HvJ EU 12 november 2020, C-427/19, ECLI:EU:C:2020:914
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
12 november 2020 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2009/138/EG – Artikel 274 – Toepasselijk recht inzake de liquidatieprocedure van verzekeringsondernemingen – Intrekking van de vergunning van een verzekeringsonderneming – Aanwijzing van een voorlopige liquidateur – Begrip ‚beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming’ – Geen rechterlijke beslissing om een liquidatieprocedure te openen in de lidstaat van herkomst – Schorsing van de gerechtelijke procedures ten aanzien van de betrokken verzekeringsonderneming in de andere lidstaten dan haar lidstaat van herkomst”
In zaak C‑427/19,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 27 mei 2019, ingekomen bij het Hof op 4 juni 2019, in de procedure
Bulstrad Vienna Insurance Group АD
tegen
Olympic Insurance Company Ltd,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, L. Bay Larsen, C. Toader, M. Safjan (rapporteur) en N. Jääskinen, rechters,
advocaat-generaal: G. Hogan
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen ingediend door:
– de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door T. Mitova en E. Petranova als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Tserepa-Lacombe en Y. G. Marinova als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 juli 2020,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 274 van richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings‑ en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB 2009, L 335, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/58/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 (PB 2013, L 341, blz. 1) (hierna: „richtlijn 2009/138”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de verzekeringsonderneming Bulstrad Vienna Insurance Group AD (hierna: „Bulstrad”) en de verzekeringsonderneming Olympic Insurance Company Ltd (hierna: „Olympic”) over de toekenning van een verzekeringsvergoeding.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 117 tot en met 119, 123, 125, 126 en 130 van richtlijn 2009/138 luiden als volgt: „(117) Aangezien de nationale wetgeving betreffende saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures nog niet is geharmoniseerd, dienen in het kader van de interne markt de wederzijdse erkenning van in de lidstaten geldende saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures ten aanzien van verzekeringsondernemingen en de noodzakelijke samenwerking te worden gewaarborgd, waarbij rekening wordt gehouden met de voor dergelijke maatregelen geldende beginselen van eenheid, universaliteit, coördinatie en openbaarmaking, en met de gelijke behandeling en bescherming van verzekeringsschuldeisers. (118) Er moet worden gegarandeerd dat door de bevoegde instantie van een lidstaat vastgestelde saneringsmaatregelen die tot doel hebben de financiële soliditeit van een verzekeringsonderneming in stand te houden of te herstellen en liquidatie zoveel mogelijk te voorkomen, ten volle effect sorteren in heel de [Europese Unie]. De gevolgen van dergelijke saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures ten aanzien van derde landen dienen evenwel onverlet te worden gelaten. (119) Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de bevoegde instanties ter zake van saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures, en de toezichthoudende autoriteiten ter zake van verzekeringsondernemingen. [...] (123) De bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst dienen als enige gemachtigd te zijn om beslissingen inzake een liquidatieprocedure ten aanzien van een verzekeringsonderneming te nemen. Deze beslissingen dienen in heel de [Unie] effect te sorteren en door alle lidstaten te worden erkend. De beslissingen dienen overeenkomstig de in de lidstaat van herkomst geldende procedures te worden bekendgemaakt, alsook in het Publicatieblad van de Europese Unie. De informatie dient ook beschikbaar te worden gesteld aan bekende, in de [Unie] gevestigde schuldeisers, die het recht moeten hebben vorderingen of opmerkingen in te dienen. [...] (125) Alle voorwaarden voor het openen, het verloop en het beëindigen van een liquidatieprocedure dienen te worden beheerst door het recht van de lidstaat van herkomst. (126) Teneinde een gecoördineerd optreden van de lidstaten mogelijk te maken, dienen de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van alle andere lidstaten onverwijld op de hoogte te worden gebracht van het openen van een liquidatieprocedure. [...] (130) Ter bescherming van het gewettigd vertrouwen en van de rechtszekerheid van bepaalde handelingen in andere lidstaten dan de lidstaat van herkomst dient het recht te worden bepaald dat toepasselijk is op de gevolgen van de saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures voor aanhangige rechtsgedingen en voor de afzonderlijke executiemaatregelen die uit deze rechtsgedingen voortkomen.”
4 Artikel 13 van deze richtlijn, met als opschrift „Definities”, bepaalt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: [...] 8) lidstaat van herkomst: een van de volgende lidstaten: a) bij schadeverzekeringen: de lidstaat waar het hoofdkantoor is gevestigd van de verzekeringsonderneming die het risico dekt; b) bij levensverzekeringen: de lidstaat waar het hoofdkantoor is gevestigd van de verzekeringsonderneming die de verbintenis aangaat; of c) bij herverzekeringen: de lidstaat waar het hoofdkantoor van de herverzekeringsonderneming is gevestigd; [...]”
5 Artikel 144 van deze richtlijn heeft als opschrift „Intrekking van de vergunning” en luidt als volgt: „1. De toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst kan een aan een verzekerings‑ of herverzekeringsonderneming verleende vergunning in de volgende gevallen intrekken: a) de betrokken onderneming maakt geen gebruik van de vergunning binnen twaalf maanden, doet uitdrukkelijk afstand van de vergunning of heeft gedurende meer dan zes maanden haar werkzaamheden gestaakt, tenzij de vergunning volgens de bepalingen van de betrokken lidstaat in deze gevallen vervalt; b) de betrokken onderneming voldoet niet meer aan de vergunningsvoorwaarden; c) de betrokken onderneming schiet ernstig tekort in de verplichtingen die voortvloeien uit de op haar van toepassing zijnde regelgeving. De toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst trekt een aan een verzekerings‑ of herverzekeringsonderneming verleende vergunning in indien de onderneming niet voldoet aan het minimumkapitaalvereiste en de toezichthoudende autoriteit het financieel plan duidelijk inadequaat acht, of indien de betrokken onderneming er niet in slaagt om binnen drie maanden na de constatering dat niet meer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste, het goedgekeurde financieel plan te volgen. 2. Wanneer de vergunning wordt ingetrokken of vervalt, stelt de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst de toezichthoudende autoriteiten van de andere lidstaten daarvan in kennis. Deze autoriteiten treffen passende maatregelen om te beletten dat de verzekerings‑ of herverzekeringsonderneming op hun grondgebied nieuwe werkzaamheden aanvangt. De toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst neemt samen met deze autoriteiten alle passende maatregelen om de belangen van de verzekerden te beschermen, en beperkt met name de vrije beschikking over de activa van de verzekeringsonderneming overeenkomstig artikel 140. 3. Een besluit tot intrekking van de vergunning [...] vermeldt alle gronden en wordt ter kennis van de betrokken verzekerings‑ of herverzekeringsonderneming gebracht.”
6 Artikel 268 van richtlijn 2009/138, met als opschrift „Definities”, dat deel uitmaakt van titel IV „Sanering en liquidatie van verzekeringsondernemingen”, bepaalt: „1. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: a) ‚bevoegde instanties’: de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaten die bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen of liquidatieprocedures; [...] d) ‚liquidatieprocedure’: een collectieve procedure die het te gelde maken van de activa van een verzekeringsonderneming en het op toepasselijke wijze verdelen van de opbrengst onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden behelst, en die noodzakelijkerwijs een optreden van de bevoegde instanties behelst, ook wanneer de collectieve procedure wordt afgesloten met een gerechtelijk akkoord of een andere maatregel van dezelfde strekking, ongeacht of de procedure op insolventie berust en of de procedure vrijwillig dan wel verplicht is; [...]”
7 Artikel 273 van richtlijn 2009/138, met als opschrift „Opening van een liquidatieprocedure – Kennisgeving aan de toezichthoudende autoriteiten”, luidt als volgt: „1. Alleen de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst zijn bevoegd om een beslissing te nemen aangaande de opening van een liquidatieprocedure ten aanzien van een verzekeringsonderneming, met inbegrip van haar in andere lidstaten gevestigde bijkantoren. Deze beslissing kan worden genomen zonder dat of nadat saneringsmaatregelen zijn vastgesteld. 2. Een overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst genomen beslissing tot opening van een liquidatieprocedure ten aanzien van een verzekeringsonderneming, met inbegrip van haar bijkantoren in andere lidstaten, wordt zonder verdere formaliteiten in de gehele [Unie] erkend en heeft aldaar rechtswerking zodra zij die heeft in de lidstaat waar de procedure wordt geopend. 3. De bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst stellen de toezichthoudende autoriteiten van deze lidstaat onverwijld in kennis van de beslissing tot opening van een liquidatieprocedure, indien mogelijk voordat de procedure wordt geopend of anders onmiddellijk daarna. De toezichthoudende autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de toezichthoudende autoriteiten van alle andere lidstaten onverwijld in kennis van de beslissing tot opening van de liquidatieprocedure, alsmede van de mogelijke concrete gevolgen van deze procedure.”
8 Artikel 274 van deze richtlijn, met als opschrift „Toepasselijk recht”, bepaalt: „1. Tenzij in de artikelen 285 tot en met 292 anders is bepaald, is ten aanzien van de beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming, de liquidatieprocedure en de rechtsgevolgen het recht van de lidstaat van herkomst van toepassing. 2. Het recht van de lidstaat van herkomst bepaalt ten minste het volgende: a) welke goederen tot de boedel behoren en de status van goederen die na de opening van de liquidatieprocedure zijn verkregen; b) de respectieve bevoegdheden van de verzekeringsonderneming en de liquidateur; c) de voorwaarden waaronder een verrekening kan worden tegengeworpen; d) de gevolgen van de liquidatieprocedure voor lopende overeenkomsten waarbij de verzekeringsonderneming partij is; e) de gevolgen van de liquidatieprocedure voor individuele vervolgingen, met uitzondering van aanhangige rechtsgedingen als bedoeld in artikel 292; f) welke vorderingen te verhalen zijn op het vermogen van de verzekeringsonderneming en de status van vorderingen die na de opening van de liquidatieprocedure zijn ontstaan; g) de regels betreffende indiening, verificatie en toelating van de vorderingen; h) de regels betreffende de verdeling van de opbrengst van de te gelde gemaakte goederen, de rangindeling van de vorderingen, en de rechten van schuldeisers die na de opening van de liquidatieprocedure gedeeltelijk zijn voldaan op grond van een zakelijk recht of ingevolge verrekening; i) de voorwaarden voor en de gevolgen van de beëindiging van de liquidatieprocedure, met name door een gerechtelijk akkoord; j) de rechten van de schuldeisers nadat de liquidatieprocedure beëindigd is; k) de partij voor wier rekening de kosten en uitgaven van de liquidatieprocedure zijn; en l) de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen.”
9 Artikel 292 van deze richtlijn is als volgt geformuleerd: „De gevolgen van de saneringsmaatregelen of de liquidatieprocedure voor aanhangige rechtsgedingen betreffende een goed of recht waarover de verzekeringsonderneming het beheer en de beschikking heeft verloren, worden uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is.”
Bulgaars recht
10 Artikel 624 van de Kodeks za zastrahovaneto (wetboek verzekeringen; hierna: „KZ”), bepaalt: „(1) De beslissing tot liquidatie of insolventie van een in een andere lidstaat toegelaten verzekeringsonderneming heeft rechtswerking in Bulgarije vanaf de datum waarop zij rechtswerking heeft in de desbetreffende lidstaat. (2) Zodra de [commissie financieel toezicht] door de bevoegde instantie van een andere lidstaat in kennis wordt gesteld van de opening van een liquidatie‑ of insolventieprocedure, neemt zij maatregelen voor publieke kennisgeving. (3) De kennisgeving als bedoeld in lid 2 bevat informatie over de bestuurlijke of rechterlijke autoriteit die in de desbetreffende lidstaat bevoegd is voor de liquidatie of insolventie, over de toepasselijke juridische bepalingen en over de aangewezen liquidateur of curator.”
11 Artikel 630 KZ luidt als volgt: „(1) Tenzij in dit deel anders wordt bepaald, zijn liquidatie‑ of insolventieprocedures ten aanzien van een verzekeraar onderworpen aan het Bulgaarse recht. (2) Op arbeidsovereenkomsten en arbeidsverhoudingen worden de bepalingen van de wetgeving van de lidstaat toegepast die op die overeenkomsten en arbeidsverhoudingen van toepassing zijn. (3) Op overeenkomsten die een gebruiksrecht toekennen of een eigendomsrecht op een op het grondgebied van een lidstaat gelegen onroerend goed overdragen, wordt de wetgeving van die lidstaat toegepast. (4) Op de rechten van de verzekeraar op een onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig dat in een lidstaat in een openbaar register is ingeschreven, wordt de wetgeving van die lidstaat toegepast.”
12 Artikel 43 van de Kodeks na mezhdunarodnoto chastno pravo (wetboek internationaal privaatrecht) luidt als volgt: „(1) Het gerecht of een ander rechtsprekend orgaan stelt ambtshalve de inhoud van het buitenlandse recht vast. Dat gerecht of rechtsprekend orgaan kan gebruikmaken van de middelen waarin internationale verdragen voorzien, het ministerie van Justitie of een andere autoriteit om informatie verzoeken en deskundigen en gespecialiseerde organisaties om advies vragen. (2) De partijen kunnen documenten overleggen waaruit de inhoud blijkt van bepalingen van buitenlands recht waarop zij hun verzoeken of bezwaren baseren, of op een andere manier samenwerken met het gerecht of een ander rechtsprekend orgaan. (3) Wanneer het toepasselijke recht is gekozen, kan het gerecht of een ander rechtsprekend orgaan de partijen dwingen bij te dragen aan de vaststelling van de inhoud ervan.”
Cypriotisch recht
13 Indien werd besloten om een liquidatie‑ of insolventieprocedure te openen of indien een voorlopige liquidateur werd aangewezen, kan volgens artikel 220 van de O peri Etairion Nomos (wet op vennootschappen) een vordering of procedure slechts worden ingeleid of voortgezet mits de bevoegde rechter daartoe toestemming geeft en de door die rechter opgelegde voorwaarden worden toegepast.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14 Bulstrad, een in Bulgarije geregistreerde verzekeringsonderneming, vordert voor de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) dat Olympic, een in Cyprus geregistreerde verzekeringsonderneming, wordt veroordeeld om haar een bedrag van 7603,63 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 3887 EUR) te betalen, evenals afhandelingskosten ten bedrage van 25,00 BGN (ongeveer 13 EUR), uit hoofde van een verzekeringsvergoeding die zij op grond van een door CD – de bestuurder van een voertuig dat beschadigd werd bij een verkeersongeval – bij haar afgesloten verzekeringspolis „schade door aanrijding” heeft betaald. Bulstrad betoogt dat AB op 5 januari 2018 in de stad Bansko (Bulgarije) het voertuig van CD heeft beschadigd door het linker voorportier van zijn stilstaande personenvoertuig plotseling te openen toen het op de rijbaan rijdende voertuig van CD passeerde.
15 Volgens Bulstrad was de aansprakelijkheid van AB ten tijde van het ongeval gedekt door een bij Olympic afgesloten verzekeringspolis „burgerlijke aansprakelijkheid”.
16 Omdat Bulstrad van mening was dat zij na de uitbetaling van de verzekeringsvergoeding aan CD was gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde jegens AB en de verzekeringsmaatschappij van AB, heeft zij tegen Olympic een regresvordering ingesteld, die laatstgenoemde op 6 juli 2018 heeft ontvangen. De aldus gevorderde bedragen werden echter niet aan haar overgemaakt.
17 Olympic betwist namelijk zowel de vorm als de inhoud van de vordering van Bulstrad.
18 In de loop van de procedure werd aan de verwijzende rechter gemeld dat de bevoegde Cypriotische instanties de vergunning van Olympic hadden ingetrokken wegens niet-naleving van de prudentiële vereisten, alsook dat er een voorlopige liquidateur was aangewezen, die alle vermogensrechten en wettelijke rechten waarop deze verzekeringsonderneming recht heeft of lijkt te hebben, overneemt en controleert.
19 De verwijzende rechter was van oordeel dat deze handelingen van de Cypriotische instanties een „beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming” vormden in de zin van artikel 624 KZ, en heeft bij beschikking van 26 september 2018 de procedure in het hoofdgeding geschorst. Overeenkomstig de bepalingen van de KZ waarbij richtlijn 2009/138 in Bulgaars recht is omgezet, is op de beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming, op de liquidatieprocedure zelf en op de rechtsgevolgen ervan immers het recht van de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming die het risico dekt – in casu dus het Cypriotische recht – van toepassing. Dat recht voorziet in de schorsing van de procedures ten aanzien van verzekeringsondernemingen waarvoor de bevoegde Cypriotische instanties een voorlopige liquidateur hebben aangewezen.
20 Bulstrad verzoekt evenwel om hervatting van de behandeling van het hoofdgeding op grond dat deze procedure, gezien de uitlegging van de relevante bepalingen door de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije), ten onrechte was geschorst. Volgens deze uitlegging kunnen de twee bovengenoemde handelingen van de Cypriotische instanties niet worden beschouwd als een „beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming” door de lidstaat van herkomst in de zin van de voor de omzetting in het Bulgaarse recht van artikel 274 van richtlijn 2009/138 aangenomen wetgeving. Doordat er geen dergelijke beslissing is, is de verwijzende rechter bijgevolg ten onrechte tot de slotsom gekomen dat het Cypriotische recht van toepassing is, en niet het Bulgaarse recht, dat geen soortgelijke bepalingen bevat die een schorsing van de procedure voorschrijven.
21 In antwoord op het verzoek tot hervatting van de procedure heeft de verwijzende rechter de Bulgaarse commissie financieel toezicht verzocht om te kennen te geven of zij beschikt over informatie met betrekking tot de opening van een liquidatie‑ of insolventieprocedure ten aanzien van Olympic voor de bevoegde Cypriotische rechter en om, ingeval een dergelijke procedure werd ingeleid, aan te geven in welk stadium deze zich bevindt en of een liquidateur of curator is aangewezen. Bij brief van 19 maart 2019 heeft deze commissie geantwoord dat zij tot die datum geen informatie had ontvangen betreffende de opening van een op Olympic betrekking hebbende liquidatieprocedure door de bevoegde Cypriotische instantie.
22 Volgens de verwijzende rechter moet artikel 630 KZ worden uitgelegd in het licht van artikel 274 van richtlijn 2009/138 en van de overwegingen 117 tot en met 121 en 125 van die richtlijn. Hieruit volgt dat de gevolgen van de opening van een insolventieprocedure moeten worden beheerst door het Cypriotische recht.
23 Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op grond van artikel 43 van het wetboek internationaal privaatrecht heeft deze rechter ambtshalve de inhoud van het toepasselijke Cypriotische recht vastgesteld en geconcludeerd dat voor het voeren van andere procedures toestemming van de insolventierechter vereist was.
24 De verwijzende rechter is bijgevolg van oordeel dat hij de procedure in het hoofdgeding moet schorsen en Bulstrad moet verzoeken om haar vorderingen volgens de in het Cypriotische recht bepaalde voorwaarden in te dienen, waarbij hij erop wijst dat de eventuele aanvaarding van die vorderingen de afsluiting van deze procedure tot gevolg heeft. De procedure in het hoofdgeding kan alleen maar worden voortgezet indien de insolventierechter de betreffende toestemming verleent of indien het bewijs wordt geleverd dat de vorderingen niet zijn geaccepteerd op basis van de voorwaarden die in het Cypriotische recht worden gesteld.
25 Daarop heeft de Sofiyski rayonen sad besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen: „1) Moet er bij de uitlegging van artikel 630 [KZ], in het licht van artikel 274 van [richtlijn 2009/138], van worden uitgegaan dat het besluit van een instantie van een lidstaat tot intrekking van de vergunning van een verzekeraar en tot aanwijzing van een voorlopige liquidateur zonder dat de gerechtelijke liquidatieprocedure is geopend, een ‚beslissing tot opening van een liquidatieprocedure’ is? 2) Moeten, indien het nationale recht van de lidstaat van vestiging van een verzekeraar wiens vergunning is ingetrokken en ten aanzien van wie een voorlopige liquidateur is aangewezen, bepaalt dat in het geval van aanwijzing van een voorlopige liquidateur alle gerechtelijke procedures tegen deze verzekeringsmaatschappij moeten worden geschorst, de rechterlijke instanties van de andere lidstaten overeenkomstig artikel 274 van [richtlijn 2009/138] deze juridische bepalingen toepassen, ook wanneer hun nationale recht hierin niet uitdrukkelijk voorziet?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
26 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 274 van richtlijn 2009/138 aldus moet worden uitgelegd dat het door een instantie van de lidstaat van herkomst van een verzekeringsonderneming genomen besluit tot intrekking van de vergunning van die onderneming en tot aanwijzing van een voorlopige liquidateur zonder dat formeel een gerechtelijke liquidatieprocedure is geopend, kan worden aangemerkt als een „beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming” in de zin van dat artikel.
27 Aan de hand van het antwoord op deze vraag kan worden vastgesteld of het besluit dat in het hoofdgeding aan de orde is, onder de wederzijdse erkenning van artikel 273, lid 2, van richtlijn 2009/138 valt.
28 Teneinde de eerste vraag te beantwoorden, moet worden opgemerkt dat volgens artikel 274 van deze richtlijn op de beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming, de liquidatieprocedure zelf en de rechtsgevolgen weliswaar het recht van de lidstaat van herkomst van die verzekeringsonderneming van toepassing is, maar dat de vraag wanneer er sprake is van een dergelijke beslissing en een dergelijke procedure moet worden beantwoord overeenkomstig artikel 268 van die richtlijn, dat verschillende begrippen voor de toepassing van titel IV van de richtlijn definieert.
29 In dat verband bepaalt artikel 268, lid 1, onder d), van richtlijn 2009/138 dat het begrip „liquidatieprocedure” verwijst naar een collectieve procedure die het te gelde maken van de activa van een verzekeringsonderneming en het op toepasselijke wijze verdelen van de opbrengst onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden behelst, en die noodzakelijkerwijs een optreden van de bevoegde instanties behelst. Die bevoegde instanties zijn volgens artikel 268, lid 1, onder a), van deze richtlijn de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaten die bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen of liquidatieprocedures.
30 Hieruit volgt dat een besluit slechts kan worden aangemerkt als een „beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming” in de zin van artikel 274 van richtlijn 2009/138 indien de betrokken procedure aan twee voorwaarden voldoet.
31 Deze procedure moet ten eerste betrekking hebben op het te gelde maken van de activa van een verzekeringsonderneming en het op toepasselijke wijze verdelen van de opbrengst onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden, en moet ten tweede noodzakelijkerwijs het optreden behelzen van de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaten die bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen of liquidatieprocedures.
32 Aangezien het om twee cumulatieve voorwaarden gaat, heeft de omstandigheid dat een voorlopige liquidateur niet bevoegd is om de activa van de verzekeringsonderneming in kwestie te gelde te maken of om de schuldeisers van deze verzekeringsonderneming door middel van dividenden te voldoen, tot gevolg dat het besluit om een dergelijke liquidateur aan te wijzen niet de opening of het bestaan van een liquidatieprocedure in de zin van artikel 268, lid 1, onder d), van die richtlijn kan impliceren.
33 In casu staat het bijgevolg aan de verwijzende rechter om na te gaan of de aangewezen voorlopige liquidateur naar Cypriotisch recht al dan niet over dergelijke bevoegdheden beschikt.
34 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het onderscheid dat in richtlijn 2009/138 wordt gemaakt tussen een besluit tot intrekking van de vergunning van de verzekeringsonderneming in kwestie en de beslissing tot opening van een liquidatieprocedure ten aanzien van deze verzekeringsonderneming erop wijst dat de tweede handeling niet samenvalt met de eerste handeling – zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt –, maar dat een besluit tot intrekking van de vergunning kan worden geacht gelijkwaardig te zijn aan een beslissing tot opening van een liquidatieprocedure indien aan de twee in punt 31 van dit arrest genoemde voorwaarden is voldaan.
35 Aan de eerste van deze voorwaarden is evenwel slechts voldaan indien, krachtens het recht van de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming in kwestie, de intrekking van de vergunning van die verzekeringsonderneming tot gevolg heeft dat de liquidatieprocedure automatisch wordt geopend, waardoor de activa van die onderneming te gelde kunnen worden gemaakt of haar schuldeisers door middel van dividenden kunnen worden voldaan zonder dat daartoe een formele beslissing van een afzonderlijke instantie nodig is.
36 Uit het voorgaande volgt dat op de eerste vraag moet worden geantwoord dat artikel 274 van richtlijn 2009/138 aldus moet worden uitgelegd dat het besluit van de bevoegde instantie om de vergunning van de betrokken verzekeringsonderneming in te trekken en een voorlopige liquidateur aan te wijzen, slechts als een „beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming” in de zin van dat artikel kan worden aangemerkt indien het recht van de lidstaat van herkomst van die verzekeringsonderneming bepaalt dat de voorlopige liquidateur bevoegd is om de activa van de verzekeringsonderneming te gelde te maken en de opbrengst van die activa te verdelen onder haar schuldeisers, dan wel dat de intrekking van de vergunning van die verzekeringsonderneming tot gevolg heeft dat de liquidatieprocedure automatisch wordt geopend, zonder dat daartoe een formele beslissing van een afzonderlijke instantie nodig is.
Tweede vraag
37 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 274 van richtlijn 2009/138 aldus moet worden uitgelegd dat de rechterlijke instanties van de andere lidstaten het recht van de lidstaat van herkomst van een verzekeringsonderneming moeten toepassen op grond waarvan alle gerechtelijke procedures tegen die verzekeringsonderneming moeten worden geschorst indien de vergunning van de verzekeringsonderneming wordt ingetrokken en een voorlopige liquidateur voor die onderneming wordt aangewezen, ook al voorziet de wetgeving van die andere lidstaten niet in een dergelijke regel.
38 Uit het antwoord op de eerste vraag volgt dat enkel wanneer het door de lidstaat van herkomst van een verzekeringsonderneming vastgestelde besluit tot intrekking van de vergunning en tot aanwijzing van een voorlopige liquidateur kan worden aangemerkt als een „beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming” in de zin van titel IV van richtlijn 2009/138, dat besluit overeenkomstig artikel 273, lid 2, van deze richtlijn zonder verdere formaliteiten in de gehele Unie moet worden erkend en aldaar rechtswerking moet hebben zodra het die heeft in de lidstaat waar de liquidatieprocedure is geopend.
39 Krachtens artikel 274, lid 2, onder e), van richtlijn 2009/138 strekt deze wederzijdse erkenning zich uit tot de gevolgen van de liquidatieprocedure voor individuele vervolgingen, met uitzondering van aanhangige rechtsgedingen als bedoeld in artikel 292 van deze richtlijn, die nog steeds uitsluitend worden beheerst door het recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is.
40 Hieruit volgt dat, indien een besluit van de lidstaat van herkomst moet worden aangemerkt als een „beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming” in de zin van titel IV van richtlijn 2009/138 en dat besluit volgens de wetgeving van die lidstaat tot gevolg heeft dat alle tegen de onderneming in kwestie lopende gerechtelijke procedures worden geschorst, de in de andere lidstaten lopende gerechtelijke procedures om die reden ook moeten worden geschorst, met uitsluiting van die welke binnen het bereik van de in het vorige punt genoemde uitzondering vallen.
41 Artikel 273, lid 2, van richtlijn 2009/138 vereist daarentegen geenszins dat er wederzijdse erkenning plaatsvindt ten aanzien van de gevolgen van een besluit tot intrekking van de vergunning of tot aanwijzing van een voorlopige liquidateur, zoals het besluit dat in het hoofdgeding aan de orde is, wanneer dat besluit naar zijn aard niet het karakter van een beslissing tot opening van een liquidatieprocedure heeft. Hieruit volgt dat het antwoord op de vraag of de verwijzende rechter in dat geval een aanhangige procedure toch moet of kan schorsen overeenkomstig het recht van de lidstaat van herkomst, hoewel dat in zijn nationale recht niet is voorgeschreven, noch van deze bepaling noch van artikel 274 van die richtlijn afhangt.
42 Uit het voorgaande volgt dat op de tweede vraag moet worden geantwoord dat artikel 274 van richtlijn 2009/138 aldus moet worden uitgelegd dat, indien niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder een besluit tot intrekking van de vergunning van een verzekeringsonderneming en tot aanwijzing van een voorlopige liquidateur voor die onderneming kan worden aangemerkt als een „beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming” in de zin van dat artikel, dit artikel de rechterlijke instanties van de andere lidstaten niet verplicht om het recht van de lidstaat van herkomst van de betrokken verzekeringsonderneming toe te passen op grond waarvan alle lopende gerechtelijke procedures tegen een dergelijke onderneming moeten worden geschorst.
Kosten
43 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 274 van richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings‑ en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/58/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013, moet aldus worden uitgelegd dat het besluit van de bevoegde instantie om de vergunning van de betrokken verzekeringsonderneming in te trekken en een voorlopige liquidateur aan te wijzen, slechts als een „beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming” in de zin van dat artikel kan worden aangemerkt indien het recht van de lidstaat van herkomst van die verzekeringsonderneming bepaalt dat de voorlopige liquidateur bevoegd is om de activa van de verzekeringsonderneming te gelde te maken en de opbrengst van die activa te verdelen onder haar schuldeisers, dan wel dat de intrekking van de vergunning van die verzekeringsonderneming tot gevolg heeft dat de liquidatieprocedure automatisch wordt geopend, zonder dat daartoe een formele beslissing van een afzonderlijke instantie nodig is.
2) Artikel 274 van richtlijn 2009/138, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/58, moet aldus worden uitgelegd dat, indien niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder een besluit tot intrekking van de vergunning van een verzekeringsonderneming en tot aanwijzing van een voorlopige liquidateur voor die onderneming kan worden aangemerkt als een „beslissing tot liquidatie van een verzekeringsonderneming” in de zin van dat artikel, dit artikel de rechterlijke instanties van de andere lidstaten niet verplicht om het recht van de lidstaat van herkomst van de betrokken verzekeringsonderneming toe te passen op grond waarvan alle lopende gerechtelijke procedures tegen een dergelijke onderneming moeten worden geschorst.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.