HvJ EU 14 november 2019, C-255/18, ECLI:EU:C:2019:967

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

14 november 2019 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2014/59/EU – Herstel en afwikkeling van kredietinstellingen – Nationale financieringsregeling – Afwikkelingsautoriteit – Nationaal fonds – Artikelen 103 en 104 – Bijdrageverplichting – Vooraf te betalen bijdragen en achteraf te betalen buitengewone bijdragen – Berekening – Te late omzetting van de richtlijn – Gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 – Artikelen 12 en 14 – Begrip ‚statuswijziging’ – Invloed op de bijdrageverplichting”

In zaak C‑255/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië) bij beslissing van 15 november 2017, ingekomen bij het Hof op 11 april 2018, in de procedure

State Street Bank International GmbH

tegen

Banca d’Italia,

in tegenwoordigheid van:

Banco delle Tre Venezie SpA,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, vicepresident van het Hof, M. Safjan, L. Bay Larsen (rapporteur) en C. Toader, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 april 2019,

gelet op de opmerkingen van:

– State Street Bank International GmbH, vertegenwoordigd door S. Dettori, avvocato,

– Banca d’Italia, vertegenwoordigd door M. Mancini, D. Messineo en L. Sciotto, avvocati,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. A. Sampol Pucurull als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Di Bucci, K.‑P. Wojcik en A. Steiblytė als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juni 2019,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190) en van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen State Street Bank International GmbH (hierna: „SSBI”) en Banca d’Italia over de betaling van bijdragen aan het Italiaanse nationale afwikkelingsfonds.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2014/59

3 De overwegingen 103 tot en met 105 van richtlijn 2014/59 luiden als volgt: „(103) [...] Onverminderd de rol van de centrale banken om het financiële stelsel ook in tijden van stress van liquiditeiten te voorzien, is het belangrijk dat lidstaten financieringsregelingen opzetten om te vermijden dat de daartoe benodigde middelen uit de nationale begrotingen moeten komen. Het moet de financiële sector als geheel zijn die de stabilisatie van het financiële stelsel financiert. (104) Lidstaten dienen als algemene regel hun nationale financieringsregeling op te zetten door middel van fondsen die onder zeggenschap van afwikkelingsautoriteiten staat en die voor de in deze richtlijn vastgelegde doeleinden kan worden aangesproken. [...] (105) In beginsel moeten voorafgaand aan en onafhankelijk van elke afwikkelingsmaatregel bijdragen van de sector worden geïnd. Als de financiering vooraf onvoldoende is om de verliezen of kosten te dekken die uit het gebruik van de financieringsregelingen voortvloeien, moeten er aanvullende bijdragen worden geïnd om de extra kosten of verliezen te dragen.”

4 Artikel 100, leden 1, 4 en 5, van deze richtlijn luidt: „1. De lidstaten zetten een of meer financieringsregelingen op met het oog op een doeltreffende toepassing door de afwikkelingsautoriteit van de afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden. [...] 4. Voor de toepassing van lid 3 hebben financieringsregelingen met name de bevoegdheid tot: a) inning van vooraf te betalen bijdragen als bedoeld in artikel 103 met de bedoeling het in artikel 102 vermelde streefbedrag te bereiken; b) inning van achteraf te betalen buitengewone bijdragen als bedoeld in artikel 104 indien de bijdragen zoals omschreven onder a) onvoldoende zijn; en c) het verkrijgen van leningen en van andere vormen van steun als bedoeld in artikel 105. 5. Behoudens toegestaan krachtens lid 6 zet elke lidstaat zijn nationale financieringsregeling op door middel van een fonds, waarvan het gebruik door zijn afwikkelingsautoriteit voor de in artikel 101, lid 1, vermelde doelstellingen kan worden geactiveerd.”

5 In artikel 102, lid 1, van diezelfde richtlijn is bepaald: „De lidstaten dragen er zorg voor dat uiterlijk op 31 december 2024 de beschikbare financiële middelen van hun financieringsregelingen ten minste gelijk zijn aan 1 % van het bedrag aan de gedekte deposito’s van alle instellingen waaraan op hun grondgebied vergunning is verleend. De lidstaten kunnen hogere streefbedragen vaststellen.”

6 Artikel 103 van richtlijn 2014/59, met als opschrift „Vooraf te betalen bijdragen”, bepaalt: „1. Om het in artikel 102 vermelde streefbedrag te halen, dragen de lidstaten er zorg voor dat ten minste jaarlijks bijdragen worden geïnd van de instellingen, met inbegrip van EU-bijkantoren, waaraan op hun grondgebied vergunning is verleend. [...] 4. De lidstaten dragen er zorg voor dat de verplichting tot betaling van de in dit artikel bedoelde bijdragen in rechte afdwingbaar is en dat verschuldigde bijdragen volledig worden betaald. De lidstaten leggen passende regelgevings-, boekhoud-, rapportage- en andere verplichtingen op om te waarborgen dat verschuldigde bijdragen volledig worden betaald. De lidstaten nemen ook maatregelen om te waarborgen dat naar behoren wordt geverifieerd of de bijdragen correct zijn betaald. [...] 5. De overeenkomstig dit artikel geïnde bedragen worden alleen aangewend voor de in artikel 101, lid 1, beschreven doeleinden. [...] 7. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 115 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op de nadere omschrijving van het in lid 2 van dit artikel bedoelde begrip ‚aanpassen van de bijdragen aan de financieringsregelingen aan het risicoprofiel van de instellingen’, [...] [...] 8. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 115 gedelegeerde handelingen vast te stellen [...] [...]”.

7 Artikel 104 van deze richtlijn is als volgt verwoord: „1. Indien de beschikbare financiële middelen ontoereikend zijn om de verliezen, kosten of andere uitgaven als gevolg van het beroep op de financieringsregeling te dekken, dragen de lidstaten er zorg voor dat ter dekking van de extra bedragen buitengewone achteraf te betalen bijdragen kunnen worden geïnd bij de instellingen waaraan op hun grondgebied vergunning is verleend. Deze buitengewone achteraf te betalen bijdragen worden overeenkomstig de in artikel 103, lid 2, vastgestelde regels over de instellingen verdeeld. [...] 2. Op de uit hoofde van dit artikel geïnde bijdragen is artikel 103, leden 4 tot en met 8, van toepassing. [...]”

8 Artikel 130, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten dienen uiterlijk 31 december 2014 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de tekst van die bepalingen onverwijld mede aan de Commissie. De lidstaten passen die bepalingen toe met ingang van 1 januari 2015. [...]”

Gedelegeerde verordening 2015/63

9 Artikel 4 van deze gedelegeerde verordening luidt: „1. De afwikkelingsautoriteiten bepalen de jaarlijkse bijdragen die elke instelling moet betalen in verhouding tot haar risicoprofiel op basis van de informatie die de instelling overeenkomstig artikel 14 heeft verstrekt en volgens de methode die in deze afdeling wordt beschreven. 2. De afwikkelingsautoriteit bepaalt de in lid 1 bedoelde jaarlijkse bijdrage op basis van het jaarlijkse streefbedrag van de afwikkelingsfinancieringsregeling, rekening houdend met het streefbedrag dat overeenkomstig artikel 102, lid 1, van richtlijn 2014/59/EU uiterlijk op 31 december 2024 moet worden gehaald, en uitgaande van het op kwartaalbasis berekende gemiddelde bedrag aan gedekte deposito’s van een jaar eerder van alle instellingen waaraan op haar grondgebied vergunning is verleend.”

10 Artikel 12 van voornoemde verordening, met als opschrift „Nieuwe onder toezicht staande instellingen of statuswijziging”, bepaalt: „1. Ingeval een instelling slechts gedurende een deel van een bijdrageperiode een nieuwe onder toezicht staande instelling is, wordt de gedeeltelijke bijdrage bepaald middels de toepassing van de in afdeling 3 beschreven methode op het voor de daaropvolgende bijdrageperiode berekende bedrag van haar jaarlijkse bijdrage naar rato van het aantal volledige maanden van de bijdrageperiode waarin de instelling onder toezicht stond. 2. Een statuswijziging van een instelling, met inbegrip van een kleine instelling, in de loop van de bijdrageperiode heeft geen effect op de jaarlijkse bijdrage die in dat specifieke jaar moet worden betaald.”

11 Artikel 14, lid 1, van deze verordening luidt: „1. De instellingen verstrekken de afwikkelingsautoriteit de laatste goedgekeurde jaarrekening die vóór 31 december van het jaar voorafgaand aan de bijdrageperiode beschikbaar was, samen met het in artikel 32 van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad [van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB 2013, L 182, blz. 19)] bedoelde oordeel van de wettelijke auditor of het wettelijke auditkantoor.”

12 In artikel 20, leden 1 tot en met 4, van gedelegeerde verordening 2015/63 wordt bepaald: „1. [...] Wat de in 2015 te betalen bijdragen betreft, stellen de afwikkelingsautoriteiten, in afwijking van artikel 13, lid 1, uiterlijk op 30 november 2015 elke instelling in kennis van hun besluit tot vaststelling van de door hen te betalen jaarlijkse bijdrage. 2. Wat de in 2015 te betalen bijdragen betreft, wordt het bedrag dat uit hoofde van het in artikel 13, lid 3, bedoelde besluit verschuldigd is, in afwijking van artikel 13, lid 4, uiterlijk op 31 december 2015 betaald. 3. Wat de in 2015 aan de afwikkelingsautoriteit te verstrekken informatie betreft, wordt, in afwijking van artikel 14, lid 4, de in genoemde bepaling bedoelde informatie uiterlijk op 1 september 2015 verstrekt. 4. In afwijking van artikel 16, lid 1, verstrekken de depositogarantiestelsels de afwikkelingsautoriteit uiterlijk op 1 september 2015 de informatie over het bedrag van de gedekte deposito’s per 31 juli 2015.”

13 Uit artikel 21 van deze verordening volgt dat deze van toepassing is met ingang van 1 januari 2015.

Italiaans recht

14 Artikel 78 van decreto legislativo (wetsbesluit) nr. 180/2015 van 16 november 2015, waarbij richtlijn 2014/59 in nationaal recht is omgezet (GURI nr. 267 van 16 november 2015), bepaalt: „Om de afwikkelingsdoelstellingen [...] te kunnen realiseren, worden bij Banca d’Italia een of meer afwikkelingsfondsen opgericht [...]”.

15 Artikel 81 van dit decreto legislativo is als volgt verwoord: „1. Uiterlijk op 31 december 2024 stemt het totale budget van de afwikkelingsfondsen overeen met 1 procent van de gedekte deposito’s op de einddatum van de laatste door de bijdrageplichtigen goedgekeurde jaarrekening. 2. Om het in lid 1 vermelde niveau te bereiken, vinden de berekening en de inning van de bijdragen overeenkomstig artikel 82 op jaarbasis zo gelijk mogelijk in de tijd gespreid plaats, waarbij ook rekening moet worden gehouden met het mogelijke procyclische effect van de bijdragen op de financiële positie van de bijdrageplichtigen.”

16 Artikel 82, lid 1, van voornoemd decreto legislativo luidt: „De banken die hun statutaire zetel in Italië hebben, en de Italiaanse bijkantoren van banken van buiten de [Unie] betalen op jaarbasis vaste bijdragen aan de afwikkelingsfondsen, waarvan het bedrag door Banca d’Italia in overeenstemming met de instructies van de Europese Commissie overeenkomstig artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 wordt bepaald.”

17 In artikel 83, lid 1, van datzelfde decreto legislativo is het volgende bepaald: „Indien de financiële middelen ontoereikend zijn om de in artikel 79, lid 1, genoemde maatregelen te kunnen uitvoeren, betalen de banken die hun statutaire zetel in Italië hebben en de Italiaanse bijkantoren van banken van buiten de Unie aan de afwikkelingsfondsen buitengewone bijdragen om de aanvullende kosten te dekken, waarvan het bedrag door Banca d’Italia wordt vastgesteld.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

18 SSBI is een in Duitsland gevestigde bank.

19 Tot en met 5 juli 2015 was zij in Italië actief via State Street Bank SpA (hierna: „SSB Italië”).

20 Vanaf 6 juli 2015 heeft SSBI, na een fusie door overneming van SSB Italië, haar activiteiten op het Italiaanse grondgebied voortgezet via een bijkantoor.

21 In de jaren 2015 en 2016 heeft Banca d’Italia, in haar hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit, van SSBI betaling gevorderd, voor het jaar 2015, van de vooraf te betalen bijdragen (hierna: „gewone bijdragen”) en de buitengewone achteraf te betalen bijdragen (hierna: „buitengewone bijdragen”). Meer in het bijzonder heeft Banca d’Italia SSBI bij nota’s van 23 en 26 november 2015, en van 1 april en 25 mei 2016 verzocht om betaling van 1275606 EUR aan gewone bijdragen en 3826819 EUR aan buitengewone bijdragen.

22 SSBI heeft bij de verwijzende rechter beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen deze nota’s, waarbij zij zowel de betaling van de gewone bijdrage als de betaling van de buitengewone bijdrage heeft betwist.

23 Ter ondersteuning van haar beroep voert zij een reeks argumenten aan waaronder, met name, dat zij haar activiteiten op het Italiaanse grondgebied, toen haar betaling van voornoemde bijdragen werd opgelegd, uitoefende via een bijkantoor en dat zij derhalve niet bijdrageplichtig kon zijn in Italië, maar in Duitsland.

24 Voorts heeft SSBI met name aangevoerd dat de oprichting, op 22 september 2015, van een onafhankelijk orgaan via hetwelk Banca d’Italia haar rol als afwikkelingsautoriteit uitoefent, en de instelling, op 18 november 2015, van het Italiaanse afwikkelingsfonds, plaats hebben gevonden na voornoemde fusie door overneming, wat betekent dat aan SSBI geen bijdrageverplichting had kunnen worden opgelegd.

25 Volgens SSBI vloeit voor haar ook geen verplichting om bij te dragen aan het Italiaanse afwikkelingsfonds voort uit artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63. Voorts wordt haar standpunt gesteund door de bepalingen van artikel 20, lid 4, van deze verordening, in die zin dat de referentiebasis voor de afwikkelingsautoriteit niet de situatie van SSBI op 31 december 2014 moet zijn, maar die op 31 juli 2015.

26 Bijgevolg is gedelegeerde verordening 2015/63 niet van toepassing op SSBI voor de periode van 1 januari tot en met 5 juli 2015, wat betekent dat zij niet bijdrageplichtig was.

27 Subsidiair heeft SSBI aangevoerd dat zij alleen onderworpen was aan de gewone bijdragen voor de periode waarin SSB Italië haar activiteiten in Italië uitoefende.

28 Banca d’Italia heeft de argumenten van SSBI weerlegd met de stelling dat laatstgenoemde wel bijdrageplichtig was. Zij heeft met name aangevoerd dat de Duitse afwikkelingsautoriteit geen rekening had kunnen houden met de fusie door overneming van SSB Italië en dat het ontbreken van een bijdrageverplichting in Italië, anders dan SSBI stelt, ertoe zou hebben geleid dat SSBI zowel in Italië als Duitsland was vrijgesteld van de bijdrageverplichting.

29 Banca d’Italia heeft aldus gesteld dat artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 in casu van toepassing is, omdat de bijdrage aan het Italiaanse afwikkelingsfonds drukt op alle in Italië gevestigde banken en, daarnaast, op alle bijkantoren van banken die op die datum buiten de Europese Unie zijn gevestigd.

30 Daarop heeft de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet onder ‚statuswijzigingen’, die volgens artikel 12 van [de gedelegeerde verordening] geen effect op de bijdrageplicht hebben, ook worden verstaan de fusie in de bijdrageperiode waarbij een eerder onder het toezicht van een nationale afwikkelingsautoriteit staande instelling wordt overgenomen door de in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, en geldt die regel ook ingeval de fusie en de daarmee gepaard gaande verdwijning van de instelling hebben plaatsgevonden in 2015, dat wil zeggen op een tijdstip waarop de nationale afwikkelingsautoriteit en het nationale fonds formeel nog niet door de lidstaat waren opgericht en de bijdragen nog niet berekend waren? 2) Moet artikel 12 van [de gedelegeerde verordening], gelezen in samenhang met artikel 14 van deze verordening en de artikelen 103 en 104 van richtlijn [2014/59], aldus worden uitgelegd dat een instelling ook in het geval dat in de loop van het bijdragejaar een fusie door overneming door een moedermaatschappij in een andere lidstaat plaatsvindt, verplicht is om de bijdrage voor het jaar in haar geheel te betalen en niet – door toepassing naar analogie van het bepaalde in artikel 12, lid 1, van [de gedelegeerde verordening] voor ‚nieuwe onder toezicht staande’ instellingen – naar rato van de maanden waarin de instelling zelf onder toezicht van de afwikkelingsautoriteit van de eerste lidstaat stond? 3) Moeten richtlijn [2014/59], [de gedelegeerde verordening] en de beginselen van het systeem bestaande uit de instrumenten ter beheersing van bankencrises aldus worden begrepen dat de inzake de vaste bijdrage vastgestelde regels en in het bijzonder artikel 12, lid 2, van [de gedelegeerde verordening], wat betreft het tijdstip waarop de bijdrageplichtigen worden aangewezen en de hoogte van de bijdrage, ook gelden voor de buitengewone bijdrage, rekening houdend met de aard ervan en de voor de inning ervan gestelde voorwaarden?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste onderdeel van de eerste vraag en tweede vraag

31 Met het eerste onderdeel van zijn eerste vraag en met zijn tweede vraag, die gezamenlijk dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of het begrip „statuswijziging” in de zin van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 aldus moet worden uitgelegd dat het een rechtshandeling zoals die in het hoofdgeding omvat, waarbij een instelling die eerder onder toezicht stond van een nationale afwikkelingsautoriteit gedurende de bijdrageperiode ophield onder het toezicht van die autoriteit te staan na een grensoverschrijdende fusie door overneming door haar moedermaatschappij, en die rechtshandeling derhalve geen gevolgen heeft voor de verplichting van een instelling om alle voor het betrokken bijdragejaar verschuldigde gewone bijdragen te betalen.

32 In dit verband dient ten eerste in herinnering te worden gebracht dat de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel volgens vaste rechtspraak vereisen dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de betekenis en de strekking ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd (arrest van 11 april 2019, Tarola, C‑483/17, EU:C:2019:309, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 verwijst ter bepaling van de betekenis en de strekking van het begrip „statuswijziging” niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten. Voor de toepassing van deze gedelegeerde verordening moet dat begrip worden geacht te verwijzen naar een autonoom begrip van Unierecht, dat op het grondgebied van alle lidstaten uniform moet worden uitgelegd.

34 Ten tweede dient in herinnering te worden gebracht dat voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht volgens vaste rechtspraak van het Hof rekening moet worden gehouden met de bewoordingen, de context en de doelstellingen ervan [zie in die zin arrest van 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen), C‑509/18, EU:C:2019:457, punt 28].

35 Betreffende in de eerste plaats de grammaticale uitlegging van het begrip „statuswijziging” in de zin van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63, dient te worden opgemerkt dat deze term, zoals blijkt uit punt 58 van de conclusie van de advocaat-generaal, iedere soort wijziging in de juridische of feitelijke situatie van een instelling kan omvatten die van invloed kan zijn op de toepassing van artikel 12, lid 2, van die gedelegeerde verordening.

36 Deze uitlegging van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 wordt gestaafd door de woorden „met inbegrip van een kleine instelling”, waaruit blijkt dat een wijziging van de omvang van een instelling, die relevant is voor de toepassing van bepalingen ten gunste van kleine instellingen, slechts één van de in die bepaling bedoelde situaties vormt.

37 Betreffende in de tweede plaats de context van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63, dient te worden opgemerkt dat artikel 12, lid 1, van deze gedelegeerde verordening bepaalt dat nieuwe instellingen die slechts gedurende een deel van de bijdrageperiode onder toezicht staan, de gewone bijdragen aan het afwikkelingsfonds van een lidstaat enkel pro rata temporis betalen, berekend op basis van het aantal volledige maanden van de eerste bijdrageperiode waarin de instelling onder toezicht stond.

38 Artikel 12, lid 2, van die gedelegeerde verordening, dat bepaalt dat de statuswijziging van een instelling geen effect heeft op de plicht van deze instelling om voor het betrokken jaar de jaarlijkse gewone bijdragen te betalen, ziet aldus in algemene zin op veranderingen die van invloed kunnen zijn op een instelling, terwijl artikel 12, lid 1, van voornoemde gedelegeerde verordening de berekeningsmethode verduidelijkt die – bij wijze van uitzondering – van toepassing is op een instelling die slechts gedurende een deel van de bijdrageperiode onder toezicht staat.

39 Artikel 12, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63, dat een afwijking van de algemene regel van lid 2 van dat artikel invoert, moet eng worden uitgelegd. Die uitlegging mag zich enkel uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen (zie naar analogie arresten van 1 december 2011, Painer, C‑145/10, EU:C:2011:798, punt 74, en 6 juni 2019, Weil, C‑361/18, EU:C:2019:473, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Een rechtshandeling die neerkomt op een statuswijziging in de zin van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63, leidt dientengevolge niet tot toepassing van de in artikel 12, lid 1, van die gedelegeerde verordening vastgestelde berekeningsmethode.

41 Betreffende in de derde plaats de doelstelling van richtlijn 2014/59 en gedelegeerde verordening 2015/63, volgt uit artikel 102, lid 1, en artikel 103, lid 1, van die richtlijn en artikel 4, lid 2, van die gedelegeerde verordening dat de gewone bijdragen jaarlijks worden geïnd van de instellingen om ervoor te zorgen dat uiterlijk op 31 december 2024 de beschikbare financiële middelen van de financieringsregelingen van de lidstaten ten minste gelijk zijn aan 1 % van het bedrag aan de gedekte deposito’s van alle instellingen waaraan op hun grondgebied vergunning is verleend.

42 Om deze doelstelling te bereiken gebieden artikel 4, lid 1, en artikel 14, leden 1 tot en met 3, van gedelegeerde verordening 2015/63 de nationale afwikkelingsautoriteit om de jaarlijkse bijdragen te bepalen op basis van boekhoudkundige informatie over de laatste goedgekeurde en gecertificeerde jaarrekening die vóór 31 december van het jaar voorafgaand aan de bijdrageperiode beschikbaar was, samen met het oordeel van de wettelijke auditor of het wettelijke auditkantoor.

43 Zoals in dit verband benadrukt door de advocaat generaal in punt 72 van zijn conclusie, zou het voor de nationale afwikkelingsautoriteiten, indien zij rekening moesten houden met de ontwikkeling van de juridische en financiële situatie van de instellingen gedurende het betrokken boekjaar, moeilijk zijn om een betrouwbare berekening te maken van de in het volgende jaar verschuldigde gewone bijdragen en, dientengevolge, om uiterlijk op 31 december 2024 de doelstelling te bereiken van ten minste 1 % van het bedrag aan de gedekte deposito’s van alle instellingen waaraan op het grondgebied van een lidstaat vergunning is verleend.

44 Om de nationale afwikkelingsautoriteiten in staat te stellen de bijdragen te berekenen en dus de doelstelling van richtlijn 2014/59 en gedelegeerde verordening 2015/63 te bereiken, moet het begrip „statuswijziging” in artikel 12, lid 2, van die gedelegeerde verordening derhalve ruim worden uitgelegd en onder meer een grensoverschrijdende fusie door overneming tijdens de bijdrageperiode omvatten.

45 Deze uitlegging van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 vindt ook bevestiging in de doelstelling van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1), waarvan richtlijn 2014/59 en deze gedelegeerde verordening de uitvoering beogen voor te bereiden.

46 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de oprichting, in 2015, van de nationale afwikkelingsfondsen, waarin deze richtlijn en gedelegeerde verordening 2015/63 voorzien, samenhing met de oprichting, in 2016, van een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds voor de lidstaten die deel uitmaken van de bankenunie, op basis van verordening nr. 806/2014, met als doel de nationale afwikkelingsfondsen geleidelijk te vervangen. De intergouvernementele overeenkomst, die dient ter verduidelijking van de tenuitvoerlegging van dit gemeenschappelijke afwikkelingsfonds, bepaalt in artikel 3, leden 3 en 5, dat de overeenkomstig de artikelen 103 en 104 van richtlijn 2014/59 vóór de datum toepassing van deze overeenkomst, te weten 1 januari 2016, geïnde bedragen ook moeten worden overgedragen aan voornoemd gemeenschappelijk afwikkelingsfonds.

47 Vanuit dit oogpunt kan het begrip „statuswijziging” niet worden beperkt tot veranderingen van een instelling in een lidstaat, waarbij veranderingen waarbij verschillende lidstaten betrokken zijn, zoals grensoverschrijdende fusies door overneming, worden uitgesloten. Het argument dat de overgenomen instelling geen baat zou kunnen hebben bij het afwikkelingsfonds van de lidstaat waaraan zij gewone bijdragen heeft betaald, kan om dezelfde reden alleen maar worden verworpen.

48 Gelet op het voorgaande moet op het eerste onderdeel van de eerste vraag en op de tweede vraag worden geantwoord dat het begrip „statuswijziging” in de zin van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 aldus moet worden uitgelegd dat het een rechtshandeling zoals die in het hoofdgeding omvat, waarbij een instelling in de loop van het jaar, na een grensoverschrijdende fusie door overneming door haar moedermaatschappij, ophoudt onder het toezicht van de nationale afwikkelingsautoriteit te staan, zodat die rechtshandeling geen gevolgen heeft voor de verplichting van die instelling om alle voor het betrokken bijdragejaar verschuldigde gewone bijdragen te betalen.

Tweede onderdeel van de eerste vraag

49 Met het tweede onderdeel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een situatie waarin de grensoverschrijdende fusie door overneming van een in een lidstaat gevestigde instelling door haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, en de daaropvolgende verdwijning van de overgenomen instelling, hebben plaatsgevonden in de loop van 2015, toen de eerste lidstaat zijn nationale afwikkelingsautoriteit en nationale fonds nog niet had opgezet en de bijdragen nog niet waren berekend.

50 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat deze gedelegeerde verordening in al haar onderdelen verbindend was en rechtstreeks toepasselijk was in alle lidstaten vanaf 1 januari 2015. Dientengevolge was voornoemde verordening van kracht op de datum van de grensoverschrijdende fusie door overneming van de betrokken instelling door haar moedermaatschappij.

51 Verder dient in herinnering te worden gebracht dat richtlijn 2014/59 – die de lidstaten in de artikelen 101 tot en met 104 gebiedt om nationale afwikkelingsfondsen op te richten, onder beheer van de nationale autoriteiten en gefinancierd door de inning van bijdragen – in artikel 130, lid 1, bepaalt dat de lidstaten uiterlijk op 31 december 2014 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen moeten vaststellen en bekendmaken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen en die bepalingen met ingang van 1 januari 2015 moeten toepassen.

52 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de Italiaanse maatregel tot omzetting van voornoemde richtlijn in nationaal recht pas op 16 november 2015 in werking is getreden, wat betekent dat in Italië noch de nationale afwikkelingsautoriteit noch het nationale fonds formeel was opgericht op de datum van de grensoverschrijdende fusie door overneming van de betrokken instelling door haar moedermaatschappij.

53 Er dient echter op gewezen te worden dat artikel 20 van gedelegeerde verordening 2015/63 voorziet in overgangsbepalingen voor de aanpassing van de termijnen voor de inning van gewone bijdragen voor het eerste bijdragejaar, te weten 2015.

54 Artikel 20, lid 1, van die gedelegeerde verordening bepaalt namelijk dat de afwikkelingsautoriteiten wat de in 2015 te betalen bijdragen betreft, in afwijking van artikel 13, lid 1, uiterlijk op 30 november 2015 elke instelling in kennis kunnen stellen van hun besluit tot vaststelling van de door hen te betalen jaarlijkse bijdrage.

55 In dit verband preciseert de verwijzende rechter dat Banca d’Italia, in haar hoedanigheid van Italiaanse nationale afwikkelingsautoriteit, op 18 november 2015 het nationale afwikkelingsfonds heeft opgericht en de instellingen, waaronder verzoekster in het hoofdgeding, op respectievelijk 23 en 26 november 2015 heeft verzocht om betaling van gewone en buitengewone bijdragen.

56 Hieruit volgt dat de Italiaanse Staat richtlijn 2014/59 op tijd heeft omgezet in nationaal recht om, overeenkomstig de overgangsbepalingen van artikel 20 van gedelegeerde verordening 2015/63, Banca d’Italia in staat te stellen om als nationale afwikkelingsautoriteit de instellingen te verzoeken om betaling van gewone bijdragen vanaf 2015, overeenkomstig artikel 102 en artikel 103, lid 1, van richtlijn 2014/59.

57 Het feit dat de betrokken instelling op de datum waarop Banca d’Italia om betaling van de bijdragen verzocht, na een grensoverschrijdende fusie door overneming was opgehouden te bestaan, is in deze context niet relevant omdat de nationale afwikkelingsautoriteiten, zoals reeds vermeld in punt 42 van het onderhavige arrest, de verschuldigde gewone bijdragen moeten berekenen op basis van boekhoudkundige informatie over de laatste goedgekeurde en gecertificeerde jaarrekening die vóór 31 december van het jaar voorafgaand aan de bijdrageperiode beschikbaar was.

58 Gelet op het voorgaande moet op het tweede deel van de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een situatie waarin de grensoverschrijdende fusie door overneming van een in een lidstaat gevestigde instelling door haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, en de daaropvolgende verdwijning van de overgenomen instelling, hebben plaatsgevonden in de loop van 2015, toen de eerste lidstaat zijn nationale afwikkelingsautoriteit en nationale fonds nog niet had opgezet en de bijdragen nog niet waren berekend.

Derde vraag

59 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 2014/59 en gedelegeerde verordening 2015/63 aldus moeten worden uitgelegd dat een in een lidstaat gevestigde instelling, die is gefuseerd door overneming met haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij op een datum voorafgaand aan de invoering van een buitengewone bijdrage door de nationale afwikkelingsautoriteit van de eerste lidstaat, gehouden is tot betaling van die bijdrage.

60 Banca d’Italia stelt dat het antwoord op deze vraag wordt gegeven door gedelegeerde verordening 2015/63 en in het bijzonder door artikel 12, lid 2, ervan. Uit de titel zelf van die verordening blijkt echter dat deze betrekking heeft op vooraf te betalen bijdragen, ofwel de jaarlijkse bijdragen. Voorts noemt artikel 12, lid 2, van voornoemde verordening alleen de jaarlijkse bijdrage.

61 Het antwoord op de derde vraag kan derhalve enkel worden ontleend aan de uitlegging van artikel 104 van richtlijn 2014/59, dat betrekking heeft op „Buitengewone achteraf te betalen bijdragen”, zoals blijkt uit het opschrift. Noch de bewoordingen van dat artikel 104, noch de leden 2 en 4 tot en met 8 van artikel 103, die van toepassing zijn op de gewone bijdragen, waarnaar artikel 104 verwijst, bevatten evenwel enige aanduiding van de datum die als referentie moet dienen ter vaststelling van de instellingen die de buitengewone bijdrage moeten betalen en ter berekening van het bedrag ervan. Bijgevolg moet bij de uitlegging van artikel 104 van voornoemde richtlijn worden gelet op de context en de doelstellingen van de regeling waarvan het een onderdeel vormt (zie naar analogie arrest van 10 juli 2019, Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände, C‑649/17, EU:C:2019:576, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de lidstaten er overeenkomstig artikel 104, lid 1, van richtlijn 2014/59 zorg voor dragen dat buitengewone bijdragen worden geïnd bij de instellingen waaraan op hun grondgebied vergunning is verleend, indien de beschikbare financiële middelen ontoereikend zijn om de verliezen, kosten of andere uitgaven als gevolg van het beroep op de financieringsregeling te dekken.

63 Zoals de advocaat-generaal in de punten 86 en 87 van zijn conclusie heeft uiteengezet, verschilt de buitengewone bijdrage dus van de gewone bijdrage wat het tijdstip en het doel van de inning ervan betreft. Het is namelijk moeilijk te voorzien op welke datum de buitengewone bijdragen worden geïnd, aangezien dit afhangt van de datum van de afwikkelingsmaatregelen die tot het tekort in het nationaal fonds leiden. De buitengewone bijdragen kunnen dus niet op dezelfde wijze worden gepland als de gewone bijdragen, die worden berekend op basis van boekhoudkundige informatie over de laatste goedgekeurde en gecertificeerde jaarrekeningen die vóór 31 december van het jaar voorafgaand aan de bijdrageperiode beschikbaar waren en die worden ontvangen voor het kalenderjaar van de bijdrage.

64 De in artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 neergelegde datum van 31 december van het jaar voorafgaand aan de bijdrageperiode is ook niet relevant ten aanzien van de doelstelling van de buitengewone bijdrage. Deze ex-postbelasting beoogt immers dat alle instellingen bijdragen die op de datum waarop die belasting wordt vastgesteld onder toezicht van de nationale autoriteit staan, waarbij met name rekening wordt gehouden met hun daadwerkelijke financiële draagkracht en reële risico van faillissement op die datum. Vanuit dit perspectief kan een instelling die, op het moment dat een bijdrage werd vastgesteld, na de fusie door overneming met een in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij niet langer onder toezicht stond van de nationale autoriteit, niet worden verplicht tot betaling van die bijdrage.

65 Hoewel de gewone bijdrage verschuldigd is door alle instellingen die – ten minste gedurende een deel van het jaar – aanspraak kunnen maken op de door het nationale afwikkelingsstelsel geboden dekking, wordt de heffing van een buitengewone bijdrage bij een instelling die niet langer wordt gedekt door het nationale afwikkelingsstelsel, namelijk slechts in mindere mate gerechtvaardigd door een risico dat het stelsel loopt wegens de activiteit van die instelling.

66 Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 104 van richtlijn 2014/59 aldus moet worden uitgelegd dat een in een lidstaat gevestigde instelling, die is gefuseerd door overneming met haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij op een datum voorafgaand aan de invoering van een buitengewone bijdrage door de nationale afwikkelingsautoriteit van de eerste lidstaat, niet is gehouden tot betaling van die bijdrage.

Kosten

67 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1) Het begrip „statuswijziging” in de zin van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft, moet aldus worden uitgelegd dat het een rechtshandeling zoals die in het hoofdgeding omvat, waarbij een instelling in de loop van het jaar, na een grensoverschrijdende fusie door overneming door haar moedermaatschappij, ophoudt onder het toezicht van de nationale afwikkelingsautoriteit te staan, zodat die rechtshandeling geen gevolgen heeft voor de verplichting van die instelling om alle voor het betrokken bijdragejaar verschuldigde gewone bijdragen te betalen.

2) Artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op een situatie waarin de grensoverschrijdende fusie door overneming van een in een lidstaat gevestigde instelling door haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij, en de daaropvolgende verdwijning van de overgenomen instelling, hebben plaatsgevonden in de loop van 2015, toen de eerste lidstaat zijn nationale afwikkelingsautoriteit en nationale fonds nog niet had opgezet en de bijdragen nog niet waren berekend.

3) Artikel 104 van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat een in een lidstaat gevestigde instelling, die is gefuseerd door overneming met haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij op een datum voorafgaand aan de invoering van een buitengewone bijdrage door de nationale afwikkelingsautoriteit van de eerste lidstaat, niet is gehouden tot betaling van die bijdrage.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Italiaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in