorgaan; hierna: „Direktor”) inzake voor de campagnes van 2018 en 2019 ingediende steunaanvragen met het oog op financiering op grond van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 1306/2013
3 Overweging 27 van verordening nr. 1306/2013 luidt:
„(27) Het is belangrijk dat de steun van de Unie tijdig aan de begunstigden wordt betaald opdat zij er een doeltreffend gebruik van kunnen maken. Als de lidstaten de in het Unierecht bepaalde betalingstermijnen niet naleven, kunnen de begunstigden ernstige problemen ondervinden en kan de jaarlijkse opstelling van de begroting van de Unie in gevaar komen. Daarom is het gerechtvaardigd de na het verstrijken van de betalingstermijnen verrichte uitgaven te onttrekken aan financiering door de Unie. Het evenredigheidsbeginsel, zoals vervat in verordening (EG) nr. 1290/2005 [van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 2005, L 209, blz. 1)] moet worden gehandhaafd en moet van toepassing zijn op [het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)]. In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel moet de Commissie in uitzonderingen op deze algemene regel kunnen voorzien.”
4 Artikel 40 („Naleving van de betalingstermijnen”) van verordening nr. 1306/2013 bepaalt:
„Indien in het recht van de Unie betalingstermijnen zijn vastgesteld, komt een betaling van een betaalorgaan aan de begunstigden vóór de vroegst mogelijke datum van betaling of na de laatst mogelijke datum van betaling niet voor financiering van de Unie in aanmerking, behalve in de gevallen, onder de voorwaarden en binnen de grenzen die naar evenredigheid moeten worden bepaald.
Teneinde een uitgave die vóór de vroegst mogelijke datum van betaling of na de laatst mogelijke datum van betaling is gedaan, voor financiering door de Unie in aanmerking te doen komen en tevens de financiële gevolgen daarvan te beperken, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 115 gedelegeerde handelingen vast te stellen die afwijken van het in de eerste alinea opgenomen voorschrift.”
5 Artikel 58 („Bescherming van de financiële belangen van de Unie”) van deze verordening luidt als volgt:
„1. De lidstaten stellen in het kader van het [gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB)] alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en alle andere maatregelen vast die nodig zijn om een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen, in het bijzonder om:
a) zich te vergewissen van de wettigheid en regelmatigheid van de door het ELGF en het Elfpo gefinancierde verrichtingen;
b) voor een doeltreffende fraudepreventie te zorgen, met name op de gebieden met een hoger risiconiveau, die zorgt voor een afschrikkende werking en waarbij rekening wordt gehouden met de kosten en baten en met de evenredigheid van de maatregelen;
c) onregelmatigheden en fraude te voorkomen, op te sporen en te corrigeren;
d) overeenkomstig het recht van de Unie of, bij ontstentenis daarvan, nationaal recht, sancties op te leggen die doeltreffend, afschrikkend en evenredig zijn, en daartoe gerechtelijke procedures in te leiden indien nodig;
e) onverschuldigd betaalde bedragen met rente terug te vorderen en daartoe gerechtelijke procedures in te leiden indien nodig.
2. De lidstaten zetten efficiënte beheers- en controlesystemen op die ervoor zorgen dat de wetgeving inzake steunregelingen van de Unie in acht wordt genomen en erop gericht zijn het risico van financiële schade voor de Unie tot een minimum te beperken.
[...]”
6 Artikel 74 („Toetsing aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden en eventuele verlagingen”) van de verordening bepaalt in lid 1 het volgende:
„De lidstaten voeren overeenkomstig artikel 59 via de betaalorganen of de instanties die zij hebben gemachtigd om namens hen te handelen, administratieve controles van de steunaanvragen uit om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden om voor steun in aanmerking te komen. Deze controles worden aangevuld met controles ter plaatse.”
7 Artikel 75 („Betaling aan begunstigden”) van de verordening luidt als volgt:
„1. De betalingen in het kader van de in artikel 67, lid 2, bedoelde steunregelingen en -maatregelen worden in de periode van 1 december tot en met 30 juni van het daaropvolgende kalenderjaar verricht.
De betalingen worden in die periode in maximaal twee tranches verricht.
Niettegenstaande de eerste en de tweede alinea van dit lid kunnen de lidstaten:
a) vóór 1 december maar niet vóór 16 oktober, voorschotten betalen van ten hoogste 50 % voor rechtstreekse betalingen;
b) vóór 1 december, voorschotten betalen van ten hoogste 75 % voor de steun in het kader van de plattelandsontwikkeling als bedoeld in artikel 67, lid 2.
Wat betreft de steun in het kader van de plattelandsontwikkeling als bedoeld in artikel 67, lid 2, zijn de eerste en de tweede alinea van dit lid van toepassing op steunaanvragen of betalingsaanvragen die met ingang van het aanvraagjaar 2019 worden ingediend.
2. De in lid 1 bedoelde betalingen worden niet verricht voordat de door de lidstaten uit hoofde van artikel 74 te verrichten toetsing aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voltooid is.
In afwijking van de eerste alinea kunnen de voorschotten voor steun in het kader van de plattelandsontwikkeling als bedoeld in artikel 67, lid 2, worden betaald nadat de administratieve controles overeenkomstig artikel 59, lid 1, zijn voltooid.
3. In geval van een spoedeisende situatie stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast [die] zowel noodzakelijk als gerechtvaardigd zijn om specifieke problemen in verband met de toepassing van dit artikel op te lossen. Die uitvoeringshandelingen mogen afwijken van de leden 1 en 2, doch slechts voor zover en zolang dat strikt noodzakelijk is.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 116, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.”
Gedelegeerde verordening nr. 907/2014
8 Overweging 4 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de betaalorganen en andere instanties, het financieel beheer, de goedkeuring van de rekeningen, de zekerheden en het gebruik van de euro (PB 2014, L 255, blz. 18), zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) nr. 2018/967 van de Commissie van 26 april 2018 (PB 2018, L 174, blz. 2) (hierna: „gedelegeerde verordening nr. 907/2014”), luidt als volgt:
„In de landbouwwetgeving van de Unie zijn met betrekking tot het [ELGF] termijnen voor de betaling van de steun aan de begunstigden vastgesteld die door de lidstaten moeten worden nageleefd. Betalingen die buiten deze termijnen worden verricht, moeten worden geacht niet in aanmerking te komen voor een betaling van de Unie, en kunnen derhalve overeenkomstig artikel 40 van [verordening nr. 1306/2013] niet door de Commissie worden vergoed. Uit de analyse van te late betalingen van steun door de lidstaten is gebleken dat een aantal betalingen te laat wordt gedaan vanwege aanvullende controles door de lidstaten in verband met contentieuze aanvragen, gevallen waarin beroep is ingesteld en andere nationale rechtsgeschillen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel moet voor deze gevallen een bepaalde uitgavenmarge worden vastgesteld waarbinnen geen verlagingen van de maandelijkse betalingen moeten worden toegepast. Om er evenwel voor te zorgen dat de financiële gevolgen bij overschrijding van deze marge in verhouding staan tot de vertraging bij de betaling, dient te worden bepaald dat de Commissie de betalingen evenredig verlaagt naargelang van de lengte van de geconstateerde termijnoverschrijding van de betaling. Steunbetalingen vóór de vroegst mogelijke betalingstermijn waarin de uniale landbouwwetgeving voorziet, kunnen niet op dezelfde gronden berusten als betalingen na de laatst mogelijke betalingstermijn. Daarom mag voor dergelijke vroege betalingen geen evenredige verlaging worden vastgesteld. Wel moet een uitzondering worden gemaakt voor gevallen waarin de uniale landbouwwetgeving voorziet in de betaling van een voorschot tot een bepaald maximumbedrag.”
9 Artikel 5 („Niet-naleving van de laatste betalingstermijn met betrekking tot het Europees Landbouwgarantiefonds”) van gedelegeerde verordening nr. 907/2014 bepaalt in lid 1:
„Overeenkomstig de in artikel 40, eerste alinea, van [verordening nr. 1306/2013] bedoelde uitzonderingen en in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel komen betalingen in het kader van het [ELGF] die na de betalingstermijnen zijn verricht, in aanmerking voor Uniefinanciering onder de in de leden 2 tot en met 6 van het onderhavige artikel beschreven voorwaarden.”
10 Artikel 5 bis („Niet-naleving van de laatste betalingstermijn met betrekking tot het [Elfpo]”) van gedelegeerde verordening nr. 907/2014 bepaalt in lid 1:
„Wat het [Elfpo] betreft, komen uitgaven die na de betalingstermijn zijn verricht, op grond van de in artikel 40, eerste alinea, van [verordening nr. 1306/2013] bedoelde uitzonderingen en in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel in aanmerking voor financiering door de Unie onder de in de leden 2 tot en met 6 van het onderhavige artikel beschreven voorwaarden.”
Uitvoeringsverordening nr. 809/2014
11 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PB 2014, L 227, blz. 69), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/746 van de Commissie van 18 mei 2018 (PB 2018, L 125, blz. 1) (hierna: „uitvoeringsverordening nr. 809/2014), bepaalt in artikel 24 („Algemene beginselen”):
„1. De in de onderhavige verordening vastgestelde administratieve controles en controles ter plaatse worden zo uitgevoerd dat [met] een doeltreffende verificatie het volgende wordt gewaarborgd:
a) de juistheid en volledigheid van de in de steunaanvraag, bijstandsaanvraag, betalingsaanvraag of andere verklaring verstrekte informatie;
b) de naleving van alle subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen en andere verplichtingen voor de betrokken steunregeling en/of bijstandsmaatregel, de voorwaarden voor de verlening van steun en/of bijstand of van een vrijstelling van verplichtingen;
c) de in het kader van de randvoorwaarden relevante eisen en normen.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de naleving van alle toepasselijke voorwaarden die in het recht van de Unie, in toepasselijk nationaal recht en in uitvoeringsregelingen of in het plattelandsontwikkelingsprogramma zijn vastgesteld, kunnen worden gecontroleerd aan de hand van een reeks door de lidstaten vast te stellen verifieerbare indicatoren.
3. Op basis van de resultaten van de administratieve controles en controles ter plaatse [wordt] beoordeeld of problemen die aan het licht zijn gekomen in het algemeen ook voor andere, vergelijkbare concrete acties en begunstigden of voor andere instanties een risico kunnen meebrengen. De beoordeling moet tevens duidelijkheid verschaffen over de oorzaken van dergelijke situaties, over eventueel vereist nader onderzoek en over de noodzakelijke corrigerende en preventieve maatregelen.
4. De bevoegde autoriteit verricht fysieke veldinspecties indien foto-interpretatie van door satelliet- of luchtfotografie verkregen orthobeelden of ander relevant bewijsmateriaal met inbegrip van bewijsmateriaal geleverd door de begunstigde op verzoek van de bevoegde autoriteit, geen resultaten oplevert die het mogelijk maken definitieve conclusies te trekken ten genoegen van de bevoegde autoriteit over de subsidiabiliteit of, indien van toepassing, de correcte omvang van het areaal dat aan een administratieve controle of een controle ter plaatse is onderworpen.
5. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle in het kader van de onderhavige verordening verrichte controles en onverminderd de specifieke regels in de titels IV en V. Lid 3 is evenwel niet van toepassing op titel V.”
12 Artikel 25 („Aankondiging van controles ter plaatse”) van uitvoeringsverordening nr. 809/2014 luidt als volgt:
„Controles ter plaatse mogen worden aangekondigd op voorwaarde dat het doel of de doeltreffendheid ervan daardoor niet in het gedrang komt. De periode tussen aankondiging en controle wordt strikt beperkt tot het noodzakelijke minimum en bedraagt niet meer dan 14 dagen.
Voor controles ter plaatse met betrekking tot steunaanvragen voor vee of betalingsaanvragen in het kader van diergebonden bijstandsmaatregelen of met betrekking tot overeenkomstig artikel 14 bis, lid 5, gemelde verbintenissen bedraagt de periode tussen de aankondiging en de controle evenwel, behalve in deugdelijk gemotiveerde gevallen, niet meer dan 48 uur. Voorts gelden in het geval dat de regelgeving inzake de besluiten en normen die relevant zijn voor de randvoorwaarden, voorschrijft dat controles ter plaatse onaangekondigd moeten worden uitgevoerd, die voorschriften ook in het geval van controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden.”
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C‑160/21
13 Nikopolis is een als landbouwer geregistreerde Bulgaarse vennootschap die landbouwproducten voortbrengt.
14 Zij heeft voor de campagne 2019 van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2014‑2020 een steunaanvraag ingediend op grond van acht verschillende steunregelingen. Bij deze aanvraag waren de vereiste documenten gevoegd. De gegevens van deze vennootschap zijn automatisch gecontroleerd.
15 Bij een controle ter plaatse tussen 18 en 21 november 2019, die een deel van de door Nikopolis geëxploiteerde percelen betrof, is vastgesteld dat aan de wettelijke eisen was voldaan. Op 23 oktober 2019 heeft de Direktsiya „Technicheski inspektorat” na Darzhaven fond „Zemedelie” (directie Technische inspectie van het nationaal landbouwfonds) ter plaatse de naleving van de randvoorwaarden gecontroleerd. Ook daarbij zijn geen onregelmatigheden vastgesteld. Volgens het inspectieverslag inzake landbouwarealen van een expert bij de regionale technische inspectie Veliko Tarnovo is bij de tussen 16 september en 31 oktober 2019 verrichte controles ter plaatse van alle arealen waarvoor steun is aangevraagd, slechts één niet-subsidiabel perceel van 0,51 hectare vastgesteld.
16 Bij brief van 25 november 2019 heeft de Izpalnitelna agentsiya „Sertifikatsionen odit na sredstvata ot evropeyskite zemedelski fondove” (uitvoerend agentschap „Certificeringsaudit voor middelen uit de Europese landbouwfondsen”) de Direktor op de hoogte gesteld dat er controles waren uitgevoerd op veeteeltlocaties, waaronder een locatie van Nikopolis, en dat bij die controles aanwijzingen van fraude waren gevonden waarvoor aanvullende analyse nodig was. Naar aanleiding van deze brief heeft de Direktor op 3 december 2019 een nota gezonden waarin werd gelast dat de behandeling van de in die brief bedoelde aanvragen werd geschorst.
17 Op 6 augustus 2020 heeft Nikopolis bij de Direktor een betalingsaanvraag ingediend inzake haar in punt 14 van het onderhavige arrest bedoelde steunaanvraag. Bij brief van 14 augustus 2020 heeft de plaatsvervanger van de Direktor haar geantwoord dat de behandeling van de steunaanvragen in het kader van de campagne voor 2019 van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2014‑2020 nog niet was afgerond en dat de betreffende aanvraag aanvullend werd gecontroleerd, met de uitdrukkelijke vermelding dat die brief geen afzonderlijke bestuurshandeling vormde.
18 Nikopolis was van mening dat de Direktor haar steunaanvraag stilzwijgend had afgewezen door niet binnen de wettelijke termijn een besluit uit te vaardigen inzake de genoemde steunaanvraag en heeft derhalve beroep tegen deze afwijzing ingesteld bij de Administrativen sad Veliko Tarnovo (bestuursrechter in eerste aanleg Veliko Tarnovo, Bulgarije), de verwijzende rechter.
Zaak C‑217/21
19 Agro – eko is een als landbouwer geregistreerde Bulgaarse vennootschap die landbouwproducten voortbrengt.
20 Zij heeft voor de campagne 2018 van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2014‑2020 een steunaanvraag ingediend op grond van twaalf verschillende steunregelingen, waaronder maatregel 10 „Agromilieu en klimaat”. Bij deze aanvraag waren de vereiste documenten gevoegd. De gegevens van deze vennootschap zijn automatisch gecontroleerd.
21 Bij controles ter plaatse van een deel van de door Agro – eko geëxploiteerde percelen is vastgesteld dat aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor de aangevraagde steun was voldaan.
22 Agro – eko is betaald volgens de betrokken regelingen en maatregelen, met uitzondering van de betaling uit hoofde van maatregel 10 „Agromilieu en klimaat”. Wat die maatregel betreft, heeft zij geen schriftelijke kennisgeving ontvangen.
23 Op 21 februari 2020 heeft Agro – eko bij de Direktor een betalingsaanvraag ingediend inzake haar in punt 20 van het onderhavige arrest bedoelde steunaanvraag uit hoofde van maatregel 10 „Agromilieu en klimaat”. Deze betalingsaanvraag is evenmin beantwoord.
24 Agro – eko was van mening dat de Direktor haar steunaanvraag stilzwijgend had afgewezen door niet binnen de wettelijke termijn een besluit uit te vaardigen inzake de genoemde steunaanvraag en heeft derhalve beroep tegen deze afwijzing ingesteld bij de verwijzende rechter.
Prejudiciële vragen
25 In het kader van de twee bij hem aanhangig gemaakte gedingen wordt de verwijzende rechter geconfronteerd met de vraag of het niet uitbetalen van de betrokken steun binnen de in artikel 75, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 bepaalde termijn moet worden aangemerkt als stilzwijgend besluit tot afwijzing van de in de punten 14 en 20 van het onderhavige arrest bedoelde steunaanvragen.
26 Deze rechter geeft aan dat de rechtspraak van de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije) over deze kwestie niet eenduidig is en dat het Hof zich nog niet heeft uitgesproken over de uitlegging van artikel 75 van verordening nr. 1306/2013.
27 Daarop heeft de Administrativen sad Veliko Tarnovo de behandeling van de twee hoofdgedingen geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Impliceert het begrip ‚betaling’ als bedoeld in artikel 75, lid 1, van [verordening nr. 1306/2013] dat de naar aanleiding van een betalingsaanvraag ingeleide procedure is afgerond?
2) Staat de daadwerkelijke ontvangst van het door de eigenaar van een landbouwbedrijf aangevraagde bedrag gelijk aan een positief besluit van het betaalorgaan over de aanvraag tot activering van de betalingsrechten, respectievelijk impliceert het feit dat de betrokkene geen geldsommen ontvangt terwijl publiekelijk wordt bekendgemaakt dat betalingen op grond van de betreffende maatregel plaatsvinden, dat de aangevraagde betalingsrechten zijn afgewezen, wanneer aan de betrokkene niet is meegedeeld dat de procedure wordt voortgezet doordat nieuwe controles worden uitgevoerd?
3) Houdt de in artikel 75, lid 1, van [verordening nr. 1306/2013] vastgestelde termijn in dat de lidstaten verplicht zijn om de toetsing aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden vóór het verstrijken van die termijn te verrichten en kan die toetsing enkel bij wijze van uitzondering worden voortgezet?
4) Vormt de niet-naleving van de in artikel 75, lid 1, van [verordening nr. 1306/2013] vastgestelde termijn een stilzwijgende afwijzing van de betaling van steun, wanneer aan de eigenaar van een landbouwbedrijf niet is meegedeeld dat er aanvullende controles worden uitgevoerd en daarover geen enkel schriftelijk document bestaat?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
28 Met zijn vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 75, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 aldus moet worden uitgelegd dat, indien het betaalorgaan van een lidstaat de door een landbouwer op grond van de programma’s van het gemeenschappelijk landbouwbeleid aangevraagde steun niet binnen de in die bepaling vastgestelde termijn betaalt, het uitblijven van die betaling moet worden beschouwd als stilzwijgend besluit tot afwijzing van de betreffende steunaanvraag.
29 Incidenteel vraagt de verwijzende rechter het Hof tevens of, in het geval dat na het verstrijken van die termijn aanvullende verificaties of controles worden uitgevoerd, het voor het antwoord op die vraag relevant is dat de bevoegde nationale autoriteiten de aanvrager daar al dan niet van in kennis hebben gesteld.
30 Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt (arrest van 26 februari 2019, Rimšēvičs en ECB/Letland, C‑202/18 en C‑238/18, EU:C:2019:139, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Artikel 75, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 maakt deel uit van hoofdstuk II van titel V („Controlesystemen en sancties”) van deze verordening. Volgens deze bepaling worden de betalingen in het kader van de in artikel 67, lid 2, van verordening nr. 1306/2013 bedoelde steunregelingen en -maatregelen in de periode van 1 december tot en met 30 juni van het daaropvolgende kalenderjaar verricht. Artikel 40 van deze verordening bepaalt dat een betaling buiten deze periode niet voor financiering van de Unie in aanmerking komt.
32 In beginsel kan het loutere stilzwijgen van een instelling of orgaan van de Unie niet met een impliciete weigering worden gelijkgesteld, behoudens wanneer dit uitdrukkelijk in een bepaling van Unierecht is voorzien (zie in die zin arrest van 9 december 2004, Commissie/Greencore, C‑123/03 P, EU:C:2004:783, punt 45).
33 In casu moet om te beginnen worden vastgesteld of de relevante Unieregeling uitdrukkelijk bepaalt dat bij het zonder betaling verstrijken van deze termijn wordt aangenomen dat een stilzwijgend afwijzingsbesluit is genomen. Dat blijkt niet het geval. Noch verordening nr. 1306/2013, noch een andere relevante rechtshandeling bepaalt namelijk uitdrukkelijk dat gevolg.
34 Vervolgens zijn artikel 40 en artikel 75, lid 1, van verordening nr. 1306/2013, gelezen in het licht van overweging 27 ervan, weliswaar bedoeld om te waarborgen dat landbouwers hun steun tijdig ontvangen opdat zij er een doeltreffend gebruik van kunnen maken en om te voorkomen dat de jaarlijkse opstelling van de begroting van de Unie in gevaar komt, maar blijkt uit de algemene opzet van deze verordening dat een steunbetaling in bepaalde omstandigheden ook na het verstrijken van de in artikel 75, lid 1, gestelde termijn rechtsgeldig kan worden verricht.
35 Ten eerste specificeert artikel 75, lid 2, van verordening nr. 1306/2013 dat, om de financiële belangen van de Unie te beschermen overeenkomstig artikel 58 ervan, de in artikel 75, lid 1, bedoelde betalingen niet worden verricht vóór de afronding van de toetsing aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden die de lidstaten uit hoofde van artikel 74 en de algemene beginselen van artikel 24 van uitvoeringsverordening nr. 809/2014 moeten verrichten. Artikel 75, lid 2, stelt echter geen termijn waarbinnen die toetsing moet zijn verricht. Het suggereert daarmee dat de toetsing ook na de uiterste in artikel 75, lid 1, bepaalde betaaldatum kan worden verricht en dat de bevoegde nationale autoriteiten deze dus kunnen uitvoeren na de dertigste juni van het kalenderjaar volgend op de indiening van de betreffende steunaanvraag. De omstandigheid dat de betrokken landbouwer er al of niet van op de hoogte is gesteld dat na de in die bepaling gestelde termijn aanvullende controles of verificaties worden verricht, is wat dat betreft niet relevant. De wijze waarop landbouwers over de behandeling van hun aanvragen worden ingelicht is namelijk aan de lidstaten overgelaten. Bovendien bepaalt artikel 25 van uitvoeringsverordening nr. 809/2014 dat controles ter plaatse onaangekondigd kunnen worden verricht.
36 Ten tweede bepaalt artikel 40, eerste alinea, van verordening nr. 1306/2013 uitdrukkelijk dat in de gevallen, onder de voorwaarden en binnen de grenzen die naar evenredigheid moeten worden bepaald, een uitzondering kan worden gemaakt op de regel dat betalingen die betaalorganen aan de begunstigden vóór de vroegst mogelijke datum van betaling of na de laatst mogelijke datum van betaling hebben verricht, niet voor financiering van de Unie in aanmerking komen. Op grond van deze bepaling regelt gedelegeerde verordening nr. 907/2014 in de artikelen 5 en 5 bis dat door een betaalorgaan te laat verrichte betalingen onder bepaalde voorwaarden en in bepaalde verhoudingen in aanmerking komen voor Uniefinanciering. Uit overweging 4 van deze verordening volgt dat deze uitzondering wordt gerechtvaardigd door het feit dat de vertragingen bij deze betalingen onder andere worden veroorzaakt door aanvullende controles door de lidstaten in verband met contentieuze aanvragen.
37 Derhalve volgt uit een woordelijke en contextuele uitlegging van artikel 75 van verordening nr. 1306/2013 dat het weliswaar het beginsel vaststelt volgens hetwelk de betaling van steun aan begunstigden en de aan die betaling voorafgaande toetsing aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden in de regel moeten plaatsvinden binnen de termijn van artikel 75, lid 1, maar dat niet kan worden uitgesloten dat deze toetsing, op ad-hocbasis en met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur en zorgvuldigheid, na het verstrijken van deze termijn wordt verricht, zodat die betaling – die pas na die toetsing kan worden gedaan – plaatsvindt na 30 juni van het kalenderjaar volgend op de indiening van de betreffende steunaanvraag.
38 De termijn van artikel 75, lid 1, is dus niet absoluut, maar slechts indicatief. In deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat het niet binnen deze termijn betalen van steun gelijkstaat aan een stilzwijgend besluit tot afwijzing van de betreffende steunaanvraag.
39 Tot slot wordt deze woordelijke en contextuele uitlegging van artikel 75 van verordening nr. 1306/2013 volledig bevestigd door de teleologische uitlegging van deze bepaling. Gelijkstelling van het niet binnen de in artikel 75, lid 1, gestelde termijn betalen van steun aan een stilzwijgend besluit tot afwijzing van de betreffende steunaanvraag is namelijk moeilijk te verenigen met de belangen van de Unie en die van de landbouwers die steun ontvangen op grond van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Wat de Unie betreft kan die gelijkstelling ertoe leiden dat betaalorganen van de lidstaten onder druk worden gezet om de toetsingen die zij overeenkomstig artikel 74 van verordening nr. 1306/2013 moeten verrichten niet of overhaast uit te voeren, hetgeen strijdig kan zijn met de doelstelling om de financiële belangen van de Unie te beschermen zoals bedoeld in artikel 58 van die verordening. Wat de begunstigde landbouwers betreft zou die gelijkstelling erop neerkomen dat zij na het verstrijken van die termijn geen betaling meer kunnen ontvangen tenzij zij daartoe een beroep in rechte instellen, ook al is het betaalorgaan voornemens om de betaling uit te voeren.
40 Gelet op een en ander moet op de vragen worden geantwoord dat artikel 75, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 aldus moet worden uitgelegd dat, indien het betaalorgaan van een lidstaat de door een landbouwer aangevraagde steun niet binnen de in die bepaling vastgestelde termijn betaalt, het uitblijven van die betaling niet moet worden beschouwd als stilzwijgend besluit tot afwijzing van de betreffende steunaanvraag, ongeacht of de betrokken landbouwer al dan niet is ingelicht over eventuele aanvullende controles die het overschrijden van deze termijn rechtvaardigen.
Kosten
41 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 75, lid 1, van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017, moet aldus worden uitgelegd dat, indien het betaalorgaan van een lidstaat de door een landbouwer aangevraagde steun niet binnen de in die bepaling vastgestelde termijn betaalt, het uitblijven van die betaling niet moet worden beschouwd als stilzwijgend besluit tot afwijzing van de betreffende steunaanvraag, ongeacht of de betrokken landbouwer al dan niet is ingelicht over eventuele aanvullende controles die het overschrijden van deze termijn rechtvaardigen.
ondertekeningen
* Procestaal: Bulgaars.