HvJ EU 30 september 2020, C-402/19, ECLI:EU:C:2020:759
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
30 september 2020 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Richtlijn 2008/115/EG – Terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders – Ouder van een meerderjarig kind dat aan een ernstige ziekte lijdt – Terugkeerbesluit – Beroep in rechte – Schorsende werking van rechtswege – Waarborgen in afwachting van terugkeer – Elementaire levensbehoeften – Artikelen 7, 19 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie”
In zaak C‑402/19,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour du travail de Liège (arbeidshof Luik, België) bij beslissing van 17 mei 2019, ingekomen bij het Hof op 24 mei 2019, in de procedure
LM
tegen
Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Seraing,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J. -C. Bonichot, kamerpresident, M. Safjan, L. Bay Larsen (rapporteur), C. Toader en N. Jääskinen, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin, M. Jacobs en C. Pochet als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. M. Hoogveld als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Cattabriga en A. Azema als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 maart 2020,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 5 en 13 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008, L 348, blz. 98).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen LM, derdelander, en het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Seraing (België) (hierna: „OCMW”) over de beslissingen waarbij het OCMW de sociale bijstand van LM heeft stopgezet.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 3 van richtlijn 2008/115 luidt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: [...] 3. ‚terugkeer’: het proces waarbij een onderdaan van een derde land, vrijwillig gevolg gevend aan een terugkeerverplichting of gedwongen, terugkeert naar: – zijn land van herkomst, of – een land van doorreis overeenkomstig communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen, of – een ander derde land waarnaar de betrokken onderdaan van een derde land besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten; 4. ‚terugkeerbesluit’: de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld; 5. ‚verwijdering’: de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, d.w.z. de fysieke verwijdering uit de lidstaat; [...]”
4 Artikel 5 van die richtlijn luidt: „Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met: [...] c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.”
5 Artikel 8, lid 3, van die richtlijn bepaalt: „De lidstaten kunnen een afzonderlijk administratief of rechterlijk besluit of administratieve handeling aannemen waarbij de verwijdering wordt gelast.”
6 Artikel 9 van dezelfde richtlijn, met als opschrift „Uitstel van verwijdering”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten stellen de verwijdering uit: a) in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, of b) voor de duur van de overeenkomstig artikel 13, lid 2, toegestane opschorting.”
7 Artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115 bepaalt: „1. Aan de betrokken onderdaan van een derde land wordt een doeltreffend rechtsmiddel van beroep of bezwaar toegekend, dat hij bij een bevoegde rechterlijke of administratieve autoriteit of bij een onpartijdig samengestelde bevoegde instantie waarvan de onafhankelijkheid is gewaarborgd, kan aanwenden tegen de in artikel 12, lid 1, bedoelde besluiten in het kader van terugkeer. 2. De in lid 1 bedoelde autoriteit of instantie is bevoegd om de in artikel 12, lid 1, bedoelde besluiten in het kader van terugkeer te herzien en kan eveneens de uitvoering ervan tijdelijk opschorten, tenzij op grond van de nationale wetgeving reeds een tijdelijke opschorting van toepassing is.”
8 Artikel 14, lid 1, van diezelfde richtlijn luidt: „Behoudens het bepaalde in de artikelen 16 en 17, zorgen de lidstaten ervoor dat jegens de onderdanen van derde landen, tijdens de termijn die overeenkomstig artikel 7 voor vrijwillig vertrek is toegestaan, en tijdens de termijn waarvoor overeenkomstig artikel 9 de verwijdering is uitgesteld, zoveel mogelijk de volgende beginselen in acht worden genomen: a) indien gezinsleden op het grondgebied aanwezig zijn, wordt de eenheid van het gezin gehandhaafd; b) dringende medische zorg wordt verstrekt en essentiële behandeling van ziekte wordt uitgevoerd; c) minderjarigen krijgen toegang tot het basisonderwijs, afhankelijk van de duur van hun verblijf; d) er wordt rekening gehouden met de speciale behoeften van kwetsbare personen.”
Belgisch recht
9 Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, in de in het hoofdgeding toepasselijke versie, luidt: „In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot: 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10 Op 20 augustus 2012 heeft LM namens zichzelf en namens zijn dochter R, die toen nog minderjarig was, aanvragen voor een machtiging tot verblijf om medische redenen ingediend op grond dat R aan een aantal ernstige ziekten leed.
11 Deze aanvragen zijn op 6 maart 2013 ontvankelijk verklaard en LM heeft sociale bijstand ontvangen van het OCMW.
12 Vervolgens zijn door de bevoegde autoriteit achtereenvolgens drie beslissingen houdende afwijzing van de door LM ingediende aanvragen voor een machtiging tot verblijf vastgesteld en weer ingetrokken. Op 8 februari 2016 is een vierde beslissing houdende afwijzing van die aanvragen vastgesteld. Die beslissing ging vergezeld van een bevel om het Belgische grondgebied te verlaten.
13 Op 25 maart 2016 heeft LM tegen de laatste afwijzingsbeslissing en tegen het bevel om het grondgebied te verlaten een schorsings- en annulatieberoep ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België).
14 Het OCMW heeft de sociale bijstand van LM met ingang van 26 maart 2016 stopgezet, omdat op die datum de termijn voor vrijwillig vertrek afliep die hem verleend was bij het bevel om het grondgebied te verlaten. Het OCMW heeft LM daarentegen met ingang van 22 maart 2016 dringende medische hulp toegekend.
15 Nadat LM een kort geding had ingesteld bij de tribunal du travail de Liège (arbeidsrechtbank Luik, België) is de verlening van sociale bijstand aan betrokkene hervat.
16 Bij twee beslissingen van 16 mei 2017 heeft het OCMW zijn recht op sociale bijstand met ingang van 11 april 2017 opnieuw beëindigd, omdat de dochter van LM op die datum meerderjarig was geworden.
17 LM heeft tegen die beslissingen beroep ingesteld bij de tribunal du travail de Liège. Die rechter heeft bij vonnis van 16 april 2018 vastgesteld dat de sociale bijstandsuitkering terecht was stopgezet op de datum waarop R meerderjarig was geworden.
18 Op 22 mei 2018 heeft het LM bij de cour du travail de Liège (arbeidshof Luik, België) hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
19 Deze rechter stelt vast dat de voorzienbare verslechtering van de gezondheidstoestand van R ingeval van terugkeer naar haar land van herkomst in alle opzichten lijkt overeen te komen met de mate van ernst die vereist is om vast te stellen dat zij als gevolg van haar verwijdering zou worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandelingen. Voorts merkt hij ten aanzien van de gezondheidstoestand van R op dat de aanwezigheid van haar vader aan haar zijde nog even onmisbaar is als toen zij minderjarig was.
20 In deze omstandigheden heeft de cour du travail de Liège de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: „Is artikel 57, [§ 2], eerste alinea, 1°, van de Belgische organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in strijd met de artikelen 5 en 13 van [richtlijn 2008/115], juncto artikel 19, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 14, lid 1, onder b), van die richtlijn en de artikelen 7 en 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zoals uitgelegd door het arrest [van 18 december 2014, Abdida (C‑562/13, EU:C:2014:2453)]: – in de eerste plaats, voor zover dat artikel ertoe leidt dat niet in de mate van het mogelijke wordt voorzien in de elementaire levensbehoeften van een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander in afwachting van de beslissing op het schorsings- en annulatieberoep dat hij in zijn naam alsook in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van zijn toen nog minderjarige kind heeft ingesteld tegen een beslissing waarbij zij werden gelast het grondgebied van een lidstaat te verlaten, – terwijl, in de tweede plaats, dat thans meerderjarige kind aan een ernstige ziekte lijdt en het door de tenuitvoerlegging van die beslissing mogelijk wordt blootgesteld aan een ernstig risico op een snelle en onomkeerbare verslechtering van haar gezondheidstoestand en voorts de artsen van oordeel zijn dat de aanwezigheid van die ouder bij zijn meerderjarige kind onmisbaar is vanwege haar kwetsbaarheid die voortvloeit uit haar gezondheidstoestand (terugkerende aanvallen van sikkelcelanemie en noodzaak van een chirurgische ingreep teneinde verlamming te voorkomen)?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
21 De Belgische regering stelt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is, voor zover het betrekking heeft op de verenigbaarheid van een bepaling van Belgisch recht met meerdere bepalingen van richtlijn 2008/115 en van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), aangezien de situatie van LM volgens deze regering geen enkel aanknopingspunt heeft met het Unierecht.
22 Deze regering is van oordeel dat LM geen aanspraak kan maken op sociale bijstand. Tegen hem is immers geen maatregel tot verwijdering vastgesteld en hij bevindt zich niet in een van de in artikel 14 van deze richtlijn bedoelde situaties, aangezien de hem toegekende termijn voor vrijwillig vertrek is verstreken en hij zich niet in een periode bevindt waarin de verwijdering is uitgesteld.
23 Aangezien LM niet aan een ernstige ziekte lijdt, zou zijn eventuele verwijdering bovendien geen schending kunnen opleveren van artikel 5 van die richtlijn, gelezen in het licht van artikel 19, lid 2, van het Handvest. Zijn situatie zou dus niet vergelijkbaar zijn met die in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 18 december 2014, Abdida (C‑562/13, EU:C:2014:2453).
24 In dit verband zij eraan herinnerd dat het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel van samenwerking op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust. In een krachtens dat artikel ingeleide procedure is het de taak van de rechterlijke instanties van de lidstaten, en niet van het Hof, om uitlegging te geven aan de nationale bepalingen en staat het niet aan het Hof om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van nationale bepalingen met de bepalingen van het Unierecht. Daarentegen is het Hof wel bevoegd de nationale rechter alle gegevens over de uitlegging van het Unierecht te verschaffen die deze rechter in staat stellen te beoordelen of nationale bepalingen verenigbaar zijn met de Unieregeling (zie in die zin arresten van 17 december 1981, Frans-Nederlandse Maatschappij voor Biologische Producten, 272/80, EU:C:1981:312, punt 9, en 30 april 2020, CTT – Correios de Portugal, C‑661/18, EU:C:2020:335, punt 28).
25 Hoewel het dus juist is dat de verwijzende rechter, gelet op de inhoud van zijn prejudiciële vraag, het Hof verzoekt uitspraak te doen over de verenigbaarheid van een nationale bepaling met het Unierecht, verzet niets zich evenwel ertegen dat het Hof de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord geeft door hem alle elementen ter uitlegging van het Unierecht te verstrekken die hem in staat zullen stellen zelf uitspraak te doen over de verenigbaarheid van het nationale recht met het Unierecht. Voor zover deze vraag betrekking heeft op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie in die zin arrest van 30 april 2020, CTT – Correios de Portugal, C‑661/18, EU:C:2020:335, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Bovendien moet worden vastgesteld dat de prejudiciële vraag er onder meer toe strekt na te gaan of artikel 14 van richtlijn 2008/115 van toepassing is op een derdelander zoals verzoeker in het hoofdgeding, ook al lijdt hij niet aan een ernstige ziekte. Het onderzoek van het betoog van de Belgische regering dat de situatie van LM geen enkel aanknopingspunt heeft met het Unierecht, is dan ook onlosmakelijk verbonden met het antwoord dat op de prejudiciële vraag dient te worden gegeven en kan bijgevolg niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van deze vraag (zie naar analogie de arresten van 17 januari 2019, KPMG Baltics, C‑639/17, EU:C:2019:31, punt 11, en 3 december 2019, Iccrea Banca, C‑414/18, EU:C:2019:1036, punt 30).
27 Hieruit volgt dat de prejudiciële vraag ontvankelijk is.
Ten gronde
28 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 5, 13 en 14 van richtlijn 2008/115, gelezen in het licht van artikel 7, artikel 19, lid 2, en de artikelen 21 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die niet bepaalt dat in de mate van het mogelijke wordt voorzien in de elementaire levensbehoeften van een derdelander wanneer: – deze derdelander beroep heeft ingesteld tegen een jegens hem genomen terugkeerbesluit; – het meerderjarige kind van deze derdelander aan een ernstige ziekte lijdt; – de aanwezigheid van die derdelander bij dit meerderjarige kind onmisbaar is voor dat kind, en – er namens dat meerderjarige kind beroep is ingesteld tegen een jegens hem genomen terugkeerbesluit, waarvan de uitvoering voor dat kind een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert.
29 In artikel 14 van richtlijn 2008/115 zijn een aantal waarborgen opgenomen die gelden in afwachting van terugkeer, met name tijdens de termijn waarvoor de verwijdering overeenkomstig artikel 9 van die richtlijn is uitgesteld (arrest van 18 december 2014, Abdida, C‑562/13, EU:C:2014:2453, punt 55).
30 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt weliswaar dat de Belgische autoriteiten niet formeel hebben besloten om de verwijdering van verzoeker in het hoofdgeding uit te stellen, maar uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de in artikel 9, lid 1, onder b), van die richtlijn neergelegde verplichting om de verwijdering uit te stellen, geldt voor alle situaties waarin een lidstaat verplicht is de uitvoering van een terugkeerbesluit op te schorten ingevolge het beroep dat ertegen is ingesteld (zie in die zin arrest van 18 december 2014, Abdida, C‑562/13, EU:C:2014:2453, punt 57).
31 Hieruit volgt dat de in artikel 14 van richtlijn 2008/115 genoemde waarborgen in afwachting van terugkeer moeten worden toegekend in situaties waarin de betrokken lidstaat gehouden is een derdelander de mogelijkheid te bieden om tegen een jegens hem genomen terugkeerbesluit op te komen met een beroep dat van rechtswege schorsende werking heeft (zie in die zin arrest van 18 december 2014, Abdida, C‑562/13, EU:C:2014:2453, punten 53 en 58).
32 Teneinde de prejudiciële vraag te kunnen beantwoorden moet derhalve worden onderzocht of de vader van een ernstig ziek kind, wiens aanwezigheid bij dat meerderjarige kind onmisbaar is voor dat kind, in een situatie als die welke aan de orde is in het hoofdgeding beroep met schorsende werking dient te kunnen instellen.
33 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115 bepaalt dat aan een onderdaan van een derde land een doeltreffend rechtsmiddel van beroep of bezwaar moet worden toegekend dat hij kan aanwenden tegen een jegens hem genomen terugkeerbesluit, maar dat dit rechtsmiddel niet noodzakelijkerwijs schorsende werking heeft (zie in die zin arrest van 18 december 2014, Abdida, C‑562/13, EU:C:2014:2453, punten 43 en 44).
34 De kenmerken van dit rechtsmiddel moeten evenwel worden bepaald in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest, dat bepaalt dat eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden en in overeenstemming met het beginsel van non-refoulement, dat met name wordt gewaarborgd door artikel 19, lid 2, van het Handvest en door artikel 5 van richtlijn 2008/115 (zie in die zin arresten van 18 december 2014, Abdida, C‑562/13, EU:C:2014:2453, punten 45 en 46, en 19 juni 2018, Gnandi, C‑181/16, EU:C:2018:465, punten 52 en 53).
35 Het Hof heeft uit de voorgaande overwegingen afgeleid dat het beroep tegen een terugkeerbesluit van rechtswege schorsende werking moet hebben om aan de betrokken derdelander de verzekering te geven dat er wordt voldaan aan de vereisten van het beginsel van non-refoulement en artikel 47 van het Handvest, wanneer de uitvoering van dat besluit voor die onderdaan met name een ernstig risico inhoudt dat hij wordt onderworpen aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 19, lid 2, van het Handvest (zie in die zin het arrest van 19 juni 2018, Gnandi, C‑181/16, EU:C:2018:465, punt 56).
36 Dat is in het bijzonder het geval wanneer de uitvoering van een terugkeerbesluit voor een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert (zie in die zin arrest van 18 december 2014, Abdida, C‑562/13, EU:C:2014:2453, punt 53).
37 Niettemin moet worden vastgesteld dat de ouder van die derdelander, louter op grond van deze hoedanigheid, niet rechtstreeks het risico loopt te worden blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 19, lid 2, van het Handvest wanneer een terugkeerbesluit wordt uitgevoerd.
38 Benadrukt moet evenwel worden dat de verplichting om in bepaalde situaties ervoor te zorgen dat een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, tegen een jegens hem vastgesteld terugkeerbesluit beroep kan instellen dat van rechtswege schorsende werking heeft, er uiteindelijk toe strekt te waarborgen dat dit besluit niet zal worden uitgevoerd voordat de ter ondersteuning van dat beroep aangevoerde argumenten zijn onderzocht door een bevoegde autoriteit, voor zover deze uitvoering zou inhouden dat die derdelander moet terugkeren naar een derde land waar hij het gevaar loopt onmenselijke of vernederende behandelingen te ondergaan (zie in die zin arrest van 18 december 2014, Abdida, C‑562/13, EU:C:2014:2453, punten 49 en 50).
39 Deze verplichting heeft dus tot doel de betrokkene in staat te stellen tijdelijk op het grondgebied te blijven van de lidstaat die jegens hem een terugkeerbesluit heeft vastgesteld.
40 Wanneer deze persoon wegens zijn gezondheidstoestand volledig afhankelijk is van een ouder, wiens aanwezigheid aan zijn of haar zijde onontbeerlijk is, zou de uitvoering van een jegens deze ouder genomen terugkeerbesluit, voor zover dit het onmiddellijke vertrek van deze ouder naar een derde land zou impliceren, in feite een belemmering kunnen vormen voor deze persoon om tijdelijk op het grondgebied van die lidstaat te blijven.
41 Indien zou worden toegestaan dat een dergelijk terugkeerbesluit wordt uitgevoerd voordat de op de situatie van dat kind gebaseerde argumenten zijn onderzocht door een bevoegde autoriteit, zou dit ertoe kunnen leiden dat aan dit kind in de praktijk de bescherming wordt ontzegd waarop het volgens de artikelen 5 en 13 van richtlijn 2008/115, gelezen in het licht van artikel 19, lid 2, en artikel 47 van het Handvest, aanspraak moet kunnen maken. Teneinde ervoor te zorgen dat deze bescherming reëel is, moet de ouder van dat kind op grond van die bepalingen over de mogelijkheid beschikken om tegen het jegens hem genomen terugkeerbesluit een beroep in te stellen dat van rechtswege schorsende werking heeft.
42 De omstandigheid dat het betrokken kind meerderjarig was op de datum waarop het terugkeerbesluit jegens zijn ouder is vastgesteld of het feit dat dit kind in de loop van de procedure meerderjarig is geworden, is dienaangaande niet van belang, voor zover het vaststaat dat dit kind, ook al is het meerderjarig, nog steeds afhankelijk is van zijn ouder.
43 Voor zover de Belgische regering betoogt dat een beroep dat van rechtswege schorsende werking heeft, hoe dan ook enkel hoeft te worden gewaarborgd tegen een verwijderingsbesluit en niet tegen een terugkeerbesluit, moet voorts worden gepreciseerd dat de rechterlijke bescherming die wordt geboden aan een derdelander jegens wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en waarvan de uitvoering voor hem een ernstig gevaar inhoudt dat hij wordt onderworpen aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 19, lid 2, van het Handvest, ontoereikend zou zijn indien deze derdelander tegen dat besluit, zodra hij ervan in kennis is gesteld, geen beroep kan instellen dat van rechtswege schorsende werking heeft.
44 Ten eerste volgt uit artikel 3, punten 3 tot en met 5, van richtlijn 2008/115 immers dat een terugkeerbesluit de derdelander op wie het betrekking heeft, per definitie een verplichting oplegt of gelast om naar een derde land terug te keren, terwijl het begrip „verwijdering” verwijst naar de fysieke verwijdering van die derdelander uit de betrokken lidstaat.
45 Bijgevolg heeft een terugkeerbesluit, zelfs in een lidstaat waar overeenkomstig artikel 8, lid 3, van deze richtlijn na de vaststelling ervan een afzonderlijk verwijderingsbesluit wordt aangenomen, als zodanig tot gevolg dat de betrokken derdelander niet tijdelijk op het grondgebied van deze lidstaat mag blijven in afwachting van het onderzoek van de argumenten die hij aanvoert ter ondersteuning van zijn beroep tegen dit besluit. Het in punt 39 van het onderhavige arrest vermelde doel kan dus enkel worden bereikt indien er wordt gewaarborgd dat het terugkeerbesluit wordt opgeschort, waarbij deze opschorting niet op geldige wijze kan worden ondervangen door een eventuele latere opschorting van het verwijderingsbesluit.
46 Ten tweede blijkt uit het expliciete verband dat de Uniewetgever heeft gelegd tussen artikel 9, lid 1, onder b), artikel 13, lid 2, en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/115, dat deze laatste bepaling met name tot doel heeft derdelanders minimumwaarborgen te bieden gedurende elke termijn waarin de uitvoering van de aan hen opgelegde terugkeerverplichting moet worden uitgesteld.
47 De door de Belgische regering voorgestelde oplossing zou de lidstaten evenwel in staat stellen om dergelijke waarborgen alleen te bieden in situaties waarin naast het terugkeerbesluit ook een verwijderingsbesluit is vastgesteld. De bevoegde autoriteiten zouden de toekenning van deze garanties op die manier naar eigen goeddunken kunnen uitstellen door geen verwijderingsbesluit vast te stellen.
48 Het Hof heeft in punt 56 van het arrest van 19 juni 2018, Gnandi (C‑181/16, EU:C:2018:465), overigens aangegeven dat de verplichting om er in bepaalde gevallen in te voorzien dat tegen een terugkeerbesluit een beroep kan worden ingesteld dat van rechtswege schorsende werking heeft, a fortiori gold voor een eventueel verwijderingsbesluit, en aldus geoordeeld dat deze verplichting zich niet beperkte tot dit laatste type besluit.
49 Aangaande het argument van de Belgische regering dat de Belgische wettelijke regeling die van toepassing is op de beroepen die tegen terugkeerbesluiten worden ingesteld, in overeenstemming is met het Unierecht, zij er voorts aan herinnerd dat uit de in punt 24 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak van het Hof volgt dat het niet aan het Hof staat om zich in een procedure op grond van artikel 267 VWEU uit te spreken over de verenigbaarheid van nationale bepalingen met de bepalingen van het Unierecht.
50 Uit het voorgaande volgt dat een derdelander die de ouder is van een meerderjarig, ernstig ziek kind dat van hem afhankelijk is en tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd waarvan de uitvoering voor dat meerderjarige kind een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare verslechtert, aanspraak moet kunnen maken op de in artikel 14 van richtlijn 2008/115 vastgestelde waarborgen in afwachting van terugkeer.
51 Deze waarborgen houden in dat de lidstaten er, overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder a), b) en d), van deze richtlijn, in de mate van het mogelijke voor zorgen dat de eenheid van het gezin met de op het grondgebied aanwezige gezinsleden wordt gehandhaafd, dat dringende medische zorg wordt verstrekt en essentiële behandeling van ziekte wordt uitgevoerd en dat er rekening wordt gehouden met de speciale behoeften van kwetsbare personen.
52 Ter inachtneming van deze beginselen is het vereist dat er wordt voorzien in de elementaire levensbehoeften van een derdelander zoals verzoeker in het hoofdgeding, bij gebreke waarvan, zoals de verwijzende rechter benadrukt en de advocaat-generaal in punt 93 van zijn conclusie heeft opgemerkt, die verzoeker niet in staat zou zijn om bij zijn meerderjarige kind te blijven en het de hulp te bieden die het nodig heeft gedurende de periode waarin het kind tijdelijk op het grondgebied van de betrokken lidstaat mag blijven (zie naar analogie arrest van 18 december 2014, Abdida, C‑562/13, EU:C:2014:2453, punt 60).
53 Deze verplichting geldt echter alleen wanneer die derdelander niet over de middelen beschikt om in zijn eigen onderhoud te voorzien (zie in die zin arrest van 18 december 2014, Abdida, C‑562/13, EU:C:2014:2453, punt 59).
54 Het staat evenwel aan de lidstaten om te bepalen op welke wijze er in de elementaire levensbehoeften van de betrokken derdelander wordt voorzien (zie in die zin arrest van 18 december 2014, Abdida, C‑562/13, EU:C:2014:2453, punt 61). Bijgevolg kan niet worden uitgesloten dat hierin kan worden voorzien door rechtstreeks aan het meerderjarige kind sociale bijstand te verlenen, voor zover die sociale bijstand passend en toereikend is om die voorziening in elementaire levensbehoeften te waarborgen en de ouder van dat kind in staat te stellen het de hulp te bieden die het nodig heeft, waarbij het in voorkomend geval aan de verwijzende rechter staat om dit na te gaan.
55 Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat de artikelen 5, 13 en 14 van richtlijn 2008/115, gelezen in het licht van artikel 7, artikel 19, lid 2, en de artikelen 21 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die niet bepaalt dat er in de mate van het mogelijke wordt voorzien in de elementaire levensbehoeften van een derdelander, wanneer: – deze derdelander beroep heeft ingesteld tegen een jegens hem genomen terugkeerbesluit; – het meerderjarige kind van deze derdelander aan een ernstige ziekte lijdt; – de aanwezigheid van die derdelander bij dit meerderjarige kind onmisbaar is; – er namens dat meerderjarige kind beroep is ingesteld tegen een jegens hem genomen terugkeerbesluit, waarvan de uitvoering voor dat kind een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert, en – die derdelander niet over de middelen beschikt om in zijn eigen onderhoud te voorzien.
Kosten
56 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 5, 13 en 14 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, gelezen in het licht van artikel 7, artikel 19, lid 2, en de artikelen 21 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die niet bepaalt dat er in de mate van het mogelijke wordt voorzien in de elementaire levensbehoeften van een derdelander, wanneer:
– deze derdelander beroep heeft ingesteld tegen een jegens hem genomen terugkeerbesluit; – het meerderjarige kind van deze derdelander aan een ernstige ziekte lijdt; – de aanwezigheid van die derdelander bij dit meerderjarige kind onmisbaar is; – er namens dat meerderjarige kind beroep is ingesteld tegen een jegens hem genomen terugkeerbesluit, waarvan de uitvoering voor dat kind een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert, en – die derdelander niet over de middelen beschikt om in zijn eigen onderhoud te voorzien.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 30 april 2020, C-661/18, ECLI:EU:C:2020:335
- HvJ EU 3 december 2019, C-414/18, ECLI:EU:C:2019:1036
- HvJ EU 17 januari 2019, C-639/17, ECLI:EU:C:2019:31
- HvJ EU 19 juni 2018, C-181/16, ECLI:EU:C:2018:465
- HvJ EU 18 december 2014, C-562/13, ECLI:EU:C:2014:2453
- HvJ EU 17 december 1981, 272/80, ECLI:EU:C:1981:312