HvJ EU 6 oktober 2021, C-408/20, ECLI:EU:C:2021:806

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

6 oktober 2021 ( *1 )

„Hogere voorziening – Institutioneel recht – Eén statuut voor leden van het Europees Parlement – In Italiaanse kiesdistricten verkozen leden van het Europees Parlement – Wijziging van de pensioenrechten – Bezwarende handeling – Voorlopig standpunt – Autonome rechtsgevolgen”

In zaak C‑408/20 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 1 september 2020,

Danilo Poggiolini, woonachtig te Rome (Italië), vertegenwoordigd door F. Sorrentino, A. Sandulli en B. Cimino, avvocati,

rekwirant,

andere partij in de procedure:

Europees Parlement, vertegenwoordigd door S. Alves en S. Seyr als gemachtigden,

verweerder in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, L. Bay Larsen (rapporteur), C. Toader, M. Safjan en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juli 2021,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn hogere voorziening verzoekt Danilo Poggiolini om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 3 juli 2020, Falqui en Poggiolini/Parlement (T‑347/19 en T‑348/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:303; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht zijn beroep tot nietigverklaring kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat beroep was gericht tegen de nota van 11 april 2019 die is vastgesteld door het hoofd van de afdeling „Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden” van het directoraat-generaal Financiën van het Europees Parlement en die betrekking heeft op de aanpassing van zijn pensioenbedrag na de inwerkingtreding, op 1 januari 2019, van besluit nr. 14/2018 van het Ufficio di Presidenza della Camera dei deputati (bureau van het voorzitterschap van de tweede kamer, Italië) (hierna: „litigieuze nota”).

Voorgeschiedenis van het geding

2 Poggiolini is een in Italië verkozen oud-lid van het Europees Parlement. Hij geniet uit dien hoofde een ouderdomspensioen.

3 Op 12 juli 2018 heeft het bureau van het voorzitterschap van de Italiaanse tweede kamer besloten het pensioenbedrag van oud-leden van deze kamer met betrekking tot de jaren tot en met 31 december 2011 waarin zij parlementslid waren, opnieuw te berekenen volgens het bijdragestelsel (hierna: „besluit nr. 14/2018”).

4 Via een toelichting die als bijlage bij zijn pensioenspecificatie van de maand januari 2019 was gevoegd, heeft het Parlement rekwirant ervan in kennis gesteld dat het bedrag van zijn pensioen ter uitvoering van besluit nr. 14/2018 kon worden herzien en dat deze herberekening eventueel aanleiding kon geven tot een terugvordering van de ten onrechte uitgekeerde bedragen.

5 Bij een niet-gedateerde nota van het hoofd van de afdeling „Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden” van het DG Financiën van het Parlement, die als bijlage bij zijn pensioenspecificatie van de maand februari 2019 was gevoegd, heeft het Parlement rekwirant om te beginnen meegedeeld dat de juridische dienst van het Parlement had bevestigd dat besluit nr. 14/2018 automatisch op zijn situatie van toepassing was. In die nota stond verder dat het Parlement, zodra het de noodzakelijke informatie zou hebben verkregen van de Camera dei deputati (tweede kamer, Italië), rekwirant in kennis zou stellen van zijn nieuwe pensioenrechten en over de komende twaalf maanden zou overgaan tot terugvordering van het eventueel te veel ontvangen bedrag. Ten slotte werd rekwirant in deze nota meegedeeld dat zijn pensioenrecht definitief zou worden vastgesteld bij een formele handeling, waartegen een klacht kon worden ingediend dan wel een beroep tot nietigverklaring kon worden ingesteld op grond van artikel 263 VWEU.

6 Vervolgens heeft dat afdelingshoofd rekwirant er bij de litigieuze nota van in kennis gesteld dat het bedrag van zijn pensioen zou worden aangepast ten belope van het bedrag van de krachtens besluit nr. 14/2018 doorgevoerde verlaging van soortgelijke in Italië aan oud-leden van het Italiaanse parlement uitgekeerde pensioenen. In die nota werd ook vermeld dat het pensioenbedrag van rekwirant vanaf april 2019 zou worden aangepast overeenkomstig het ontwerp tot vaststelling van het nieuwe pensioenrecht, dat als bijlage bij de betreffende nota was gevoegd. Voorts werd rekwirant in die nota meegedeeld dat hem vanaf de ontvangst van de nota een termijn van 30 dagen werd verleend om zijn opmerkingen te maken. Indien binnen de gestelde termijn geen opmerkingen werden gemaakt, zou de litigieuze nota worden geacht definitieve gevolgen in het leven te roepen, die met name zouden inhouden dat de over de maanden januari tot en met maart 2019 ten onrechte ontvangen bedragen zouden worden teruggevorderd.

7 Bij e-mail van 22 mei 2019 heeft rekwirant zijn opmerkingen verstuurd aan de bevoegde dienst van het Parlement. Bij e-mail van diezelfde dag heeft het Parlement de ontvangst van deze opmerkingen bevestigd en rekwirant erop gewezen dat hij na beoordeling van zijn argumenten een antwoord zou krijgen.

8 Nadat bij het Gerecht beroep was ingesteld, heeft het hoofd van de afdeling „Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden” van het DG Financiën van het Parlement rekwirant bij schrijven van 8 juli 2019 geantwoord op de door hem gemaakte opmerkingen en hem meegedeeld dat die opmerkingen geen elementen bevatten die een herziening van het standpunt van het Parlement zoals dat in de litigieuze nota was verwoord konden rechtvaardigen, en dat bijgevolg het pensioenrecht alsmede het plan voor de terugvordering van het onverschuldigd betaalde, zoals herberekend en als bijlage bij deze nota toegezonden, definitief waren geworden op de datum van betekening van dat schrijven.

Beroep bij het Gerecht en bestreden beschikking

9 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 juni 2019, heeft rekwirant beroep tot nietigverklaring van de litigieuze nota ingesteld.

10 Op 29 augustus 2019 heeft het Parlement bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid van dat beroep opgeworpen.

11 Op 6 september 2019 heeft rekwirant een memorie houdende aanpassing van zijn verzoekschrift ingediend.

12 Op 20 januari 2020 heeft het Gerecht beslist de behandeling van het door Poggiolini ingestelde beroep tot nietigverklaring, dat is ingeschreven onder nummer T‑348/19, te voegen met de behandeling van het beroep dat is ingeschreven onder nummer T‑347/19 en dat is ingesteld door een andere verzoeker, eveneens een oud-lid van het Parlement.

13 Bij de bestreden beschikking, die is vastgesteld overeenkomstig artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft het Gerecht beide beroepen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

14 Het Gerecht heeft om te beginnen in punt 53 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de litigieuze nota geen bezwarende handeling was en bijgevolg niet vatbaar was voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 263 VWEU. Derhalve heeft het Gerecht in punt 59 van de bestreden beschikking de eerste vordering van rekwirant, die strekt tot nietigverklaring van die nota, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

15 Ter rechtvaardiging van die beoordeling heeft het Gerecht in de eerste plaats in de punten 47 tot en met 49 van de bestreden beschikking gepreciseerd dat de omstandigheid dat de nieuwe methode voor de berekening van pensioenen vanaf april 2019 van toepassing was, niet volstond om vast te stellen dat het Parlement daarover een definitief standpunt had ingenomen. Ten eerste bleek uit de litigieuze nota duidelijk dat het ging om een ontwerp. Ten tweede stond in die nota dat zij pas definitief zou worden indien de geadresseerde binnen een termijn van 30 dagen vanaf de ontvangst ervan geen opmerkingen had gemaakt. Rekwirant had binnen die termijn echter wel degelijk opmerkingen gemaakt.

16 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 52 en 56 van de bestreden beschikking geoordeeld dat het schrijven van het Parlement van 8 juli 2019 het definitieve standpunt van het Parlement ten aanzien van rekwirant vormde en niet kon worden beschouwd als een handeling die de litigieuze nota louter bevestigde.

17 In de derde plaats heeft het Gerecht in punt 57 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de niet-ontvankelijkheid van het tegen de litigieuze nota ingestelde beroep geen afbreuk kon doen aan het recht op effectieve rechterlijke bescherming, aangezien het inroepen van dat recht niet ertoe kon leiden dat de uitdrukkelijk in het VWEU vastgestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden voor beroepen buiten toepassing werden gelaten en voorts dat rekwirant het recht had om beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen het schrijven van 8 juli 2019.

18 In de vierde plaats heeft het Gerecht, in punt 58 van de bestreden beschikking, het betoog van rekwirant dat het Parlement zich kon onttrekken aan het toezicht van het Gerecht door niet op de over de litigieuze nota gemaakte opmerkingen te antwoorden, afgewezen door erop te wijzen dat het Parlement in casu wel op de gemaakte opmerkingen had geantwoord. Bovendien heeft het Gerecht erop gewezen dat de betrokken personen – ook indien het Parlement op dat punt onrechtmatig zou hebben nagelaten te handelen – hoe dan ook nog steeds de mogelijkheid hebben om een beroep wegens nalaten in te stellen teneinde het Parlement te dwingen zijn standpunt definitief vast te stellen.

19 Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 62 en 63 van de bestreden beschikking de tweede vordering van rekwirant, die strekt tot nietigverklaring van het in het schrijven van 8 juli 2019 uitgedrukte besluit, afgewezen. In dit verband heeft het Gerecht geoordeeld dat de door rekwirant ingediende memorie houdende aanpassing kennelijk niet-ontvankelijk was, aangezien een partij de conclusies en de middelen van zijn oorspronkelijk beroep slechts kan aanpassen indien dat beroep zelf ontvankelijk is op de datum dat het wordt ingesteld.

20 Ten slotte heeft het Gerecht in punt 67 van de bestreden beschikking de derde vordering van rekwirant, die ertoe strekt het Parlement te laten veroordelen tot uitkering van de ten onrechte ingehouden bedragen, afgewezen omdat die vordering kennelijk niet-ontvankelijk was.

Conclusies van partijen

21 Met zijn hogere voorziening verzoekt rekwirant het Hof: – de bestreden beschikking te vernietigen; – bijgevolg de litigieuze nota en de bij schrijven van 8 juli 2019 meegedeelde nota nietig te verklaren; – subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en – het Parlement te verwijzen in de kosten van beide instanties.

22 Het Parlement verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirant te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening.

Hogere voorziening

Argumenten van partijen

23 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan die betrekking hebben op onjuiste rechtsopvattingen waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven bij de respectieve beoordelingen of het Parlement de exceptie van niet-ontvankelijkheid te laat bij het Gerecht heeft opgeworpen, of de litigieuze nota vatbaar is voor beroep en of het in de memorie van aanpassing geformuleerde verzoek tot nietigverklaring ontvankelijk is.

24 Gelet op de argumenten die rekwirant ter onderbouwing van zijn middelen aanvoert, moet hij worden geacht vernietiging van de bestreden beschikking te vorderen voor zover het Gerecht daarbij zijn vorderingen tot nietigverklaring van de litigieuze nota en het in het schrijven van 8 juli 2019 uitgedrukte besluit heeft afgewezen.

25 Met zijn tweede middel, dat als eerste moet worden onderzocht, voert rekwirant aan dat de litigieuze nota een voor beroep vatbare handeling is en dat het Gerecht artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het recht op effectieve rechterlijke bescherming heeft geschonden door het tegen die nota ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren.

26 Rekwirant stelt in dit verband dat die nota niet slechts een voorbereidende handeling is, aangezien zij onmiddellijk rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen doordat zij sinds april 2019 heeft geleid tot een verlaging van het aan hem uitgekeerde pensioenbedrag.

27 Voorts voert rekwirant aan dat het indienen van opmerkingen louter een mogelijkheid was en dat, indien van deze mogelijkheid geen gebruik was gemaakt, het lagere pensioenbedrag na afloop van de in de litigieuze nota vermelde termijn van 30 dagen zonder verdere tussenkomst van de administratie in stand zou zijn gebleven. Hij betoogt dat hij in casu nog geen antwoord op zijn opmerkingen had ontvangen toen hij zijn beroep instelde, en dat hij gedwongen was te handelen om te voorkomen dat zijn rechten zouden vervallen.

28 De benadering van het Gerecht doet bovendien afbreuk aan het recht op effectieve rechterlijke bescherming. Ten eerste ontneemt zij rekwirant bescherming tegen een maatregel die rechtstreeks van invloed is op zijn situatie. Ten tweede stelt zij het Parlement in staat elk rechterlijk toezicht te vermijden door niet op de opmerkingen van de betrokkenen te antwoorden.

29 Het Parlement stelt in de eerste plaats dat de verlaging van het pensioenbedrag van rekwirant voorlopig van aard was en dat deze verlaging op basis van de door rekwirant gemaakte opmerkingen had kunnen worden herzien. Het voorlopige karakter blijkt duidelijk uit de bewoordingen van de litigieuze nota en uit de mogelijkheid die rekwirant had om opmerkingen te maken voordat deze nota definitief werd, een mogelijkheid waarvan hij juist gebruik heeft gemaakt. Het definitieve standpunt van het Parlement is pas later vastgesteld.

30 In de tweede plaats werd de rechterlijke bescherming van rekwirant gewaarborgd door de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het definitieve besluit, dat in het schrijven van 8 juli 2019 was vervat. De behandeling van dat beroep had in voorkomend geval tot nietigverklaring van de litigieuze nota kunnen leiden en had bijgevolg de gevolgen van die nota kunnen opheffen. In dit verband kan het risico dat het Parlement nalaat op de opmerkingen te antwoorden, worden uitgesloten om de in punt 58 van de bestreden beschikking genoemde reden.

Beoordeling door het Hof

31 Zoals het Gerecht in punt 45 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt, blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat als „voor beroep vatbare handelingen” in de zin van artikel 263 VWEU alle door de instellingen vastgestelde bepalingen, ongeacht de vorm daarvan, worden aangemerkt die tot doel hebben bindende rechtsgevolgen te sorteren (arresten van 20 februari 2018, België/Commissie, C‑16/16 P, EU:C:2018:79, punt 31, en 9 juli 2020, Tsjechië/Commissie, C‑575/18 P, EU:C:2020:530, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Om vast te stellen of de bestreden handeling dergelijke rechtsgevolgen sorteert, moet worden gekeken naar de kern van deze handeling en moeten die gevolgen worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria, zoals de inhoud van die handeling, waarbij in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de context waarin en de bevoegdheden van de instelling die de handeling heeft vastgesteld (arresten van 20 februari 2018, België/Commissie, C‑16/16 P, EU:C:2018:79, punt 32, en 9 juli 2020, Tsjechië/Commissie, C‑575/18 P, EU:C:2020:530, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Tevens zij eraan herinnerd dat – zoals het Gerecht in punt 46 van de bestreden beschikking in wezen heeft benadrukt – tussenmaatregelen die in een uit meerdere fasen bestaande procedure ertoe strekken het eindbesluit voor te bereiden, in beginsel geen handelingen vormen waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld (zie in die zin arrest van 3 juni 2021, Hongarije/Parlement, C‑650/18, EU:C:2021:426, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Bij dergelijke tussenhandelingen gaat het in de eerste plaats om handelingen die een voorlopig standpunt van de betrokken instelling uitdrukken (arrest van 3 juni 2021, Hongarije/Parlement, C‑650/18, EU:C:2021:426, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 In de punten 47 tot en met 51 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht vastgesteld dat het definitieve standpunt van het Parlement niet in de litigieuze nota was vastgelegd, aangezien het in die nota ingenomen standpunt kon worden gewijzigd teneinde rekening te houden met de in de opmerkingen van rekwirant vervatte elementen.

36 In dit verband kan niet worden ingestemd met het door rekwirant aangevoerde argument dat de litigieuze nota niet voorlopig van aard was omdat de gevolgen ervan definitief zouden worden indien hij binnen de in die nota gestelde termijn geen opmerkingen zou hebben gemaakt.

37 Zoals het Gerecht in punt 49 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld, heeft rekwirant namelijk vóór het verstrijken van die termijn opmerkingen ingediend, waardoor hij juist heeft verhinderd dat de gevolgen van de litigieuze nota definitief zouden worden.

38 De constatering dat een handeling van een instelling een tussenmaatregel is die niet het definitieve standpunt van een instelling uitdrukt, kan echter niet volstaan om stelselmatig vast te stellen dat die handeling geen „voor beroep vatbare handeling” in de zin van artikel 263 VWEU vormt.

39 Zo volgt uit de rechtspraak van het Hof dat tegen een tussenhandeling die autonome rechtsgevolgen in het leven roept wel beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld, voor zover de aan die handeling klevende onrechtmatigheid niet kan worden weggenomen in het kader van een beroep tegen het definitieve besluit ter voorbereiding waarvan zij is vastgesteld (arrest van 3 juni 2021, Hongarije/Parlement, C‑650/18, EU:C:2021:426, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Wanneer de betwisting van de rechtmatigheid van een tussenhandeling in het kader van een dergelijk beroep de verzoeker geen effectieve rechterlijke bescherming tegen de gevolgen van deze handeling kan waarborgen, moet tegen die handeling bijgevolg een beroep tot nietigverklaring kunnen worden ingesteld op grond van artikel 263 VWEU (zie in die zin arresten van 9 oktober 2001, Italië/Commissie, C‑400/99, EU:C:2001:528, punt 63; 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 56, en 3 juni 2021, Hongarije/Parlement, C‑650/18, EU:C:2021:426, punt 48).

41 In casu moet worden benadrukt dat de litigieuze nota – zoals het Gerecht in punt 47 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld en zoals rekwirant in zijn hogere voorziening aanvoert – vanaf april 2019 tot een onmiddellijke verlaging van het pensioenbedrag van rekwirant leidde, aangezien de toepassing van die verlaging niet was opgeschort in afwachting van de uitkomst van de door het Parlement gevoerde procedure.

42 Hieruit volgt dat de litigieuze nota als zodanig autonome rechtsgevolgen voor de vermogenssituatie van rekwirant in het leven heeft geroepen.

43 Dergelijke gevolgen kunnen niet worden gelijkgesteld met de procedurele gevolgen van handelingen die een voorlopig standpunt van de Europese Commissie uitdrukken of met de gevolgen van dergelijke handelingen waarvan is vastgesteld dat zij geen afbreuk doen aan de belangen van de betrokken personen, welke soorten gevolgen volgens het Hof niet kunnen leiden tot ontvankelijkheid van een tegen dergelijke handelingen ingesteld beroep tot nietigverklaring (zie in die zin arrest van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punten 17 en 18).

44 Het door het Gerecht in punt 50 van de bestreden beschikking genoemde feit dat uit de litigieuze nota blijkt dat het Parlement de voor de maanden januari tot en met maart 2019 ontvangen bedragen slechts zou hebben teruggevorderd indien rekwirant binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van die nota geen opmerkingen had ingediend, kan er niet aan afdoen dat die nota onmiddellijk rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen.

45 Hoewel in de litigieuze nota werd gesteld dat het Parlement na de ontvangst van de opmerkingen van rekwirant een definitief standpunt moest innemen, staat het bovendien vast dat dit geenszins binnen een bepaalde termijn moest gebeuren.

46 De autonome rechtsgevolgen van de litigieuze nota konden dus voortduren gedurende een potentieel lange periode, waarvan het einde niet a priori was bepaald.

47 Aangezien de blijvende verlaging van het pensioenbedrag potentieel onomkeerbare gevolgen voor de situatie van de betrokkene kan hebben, moest rekwirant dan ook over de mogelijkheid beschikken om effectief beroep tegen de litigieuze nota in te stellen en aldus te verhinderen dat zijn pensioen zou worden verlaagd (zie naar analogie arresten van 30 juni 1992, Italië/Commissie, C‑47/91, EU:C:1992:284, punt 28, en 9 oktober 2001, Italië/Commissie, C‑400/99, EU:C:2001:528, punt 63).

48 Anders dan het Gerecht in punt 57 van de bestreden beschikking heeft geoordeeld, volgt hieruit dat het instellen van een beroep tot nietigverklaring van het definitieve besluit dat het Parlement moest vaststellen na ontvangst van de opmerkingen van rekwirant, hem geen garantie van effectieve rechterlijke bescherming bood.

49 De door het Gerecht in punt 58 van de bestreden beschikking vermelde mogelijkheid waarover de betrokkene bij gebreke van antwoord van het Parlement op de door hem gemaakte opmerkingen beschikt om een beroep wegens nalaten tegen het Parlement in te stellen, biedt hem evenmin effectieve rechterlijke bescherming.

50 Het is juist dat het Parlement binnen een redelijke termijn op dergelijke opmerkingen dient te antwoorden (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB, C‑334/12 RX-II, EU:C:2013:134, punt 28), en de betrokken persoon bijgevolg het recht heeft om een beroep wegens nalaten in te stellen indien die instelling niet aan die verplichting voldoet.

51 Daarenboven heeft het Hof reeds geoordeeld dat de mogelijkheid om een dergelijk beroep wegens nalaten in te stellen, kan volstaan om uit te sluiten dat de Commissie blijvend stilzit nadat die instelling een tussenmaatregel heeft vastgesteld (zie in die zin arrest van 18 maart 1997, Guérin automobiles/Commissie, C‑282/95 P, EU:C:1997:159, punt 38).

52 Deze overwegingen kunnen in casu echter niet beslissend zijn, aangezien ten eerste, een tegen het Parlement ingesteld beroep wegens nalaten niet kan afdoen aan de autonome rechtsgevolgen van de litigieuze nota en ten tweede, de termijnen die nodig zijn om een dergelijk beroep en vervolgens, in voorkomend geval, een beroep tot nietigverklaring te kunnen behandelen, buitensporig zijn in een context waarin die nota onmiddellijk leidt tot een verlaging van het aan een natuurlijke persoon uitgekeerde pensioenbedrag.

53 In deze context heeft de omstandigheid waarnaar het Gerecht in punt 58 van de bestreden beschikking heeft verwezen, namelijk dat het Parlement in casu op de opmerkingen van rekwirant had geantwoord, hoe dan ook geen invloed op de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring van de litigieuze nota, aangezien dit antwoord is gegeven nadat dat beroep was ingesteld.

54 Gelet op een en ander heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 53 van de bestreden beschikking te oordelen dat op basis van de voorlopige aard van de litigieuze nota kon worden geoordeeld dat deze nota geen bezwarende handeling vormde en bijgevolg niet vatbaar was voor beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU.

55 Derhalve moet het tweede middel worden aanvaard en moet de bestreden beschikking worden vernietigd voor zover daarbij de eerste vordering van verzoeker in zaak T‑348/19, die strekt tot nietigverklaring van de litigieuze nota, is afgewezen.

56 Hieruit volgt eveneens dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd voor zover daarbij de tweede vordering van verzoeker in zaak T‑348/19, die strekt tot nietigverklaring van het in het schrijven van 8 juli 2019 uitgedrukte besluit, is afgewezen, aangezien de afwijzing van die vordering uitsluitend is gebaseerd op de niet-ontvankelijkheid van verzoekers eerste vordering, die strekt tot nietigverklaring van de litigieuze nota.

57 Derhalve hoeven het eerste en het derde middel niet te worden onderzocht, aangezien zij hoe dan ook niet kunnen leiden tot een verder strekkende vernietiging van de bestreden beschikking.

Beroep bij het Gerecht

58 Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel de zaak voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht.

59 In de eerste plaats heeft het Parlement met zijn bij het Gerecht opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid enkel betoogd dat het door rekwirant ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk was omdat de litigieuze nota een voorbereidende handeling vormde, zodat deze exceptie van niet-ontvankelijkheid om de in de punten 38 tot en met 54 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen moet worden verworpen.

60 In de tweede plaats hebben de beoordelingen van het Gerecht uitsluitend betrekking op de ontvankelijkheid van de beroepen en heeft het Gerecht het door verzoeker ingestelde beroep tot nietigverklaring kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan, zodat het Hof niet beschikt over de gegevens die het nodig heeft om definitief uitspraak te doen op dat beroep.

61 Bijgevolg moet de zaak worden terugverwezen naar het Gerecht voor een uitspraak over de vorderingen van rekwirant die strekken tot nietigverklaring van de litigieuze nota en van het in het schrijven van 8 juli 2019 uitgedrukte besluit.

Kosten

62 De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht, zodat de beslissing omtrent de kosten dient te worden aangehouden.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart:

1) De beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 3 juli 2020, Falqui en Poggiolini/Parlement (T‑347/19 en T‑348/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:303), wordt vernietigd voor zover daarbij de in zaak T‑348/19 door Danilo Poggiolini geformuleerde vorderingen zijn afgewezen die strekken tot nietigverklaring van de nota van 11 april 2019 die is vastgesteld door het hoofd van de afdeling „Bezoldiging en Sociale Rechten van de leden” van het directoraat-generaal Financiën van het Europees Parlement en betrekking heeft op de aanpassing van het pensioenbedrag van de betrokkene na de inwerkingtreding, op 1 januari 2019, van besluit nr. 14/2018 van het Ufficio di Presidenza della Camera dei deputati (bureau van het voorzitterschap van de tweede kamer, Italië), en van het in het schrijven van 8 juli 2019 uitgedrukte besluit van het Europees Parlement.

2) De door het Europees Parlement bij het Gerecht van de Europese Unie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid in zaak T‑348/19 wordt verworpen.

3) Zaak T‑348/19 wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie voor een uitspraak over de in zaak T‑348/19 door Danilo Poggiolini geformuleerde vorderingen tot nietigverklaring van die nota en van dat besluit.

4) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in