HvJ EU 28 juni 2018, C-57/17, ECLI:EU:C:2018:512

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

28 juni 2018 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever – Richtlijn 2008/94/EG – Artikel 3, eerste alinea – Door het waarborgfonds gegarandeerde betaling – Vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding – Overplaatsing van de werkplek die noopt tot een wijziging van de woonplaats van de werknemer – Wijziging van een wezenlijk element van de arbeidsovereenkomst – Beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer – Beginsel van gelijkheid en non-discriminatie”

In zaak C‑57/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Valenciana (hooggerechtshof van de regio Valencia, Spanje) bij beslissing van 19 januari 2017, ingekomen bij het Hof op 3 februari 2017, in de procedure

Eva Soraya Checa Honrado

tegen

Fondo de Garantía Salarial,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, A. Prechal en E. Jarašiūnas (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 januari 2018,

gelet op de opmerkingen van:

– Eva Soraya Checa Honrado, vertegenwoordigd door A. de Oyagüe Collados, abogada,

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Jiménez García als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Valero en I. Galindo Martín als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB 2008, L 283, blz. 36).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Eva Soraya Checa Honrado en de Fondo de Garantía Salarial (loonwaarborgfonds; hierna: „Fogasa”) over de weigering van dit fonds om haar op grond van de insolventie van haar werkgever, de betaling van de vergoeding te garanderen waarop zij recht heeft wegens beëindiging van haar arbeidsovereenkomst.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Bij richtlijn 2008/94 is richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB 1980, L 283, blz. 23), laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2002/74/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 (PB 2002, L 270, blz. 10), gecodificeerd en ingetrokken.

4 Overweging 3 van deze richtlijn luidt: „Er zijn voorzieningen nodig om werknemers bij insolventie van de werkgever te beschermen en hun een minimum aan bescherming te bieden, in het bijzonder om de honorering van hun onvervulde aanspraken te garanderen met inachtneming van de noodzaak van een evenwichtige economische en sociale ontwikkeling in de [Europese Unie]. Daartoe moeten de lidstaten een fonds oprichten dat de honorering van de onvervulde loonaanspraken van de betrokken werknemers waarborgt.”

5 In artikel 1, leden 1 en 2, van dezelfde richtlijn staat te lezen: „1. Deze richtlijn is van toepassing op uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voortvloeiende aanspraken van werknemers tegenover werkgevers die in staat van insolventie in de zin van artikel 2, lid 1, verkeren. 2. De lidstaten kunnen bij wijze van uitzondering de aanspraken van bepaalde categorieën werknemers van de werkingssfeer van deze richtlijn uitsluiten op grond van het bestaan van andere waarborgen, indien vaststaat dat deze de belanghebbenden een zelfde mate van bescherming bieden als deze richtlijn.”

6 Artikel 2, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2008/94 luidt: „Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het nationale recht met betrekking tot de definitie van de termen ‚werknemer’, ‚werkgever’, ‚bezoldiging’, ‚verkregen recht’ of ‚recht in wording’.”

7 In artikel 3 van deze richtlijn is bepaald: „De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat waarborgfondsen onder voorbehoud van artikel 4 de onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen, met inbegrip van de vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding, indien de nationale wetgeving hierin voorziet. De aanspraken die het waarborgfonds honoreert, betreffen de onbetaalde lonen over een periode vóór en/of, in voorkomend geval, na een door de lidstaten vastgestelde datum.”

8 Bij artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/94 wordt de lidstaten de bevoegdheid toegekend om de in artikel 3 van deze richtlijn bedoelde betalingsverplichting van de waarborgfondsen te beperken. Volgens de leden 2 en 3 van dit artikel 4 kan de beperking van deze verplichting betrekking hebben op zowel de periode waarover het waarborgfonds de onvervulde aanspraken honoreert als het plafond voor de betalingen door dit fonds.

9 In artikel 12 van richtlijn 2008/94 is bepaald: „Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten: a) om de nodige maatregelen te treffen met het oog op het voorkomen van misbruiken; [...]”

Spaans recht

10 Artikel 33 van de Real Decreto Legislativo 1/1995, por el que se aprueba el texto refundido de la Ley del Estatuto de los Trabajadores (koninklijk wetgevend besluit 1/1995 houdende goedkeuring van de herschikte tekst van de wet betreffende het werknemersstatuut) van 24 maart 1995, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie ervan (hierna: „werknemersstatuut”), bepaalt: „1. [Fogasa] [...] [keert] aan werknemers de lonen [uit] die hun niet konden worden betaald wegens insolventie [...] van hun werkgever. [...] 2. In de in het vorige lid bedoelde gevallen keert [Fogasa] de vergoedingen uit die aan werknemers zijn toegekend bij vonnis, beschikking, gerechtelijke schikking of administratieve beslissing wegens ontslag of beëindiging van overeenkomsten volgens de artikelen 50, 51 en 52 van deze wet [...]. [...]”

11 In artikel 40 van het werknemersstatuut is bepaald: „1. De overplaatsing van werknemers die niet specifiek in dienst zijn genomen om te werken in ondernemingen met mobiele of ambulante werkplekken, naar een andere werkplek van dezelfde werkgever die noopt tot een wijziging van de woonplaats, moet kunnen worden gerechtvaardigd door economische, technische, organisatorische of met de productie verband houdende redenen. Als zodanig worden redenen beschouwd die verband houden met het concurrentievermogen, de productiviteit, de technische organisatie of de werkorganisatie binnen de onderneming, alsook verplichtingen die verband houden met de bedrijfsactiviteit. [...] Nadat de werknemer in kennis is gesteld van de beslissing tot overplaatsing, heeft hij het recht te kiezen tussen de overplaatsing, de ontvangst van een vergoeding van de vervoerskosten of de beëindiging van zijn overeenkomst, in welk geval hij een vergoeding van twintig dagen loon per dienstjaar krijgt, waarbij de vergoeding voor perioden van minder dan één jaar wordt berekend naar rato van het aantal gewerkte maanden, en waarbij het totale bedrag niet meer mag belopen dan twaalf maandlonen. [...]”

12 Artikel 41, lid 3, van dit statuut bepaalt dat de door de beslissing van de werkgever getroffen werknemer onder bepaalde omstandigheden als bedoeld in lid 1 van hetzelfde artikel het recht heeft om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen en een vergoeding van twintig dagen loon per dienstjaar te ontvangen.

13 Artikel 50 van het werknemersstatuut regelt de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer en zet uiteen wat de verschillende gronden zijn waarop de arbeidsovereenkomst kan worden beëindigd. Zo heeft lid 1, onder a), van dit artikel betrekking op aanmerkelijke wijzigingen door de werkgever van de arbeidsvoorwaarden van de werknemer waardoor de bepalingen van artikel 41 van dat statuut worden geschonden en de waardigheid van de werknemer wordt aangetast. De punten b) en c) van lid 1 betreffen respectievelijk de niet-betaling of voortdurende achterstand in de betaling van het loon en elke andere ernstige tekortkoming van de werkgever in de nakoming van zijn verplichtingen, behalve indien deze tekortkoming is te wijten aan overmacht. In artikel 50, lid 2, is bepaald dat de werknemer in deze gevallen recht heeft op de vergoedingen waarin is voorzien bij onrechtmatig ontslag.

14 In artikel 51 van het werknemersstatuut wordt collectief ontslag geregeld. Daaronder moet volgens deze bepaling worden verstaan de beëindiging van arbeidsovereenkomsten om economische, technische, organisatorische of met de productie verband houdende redenen, met dien verstande dat binnen een bepaalde periode ten minste een bepaald aantal werknemers wordt getroffen.

15 Artikel 52 van het werknemersstatuut regelt de beëindiging van de arbeidsovereenkomst om objectieve redenen. Tot deze redenen behoren de ongeschiktheid van de werknemer, zijn onvermogen om zich aan te passen aan technische wijzigingen op zijn werkplek, individuele ontslagen om objectieve (economische, technische, organisatorische en met de productie verband houdende) redenen en individuele ontslagen wegens herhaaldelijke afwezigheid van het werk, ook al is deze gerechtvaardigd, gedurende ten minste 20 % van de werkdagen in twee opeenvolgende maanden, zulks onder bepaalde voorwaarden.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

16 Vanaf 1 november 2000 heeft Eva Soraya Checa Honrado als schoonmaakster gewerkt in het themapark „Terra Mítica SA” te Benidorm (provincie Alicante, Spanje). Zij was tot 1 maart 2010 in dienst van Cespa SA en vervolgens van Soromo patrimonial SL (hierna: „Soroma”). Zij beschikte over een arbeidsovereenkomst voor voltijds werk.

17 Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft Soroma aan Checa Honrado en vijf andere werkneemsters schriftelijk meegedeeld dat zij voornemens was om vanaf 15 mei 2011 hun werkplek over te plaatsen naar een ander themapark, dat zich bevond te San Martín de la Vega (regio Madrid, Spanje).

18 Volgens de uiteenzetting van de feiten door de verwijzende rechter bracht deze overplaatsing voor Checa Honrado met zich mee dat zij van woonplaats moest veranderen, aangezien de afstand tussen de oude en de nieuwe werkplek meer dan 450 km bedroeg. Checa Honrado heeft er dan ook voor gekozen haar arbeidsovereenkomst conform artikel 40 van het werknemersstatuut te beëindigen. Soroma heeft deze keuze aanvaard.

19 Deze vennootschap heeft evenwel niet uit eigen beweging de vergoeding betaald die wegens die beëindiging wettelijk verschuldigd was. Daarom heeft Checa Honrado een vordering ingesteld bij de Juzgado de lo Social nr. 1 de Benidorm (arbeidsrechter, rechtbank nr. 1, Benidorm, Spanje). Bij beslissing van 16 september 2011 heeft deze rechter Soroma op grond van artikel 40 van het werknemersstatuut veroordeeld tot betaling van een bedrag van 7453,77 EUR.

20 Omdat Soroma slechts gedeeltelijk aan dit vonnis heeft voldaan, heeft Checa Honrado een verzoek tot inleiding van een procedure van gerechtelijke tenuitvoerlegging ingediend. In deze procedure is Soroma bij beschikking van 11 juni 2013 insolvent verklaard. Deze beschikking is aan Fogasa betekend. Checa Honrado heeft daarop Fogasa verzocht het deel van de vergoeding voor haar rekening te nemen die wegens de insolventie van Soroma onbetaald was gebleven. Fogasa heeft dit verzoek afgewezen op grond dat vergoedingen niet worden gewaarborgd door artikel 33, lid 2, van het werknemersstatuut wanneer zij voortvloeien uit een beëindiging van de arbeidsovereenkomst waarom de werknemer heeft verzocht omdat zijn werkgever heeft besloten de werkplek te wijzigen.

21 Checa Honrado heeft tegen deze afwijzing beroep ingesteld bij de Juzgado de lo Social nr. 2 de Alicante (arbeidsrechter, rechtbank nr. 2, Alicante, Spanje). Dit beroep is verworpen.

22 In hoger beroep zet de verwijzende rechter, de Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Valenciana (hooggerechtshof van de regio Valencia, Spanje), uiteen dat hij twijfels heeft of artikel 33, lid 2, van het werknemersstatuut verenigbaar is met het Unierecht, omdat bij die bepaling de garantie van betaling van vergoedingen door Fogasa wordt beperkt tot de in de artikelen 50 tot en met 52 van dat statuut bedoelde gevallen van ontslag of beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De verwijzende rechter licht toe dat derhalve van de waarborgregeling aanspraken zijn uitgesloten die voortvloeien uit andere wettelijke vormen van beëindiging van de arbeidsverhouding die aanleiding geven tot vergoedingen, zoals de vorm waarin artikel 40 van het werknemersstatuut voorziet. Deze vorm, die als een optie is geformuleerd, is in werkelijkheid een daadwerkelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst om objectieve redenen.

23 Onder verwijzing naar het arrest van 11 november 2015, Pujante Rivera (C‑422/14, EU:C:2015:743), is de verwijzende rechter van oordeel dat artikel 33, lid 2, van het werknemersstatuut zich had moeten uitstrekken tot alle gevallen waarin de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd om redenen die geen verband houden met de persoon van de werknemer. Doordat deze bepaling van het werknemersstatuut niet geldt voor andere wettelijke vormen van beëindiging van de arbeidsverhouding die aanleiding geven tot wettelijk vastgestelde vergoedingen, zoals de vorm waarin artikel 40 van dat statuut voorziet, is zij volgens die rechter dan ook een ongerechtvaardigde en door richtlijn 2008/94 verboden uitsluiting.

24 Voorts merkt de verwijzende rechter op dat de onjuiste omzetting van richtlijn 2008/94 in het Spaanse recht er in casu toe heeft geleid dat Fogasa „de verschillende [betrokken] werkneemsters [...] ongelijk heeft behandeld”.

25 Tegen deze achtergrond heeft de Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Valenciana de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Valt een vergoeding die een werkgever krachtens de wet verschuldigd is aan een werknemer omdat de arbeidsverhouding is beëindigd ten gevolge van de wijziging van een wezenlijk element van de arbeidsovereenkomst – zoals een geografische mobiliteit die de werknemer ertoe noopt van woonplaats te veranderen – onder het begrip ‚vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding’ in de zin van artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2008/94?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

26 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer volgens de nationale regeling in kwestie bepaalde wettelijke vergoedingen wegens vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer – zoals de door de verwijzende rechter bedoelde vergoedingen die verschuldigd zijn in geval van ontslag om objectieve redenen – onder het begrip „vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding” in de zin van die bepaling vallen, ook wettelijke vergoedingen onder dit begrip moeten vallen die verschuldigd zijn omdat de werknemer de arbeidsovereenkomst vrijwillig heeft beëindigd wegens een overplaatsing van de werkplek door de werkgever die de werknemer ertoe noopt van woonplaats te veranderen.

27 In dit verband zij eraan herinnerd dat richtlijn 2008/94 volgens artikel 1, lid 1, van toepassing is op uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voortvloeiende aanspraken van werknemers tegenover werkgevers die in staat van insolventie verkeren.

28 Krachtens artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2008/94 moeten de lidstaten de nodige maatregelen treffen opdat waarborgfondsen onder voorbehoud van artikel 4 van deze richtlijn de onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen, met inbegrip van de vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding, indien de nationale wetgeving hierin voorziet. In de tweede alinea van artikel 3 van richtlijn 2008/94 wordt gepreciseerd dat de aanspraken die het waarborgfonds honoreert, betrekking hebben op de onbetaalde lonen over een bepaalde periode die door de lidstaten wordt vastgesteld.

29 In artikel 2, lid 2, van richtlijn 2008/94 wordt verduidelijkt dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan het nationale recht met betrekking tot de definitie van de term „bezoldiging”.

30 Uit deze in onderlinge samenhang gelezen bepalingen volgt dat in het nationale recht dient te worden gepreciseerd welke vergoedingen binnen de werkingssfeer van artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2008/94 vallen (zie in die zin arrest van 2 maart 2017, Eschenbrenner, C‑496/15, EU:C:2017:152, punt 54en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 Het Hof heeft evenwel herhaaldelijk verklaard dat de door die richtlijn geboden mogelijkheid dat in het nationale recht wordt gepreciseerd welke uitkeringen voor rekening van het waarborgfonds komen, is onderworpen aan de vereisten die voortvloeien uit het algemene beginsel van gelijkheid en non-discriminatie (arrest van 21 februari 2008, Robledillo Núñez, C‑498/06, EU:C:2008:109, punt 30en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Dit beginsel vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij een verschillende behandeling objectief gerechtvaardigd is (arresten van 12 december 2002, Rodríguez Caballero, C‑442/00, EU:C:2002:752, punt 32; 7 september 2006, Cordero Alonso, C‑81/05, EU:C:2006:529, punt 37, en 17 januari 2008, Velasco Navarro, C‑246/06, EU:C:2008:19, punt 36).

33 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat artikel 33, lid 2, van het werknemersstatuut uitdrukkelijk voorziet in de garantie dat Fogasa de vergoedingen betaalt die verschuldigd zijn bij ontslag of beëindiging van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in de artikelen 50 tot en met 52 van dit statuut, maar dat die bepaling geen betrekking heeft op andere wettelijke vormen van beëindiging van de arbeidsverhouding die aanleiding geven tot wettelijke vergoedingen, waaronder met name de vorm waarin is voorzien bij artikel 40 van dat statuut, op grond waarvan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsverhouding is geëindigd.

34 In dit verband preciseert de verwijzende rechter allereerst dat artikel 40 van het werknemersstatuut bepaalt dat wanneer werknemers door de werkgever worden overgeplaatst naar een andere werkplek van dezelfde werkgever en zij dientengevolge genoopt zijn van woonplaats te veranderen, er voor deze overplaatsing economische, technische, organisatorische of met de productie verband houdende redenen moeten zijn, alsook dat de werknemer in een dergelijk geval het recht heeft te kiezen voor de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst en een vergoeding van twintig dagen loon per dienstjaar krijgt indien hij daarvoor kiest.

35 Vervolgens merkt de verwijzende rechter op dat de in artikel 33, lid 2, van het werknemersstatuut vermelde artikelen 50 tot en met 52 van dit statuut betrekking hebben op respectievelijk de beëindiging van de arbeidsverhouding door een werknemer, de beëindiging van de arbeidsverhouding ten gevolge van collectief ontslag en de beëindiging van de arbeidsverhouding om objectieve redenen.

36 Meer bepaald blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat in artikel 50 van het werknemersstatuut wordt opgesomd om welke redenen een werknemer kan verzoeken de arbeidsverhouding te beëindigen – tot welke redenen met name aanmerkelijke wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden door de werkgever behoren die tot gevolg hebben dat de bepalingen van artikel 41 van dat statuut worden geschonden en de waardigheid van de werknemer wordt aangetast, alsmede elke ernstige tekortkoming van de werkgever in de nakoming van zijn verplichtingen – en dat de werknemer in deze gevallen de vergoedingen krijgt waarin is voorzien bij onrechtmatig ontslag.

37 Artikel 51 van het werknemersstatuut regelt op zijn beurt collectief ontslag, dat ziet op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst om economische, technische, organisatorische of met de productie verband houdende redenen, met dien verstande dat binnen een bepaalde periode ten minste een bepaald aantal werknemers wordt getroffen. Artikel 52 van dit statuut regelt dan weer de beëindiging van de overeenkomst om objectieve redenen, die zich onder meer uitstrekken tot de ongeschiktheid van de werknemer, zijn onvermogen om zich aan te passen aan technische wijzigingen op zijn werkplek, en individuele ontslagen om objectieve redenen, te weten economische, technische, organisatorische en met de productie verband houdende redenen.

38 De verwijzende rechter zet ten slotte uiteen dat de in artikel 40 van het werknemersstatuut bedoelde beëindiging van de arbeidsovereenkomst een echte beëindiging van de arbeidsovereenkomst om objectieve redenen is, omdat deze bepaling vereist dat er economische, technische, organisatorische of met de productie verband houdende redenen zijn die een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden rechtvaardigen, en voorts omdat de aan de werknemer geboden mogelijkheid om de arbeidsverhouding te beëindigen verband houdt met het evidente nadeel dat hem wordt berokkend doordat de wijziging van zijn werkplek hem ertoe noopt van woonplaats te veranderen.

39 Derhalve dient te worden vastgesteld dat werknemers die kiezen voor de beëindiging van de arbeidsverhouding overeenkomstig artikel 40 van het werknemersstatuut, in een situatie verkeren die vergelijkbaar is met die van werknemers die kiezen voor de beëindiging van de arbeidsverhouding overeenkomstig artikel 50 van het werknemersstatuut. Zij kiezen namelijk voor deze beëindiging wegens aanmerkelijke wijzigingen van hun arbeidsvoorwaarden door de werkgever, en de Spaanse wetgever was van mening dat dergelijke wijzigingen hun niet kunnen worden opgedrongen, daar hij voor beide gevallen heeft bepaald dat de werknemer ervoor kan kiezen de arbeidsverhouding te beëindigen en alsdan bovendien vergoedingen ontvangt.

40 Voorts zij beklemtoond dat werknemers van wie de arbeidsverhouding is geëindigd overeenkomstig artikel 40 van het werknemersstatuut, in een situatie verkeren die vergelijkbaar is met die van werknemers die zijn ontslagen om een van de in de artikelen 50 tot en met 52 van dat statuut bedoelde objectieve redenen, aangezien uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat ook de beëindiging van de arbeidsverhouding op grond van het genoemde artikel 40 wordt beschouwd als een beëindiging van de arbeidsovereenkomst om objectieve redenen.

41 Krachtens artikel 33, lid 2, van het werknemersstatuut komen evenwel enkel werknemers die binnen de werkingssfeer van de artikelen 50 tot en met 52 van dit statuut vallen, in aanmerking voor de honorering door Fogasa van hun onvervulde aanspraken die voortvloeien uit de vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding, en niet werknemers die binnen de werkingssfeer van artikel 40 van dat statuut vallen.

42 Dat artikel 33, lid 2, van het werknemersstatuut aldus leidt tot een verschillende behandeling van werknemers van wie de aanspraken voortvloeien uit de vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding op grond van artikel 40 van dat statuut, is volgens de in punt 32 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak dan ook alleen aanvaardbaar indien dat verschil objectief gerechtvaardigd is (zie in die zin ook arrest van 16 december 2004, Olaso Valero, C‑520/03, EU:C:2004:826, punt 36en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 In dit verband kan niet worden ingestemd met het argument van de Spaanse regering volgens hetwelk de beoordelingsmarge die richtlijn 2008/94 heeft gelaten aan de lidstaten, de Spaanse wetgever de mogelijkheid bood om ervoor te kiezen dat het waarborgfonds enkel „vergoedingen [voor zijn rekening zou nemen] die verschuldigd zijn wegens beëindiging van de arbeidsverhouding om redenen die losstaan van de wil van de werknemer”, en dat het dus geen aanspraken zou garanderen die voortvloeien uit een vrijwillige keuze van de betrokken werknemer.

44 Dit argument heeft namelijk in werkelijkheid tot doel te betwisten dat werknemers die ervoor hebben gekozen hun arbeidsovereenkomst te beëindigen volgens artikel 40 van het werknemersstatuut, in een situatie verkeren die vergelijkbaar is met die van werknemers van wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd volgens de artikelen 50 tot en met 52 van dat statuut. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op grond van dat artikel 40 niet kan worden geacht te berusten op de wil van de betrokken werknemer – omdat zij het gevolg is van het feit dat de werkgever voornemens is de arbeidsovereenkomst van deze werknemer aanmerkelijk te wijzigen door diens werkplek over te plaatsen naar een locatie die zo veraf is dat die werknemer genoopt is van woonplaats te veranderen – en dat de wet in de betaling van een vergoeding door de werkgever voorziet voor het geval dat de werknemer weigert deze overplaatsing te aanvaarden en ervoor kiest de arbeidsverhouding te beëindigen.

45 Tevens zij opgemerkt dat de Spaanse regering – die daarover vragen kreeg van het Hof – geen enkel ander gegeven heeft verstrekt dat een rechtvaardiging zou kunnen vormen voor een verschil in behandeling ten aanzien van de honorering door Fogasa van enerzijds aanspraken die voortvloeien uit vergoedingen als bedoeld in artikel 40 van het werknemersstatuut, en anderzijds aanspraken die voortvloeien uit vergoedingen als bedoeld in de artikelen 50 tot en met 52 van dat statuut.

46 De door de Spaanse regering voorgestane uitlegging van artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2008/94 zou overigens niet in overeenstemming zijn met het sociale doel van deze richtlijn, dat er blijkens artikel 1, lid 1, van die richtlijn – gelezen in samenhang met overweging 3 ervan – in bestaat alle werknemers op het niveau van de Unie een minimum aan bescherming bij insolventie van de werkgever te waarborgen door honorering van onvervulde aanspraken die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen (zie in die zin arrest van 2 maart 2017, Eschenbrenner, C‑496/15, EU:C:2017:152, punt 52en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Voorts zij eraan herinnerd dat de lidstaten ingevolge artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/94 bij wijze van uitzondering de aanspraken van bepaalde categorieën werknemers van de werkingssfeer van deze richtlijn kunnen uitsluiten omdat er andere waarborgen bestaan, indien vaststaat dat deze de belanghebbenden eenzelfde mate van bescherming bieden als die richtlijn. Daarbij komt dat de lidstaten op grond van artikel 12, onder a), van richtlijn 2008/94 de nodige maatregelen mogen nemen om misbruiken te voorkomen.

48 Opgemerkt dient evenwel te worden dat uit het aan het Hof overgelegde dossier – en met name uit de opmerkingen van de Spaanse regering – niet blijkt dat omstandigheden als die van het hoofdgeding worden geacht uitzonderlijk te zijn in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/94 of misbruik op te leveren in de zin van artikel 12, onder a), van deze richtlijn.

49 Op de prejudiciële vraag dient dan ook te worden geantwoord dat artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer volgens de nationale regeling in kwestie bepaalde wettelijke vergoedingen wegens vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer – zoals de door de verwijzende rechter bedoelde vergoedingen die verschuldigd zijn in geval van ontslag om objectieve redenen – onder het begrip „vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding” in de zin van die bepaling vallen, ook wettelijke vergoedingen onder dit begrip moeten vallen die verschuldigd zijn omdat de werknemer de arbeidsovereenkomst vrijwillig heeft beëindigd wegens een overplaatsing van de werkplek door de werkgever die de werknemer ertoe noopt van woonplaats te veranderen.

Kosten

50 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever moet aldus worden uitgelegd dat wanneer volgens de nationale regeling in kwestie bepaalde wettelijke vergoedingen wegens vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer – zoals de door de verwijzende rechter bedoelde vergoedingen die verschuldigd zijn in geval van ontslag om objectieve redenen – onder het begrip „vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsverhouding” in de zin van die bepaling vallen, ook wettelijke vergoedingen onder dit begrip moeten vallen die verschuldigd zijn omdat de werknemer de arbeidsovereenkomst vrijwillig heeft beëindigd wegens een overplaatsing van de werkplek door de werkgever die de werknemer ertoe noopt van woonplaats te veranderen.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Spaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in