HvJ EU 23 april 2020, C-640/18, ECLI:EU:C:2020:293

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

23 april 2020 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 78/660/EEG – Jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen – Beginsel van het getrouwe beeld – Verwerving van een financieel vast actief door een naamloze vennootschap – Boeking ten laste in de resultatenrekening van een disconto in verband met een renteloze schuld met een looptijd van meer dan een jaar, en boeking van de aanschaffingsprijs van het vaste actief op de actiefzijde van de balans na aftrek van het disconto”

In zaak C‑640/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d’appel de Mons (hof van beroep Bergen, België) bij beslissing van 21 september 2018, ingekomen bij het Hof op 12 oktober 2018, in de procedure

Wagram Invest SA

tegen

Belgische Staat,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev (rapporteur), kamerpresident, P. G. Xuereb en T. von Danwitz, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: M. Aleksejev, hoofd van een administratieve eenheid,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 september 2019,

gelet op de opmerkingen van:

– Wagram Invest SA, vertegenwoordigd door B. Paquot en J. Terfve, advocaten,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door C. Pochet, J.‑C. Halleux en P. Cottin als gemachtigden,

– de Duitse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Möller, U. Bartl, M. Hellmann en T. Henze, vervolgens door J. Möller, U. Bartl en M. Hellmann als gemachtigden,

– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll en G. Hesse als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk, N. Gossement en C. Perrin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 november 2019,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de Vierde richtlijn (78/660/EEG) van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel [44, lid 2, onder g), EG] betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PB 1978, L 222, blz. 11).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Wagram Invest SA en de Belgische Staat over de door die vennootschap verschuldigde vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2000 en 2001.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De derde overweging van richtlijn 78/660 luidt als volgt: „Overwegende dat het […] nodig is dat in de Gemeenschap gelijkwaardige juridische minimumvereisten worden vastgesteld inzake de omvang van de door concurrerende vennootschappen openbaar te maken financiële gegevens”.

4 Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt: „[…] 3. De jaarrekening moet een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap. 4. Wanneer de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn niet voldoende is om het in lid 3 bedoelde getrouwe beeld te geven, moeten aanvullende inlichtingen worden verstrekt. 5. Indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat toepassing van een bepaling van deze richtlijn in strijd is met de in lid 3 bedoelde verplichting, dient van deze bepaling te worden afgeweken opdat een getrouw beeld in de zin van lid 3 wordt gegeven. Zulk een afwijking moet in de toelichting worden medegedeeld en naar behoren gemotiveerd onder vermelding van de invloed ervan op het vermogen, de financiële positie en het resultaat. De lidstaten kunnen de uitzonderingsgevallen nader omschrijven en de daarmee overeenstemmende afwijkende regeling vaststellen. […]”

5 Artikel 31, lid 1, van die richtlijn bepaalt: „De lidstaten zorgen ervoor dat de waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt volgens de onderstaande algemene beginselen: […] c) het voorzichtigheidsbeginsel moet steeds in acht worden genomen en in het bijzonder geldt het volgende: aa) winsten mogen slechts worden opgenomen voor zover zij op de balansdatum gerealiseerd zijn; bb) alle voorzienbare risico’s en mogelijke verliezen die hun oorsprong hebben in het boekjaar of in een vorig boekjaar, moeten in aanmerking worden genomen, ook als deze risico’s en verliezen pas bekend worden tussen de balansdatum en de datum waarop de balans wordt opgesteld; cc) waardeverminderingen moeten in aanmerking worden genomen, ongeacht het resultaat van het boekjaar; d) lasten en baten betreffende het boekjaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, moeten in aanmerking worden genomen, ongeacht het tijdstip van betaling van deze lasten of ontvangst van deze baten; e) de activa en passiva worden elk afzonderlijk gewaardeerd; […]”

6 Artikel 32 van deze richtlijn is als volgt geformuleerd: „De waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 34 tot en met 42, die zijn gebaseerd op het beginsel van de aanschaffings‑ of vervaardigingskosten.”

7 Artikel 35 van richtlijn 78/660 bepaalt: „1. a) Vaste activa moeten worden gewaardeerd tegen aanschaffings‑ of vervaardigingskosten, onverminderd het bepaalde sub b) en c). b) Bij vaste activa met een beperkte gebruiksduur moeten de aanschaffings‑ of vervaardigingskosten worden verminderd met de waardecorrecties die worden berekend met het oog op de stelselmatige afschrijving van deze activa gedurende de gebruiksduur. c) aa) Op financiële vaste activa kunnen waardecorrecties worden toegepast teneinde ze in aanmerking te nemen tegen de lagere waarde die zij op de balansdatum bezitten. bb) Op vaste activa moeten, ook als hun gebruiksduur niet beperkt is, waardecorrecties worden toegepast teneinde ze in aanmerking te nemen tegen de lagere waarde die zij op de balansdatum bezitten, wanneer wordt verwacht dat de waardevermindering duurzaam zal zijn. cc) De sub aa) en bb) bedoelde waardecorrecties moeten op de winst‑ en verliesrekening worden geboekt en afzonderlijk in de toelichting worden vermeld, indien dit niet reeds in de winst‑ en verliesrekening is geschied. dd) De waardering tegen de lagere waarde als bedoeld sub aa) en bb) mag niet worden gehandhaafd wanneer de oorzaken van de waardecorrecties hebben opgehouden te bestaan. d) Wanneer op de vaste activa louter voor belastingdoeleinden buitengewone waardecorrecties worden toegepast, moet het bedrag van de correcties in de toelichting worden vermeld en naar behoren gemotiveerd. 2. De aanschaffingskosten bestaan uit de inkoopprijs vermeerderd met de bijkomende kosten. 3. a) De vervaardigingskosten bestaan uit de aanschaffingskosten der verwerkte grond ‑en hulpstoffen, vermeerderd met de kosten die rechtstreeks aan het betrokken product kunnen worden toegerekend. b) Daarnaast mag een redelijk deel van de op de productieperiode betrekking hebbende kosten die slechts indirect aan het betrokken product kunnen worden toegerekend, aan de vervaardigingskosten worden toegevoegd. 4. Rente op vreemd vermogen dat wordt gebruikt voor de financiering van de productie van vaste activa mag in de vervaardigingskosten worden opgenomen voor zover zij op de productieperiode betrekking heeft. In dit geval moet de activering in de toelichting worden vermeld.”

Belgisch recht

8 Artikel 24 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen (Belgisch Staatsblad, 6 februari 2001, blz. 3008; hierna: „koninklijk besluit van 30 januari 2001”) luidt als volgt: „De jaarrekening moet een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap. Wanneer de toepassing van de bepalingen van deze titel niet volstaat om te voldoen aan dit voorschrift moeten aanvullende inlichtingen worden verstrekt in de toelichting.”

9 Artikel 29, lid 1, van dat koninklijk besluit, dat zich bevindt in hoofdstuk II, „Waarderingsregels”, bepaalt: „Indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat de toepassing van een in dit hoofdstuk bedoelde waarderingsregel niet leidt tot nakoming van het bepaalde in artikel 24, eerste lid, moet daarvan worden afgeweken teneinde te voldoen aan de in het voornoemde artikel bedoelde verplichting.”

10 In artikel 35 van dat koninklijk besluit is bepaald: „Onverminderd de toepassing van de artikelen 29, 57, 67, 69, 71, 73 en 77, wordt elk actiefbestanddeel gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen. Onder aanschaffingswaarde wordt verstaan: of de aanschaffingsprijs zoals bepaald in artikel 36, of de vervaardigingsprijs zoals bepaald in artikel 37, of de inbrengwaarde zoals bepaald in artikel 39.”

11 Artikel 67, § 2, van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 luidt als volgt: „Bij de boeking van een vordering in de balans voor haar nominale waarde worden in voorkomend geval in de overlopende rekeningen van het passief geboekt en pro rata temporis in resultaat genomen op grond van de samengestelde interesten: […] c) het disconto op renteloze of abnormaal laag rentende vorderingen, wanneer deze vorderingen: 1° terugbetaalbaar zijn na meer dan één jaar te rekenen vanaf het ogenblik waarop zij in het vermogen van de vennootschap zijn opgenomen, en 2° betrekking hebben hetzij op als opbrengst geboekte bedragen in de resultatenrekening, hetzij op de prijs van de overdracht van vaste activa of van een activiteitsbranche. […]”

12 Krachtens artikel 77 van dat koninklijk besluit is artikel 67 ervan van overeenkomstige toepassing op de schulden van overeenstemmende aard en looptijd.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13 Bij overeenkomst van 10 januari 1997 heeft Wagram Invest, met maatschappelijke zetel in België en op het ogenblik van de feiten in het hoofdgeding SCRL HDB de promotion et de gestion genaamd, van haar zaakvoerder aandelen in IENA SA verworven voor een prijs van 24000000 Belgische frank (BEF) (594944,45 EUR), betaalbaar in 16 semestrialiteiten van 1500000 BEF (37184,02 EUR), zonder rente, waarbij de laatste semestrialiteit verschuldigd was op 10 juli 2004.

14 Bij een tweede overeenkomst, van 10 maart 1999, heeft Wagram Invest van haar zaakvoerder verdere aandelen in IENA verworven voor een prijs van 31760400 BEF (787319,75 EUR), te betalen in twaalf semestrialiteiten van 2646700 BEF (65609,97 EUR), zonder rente.

15 De prijs die als basis heeft gediend voor die twee overeenkomsten voor de overdracht van aandelen in IENA is de prijs die door de aandeelhouders van die vennootschap is betaald toen zij kort daarvoor op de kapitaalverhoging hadden ingeschreven.

16 Om die transacties inzake de aankoop van aandelen in de boeken op te nemen heeft Wagram Invest de volgende boekingen verricht: – boeking van de schulden ten aanzien van de zaakvoerder aan de passiefzijde van haar balans onder de schulden met een looptijd van meer dan een jaar voor de nominale waarde ervan, te weten 24000000 BEF (594944,45 EUR) en 31760400 BEF (787319,75 EUR); – boeking onder de activa van de 2005 aandelen die op 10 januari 1997 zijn verkregen voor een geactualiseerde waarde van 18233827 BEF (452004,76 EUR) en de 1993 aandelen die op 10 maart 1999 zijn verkregen voor een geactualiseerde waarde van 25871302 BEF (641332,82 EUR); – boeking in de overlopende rekening (rekening 4901) van het disconto dat bestond in het verschil tussen de nominale waarde van de schuld en de geactualiseerde waarde van het vaste actief, namelijk 5766173 BEF (142939,69 EUR) en 5889098 BEF (145986,93 EUR), en – boeking als financiële kosten, bij de afsluiting van elk boekjaar, van een aandeel van uitgestelde kosten dat overeenkwam met het disconto op de schuld.

17 Bij de afsluiting van het aanslagjaar 2000 heeft Wagram Invest een kostenaandeel geboekt van 1970339 BEF (48843,42 EUR), namelijk 1000506 BEF (24801,89 EUR) voor de in de loop van 1997 verkregen aandelen en 969833 BEF (24041,53 EUR) voor de in de loop van 1999 verkregen aandelen.

18 Bij de afsluiting van het aanslagjaar 2001 heeft Wagram Invest een kostenaandeel geboekt van 2676318 BEF (66344,19 EUR), namelijk 843090 BEF (20899,65 EUR) voor de in de loop van 1997 verkregen aandelen en 1833228 BEF (45444,53 EUR) voor de in de loop van 1999 verkregen aandelen

19 De voor de actualisering gebruikte discontovoet was die van de marktrente die op dergelijke schulden van toepassing was bij de opname ervan in het vermogen, namelijk 8 %.

20 Naar aanleiding van een controle heeft de Belgische belastingadministratie geoordeeld dat zij de discontokosten die in de boeken waren opgenomen en waren afgetrokken voor de aanslagjaren 2000 en 2001 moest verwerpen, en heeft zij Wagram Invest, ondanks betwisting door deze vennootschap, op 28 oktober 2002 een bericht van wijziging gestuurd.

21 Op basis daarvan heeft de belastingadministratie Wagram Invest voor de aanslagjaren 2000 en 2001 respectievelijk op 20 en 18 november 2002 twee aanvullende heffingen in de vennootschapsbelasting opgelegd.

22 Aangezien de directeur van deze administratie niet binnen de gestelde termijn van zes maanden uitspraak heeft gedaan over het door Wagram Invest op 18 februari 2003 ingediende bezwaar, heeft die vennootschap op 10 maart 2005 beroep ingesteld bij de tribunal de première instance de Namur (rechtbank van eerste aanleg Namen, België).

23 Bij vonnis van 20 december 2007 heeft deze rechterlijke instantie het verzoek tot nietigverklaring van de beslissing van de belastingadministratie ongegrond verklaard en de gegrondheid van de betwiste aanvullende belastingheffingen bevestigd.

24 Wagram Invest heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de cour d’appel de Liège (hof van beroep Luik, België), die bij arrest van 14 oktober 2011 het in eerste aanleg gewezen vonnis heeft bevestigd.

25 Wagram Invest heeft op 2 juli 2014 beroep in cassatie ingesteld. Het Hof van Cassatie (België) heeft bij arrest van 11 maart 2016 het arrest van de cour d’appel de Liège vernietigd en de zaak verwezen naar de cour d’appel de Mons (hof van beroep Bergen, België).

26 Hoewel de cour d’appel de Mons erkent dat de door Wagram Invest gebruikte boekingsmethode in overeenstemming is met de bepalingen van Belgisch recht, in het bijzonder met artikel 77 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001, vraagt hij zich af of een dergelijke methode in overeenstemming is met artikel 2, leden 3 tot en met 5, van richtlijn 78/660, gelezen in samenhang met artikel 32 van die richtlijn.

27 Daarop heeft de cour d’appel de Mons de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Rechtvaardigt het begrip ‚getrouw beeld’ als bedoeld in artikel 2, lid 3, van [richtlijn 78/660] dat, bij de aankoop van een financieel vast actief door een naamloze vennootschap, een disconto ten laste in de resultatenrekening wordt geboekt in verband met een renteloze schuld met een looptijd van meer dan een jaar, en dat de aanschaffingsprijs van het vaste actief wordt geboekt op de actiefzijde van de balans na aftrek van het disconto, gelet op de waarderingsprincipes zoals vermeld in artikel 32 van die richtlijn? 2) Moet de formulering ‚in uitzonderingsgevallen’, die een voorwaarde is voor de toepassing van artikel 2, lid 5, van [richtlijn 78/660] en op basis waarvan een (andere) bepaling van die richtlijn buiten toepassing kan worden gelaten, in die zin worden uitgelegd dat die bepaling slechts kan worden toegepast indien wordt vastgesteld dat de inachtneming van het beginsel van het getrouwe beeld niet kan worden bereikt door de naleving van de bepalingen van die richtlijn, in voorkomend geval met aanvullende inlichtingen in de toelichting overeenkomstig artikel 2, lid 4, van die richtlijn? 3) Moet voorrang worden gegeven aan de toepassing van artikel 2, lid 4, van [richtlijn 78/660], zodat enkel gebruik kan worden gemaakt van de in artikel 2, lid 5, genoemde mogelijkheid een bepaling van de richtlijn buiten toepassing te laten indien aanvullende inlichtingen niet volstaan voor een effectieve toepassing van het in artikel 2, lid 3, van de richtlijn genoemde beginsel van het getrouwe beeld, en dat enkel in uitzonderingsgevallen?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

28 Vooraf zij opgemerkt dat het hoofdgeding van fiscale aard is. Richtlijn 78/660, waarvan in het onderhavige geval om uitlegging wordt verzocht, strekt er evenwel niet toe de voorwaarden vast te leggen waaronder de fiscale autoriteiten van de lidstaten de jaarrekening van de vennootschappen als basis kunnen of moeten nemen voor de bepaling van de grondslag en het bedrag van de belastingen, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vennootschapsbelasting (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, GIMLE, C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 28).

29 Het Hof heeft evenwel erkend dat de lidstaten de jaarrekening als uitgangspunt voor fiscale doeleinden kunnen gebruiken, wat het geval is in het Belgische recht (zie in die zin arresten van 3 oktober 2013, GIMLE, C‑322/12, EU:C:2013:632, punten 27 en 28, en 15 juni 2017, Immo Chiaradia en Docteur De Bruyne, C‑444/16 en C‑445/16, EU:C:2017:465, punt 33).

Eerste vraag

30 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het in artikel 2, lid 3, van richtlijn 78/660 neergelegde beginsel van het getrouwe beeld in geval van aankoop van een financieel vast actief door een naamloze vennootschap, waarbij de prijs over een langere periode in termijnen wordt betaald zonder dat rente verschuldigd is, in omstandigheden die lijken op een lening, in die zin moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen het gebruik van een boekingsmethode waarbij een disconto ten laste in de resultatenrekening wordt geboekt in verband met een met die aankoop gepaard gaande renteloze schuld met een looptijd van meer dan een jaar, en de aanschaffingsprijs van dat vaste actief op de actiefzijde van de balans wordt geboekt na aftrek van dat disconto.

31 Vooraf moet worden benadrukt dat richtlijn 78/660, volgens de derde overweging ervan, slechts beoogt minimumvereisten vast te stellen inzake de omvang van de openbaar te maken financiële gegevens (arrest van 3 oktober 2013, GIMLE, C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 De naleving van het beginsel van het getrouwe beeld vormt de hoofddoelstelling van richtlijn 78/660. Volgens dit in artikel 2, lid 3, van die richtlijn opgenomen beginsel moet de jaarrekening een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, GIMLE, C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 In dat verband heeft het Hof geoordeeld dat dit beginsel vereist dat de jaarrekening de weerspiegeling is van de activiteiten en verrichtingen die zij geacht wordt te beschrijven en dat de boekhoudkundige informatie wordt verstrekt in de vorm die het meest bruikbaar en geschikt wordt geacht om aan de informatiebehoeften van derden te voldoen, zonder afbreuk te doen aan de belangen van de betrokken vennootschap (arrest van 14 september 1999, DE + ES Bauunternehmung, C‑275/97, EU:C:1999:406, punt 27).

34 Het Hof heeft overigens gepreciseerd dat het beginsel van het getrouwe beeld zo veel mogelijk dient te worden toegepast langs de lijnen van de in artikel 31 van richtlijn 78/660 neergelegde algemene beginselen. In dat kader is het in artikel 31, lid 1, onder c), van die richtlijn neergelegde voorzichtigheidsbeginsel van bijzonder belang (arrest van 3 oktober 2013, GIMLE, C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Ingevolge artikel 31, lid 1, onder c), van richtlijn 78/660 wordt het beginsel van het getrouwe beeld geëerbiedigd wanneer alle elementen – gerealiseerde winsten, lasten, baten, risico’s en verliezen – die werkelijk op het boekjaar in kwestie betrekking hebben, in aanmerking worden genomen (arrest van 3 oktober 2013, GIMLE, C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Het beginsel van het getrouwe beeld moet overigens ook worden begrepen tegen de achtergrond van het in artikel 32 van richtlijn 78/660 vermelde beginsel dat de waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt op basis van het beginsel van de aanschaffings‑ of vervaardigingskosten (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, GIMLE, C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 34).

37 Krachtens dat artikel steunt het getrouwe beeld dat de jaarrekening van een onderneming moet geven op een waardering van de activa die is gebaseerd op de historische kostprijs en niet op de werkelijke waarde ervan (arrest van 3 oktober 2013, GIMLE, C‑322/12, EU:C:2013:632, punt 35).

38 In het onderhavige geval heeft de Belgische wetgever, indien in een aankoopovereenkomst voor een financieel vast actief is bedongen dat de prijs over een langere periode in termijnen wordt betaald zonder dat rente verschuldigd is, de in formeel opzicht enkelvoudige aankoop beschouwd als een verrichting die in werkelijkheid uit twee elementen bestaat, namelijk de eigenlijke aankoop van het financiële vaste actief en een impliciete lening.

39 In die omstandigheden omvat de nominale waarde van de voor de aankoop van het financiële vaste actief betaalde prijs, die overeenkomt met de historische kostprijs van dat vaste actief, in werkelijkheid twee elementen, namelijk, ten eerste, de geactualiseerde waarde van de aankoopprijs van het vaste actief, die overeenkomt met de inkoopprijs minus de impliciete rente op de lening, en, ten tweede, een bedrag dat overeenkomt met die impliciete rente.

40 De boekingsmethode aan de orde in het hoofdgeding, die enerzijds inhoudt dat de geactualiseerde waarde van de voor het financiële vaste actief betaalde prijs, te weten de nominale waarde minus de impliciete rente, op de actiefzijde wordt geboekt en anderzijds dat in de overlopende rekening een disconto wordt geboekt dat de impliciete rente vertegenwoordigt, waarvan het bedrag overeenkomt met het verschil tussen de nominale waarde van de schuld die is aangegaan voor de aankoop van het vaste actief en de geactualiseerde waarde van die schuld, geeft dan ook een getrouw beeld van beide elementen van die verrichting.

41 Zoals de Europese Commissie benadrukt, geeft deze boekingsmethode, wanneer zij in normale marktomstandigheden wordt toegepast, voorrang aan de inhoud van de verrichting boven de vorm ervan, door de waarde van het vaste actief in aanmerking te nemen met inachtneming van het beginsel van het getrouwe beeld, op basis van een waardering waarbij alle relevante factoren in aanmerking worden genomen, in het bijzonder, in het onderhavige geval, de financiële kosten, ook indien die kosten impliciet zijn en dus niet formeel uit de nominale waarde van de aanschaffingskosten van het betrokken actief blijken.

42 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat het in artikel 2, lid 3, van richtlijn 78/660 neergelegde beginsel van het getrouwe beeld in het geval van de aankoop van een financieel vast actief door een naamloze vennootschap, waarbij de prijs over een langere periode in termijnen wordt betaald zonder dat rente verschuldigd is, in omstandigheden die lijken op een lening, in die zin moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen het gebruik van een boekingsmethode waarbij een disconto tegen de marktrentevoet ten laste in de resultatenrekening wordt geboekt in verband met een met die aankoop gepaard gaande renteloze schuld met een looptijd van meer dan een jaar, en de aanschaffingsprijs van dat vaste actief op de actiefzijde van de balans wordt geboekt na aftrek van dat disconto.

Tweede en derde vraag

43 Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeven de tweede en de derde vraag geen beantwoording.

Kosten

44 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

In het geval van de aankoop van een financieel vast actief door een naamloze vennootschap, waarbij de prijs over een langere periode in termijnen wordt betaald zonder dat rente verschuldigd is, in omstandigheden die lijken op een lening, moet het in artikel 2, lid 3, van de Vierde richtlijn (78/660/EEG) van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel [44, lid 2, onder g), EG] betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen neergelegde beginsel van het getrouwe beeld in die zin worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen het gebruik van een boekingsmethode waarbij een disconto tegen de marktrentevoet ten laste in de resultatenrekening wordt geboekt in verband met een met die aankoop gepaard gaande renteloze schuld met een looptijd van meer dan een jaar, en de aanschaffingsprijs van dat vaste actief op de actiefzijde van de balans wordt geboekt na aftrek van dat disconto.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken