HvJ EU 14 juni 2018, C-39/17, ECLI:EU:C:2018:438

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

14 juni 2018 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Vrij verkeer van goederen – Artikelen 28 en 30 VWEU – Heffingen van gelijke werking – Artikel 110 VWEU – Binnenlandse belastingen – Sociale solidariteitsbijdrage voor vennootschappen – Belasting – Heffingsgrondslag – Totale jaaromzet van vennootschappen – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 17 – Overbrenging van een goed naar een andere lidstaat – Waarde van het overgebrachte goed – Opneming in de totale jaaromzet”

In zaak C‑39/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) bij beslissing van 19 januari 2017, ingekomen bij het Hof op 25 januari 2017, in de procedure

Lubrizol France SAS

tegen

Caisse nationale du Régime social des indépendants (RSI) participations extérieures,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, C. Vajda, E. Juhász, K. Jürimäe en C. Lycourgos (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: V. Giacobbo-Peyronnel, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 november 2017,

gelet op de opmerkingen van:

– Lubrizol France SAS, vertegenwoordigd door A. Beetschen, avocate,

– de Caisse nationale du Régime social des indépendants (RSI) participations extérieures, vertegenwoordigd door A. Delvolvé, avocat,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas, E. de Moustier, A. Alidière en S. Ghiandoni als gemachtigden,

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Roels, R. Lyal en F. Clotuche-Duvieusart als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 januari 2018,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 28 en 30 VWEU.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Lubrizol France SAS (hierna: „Lubrizol”) en de Caisse nationale du Régime social des indépendants (RSI) participations extérieures [nationale kas voor de sociale zekerheid van zelfstandigen (RSI) externe deelnemingen; hierna: „CNRSI”] over de berekening van de grondslag voor de sociale solidariteitsbijdrage ten laste van vennootschappen (hierna: „C3S”) en de aanvullende bijdrage (hierna samen: „litigieuze bijdragen”) die Lubrizol verschuldigd is voor 2008.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Volgens artikel 14, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/8/EG van de Raad van 12 februari 2008 (PB 2008, L 44, blz. 11) (hierna: „btw-richtlijn”), wordt „[al]s ‚levering van goederen’ [...] beschouwd, de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken”.

4 Artikel 17 van deze richtlijn bepaalt: „1. Met een levering van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, de overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat. Als ‚overbrenging naar een andere lidstaat’ wordt beschouwd iedere verzending of ieder vervoer van een roerende lichamelijke zaak voor bedrijfsdoeleinden, door of voor rekening van de belastingplichtige, buiten het grondgebied van de lidstaat waar het goed zich bevindt, maar binnen de [Unie]. [...]”

Frans recht

5 Volgens artikel L. 245‑13 van de code de la sécurité sociale, in de versie die van toepassing was op het tijdstip dat de litigieuze bijdragen opeisbaar werden (hierna: „wetboek sociale zekerheid”), wordt ten behoeve van de Caisse nationale de l’assurance maladie des travailleurs salariés (nationaal fonds voor de ziektekostenverzekering van werknemers) een aanvullende bijdrage ingevoerd bovenop de in de artikelen L. 651‑1 en volgende van dit wetboek vastgelegde C3S, welke aanvullende bijdrage wordt vastgesteld, geïnd en gecontroleerd en opeisbaar wordt onder dezelfde voorwaarden als die welke voor de C3S gelden en waarvan het tarief 0,03 % bedraagt.

6 Volgens artikel L. 651‑1 van het wetboek sociale zekerheid wordt ten behoeve van het socialezekerheidsstelsel voor zelfstandigen alsook van het Fonds de solidarité vieillesse (solidariteitsfonds voor ouderen) en het Fonds de réserve pour les retraites (pensioenreservefonds) een sociale solidariteitsbijdrage ingevoerd ten laste van onder meer anonieme vennootschappen en vereenvoudigde vennootschappen op aandelen.

7 Artikel L. 651‑3 van dat wetboek bepaalt: „De sociale solidariteitsbijdrage is jaarlijks verschuldigd. De hoogte wordt bij decreet vastgesteld en bedraagt maximaal 0,13 % van de omzet zoals omschreven in artikel L. 651‑5. De bijdrage wordt niet geïnd wanneer de omzet van de onderneming minder dan 760000 EUR bedraagt. [...]”

8 Artikel L. 651‑5 van het wetboek sociale zekerheid luidt: „Vennootschappen en ondernemingen die de sociale solidariteitsbijdrage verschuldigd zijn, delen het orgaan dat met de inning van deze bijdrage belast is jaarlijks het aan de belastingadministratie aangegeven bedrag van hun totale omzet vóór omzetbelasting en gelijkgestelde belastingen mee. [...]”

9 Artikel 256, III, van de code général des impôts (algemeen belastingwetboek), in de versie die gold ten tijde van de feiten in het hoofdgeding (hierna: „CGI”), bepaalt: „Met een levering van goederen wordt gelijkgesteld de overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap. Als overbrenging in de zin van de vorige bepalingen wordt beschouwd de verzending of het vervoer door of voor rekening van een belastingplichtige van een roerende lichamelijke zaak voor bedrijfsdoeleinden, met uitzondering van de verzending of het vervoer van een goed dat in de lidstaat van aankomst bestemd is: a) om tijdelijk te worden gebruikt ten behoeve van diensten die door de belastingplichtige worden verricht, of om te worden gebruikt in omstandigheden waarin deze laatste, indien dit goed werd ingevoerd, in aanmerking zou komen voor de regeling van tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten; b) om te worden bewerkt, op voorwaarde dat het goed naar deze belastingplichtige in Frankrijk wordt teruggezonden of vervoerd; c) om te worden geïnstalleerd of gemonteerd; d) om door de belastingplichtige te worden geleverd aan boord van vervoermiddelen onder de in artikel 37 van de [btw-richtlijn] genoemde voorwaarden. [...]”

10 Artikel 262 ter CGI luidt: „I. Van de belasting over de toegevoegde waarde zijn vrijgesteld: 1° leveringen van goederen die naar een andere belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap worden verzonden of vervoerd. [...] 2° overbrengingen die worden gelijkgesteld met de in artikel 256, III, genoemde leveringen die in aanmerking zouden komen voor de vrijstelling van punt 1° hierboven indien zij voor een belastingplichtige derde waren bestemd. [...]”

Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag

11 Lubrizol, een onderneming in de chemiesector, produceert en verkoopt additieven voor smeerolie. Als in Frankrijk gevestigde société par actions simplifiées (vereenvoudigde vennootschap op aandelen) is zij onderworpen aan de litigieuze bijdragen.

12 Na een controle van de heffingsgrondslag voor de door Lubrizol verschuldigde litigieuze bijdragen voor het jaar 2008, heeft de CNRSI een verschil geconstateerd tussen de omzet voor het jaar 2007 die bij haar was aangegeven en die welke was meegedeeld door de belastingadministratie, welk verschil te wijten was aan het feit dat Lubrizol het bedrag van de intracommunautaire overbrengingen had afgetrokken van de heffingsgrondslag.

13 Bijgevolg heeft de CNRSI Lubrizol op 13 maart 2012 een naheffingsaanslag verzonden, en vervolgens een ingebrekestelling. Lubrizol betwistte dat zij de gevorderde bedragen verschuldigd was omdat de waarde van de goederen die zij had overgebracht naar andere lidstaten van de Europese Unie volgens haar niet moest worden opgenomen in de grondslag voor de litigieuze bijdragen die zij moest betalen voor 2008. Volgens haar was zij op het tijdstip van die overbrengingen nog steeds eigenares van de betrokken goederen en had zij de goederen op dat moment nog niet overgedragen aan haar klanten, zodat die overbrengingen niet konden worden aangemerkt als verkoop, en dus evenmin als omzet.

14 Nadat haar vordering in eerste aanleg en in beroep was afgewezen, heeft Lubrizol beroep ingesteld bij de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), waar zij heeft aangevoerd dat, in tegenstelling tot wat de beroepsrechter had geoordeeld, de litigieuze bijdragen moesten worden beschouwd als heffingen van gelijke werking aangezien overbrengingen van goederen naar een andere lidstaat wél in de grondslag voor die bijdragen worden opgenomen, en overbrengingen van goederen binnen het nationaal grondgebied of naar een derde land niet.

15 De verwijzende rechter preciseert dat de C3S is ingevoerd ten behoeve van het stelsel van ziekte- en moederschapsverzekering voor niet in de landbouw werkzame zelfstandigen en van de stelsels van ouderdomsverzekering voor ambachtelijke, industriële, commerciële en vrije beroepen. Die rechter benadrukt ook dat de opbrengst van de C3S in het jaar 2008 voornamelijk bestemd was voor de CNRSI, die deze bijdragen int.

16 Verder merkt de Cour de cassation op dat de aanvullende bijdrage bovenop de C3S is ingevoerd bij wet nr. 2004‑810 van 13 augustus 2004 en dat de opbrengst ervan in 2008 voornamelijk bestemd was voor de Caisse nationale de l’assurance maladie des travailleurs salariés, en vervolgens voor het Fonds de solidarité vieillesse.

17 Volgens de verwijzende rechter geldt als grondslag voor die twee bijdragen, die in de zin van het interne recht belastingen van diverse aard zijn, de bij de belastingadministratie aangegeven totale omzet vóór belastingen. De levering van goederen in de zin van artikel 14, lid 1, van de btw-richtlijn maakt deel uit van de grondslag voor de litigieuze bijdragen.

18 De verwijzende rechter geeft tevens aan dat artikel 256, III, CGI, overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de btw-richtlijn, de overbrenging voor bedrijfsdoeleinden door of voor rekening van een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat van de Unie gelijkstelt aan een levering van goederen, onder voorbehoud van bepaalde uitzonderingen die in casu niet relevant zijn. Een dergelijke overbrenging moet worden vermeld op de aangifte die de belastingplichtige indient bij de belastingadministratie, hoewel zij volgens artikel 262 ter, CGI is vrijgesteld van btw.

19 In deze context heeft de verwijzende rechter reeds geoordeeld dat de representatieve waarde van de voorraden die een onderneming vanuit Frankrijk naar een andere lidstaat van de Unie heeft overgebracht, wel deel uitmaakt van de grondslag voor de berekening van de litigieuze bijdragen, ook al genereert deze overbrenging op zich geen omzet. Overbrengingen binnen het nationaal grondgebied en overbrengingen naar een derde land worden daarentegen niet gelijkgesteld met een levering van goederen, zodat hun representatieve waarde niet tot de grondslag voor de berekening van de litigieuze bijdragen behoort.

20 In die omstandigheden heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Staan de artikelen 28 en 30 [VWEU] eraan in de weg dat de waarde van de goederen die door of voor rekening van een onderneming die [de litigieuze bijdragen] verschuldigd is, voor bedrijfsdoeleinden vanuit Frankrijk naar een andere lidstaat van de Europese Unie worden overgebracht, in aanmerking wordt genomen ter bepaling van de totale omzet die de grondslag voor de berekening van die bijdragen vormt?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

21 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 28 en 30 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat die bepaalt dat wanneer de jaaromzet van vennootschappen een bepaald bedrag bereikt of overstijgt, er bij de berekening van de grondslag voor de op deze omzet geheven bijdragen rekening wordt gehouden met de representatieve waarde van de goederen die door of voor rekening van een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden vanuit deze lidstaat naar een andere lidstaat van de Unie worden overgebracht en waarbij deze waarde in aanmerking wordt genomen vanaf het moment van deze overbrenging, terwijl, wanneer diezelfde goederen door of voor rekening van de belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden binnen het grondgebied van de betrokken lidstaat worden overgebracht, de waarde ervan pas in die grondslag wordt opgenomen wanneer zij later worden verkocht.

22 Volgens het in het hoofdgeding toepasselijke nationale recht worden de litigieuze bijdragen geheven op de jaaromzet van vennootschappen, mits deze omzet voor het betrokken belastingjaar minstens 760000 EUR bedraagt. Uit dit nationale recht volgt tevens dat voor de heffing van die bijdragen, een overbrenging van goederen voor bedrijfsdoeleinden, door of voor rekening van een belastingplichtige die deze bijdragen verschuldigd is, van Frankrijk naar een andere lidstaat van de Unie, wordt gelijkgesteld met een levering van goederen en wordt opgenomen in de omzet van de betrokken vennootschap.

23 De verwijzende rechter merkt meer in het bijzonder op dat de representatieve waarde van goederen die louter naar een lidstaat van de Unie worden overgebracht – zonder verlies van eigendom – wél in de grondslag voor de litigieuze bijdragen wordt opgenomen, terwijl dat niet het geval is wanneer dergelijke overbrenging binnen het Franse grondgebied plaatsvindt. Bij overbrengingen binnen het Franse grondgebied, is het volgens de verwijzende rechter pas op het moment van de verkoop van de goederen dat de waarde ervan wordt meegerekend in de omzet van de betrokken vennootschap en wordt opgenomen in de grondslag voor de litigieuze bijdragen. De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of deze bijdragen, gelet op de manier waarop de grondslag ervan wordt berekend, moeten worden gekwalificeerd als met de artikelen 28 en 30 VWEU strijdige heffingen van gelijke werking als uitvoerrechten.

24 Volgens vaste rechtspraak van het Hof vormt elke eenzijdig opgelegde geldelijke last, hoe gering ook, ongeacht de benaming en de structuur ervan, die op goederen drukt op grond van het feit dat zij de grens overschrijden, en geen douanerecht in eigenlijke zin is, een heffing van gelijke werking als een douanerecht. Daarentegen vallen geldelijke lasten die voortvloeien uit een algemeen systeem van binnenlandse belastingen waardoor categorieën van producten volgens dezelfde objectieve criteria stelselmatig worden getroffen, ongeacht de oorsprong of de bestemming ervan, onder artikel 110 VWEU, dat discriminerende binnenlandse belastingen verbiedt (arrest van 1 maart 2018, Petrotel-Lukoil en Georgescu, C‑76/17, EU:C:2018:139, punt 21en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de bepalingen van het VWEU betreffende heffingen van gelijke werking en die betreffende discriminerende binnenlandse belastingen niet cumulatief toepasselijk zijn, zodat een maatregel die onder artikel 110 VWEU valt in het systeem van het Verdrag niet als „heffing van gelijke werking” kan worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 2 oktober 2014, Orgacom, C‑254/13, EU:C:2014:2251, punt 20en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 Een geldelijke last valt evenmin te kwalificeren als „heffing van gelijke werking” wanneer zij onder bepaalde voorwaarden wordt geheven vanwege controles die worden verricht om door het Unierecht opgelegde verplichtingen na te komen, of wanneer zij de tegenprestatie vormt voor een dienst die daadwerkelijk wordt verleend aan een importeur, die tot betaling ervan is gehouden, en evenredig is aan de kosten ervan (zie in die zin arresten van 11 juni 1992, Sanders Adour en Guyomarc’h Orthez Nutrition animale, C‑149/91 en C‑150/91, punt 17, en 9 september 2004, Carbonati Apuani, C‑72/03, EU:C:2004:506, punt 31).

27 Derhalve moet worden uitgemaakt of de litigieuze bijdragen beantwoorden aan de definitie van een heffing van gelijke werking als een douanerecht, zoals die uit de in de punten 24 tot en met 26 van dit arrest genoemde elementen volgt.

28 In dit verband moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat de litigieuze bijdragen eenzijdig door een lidstaat opgelegde geldelijke lasten vormen. Het doel waarvoor dergelijke lasten worden opgelegd is irrelevant en het is dus van weinig belang dat de betrokken heffingen voor de financiering van een socialezekerheidsstelsel dienen (zie in die zin arrest van 21 september 2000, Michaïlidis, C‑441/98 en C‑442/98, EU:C:2000:479, punt 17).

29 In de tweede plaats moet worden onderzocht of de litigieuze bijdragen goederen treffen.

30 Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat het Hof in de context van de uitlegging van artikel 110 VWEU heeft geoordeeld dat een belasting die niet op goederen als zodanig wordt geheven, niettemin moet worden beschouwd als drukkend op een goed wanneer deze belasting rechtstreeks gevolgen heeft voor de kosten van het betrokken product (arresten van 16 februari 1977, Schöttle, 20/76, EU:C:1977:26, punt 15, en 8 november 2007, Stadtgemeinde Frohnleiten en Gemeindebetriebe Frohnleiten, C‑221/06, EU:C:2007:657, punt 43). Deze rechtspraak dient eveneens te worden toegepast in de context van de uitlegging van de artikelen 28 en 30 VWEU.

31 In het hoofdgeding worden de litigieuze bijdragen berekend op de jaaromzet van de vennootschappen die aan deze bijdragen onderworpen zijn en niet rechtstreeks op de representatieve waarde of de verkoopprijs van de door deze vennootschappen verhandelde goederen.

32 Wanneer de jaaromzet van die vennootschappen evenwel minstens 760000 EUR bedraagt, is het de volledige omzet die de grondslag vormt voor de berekening van de betrokken heffingen, waarvan het tarief respectievelijk 0,13 % en 0,03 % van deze omzet bedraagt. Voor zover deze omzet wordt gegenereerd door de verkoop van producten in Frankrijk en de overbrenging ervan naar een andere lidstaat, zijn het deze producten zelf die worden getroffen door de litigieuze bijdragen, hoewel deze niet worden geheven op het moment van de verkoop of de overbrenging naar een andere lidstaat, maar jaarlijks en voor het geheel.

33 Zoals de advocaat-generaal in punt 89 van zijn conclusie heeft uiteengezet, hebben deze bijdragen een rechtstreekse weerslag op de kosten van het in de handel brengen van de betrokken producten. Elke verkoop of overbrenging naar een andere lidstaat leidt immers noodzakelijkerwijze tot de verhoging van de grondslag voor de berekening van de betrokken bijdragen die worden geheven op de aldus gegenereerde omzet wanneer deze minstens 760000 EUR per jaar bedraagt.

34 In die omstandigheden moeten de litigieuze bijdragen worden geacht de goederen te treffen.

35 Aan die conclusie wordt niet afgedaan door het arrest van 27 november 1985, Rousseau Wilmot (295/84, EU:C:1985:473), waarin het Hof in punt 16 heeft geoordeeld dat bijdragen zoals de C3S moeten worden gekwalificeerd als „rechten en heffingen die niet het karakter van omzetbelasting bezitten” in de zin van artikel 33 van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1), op voorwaarde onder meer dat zij op basis van de jaaromzet worden berekend zonder de prijs van de goederen en diensten rechtstreeks te beïnvloeden. Dat arrest had immers specifiek betrekking op het gemeenschappelijk btw-stelsel en meer bepaald het voormelde artikel 33, dat als doel heeft te beletten dat de werking van dat stelsel in gevaar wordt gebracht door fiscale maatregelen van een lidstaat die het goederen‑ en dienstenverkeer belasten en waardoor handelstransacties op eenzelfde wijze worden getroffen als door de btw.

36 In de derde plaats moet worden geverifieerd of de litigieuze bijdragen de betrokken goederen treffen wegens de overschrijding van een grens dan wel of zij behoren tot een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waardoor categorieën van producten volgens dezelfde objectieve criteria stelselmatig worden getroffen, ongeacht de oorsprong of de bestemming ervan.

37 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat het wezenlijke kenmerk waardoor een heffing van gelijke werking zich van een algemene binnenlandse belasting onderscheidt, de omstandigheid is dat de bedoelde heffing uitsluitend het product dat de grens overschrijdt als zodanig treft, terwijl een binnenlandse belasting zowel in‑ en uitgevoerde als nationale producten treft (arrest van 2 oktober 2014, Orgacom, C‑254/13, EU:C:2014:2251, punt 28).

38 In casu staat vast dat de litigieuze bijdragen zowel de naar een andere lidstaat overgebrachte producten als de op het nationale grondgebied verkochte producten treffen tegen eenzelfde tarief.

39 Ten eerste moet de betrokken fiscale last echter, wil hij deel uitmaken van een algemeen stelsel van „binnenlandse belastingen” in de zin van artikel 110 VWEU, het nationale product en het identieke uitgevoerde product even zwaar en in dezelfde verhandelingsfase treffen en moet ook het belastbare feit voor de twee producten hetzelfde zijn (arrest van 2 oktober 2014, Orgacom, C‑254/13, EU:C:2014:2251, punt 29en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Wanneer de goederen binnen het nationale grondgebied blijven, wordt de prijs ervan echter pas in de grondslag voor de litigieuze bijdragen opgenomen op het moment dat zij worden verkocht, terwijl wanneer die goederen naar een andere lidstaat worden overgebracht, de representatieve waarde ervan reeds vanaf het moment van de overbrenging in die grondslag wordt opgenomen.

41 Deze omstandigheid doet evenwel niet af aan de vaststelling dat de uit de litigieuze bijdragen resulterende geldelijke last in dezelfde verhandelingsfase wordt toegepast, aangezien die last, zoals de Franse regering in haar bij het Hof ingediende opmerkingen heeft aangevoerd, in essentie betrekking heeft op het product dat op de binnenlandse markt wordt verkocht en op het product dat naar een andere lidstaat wordt overgebracht om daar te worden verkocht.

42 Aangenomen mag immers worden dat het, wat de toepassing van artikel 110 VWEU betreft, bij de verkoop van dat product op het nationale grondgebied enerzijds en de overbrenging ervan naar een andere lidstaat met het oog op de verkoop anderzijds, in de economische werkelijkheid om dezelfde verhandelingsfase gaat (zie naar analogie arresten van 11 juni 1992, Sanders Adour en Guyomarc’h Orthez Nutrition animale, C‑149/91 en C‑150/91, EU:C:1992:261, punt 18; 2 april 1998, Outokumpu, C‑213/96, EU:C:1998:155, punt 25, en 23 april 2002, Nygård, C‑234/99, EU:C:2002:244, punt 30).

43 Zoals Lubrizol in haar bij het Hof ingediende opmerkingen betoogt, zou dit evenwel anders zijn indien bij de berekening van de grondslag voor de litigieuze bijdragen rekening zou worden gehouden met de overbrenging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde producten naar een andere lidstaat ook al worden zij daar vervolgens niet verkocht. Bij een dergelijke overbrenging gaat het volgens Lubrizol immers niet om dezelfde verhandelingsfase als bij de verkoop op de binnenlandse markt.

44 Volgens de Europese Commissie zou de uit de litigieuze bijdragen voortvloeiende geldelijke last moeten worden geacht die producten in verschillende verhandelingsfasen te treffen indien de waarde van de naar een andere lidstaat overgebrachte producten niet zou kunnen worden afgetrokken van de grondslag voor de litigieuze bijdragen wanneer deze producten niet bestemd zijn om te worden verkocht of wanneer zij naar Frankrijk worden teruggebracht zonder in de andere lidstaat te zijn verkocht. In die hypothese zouden de litigieuze bijdragen – voor zover er bij de berekening ervan rekening zou worden gehouden met de representatieve waarde van dergelijke producten – als heffingen van gelijke werking moeten worden beschouwd.

45 Bovendien, indien de waarde van de naar een andere lidstaat overgebrachte goederen op het moment dat zij daar worden verkocht opnieuw in de grondslag voor de litigieuze bijdragen zou worden meegerekend, zouden de uitgevoerde producten twee maal door de betrokken fiscale last worden getroffen, in tegenstelling tot de producten die bestemd zijn voor de binnenlandse markt. In een dergelijke hypothese zouden deze bijdragen – voor zover er bij de berekening ervan rekening zou worden gehouden met de verkoopprijs van de producten – ook als heffingen van gelijke werking moeten worden beschouwd (zie in die zin arrest van 17 september 1997, Fricarnes, C‑28/96, EU:C:1997:412, punt 28).

46 Ten tweede moet worden onderstreept dat indien de voordelen die voortvloeien uit de bestemming van de opbrengst van een belasting, die behoort tot een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen waardoor binnenlandse producten die op de binnenlandse markt worden verhandeld en die welke worden uitgevoerd, stelselmatig worden getroffen, volledig de last compenseren die bij het in de handel brengen ervan drukt op het binnenlandse product dat op de binnenlandse markt wordt verhandeld, die belasting eveneens een met de artikelen 28 en 30 VWEU strijdige heffing van gelijke werking als een douanerecht vormt (arrest van 1 maart 2018, Petrotel-Lukoil en Georgescu, C‑76/17, EU:C:2018:139, punt 24).

47 In casu blijkt echter uit geen enkel gegeven dat de litigieuze bijdragen een dergelijke werking zouden hebben. Zoals de advocaat-generaal in punt 94 van zijn conclusie in wezen heeft uiteengezet, is de opbrengst van deze bijdragen immers bestemd voor de financiering van de begroting van socialezekerheidsinstellingen en hebben de prestaties van deze instellingen niet tot doel en blijkbaar evenmin tot gevolg dat de belasting die voor de op het nationale grondgebied verhandelde binnenlandse producten uit de heffing van de betrokken bijdragen voortvloeit, volledig wordt gecompenseerd.

48 In de vierde plaats moet erop worden gewezen dat, zoals de advocaat‑generaal in punt 71 van zijn conclusie in wezen heeft benadrukt, uit geen enkel bij het Hof ingediend stuk blijkt dat de litigieuze bijdragen worden geheven vanwege controles ter nakoming van door het Unierecht opgelegde verplichtingen of dat deze bijdragen de tegenprestatie vormen van een aan de marktdeelnemer daadwerkelijk verleende dienst waarvan het bedrag evenredig is aan de kosten van die dienst.

49 Hieruit volgt dat de litigieuze bijdragen, onder voorbehoud van hetgeen in de punten 43 tot en met 47 van dit arrest is uiteengezet, binnenlandse belastingen in de zin van artikel 110 VWEU lijken te zijn, waarbij het evenwel aan de verwijzende rechter staat om dit te verifiëren.

50 Daar Lubrizol ter terechtzitting voor het Hof heeft aangegeven zich niet te beroepen op schending van artikel 110 VWEU en het Hof dienaangaande geen vraag is gesteld, hoeft niet te worden onderzocht of bijdragen zoals de litigieuze bijdragen discriminatoir zijn in de zin van dit artikel.

51 Uit het voorgaande volgt dat de artikelen 28 en 30 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat die bepaalt dat wanneer de jaaromzet van vennootschappen een bepaald bedrag bereikt of overstijgt, er bij de berekening van de grondslag voor de op deze omzet geheven bijdragen rekening wordt gehouden met de representatieve waarde van de goederen die door of voor rekening van een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden vanuit deze lidstaat naar een andere lidstaat van de Unie worden overgebracht en waarbij deze waarde in aanmerking wordt genomen vanaf het moment van deze overbrenging, terwijl, wanneer diezelfde goederen door of voor rekening van de belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden worden overgebracht binnen het grondgebied van de betrokken lidstaat, de waarde ervan pas in die grondslag wordt opgenomen wanneer zij vervolgens worden verkocht, op voorwaarde dat: – ten eerste, de waarde van die goederen niet nogmaals in de betrokken grondslag wordt meegerekend wanneer zij vervolgens in die lidstaat worden verkocht; – ten tweede, de waarde van die goederen wordt afgetrokken van de betrokken grondslag wanneer zij niet bestemd zijn om in de andere lidstaat te worden verkocht of wanneer zij worden teruggebracht naar de lidstaat van oorsprong zonder dat zij zijn verkocht, en – ten derde, de voordelen die voortvloeien uit de bestemming van de voornoemde bijdragen niet volledig de last compenseren die bij het in de handel brengen ervan drukt op het binnenlandse product dat op de binnenlandse markt wordt verhandeld, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om dit te verifiëren.

Kosten

52 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 28 en 30 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat die bepaalt dat wanneer de jaaromzet van vennootschappen een bepaald bedrag bereikt of overstijgt, er bij de berekening van de grondslag voor de op deze omzet geheven bijdragen rekening wordt gehouden met de representatieve waarde van de goederen die door of voor rekening van een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden vanuit deze lidstaat naar een andere lidstaat van de Europese Unie worden overgebracht en waarbij deze waarde in aanmerking wordt genomen vanaf het moment van deze overbrenging, terwijl, wanneer diezelfde goederen door of voor rekening van de belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden binnen het grondgebied van de betrokken lidstaat worden overgebracht, de waarde ervan pas in die grondslag wordt opgenomen wanneer zij vervolgens worden verkocht, op voorwaarde dat:

– ten eerste, de waarde van die goederen niet nogmaals in de betrokken grondslag wordt meegerekend wanneer zij vervolgens in die lidstaat worden verkocht;

– ten tweede, de waarde van die goederen wordt afgetrokken van de betrokken grondslag wanneer zij niet bestemd zijn om in de andere lidstaat te worden verkocht of wanneer zij worden teruggebracht naar de lidstaat van oorsprong zonder dat zij zijn verkocht, en

– ten derde, de voordelen die voortvloeien uit de bestemming van de voornoemde bijdragen niet volledig de last compenseren die bij het in de handel brengen ervan drukt op het binnenlandse product dat op de binnenlandse markt wordt verhandeld, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om dit te verifiëren.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in