HvJ EU 6 oktober 2021, C-431/20, ECLI:EU:C:2021:807

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

6 oktober 2021 ( *1 )

„Hogere voorziening – Institutioneel recht – Eén statuut voor leden van het Europees Parlement – In Italiaanse kiesdistricten verkozen leden van het Europees Parlement – Wijziging van de pensioenrechten – Bezwarende handeling – Voorlopig standpunt – Autonome rechtsgevolgen”

In zaak C‑431/20 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 12 september 2020,

Carlo Tognoli, woonachtig te Milaan (Italië),

Emma Allione, woonachtig te Milaan,

Luigi Alberto Colajanni, woonachtig te Palermo (Italië),

Claudio Martelli, woonachtig te Rome (Italië),

Luciana Sbarbati, woonachtig te Chiaravalle (Italië),

Carla Dimatore, als erfgename van Mario Rigo, woonachtig te Noale (Italië),

Roberto Speciale, woonachtig te Bogliasco (Italië),

Loris Torbesi, als erfgename van Eugenio Melandri, woonachtig te Rome,

Luciano Pettinari, woonachtig te Rome,

Pietro Di Prima, woonachtig te Palermo,

Carla Barbarella, woonachtig te Magione (Italië),

Carlo Alberto Graziani, woonachtig te Fiesole (Italië),

Giorgio Rossetti, woonachtig te Triëst (Italië),

Giacomo Porrazzini, woonachtig te Terni (Italië),

Guido Podestà, woonachtig te Vila Real de Santo António (Portugal),

Roberto Barzanti, woonachtig te Siena (Italië),

Rita Medici, woonachtig te Bologna (Italië),

vertegenwoordigd door M. Merola, avvocato,

Aldo Arroni, woonachtig te Milaan,

Franco Malerba, woonachtig te Issy-les-Moulineaux (Frankrijk),

Roberto Mezzaroma, woonachtig te Rome,

vertegenwoordigd door M. Merola en L. Florio, avvocati,

rekwiranten,

andere partij in de procedure:

Europees Parlement, vertegenwoordigd door S. Alves en S. Seyr als gemachtigden,

verweerder in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, L. Bay Larsen (rapporteur), C. Toader, M. Safjan en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juli 2021,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorziening verzoeken Carlo Tognoli e.a. om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 3 juli 2020, Tognoli e.a./Parlement (T‑395/19, T‑396/19, T‑405/19, T‑408/19, T‑419/19, T‑423/19, T‑424/19, T‑428/19, T‑433/19, T‑437/19, T‑443/19, T‑455/19, T‑458/19–T‑462/19, T‑464/19, T‑469/19 en T‑477/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:302; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht hun beroepen tot nietigverklaring kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Die beroepen waren gericht tegen de nota’s van 11 april 2019 die zijn vastgesteld door het hoofd van de afdeling „Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden” van het directoraat-generaal Financiën van het Europees Parlement en die betrekking hebben op de aanpassing van het bedrag van hun pensioenen na de inwerkingtreding, op 1 januari 2019, van besluit nr. 14/2018 van het Ufficio di Presidenza della Camera dei deputati (bureau van het voorzitterschap van de tweede kamer, Italië) (hierna: „litigieuze nota’s”).

Voorgeschiedenis van het geding

2 Rekwiranten zijn hetzij in Italië verkozen oud-leden van het Europees Parlement hetzij nabestaande echtgenoten van oud-leden van die instelling. Elk van hen ontvangt in die hoedanigheid een ouderdomspensioen of een overlevingspensioen.

3 Op 12 juli 2018 heeft het bureau van het voorzitterschap van de Italiaanse tweede kamer besloten het bedrag van de pensioenen van oud-leden van deze kamer met betrekking tot de jaren tot en met 31 december 2011 waarin zij parlementslid waren, opnieuw te berekenen volgens het bijdragestelsel (hierna: „besluit nr. 14/2018”).

4 Via een toelichting die als bijlage bij hun pensioenspecificaties van de maand januari 2019 was gevoegd, heeft het Parlement rekwiranten ervan in kennis gesteld dat het bedrag van hun pensioenen ter uitvoering van besluit nr. 14/2018 kon worden herzien en dat deze herberekening eventueel aanleiding kon geven tot een terugvordering van de ten onrechte uitgekeerde bedragen.

5 Bij een niet-gedateerde nota van het hoofd van de afdeling „Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden” van het DG Financiën van het Parlement, die als bijlage bij hun pensioenspecificaties van de maand februari 2019 was gevoegd, heeft het Parlement rekwiranten om te beginnen meegedeeld dat de juridische dienst van het Parlement had bevestigd dat besluit nr. 14/2018 automatisch op hun situatie van toepassing was. In die nota stond verder dat het Parlement, zodra het de noodzakelijke informatie zou hebben verkregen van de Camera dei deputati (tweede kamer, Italië), rekwiranten in kennis zou stellen van hun nieuwe pensioenrechten en over de komende twaalf maanden zou overgaan tot terugvordering van het eventueel te veel ontvangen bedrag. Ten slotte werd rekwiranten in deze nota meegedeeld dat hun pensioenrechten definitief zouden worden vastgesteld bij een formele handeling, waartegen een klacht kon worden ingediend dan wel een beroep tot nietigverklaring kon worden ingesteld op grond van artikel 263 VWEU.

6 Vervolgens heeft dat afdelingshoofd rekwiranten er bij de litigieuze nota’s van in kennis gesteld dat het bedrag van hun pensioenen zou worden aangepast ten belope van het bedrag van de krachtens besluit nr. 14/2018 doorgevoerde verlaging van soortgelijke in Italië aan oud-leden van het Italiaanse parlement uitgekeerde pensioenen. In die nota’s werd ook vermeld dat het bedrag van de pensioenen van rekwiranten vanaf april 2019 zou worden aangepast overeenkomstig de ontwerpen tot vaststelling van de nieuwe pensioenrechten, die als bijlage bij de betreffende nota’s waren gevoegd. Voorts werd rekwiranten in die nota’s meegedeeld dat hun vanaf de ontvangst van de nota’s een termijn van 30 dagen werd verleend om hun opmerkingen te maken. Indien binnen de gestelde termijn geen opmerkingen werden gemaakt, zouden de litigieuze nota’s worden geacht definitieve gevolgen in het leven te roepen, die met name zouden inhouden dat de over de maanden januari tot en met maart 2019 ten onrechte ontvangen bedragen zouden worden teruggevorderd.

7 Bij tussen 13 mei en 4 juni 2019 verstuurde e-mails hebben rekwiranten hun opmerkingen verstuurd aan de bevoegde dienst van het Parlement. Bij tussen 22 mei en 24 juni 2019 verstuurde e-mails heeft het Parlement de ontvangst van deze opmerkingen bevestigd en rekwiranten erop gewezen dat zij na beoordeling van hun argumenten een antwoord zouden krijgen.

8 Nadat bij het Gerecht beroep was ingesteld, heeft het hoofd van de afdeling „Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden” van het DG Financiën van het Parlement rekwiranten bij brieven van 20 juni (zaak T‑396/19), 8 juli (zaken T‑405/19, T‑408/19, T‑443/19 en T‑464/19), 15 juli (zaken T‑419/19, T‑433/19, T‑455/19, T‑458/19‑T‑462/19, T‑469/19 en T‑477/19) en 23 juli 2019 (zaken T‑395/19, T‑423/19, T‑424/19 en T‑428/19) meegedeeld dat de door rekwiranten gemaakte opmerkingen geen elementen bevatten die een herziening van het standpunt van het Parlement zoals dat in de litigieuze nota’s was verwoord konden rechtvaardigen, en dat bijgevolg de pensioenrechten alsmede het plan voor de terugvordering van het onverschuldigd betaalde, zoals herberekend en als bijlage bij deze nota’s toegezonden, definitief waren geworden.

9 Wegens de specifieke situatie van Eugenio Melandri, die om een uitzondering had verzocht op basis van de hoogte van zijn inkomsten, had het Parlement op de datum van de bestreden beschikking geen definitieve beslissing over zijn situatie genomen.

Beroepen bij het Gerecht en bestreden beschikking

10 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 juni en 8 juli 2019, hebben rekwiranten beroepen tot nietigverklaring van de litigieuze nota’s ingesteld.

11 Op 16, 19 en 24 september 2019 heeft het Parlement bij afzonderlijke akten excepties van niet-ontvankelijkheid van die beroepen opgeworpen.

12 Tussen 19 september en 4 oktober 2019 hebben rekwiranten, met uitzondering van Emma Allione en Melandri, memories houdende aanpassing van hun respectieve verzoekschriften ingediend.

13 Op 15 januari 2020 heeft het Gerecht beslist de respectieve beroepen tot nietigverklaring die rekwiranten hadden ingesteld, ter behandeling te voegen.

14 Bij de bestreden beschikking, die is vastgesteld overeenkomstig artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft het Gerecht de door rekwiranten ingestelde beroepen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

15 Het Gerecht heeft om te beginnen in punt 57 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de litigieuze nota’s geen bezwarende handelingen waren en bijgevolg niet vatbaar waren voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 263 VWEU. Derhalve heeft het Gerecht in punt 63 van de bestreden beschikking de vordering van rekwiranten, die strekt tot nietigverklaring van die nota’s, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

16 Ter rechtvaardiging van die beoordeling heeft het Gerecht in de eerste plaats in de punten 51 tot en met 53 van de bestreden beschikking gepreciseerd dat de omstandigheid dat de nieuwe methode voor de berekening van pensioenen vanaf april 2019 van toepassing was, niet volstond om vast te stellen dat het Parlement daarover een definitief standpunt had ingenomen. Ten eerste bleek uit de litigieuze nota’s duidelijk dat het ging om een ontwerp. Ten tweede stond in die nota’s dat zij pas definitief zouden worden indien de geadresseerden binnen een termijn van 30 dagen vanaf de ontvangst ervan geen opmerkingen hadden gemaakt. Rekwiranten hadden binnen die termijn echter wel degelijk opmerkingen gemaakt.

17 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 56 en 60 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de latere in punt 8 van het onderhavige arrest bedoelde brieven van het Parlement definitieve standpunten van die instelling ten aanzien van rekwiranten vormden en niet konden worden beschouwd als handelingen die de litigieuze nota’s louter bevestigden.

18 In de derde plaats heeft het Gerecht in de punten 61 en 62 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de omstandigheid dat in de litigieuze nota’s niet werd vermeld binnen welke termijn het Parlement op de opmerkingen van rekwiranten zou antwoorden, irrelevant was, net als de grieven inzake ontoereikende motivering en schending van het evenredigheidsbeginsel.

19 Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 66 en 67 van de bestreden beschikking de vordering van rekwiranten tot nietigverklaring van de besluiten die worden uitgedrukt in de in punt 8 van het onderhavige arrest bedoelde brieven, afgewezen. In dit verband heeft het Gerecht geoordeeld dat de door rekwiranten ingediende memories houdende aanpassing kennelijk niet-ontvankelijk waren, aangezien een partij de conclusies en de middelen van zijn oorspronkelijk beroep slechts kan aanpassen indien dat beroep zelf ontvankelijk is op de datum dat het wordt ingesteld.

20 Ten slotte heeft het Gerecht in punt 74 van de bestreden beschikking de vordering van rekwiranten, die ertoe strekt het Parlement te laten veroordelen tot uitkering van de ten onrechte ingehouden bedragen, afgewezen omdat die vordering kennelijk niet-ontvankelijk was.

Conclusies van partijen

21 Met hun hogere voorziening verzoeken rekwiranten het Hof: – de bestreden beschikking te vernietigen; – de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en – het Parlement te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en de beslissing omtrent de kosten van de procedure bij het Gerecht aan te houden.

22 Het Parlement verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en – rekwiranten te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening.

Hogere voorziening

Argumenten van partijen

23 Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwiranten drie middelen aan die respectievelijk betrekking hebben op een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de beoordeling of de litigieuze nota’s vatbaar zijn voor beroep, een onjuiste uitlegging van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, schending van het beginsel van hoor en wederhoor en een onjuiste uitlegging van artikel 126 van voormeld Reglement voor de procesvoering. Het tweede en het derde middel worden subsidiair aangevoerd.

24 Gelet op de argumenten die rekwiranten ter onderbouwing van hun middelen aanvoeren, moeten zij worden geacht vernietiging van de bestreden beschikking te vorderen voor zover het Gerecht daarbij hun vorderingen tot nietigverklaring van de litigieuze nota’s en van de besluiten die worden uitgedrukt in de in punt 8 van het onderhavige arrest bedoelde brieven, heeft afgewezen.

25 Met hun eerste middel voeren rekwiranten aan dat de litigieuze nota’s voor beroep vatbare handelingen zijn.

26 Volgens rekwiranten blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het essentiële criterium om te bepalen of een handeling vatbaar is voor beroep betrekking heeft op de rechtsgevolgen van die handeling en niet op het definitieve karakter ervan. Handelingen van voorlopige aard zijn dan ook als voor beroep vatbaar beschouwd omdat zij rechtsgevolgen in het leven riepen.

27 Rekwiranten stellen in dit verband dat de litigieuze nota’s vanaf april 2019 hun effect hebben gesorteerd. Voorts berokkenen deze nota’s rekwiranten zeer ernstige schade, die achteraf niet volledig kan worden hersteld. Bovendien berust de voorlopige aard van die nota’s niet op een bepaalde rechtsgrondslag.

28 Tevens voeren rekwiranten subsidiair aan dat zij uit geen enkel duidelijk element konden afleiden dat op de litigieuze nota’s besluiten zouden volgen die niet louter bevestigend zouden zijn. Het bevestigende karakter van de besluiten blijkt volgens hen overigens uit de antwoorden van het Parlement op de opmerkingen die zij hebben gemaakt, aangezien het Parlement zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de in die opmerkingen aangevoerde argumenten.

29 Volgens rekwiranten is het ook onlogisch om aan te nemen dat de aard van de litigieuze nota’s kan verschillen naargelang al dan niet opmerkingen worden gemaakt. In het eerste geval heeft de indiening van opmerkingen immers enkel tot gevolg dat de datum waarop de handeling definitief wordt, wordt gewijzigd, maar blijft de handeling in kwestie dezelfde. In het tweede geval wordt de betrokken handeling een definitieve handeling zonder dat enig aanvullend element noodzakelijk is.

30 Het Parlement stelt dat de verlaging van het bedrag van de pensioenen van rekwiranten voorlopig van aard was en dat deze verlaging op basis van de door rekwiranten gemaakte opmerkingen had kunnen worden herzien, zonder dat het ontbreken van een rechtsgrondslag in dit verband relevant is. Het voorlopige karakter blijkt duidelijk uit de bewoordingen van de litigieuze nota’s en uit de mogelijkheid die rekwiranten hadden om opmerkingen te maken voordat deze nota’s definitief werden, een mogelijkheid waarvan zij juist gebruik hebben gemaakt. Het definitieve standpunt van het Parlement is pas later vastgesteld.

31 Rekwiranten geven een onvolledige lezing van de rechtspraak van het Hof, waaruit volgt dat het beslissende criterium om een tussenbesluit als voor beroep vatbare handeling aan te merken, erin bestaat dat het beroep tegen het eindbesluit onvoldoende rechterlijke bescherming waarborgt. In casu zou het instellen van beroep tegen het uiteindelijk door het Parlement vastgestelde besluit echter wel een dergelijke bescherming hebben kunnen bieden.

32 Bovendien zijn de door het Parlement vastgestelde eindbesluiten niet louter bevestigend, aangezien zij berusten op een analyse van de argumenten die rekwiranten in hun opmerkingen hebben aangevoerd. Dat in de litigieuze nota’s niet is vermeld binnen welke termijn op de opmerkingen zou worden geantwoord, is in deze context irrelevant.

Beoordeling door het Hof

33 Zoals het Gerecht in punt 49 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt, blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat als „voor beroep vatbare handelingen” in de zin van artikel 263 VWEU alle door de instellingen vastgestelde bepalingen, ongeacht de vorm daarvan, worden aangemerkt die tot doel hebben bindende rechtsgevolgen te sorteren (arresten van 20 februari 2018, België/Commissie, C‑16/16 P, EU:C:2018:79, punt 31, en 9 juli 2020, Tsjechië/Commissie, C‑575/18 P, EU:C:2020:530, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Om vast te stellen of de bestreden handeling dergelijke rechtsgevolgen sorteert, moet worden gekeken naar de kern van deze handeling en moeten die gevolgen worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria, zoals de inhoud van die handeling, waarbij in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de context waarin en de bevoegdheden van de instelling die de handeling heeft vastgesteld (arresten van 20 februari 2018, België/Commissie, C‑16/16 P, EU:C:2018:79, punt 32, en 9 juli 2020, Tsjechië/Commissie, C‑575/18 P, EU:C:2020:530, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Tevens zij eraan herinnerd dat – zoals het Gerecht in punt 50 van de bestreden beschikking in wezen heeft benadrukt – tussenmaatregelen die in een uit meerdere fasen bestaande procedure ertoe strekken het eindbesluit voor te bereiden, in beginsel geen handelingen vormen waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld (zie in die zin arrest van 3 juni 2021, Hongarije/Parlement, C‑650/18, EU:C:2021:426, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Bij dergelijke tussenhandelingen gaat het in de eerste plaats om handelingen die een voorlopig standpunt van de betrokken instelling uitdrukken (arrest van 3 juni 2021, Hongarije/Parlement, C‑650/18, EU:C:2021:426, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 In de punten 51 tot en met 55 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht vastgesteld dat het definitieve standpunt van het Parlement niet in de litigieuze nota’s was vastgelegd, aangezien het in die nota’s ingenomen standpunt kon worden gewijzigd teneinde rekening te houden met de in de opmerkingen van rekwiranten vervatte elementen.

38 In dit verband kan niet worden ingestemd met het door rekwiranten aangevoerde argument dat de litigieuze nota’s niet voorlopig van aard waren omdat het Parlement uiteindelijk van mening was dat het niet bevoegd was om kennis te nemen van de in die opmerkingen aangevoerde argumenten.

39 Ten eerste heeft het Parlement met de aanname dat het niet aan hem stond om te beslissen over de rechtmatigheid van besluit nr. 14/2018, zich uitgesproken over de relevantie van de door rekwiranten gemaakte opmerkingen en heeft het zijn oorspronkelijke besluiten dus opnieuw beoordeeld in het licht van die opmerkingen.

40 Ten tweede kan de kwalificatie van de litigieuze nota’s als voorbereidende handeling hoe dan ook niet afhangen van de motivering van later door het Parlement vastgestelde besluiten.

41 De constatering dat een handeling van een instelling een tussenmaatregel is die niet het definitieve standpunt van een instelling uitdrukt, kan echter niet volstaan om stelselmatig vast te stellen dat die handeling geen „voor beroep vatbare handeling” in de zin van artikel 263 VWEU vormt.

42 Zo volgt uit de rechtspraak van het Hof dat tegen een tussenhandeling die autonome rechtsgevolgen in het leven roept wel beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld, voor zover de aan die handeling klevende onrechtmatigheid niet kan worden weggenomen in het kader van een beroep tegen het definitieve besluit ter voorbereiding waarvan zij is vastgesteld (arrest van 3 juni 2021, Hongarije/Parlement, C‑650/18, EU:C:2021:426, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Wanneer de betwisting van de rechtmatigheid van een tussenhandeling in het kader van een dergelijk beroep de verzoeker geen effectieve rechterlijke bescherming tegen de gevolgen van deze handeling kan waarborgen, moet tegen die handeling bijgevolg een beroep tot nietigverklaring kunnen worden ingesteld op grond van artikel 263 VWEU (zie in die zin arresten van 9 oktober 2001, Italië/Commissie, C‑400/99, EU:C:2001:528, punt 63; 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 56, en 3 juni 2021, Hongarije/Parlement, C‑650/18, EU:C:2021:426, punt 48).

44 In casu moet worden benadrukt dat de litigieuze nota’s – zoals het Gerecht in punt 51 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld en zoals rekwiranten in hun hogere voorziening aanvoeren – vanaf april 2019 tot een onmiddellijke verlaging van het bedrag van de pensioenen van rekwiranten leidden, aangezien de toepassing van die verlaging niet was opgeschort in afwachting van de uitkomst van de door het Parlement gevoerde procedure.

45 Hieruit volgt dat de litigieuze nota’s als zodanig autonome rechtsgevolgen voor de vermogenssituatie van rekwiranten in het leven hebben geroepen.

46 Dergelijke gevolgen kunnen niet worden gelijkgesteld met de procedurele gevolgen van handelingen die een voorlopig standpunt van de Europese Commissie uitdrukken of met de gevolgen van dergelijke handelingen waarvan is vastgesteld dat zij geen afbreuk doen aan de belangen van de betrokken personen, welke soorten gevolgen volgens het Hof niet kunnen leiden tot ontvankelijkheid van een tegen dergelijke handelingen ingesteld beroep tot nietigverklaring (zie in die zin arrest van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punten 17 en 18).

47 Het door het Gerecht in punt 56 van de bestreden beschikking genoemde feit dat uit de litigieuze nota’s blijkt dat het Parlement de voor de maanden januari tot en met maart 2019 ontvangen bedragen slechts zou hebben teruggevorderd indien rekwiranten binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van die nota’s geen opmerkingen hadden ingediend, kan er niet aan afdoen dat die nota’s onmiddellijk rechtsgevolgen in het leven hebben geroepen.

48 Hoewel in de litigieuze nota’s werd gesteld dat het Parlement na de ontvangst van de opmerkingen van rekwiranten een definitief standpunt moest innemen, staat het bovendien vast dat dit geenszins binnen een bepaalde termijn moest gebeuren.

49 De autonome rechtsgevolgen van de litigieuze nota’s konden dus voortduren gedurende een potentieel lange periode, waarvan het einde niet a priori was bepaald.

50 Uit de bestreden beschikking en de door het Parlement verstrekte informatie blijkt overigens dat die instelling met betrekking tot een van de rekwiranten pas acht maanden nadat deze de hem betreffende nota had ontvangen een definitief standpunt heeft ingenomen.

51 Aangezien de blijvende verlaging van het pensioenbedrag potentieel onomkeerbare gevolgen voor de situatie van de betrokkene kan hebben, moesten rekwiranten dan ook over de mogelijkheid beschikken om effectief beroep tegen de litigieuze nota’s in te stellen en aldus te verhinderen dat hun pensioen zou worden verlaagd (zie naar analogie arresten van 30 juni 1992, Italië/Commissie, C‑47/91, EU:C:1992:284, punt 28, en 9 oktober 2001, Italië/Commissie, C‑400/99, EU:C:2001:528, punt 63).

52 Hieruit volgt dat het instellen van een beroep tot nietigverklaring van de definitieve besluiten die het Parlement moest vaststellen na ontvangst van de opmerkingen van rekwiranten, hun geen garantie van effectieve rechterlijke bescherming bood.

53 De mogelijkheid waarover de betrokkenen bij gebreke van antwoord van het Parlement op de door hen gemaakte opmerkingen beschikken om een beroep wegens nalaten tegen het Parlement in te stellen, biedt hun evenmin effectieve rechterlijke bescherming.

54 Het is juist dat het Parlement binnen een redelijke termijn op dergelijke opmerkingen dient te antwoorden (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB, C‑334/12 RX-II, EU:C:2013:134, punt 28), en de betrokken personen bijgevolg het recht hebben om een beroep wegens nalaten in te stellen indien die instelling niet aan die verplichting voldoet.

55 Daarenboven heeft het Hof reeds geoordeeld dat de mogelijkheid om een dergelijk beroep wegens nalaten in te stellen, kan volstaan om uit te sluiten dat de Commissie blijvend stilzit nadat die instelling een tussenmaatregel heeft vastgesteld (zie in die zin arrest van 18 maart 1997, Guérin automobiles/Commissie, C‑282/95 P, EU:C:1997:159, punt 38).

56 Deze overwegingen kunnen in casu echter niet beslissend zijn, aangezien ten eerste, een tegen het Parlement ingesteld beroep wegens nalaten niet kan afdoen aan de autonome rechtsgevolgen van de litigieuze nota’s en ten tweede, de termijnen die nodig zijn om een dergelijk beroep en vervolgens, in voorkomend geval, een beroep tot nietigverklaring te kunnen behandelen, buitensporig zijn in een context waarin die nota’s onmiddellijk leiden tot een verlaging van de aan natuurlijke personen uitgekeerde pensioenbedragen.

57 Gelet op een en ander heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 57 van de bestreden beschikking te oordelen dat op basis van de voorlopige aard van de litigieuze nota’s kon worden geoordeeld dat deze nota’s geen bezwarende handelingen vormden en bijgevolg niet vatbaar waren voor beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU.

58 Derhalve moet het eerste middel worden aanvaard en moet de bestreden beschikking worden vernietigd voor zover daarbij de vordering van rekwiranten die strekt tot nietigverklaring van de litigieuze nota’s, is afgewezen.

59 Hieruit volgt eveneens dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd voor zover daarbij de vordering van rekwiranten die strekt tot nietigverklaring van de besluiten die worden uitgedrukt in de in punt 8 het onderhavige arrest bedoelde brieven, is afgewezen, aangezien de afwijzing van die vordering uitsluitend is gebaseerd op de niet-ontvankelijkheid van de vordering van rekwiranten die strekt tot nietigverklaring van de litigieuze nota’s.

60 Derhalve hoeven het tweede en het derde middel niet te worden onderzocht, aangezien zij hoe dan ook niet kunnen leiden tot een verder strekkende vernietiging van de bestreden beschikking.

Beroepen bij het Gerecht

61 Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel de zaak voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht.

62 In de eerste plaats heeft het Parlement met zijn bij het Gerecht opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid enkel betoogd dat de door rekwiranten ingestelde beroepen tot nietigverklaring niet-ontvankelijk waren omdat de litigieuze nota’s voorbereidende handelingen vormden, zodat die excepties van niet-ontvankelijkheid om de in de punten 41 tot en met 57 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen moeten worden verworpen.

63 In de tweede plaats hebben de beoordelingen van het Gerecht uitsluitend betrekking op de ontvankelijkheid van de beroepen en heeft het Gerecht die beroepen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan, zodat het Hof niet beschikt over de gegevens die het nodig heeft om definitief uitspraak te doen op die beroepen.

64 Bijgevolg moeten de zaken worden terugverwezen naar het Gerecht voor een uitspraak over de vorderingen van rekwiranten die strekken tot nietigverklaring van de litigieuze nota’s en van de besluiten die worden uitgedrukt in de in punt 8 van het onderhavige arrest bedoelde brieven.

Kosten

65 De zaken worden terugverwezen naar het Gerecht, zodat de beslissing omtrent de kosten dient te worden aangehouden.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart:

1) De beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 3 juli 2020, Tognoli e.a./Parlement (T‑395/19, T‑396/19, T‑405/19, T‑408/19, T‑419/19, T‑423/19, T‑424/19, T‑428/19, T‑433/19, T‑437/19, T‑443/19, T‑455/19, T‑458/19–T‑462/19, T‑464/19, T‑469/19 en T‑477/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:302), wordt vernietigd voor zover daarbij de door Carlo Tognoli e.a. geformuleerde vorderingen zijn afgewezen die strekken tot nietigverklaring van de nota’s van 11 april 2019 die zijn vastgesteld door het hoofd van de afdeling „Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden” van het directoraat-generaal Financiën van het Europees Parlement en betrekking hebben op de aanpassing van het bedrag van de pensioenen van de betrokkenen na de inwerkingtreding, op 1 januari 2019, van besluit nr. 14/2018 van het Ufficio di Presidenza della Camera dei deputati (bureau van het voorzitterschap van de tweede kamer, Italië), en van de in de brieven van 20 juni (zaak T‑396/19), 8 juli (zaken T‑405/19, T‑408/19, T‑443/19 en T‑464/19), 15 juli (zaken T‑419/19, T‑433/19, T‑455/19, T‑458/19–T‑462/19, T‑469/19 en T‑477/19) en 23 juli 2019 (zaken T‑395/19, T‑423/19, T‑424/19 en T‑428/19) uitgedrukte besluiten van het Europees Parlement.

2) De door het Europees Parlement bij het Gerecht van de Europese Unie opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.

3) De zaken worden terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie voor een uitspraak over de door Carlo Tognoli e.a. geformuleerde vorderingen tot nietigverklaring van die nota’s en van die besluiten.

4) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in