HvJ EU 21 april 2016, C-200/13, ECLI:EU:C:2016:284
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
21 april 2016 ( *1 )
„Hogere voorziening — Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Bestrijding van nucleaire proliferatie — Beperkende maatregelen ten aanzien van de Islamitische Republiek Iran — Bevriezing van de tegoeden van een Iraanse bank — Motiveringsplicht — Procedure voor de vaststelling van de handeling — Kennelijk onjuiste beoordeling”
In zaak C‑200/13 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 16 april 2013,
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Boelaert en M. Bishop als gemachtigden,
rekwirant,
ondersteund door:
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door L. Christie en S. Behzadi-Spencer als gemachtigden, bijgestaan door S. Lee, barrister,
andere partijen in de procedure:
Bank Saderat Iran, gevestigd te Teheran (Iran), vertegenwoordigd door D. Wyatt, QC, R. Blakeley, barrister, en S. Jeffrey, S. Ashley en A. Irvine, solicitors,
verzoekster in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Gauci en M. Konstantinidis als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, D. Šváby, A. Rosas (rapporteur), E. Juhász en C. Vajda, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 september 2014,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 februari 2015,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn hogere voorziening verzoekt de Raad van de Europese Unie om vernietiging van het arrest van 5 februari 2013, Bank Saderat Iran/Raad (T‑494/10, EU:T:2013:59; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht van de Europese Unie nietig heeft verklaard, voor zover zij Bank Saderat Iran betreffen: — punt 7 van tabel B van bijlage II bij besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB L 195, blz. 39, met rectificatie in PB L 197, blz. 19); — punt 5 van tabel B van de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2010 van de Raad van 26 juli 2010 houdende uitvoering van artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 423/2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 195, blz. 25); — punt 7 van tabel B, onder titel I, van de bijlage bij besluit 2010/644/GBVB van de Raad van 25 oktober 2010 tot wijziging van besluit 2010/413 (PB L 281, blz. 81); — punt 7 van tabel B van bijlage VIII bij verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007 (PB L 281, blz. 1); — besluit 2011/783/GBVB van de Raad van 1 december 2011 houdende wijziging van besluit 2010/413 (PB L 319, blz. 71); — uitvoeringsverordening (EU) nr. 1245/2011 van de Raad van 1 december 2011 houdende uitvoering van verordening nr. 961/2010 (PB L 319, blz. 11); — punt 7 van tabel B, onder titel I, van bijlage IX bij verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening nr. 961/2010 (PB L 88, blz. 1), voor zover de naam „Bank Saderat Iran” is opgenomen op de lijsten van personen, entiteiten en lichamen die zijn onderworpen aan de beperkende maatregelen die bij deze handelingen (hierna, samen: „litigieuze handelingen”) zijn vastgesteld.
Toepasselijke bepalingen en voorgeschiedenis van het geding
2 Verontrust wegens de talrijke rapporten van de directeur-generaal van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) en de resoluties van de Raad van beheer van het IAEA betreffende het nucleaire programma van de Islamitische Republiek Iran, heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (hierna: „Veiligheidsraad”) op 23 december 2006 resolutie 1737 (2006) vastgesteld. Punt 12 van die resolutie, gelezen in samenhang met de bijlage erbij, noemt een aantal personen en entiteiten die bij nucleaire proliferatie betrokken zouden zijn en waarvan de tegoeden en economische middelen moesten worden bevroren.
3 Om uitvoering te geven aan resolutie 1737 (2006) in de Europese Unie heeft de Raad op 27 februari 2007 gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB L 61, blz. 49) vastgesteld.
4 Artikel 5, lid 1, van gemeenschappelijk standpunt 2007/140 voorzag in de bevriezing van alle tegoeden en economische middelen van bepaalde categorieën van personen en entiteiten, die onder a) en b) van die bepaling werden genoemd. Artikel 5, lid 1, onder a), betrof de personen en entiteiten die zijn aangewezen in de bijlage bij resolutie 1737 (2006), en andere personen of entiteiten die door de Veiligheidsraad of het overeenkomstig punt 18 van resolutie 1737 (2006) ingestelde Comité van de Veiligheidsraad zijn aangewezen. De lijst van die personen en entiteiten was opgenomen in bijlage I bij gemeenschappelijk standpunt 2007/140. Artikel 5, lid 1, onder b), doelde op de niet onder bijlage I vallende personen en entiteiten die zich met name bezighouden met, rechtstreeks betrokken zijn bij, dan wel steun verlenen aan, proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van de Islamitische Republiek Iran. De lijst van die personen en entiteiten was opgenomen in bijlage II bij genoemd gemeenschappelijk standpunt.
5 Wat de bevoegdheden van de Europese Gemeenschap betrof, is resolutie 1737 (2006) uitgevoerd bij verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 103, blz. 1), die is vastgesteld op basis van de artikelen 60 EG en 301 EG, gemeenschappelijk standpunt 2007/140 betreft en inhoudelijk in wezen met dit standpunt overeenkomt, aangezien dezelfde namen van entiteiten en natuurlijke personen worden vermeld in bijlage IV bij die verordening betreffende de door de Veiligheidsraad of door het Sanctiecomité aangewezen personen, entiteiten en lichamen en in bijlage V bij die verordening betreffende andere personen, entiteiten en lichamen dan die welke in die bijlage IV zijn genoemd.
6 Artikel 7, lid 2, onder a), van verordening nr. 423/2007 luidde als volgt: „Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van de personen, entiteiten en lichamen die in bijlage V zijn vermeld, worden bevroren. In bijlage V worden opgenomen natuurlijke en rechtspersonen, entiteiten en lichamen die niet vallen onder bijlage IV en van wie uit hoofde van artikel 5, lid 1, onder b), van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB, is vastgesteld dat zij: a) zich bezighouden met, direct betrokken zijn bij, dan wel medewerking verlenen aan de proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran;”
7 Na te hebben vastgesteld dat de Islamitische Republiek Iran haar activiteiten in verband met nucleaire verrijking voortzette en niet met het IAEA samenwerkte, heeft de Veiligheidsraad op 3 maart 2008 resolutie 1803 (2008) vastgesteld. In punt 10 van die resolutie doet de Veiligheidsraad: „Een oproep aan alle staten tot waakzaamheid jegens de activiteiten van financiële instellingen op hun grondgebied met alle in Iran gevestigde banken, in het bijzonder met Bank Melli en Bank Saderat en de filialen en agentschappen daarvan in het buitenland, om te voorkomen dat deze activiteiten bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten en de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, zoals in resolutie 1737 (2006) is gesteld.”
8 Bij resolutie 1929 (2010) van 9 juni 2010 heeft de Veiligheidsraad strengere maatregelen vastgesteld en met name besloten de tegoeden van diverse financiële instellingen te bevriezen. In punt 21 van die resolutie nodigt de Veiligheidsraad de staten met name uit om „te verhinderen dat financiële diensten, waaronder verzekerings- en herverzekeringsdiensten, worden verricht of dat naar, via of vanaf hun grondgebied, of naar of door hun onderdanen of entiteiten onder hun rechtsmacht (met inbegrip van dochtermaatschappijen in het buitenland), of personen of financiële instellingen op hun grondgebied, financiële of andere activa of middelen worden overgedragen indien er een redelijk vermoeden bestaat dat die diensten, activa of middelen kunnen bijdragen tot proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran of tot de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, met name door alle financiële of andere activa of middelen te bevriezen die zich op hun grondgebied bevinden of zullen bevinden, of die onder hun rechtsmacht vallen of zullen vallen, en die betrokken zijn bij die programma’s of activiteiten, en door in overeenstemming met hun nationale autoriteiten en hun nationale wetgeving versterkt toezicht uit te oefenen teneinde dergelijke transacties te voorkomen”.
9 In een verklaring, die als bijlage bij zijn conclusies van 17 juni 2010 is gevoegd, heeft de Europese Raad zijn groeiende bezorgdheid onderstreept over het nucleaire programma van Iran, gesteld dat hij ingenomen was met de vaststelling door de Veiligheidsraad van resolutie 1929 (2010), akte genomen van het meest recente rapport van het IAEA van 31 mei 2010 en de vaststelling van nieuwe beperkende maatregelen aangekondigd, met name voor de financiële sector.
10 Bij besluit 2010/413 van 26 juli 2010 heeft de Raad uitvoering gegeven aan die verklaring door gemeenschappelijk standpunt 2007/140 in te trekken en bijkomende beperkende maatregelen vast te stellen die niet in laatstgenoemde handeling voorkwamen. De overwegingen 17 tot en met 20 van besluit 2010/413, die betrekking hebben op financiële activiteiten, verwijzen naar de besluiten van de Veiligheidsraad in resolutie 1929 (2010) alsmede naar de verklaring van de Europese Raad van 17 juni 2010. Hoofdstuk 2 van besluit 2010/413 heeft betrekking op de financiële sector. Artikel 10, lid 1, van dat besluit bepaalt dat de lidstaten, ter voorkoming van het verrichten van financiële diensten of het overdragen naar, via of vanaf het grondgebied van de lidstaten, of aan of via hun onderdanen of onder hun rechtsmacht vallende entiteiten (met inbegrip van bijkantoren in het buitenland), of aan of via personen of financiële instellingen op hun grondgebied, van financiële of andere activa of middelen die kunnen bijdragen tot proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran of tot de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, verhoogd toezicht uitoefenen op de activiteiten van onder hun rechtsmacht vallende financiële instellingen met in Iran gevestigde banken, hun bijkantoren en dochtermaatschappijen, of entiteiten die onder zeggenschap van die banken staan.
11 Artikel 20, lid 1, van besluit 2010/413 voorziet in de bevriezing van tegoeden van verschillende categorieën van personen en entiteiten. Artikel 20, lid 1, onder a), heeft betrekking op de door de Veiligheidsraad op een lijst geplaatste personen en entiteiten die in bijlage I bij dat besluit zijn vermeld. Artikel 20, lid 1, onder b), heeft betrekking op „niet onder bijlage I vallende personen en entiteiten die zich bezighouden met, rechtstreeks betrokken zijn bij, dan wel steun verlenen aan proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran of de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, mede doordat zij betrokken zijn bij de aanschaf van voorwerpen, goederen, uitrusting, materialen en technologie waarvoor een verbod geldt, dan wel personen of entiteiten die namens hen of op hun aanwijzing handelen of entiteiten ten aanzien waarvan zij – ook op onrechtmatige wijze – de eigendom of de zeggenschap hebben, of personen en entiteiten die op een lijst geplaatste personen of entiteiten hebben geholpen om de bepalingen van [resoluties] 1737 (2006), 1747 (2007), 1803 (2008) en 1929 (2010) [van de Veiligheidsraad] of dit besluit te ontwijken of te overtreden, alsmede andere hooggeplaatste leden en entiteiten van de Islamitische Revolutionaire Garde en de Islamic Republic of Iran Shipping Lines en entiteiten die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van of optreden namens deze, als vermeld in bijlage II”.
12 In bijlage II bij besluit 2010/413 worden meerdere financiële instellingen of groepen van dergelijke instellingen vermeld. Bank Saderat Iran (waaronder alle dochterondernemingen en filialen) is opgenomen in punt 7 van deel I, B, van die bijlage. De motivering luidde: „Bank Saderat [Iran] is een Iraanse overheidsbank (voor 94 % in handen van de Iraanse overheid). Bank Saderat [Iran] heeft financiële diensten verleend aan entiteiten die aanbestedingen doen voor het kernprogramma en het programma voor ballistische raketten van Iran, waaronder entiteiten die op de lijst van [resolutie] 1737 [(2006)] staan. Bank Saderat [Iran] verwerkte nog tot maart 2009 betalingen en kredietbrieven van [Defence Industries Organisation] ([die] op de lijst van [resolutie] 1737 [(2006)] staat) en van Iran Electronics Industries. In 2003 verwerkte Bank Saderat [Iran] kredietbrieven namens de aan nucleaire activiteiten gerelateerde Iraanse Mesbah Energy Company (die achteraf op de lijst van [resolutie] 1737 [(2006)] is geplaatst).”
13 Bij uitvoeringsverordening nr. 668/2010, die op 26 juli 2010 is vastgesteld in uitvoering van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 423/2007, is de naam van Bank Saderat Iran, die in punt 5 van deel I, B, van de bijlage bij die uitvoeringsverordening was vermeld, toegevoegd aan de lijst van rechtspersonen, entiteiten en lichamen die in tabel I van bijlage V bij verordening nr. 423/2007 is opgenomen.
14 De redenen om Bank Saderat Iran op die lijst te plaatsen, komen nagenoeg overeen met die in besluit 2010/413.
15 Bij brief van 27 juli 2010 heeft de Raad Bank Saderat Iran ervan in kennis gesteld dat haar naam was opgenomen op de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413 en die in bijlage V bij verordening nr. 423/2007.
16 Bij brieven van 18 en 25 augustus en 2, 9 en 30 september 2010 heeft Bank Saderat Iran de Raad verzocht om mededeling van de elementen op grond waarvan hij de beperkende maatregelen jegens haar had genomen. Bij brief van 15 september 2010 heeft zij de Raad ook verzocht om het betrokken besluit te herzien.
17 Bijlage II bij besluit 2010/413 is herzien en herschreven bij besluit 2010/644 van 25 oktober 2010. In overweging 2 van dat besluit vermeldt de Raad dat hij rekening heeft gehouden met de opmerkingen die door de betrokkenen zijn ingediend.
18 De naam van Bank Saderat Iran is overgenomen in punt 7 van de lijst van entiteiten in tabel I van bijlage II bij besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644. In de motivering wordt niet langer vermeld dat zij een Iraanse overheidsbank is (voor 94 % in handen van de Iraanse overheid), maar dat zij gedeeltelijk in handen van de Iraanse overheid is. Voor het overige is de motivering identiek aan de motivering in besluit 2010/413.
19 Verordening nr. 423/2007 is ingetrokken door en vervangen bij verordening nr. 961/2010 van 25 oktober 2010. Artikel 16, lid 2, van die verordening luidt: „Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van de personen, entiteiten en lichamen die in bijlage VIII zijn vermeld, worden bevroren. Bijlage VIII omvat de natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen [...] [waarvan] uit hoofde van artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 [...] is vastgesteld dat zij: a) betrokken zijn bij, direct verband houden met of steun bieden aan Iraanse proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten of de ontwikkeling door Iran van systemen voor de overbrenging van kernwapens, met inbegrip van betrokkenheid bij het verschaffen van verboden goederen en technologie, of eigendom zijn of onder zeggenschap staan van een dergelijke persoon, entiteit of lichaam, ook op onrechtmatige wijze, of optreden namens hen of handelen op hun aanwijzing; b) een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam zijn die of dat steun heeft verleend aan een op de lijst geplaatste persoon, entiteit of lichaam om de bepalingen van deze verordening, van besluit 2010/413[...] of van [resoluties] 1737 (2006), [...] 1747 (2007), [...] 1803 (2008) en [...] 1929 (2010), te omzeilen of te schenden; [...]”
20 De Raad heeft de naam van Bank Saderat Iran opgenomen in punt 7 van de lijst van rechtspersonen, entiteiten en lichamen die in bijlage VIII, B, bij verordening nr. 961/2010 worden vermeld. De redenen voor de plaatsing op die lijst zijn nagenoeg identiek aan die in besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644.
21 Bij brief van 28 oktober 2010 heeft de Raad op de brief van Bank Saderat Iran van 15 september 2010 geantwoord dat hij na heronderzoek haar verzoek tot schrapping van haar naam van de lijst in bijlage II bij besluit 2010/413 en van die in bijlage VIII bij verordening nr. 961/2010 afwees. In dit verband heeft de Raad gepreciseerd dat hij het niet eens was met het standpunt van Bank Saderat Iran dat haar activiteiten in verband met kredietbrieven niet konden bijdragen aan de nucleaire proliferatie. In antwoord op het verzoek van Bank Saderat Iran om toegang tot het dossier heeft de Raad haar de afschriften toegezonden van twee voorstellen van lidstaten tot vaststelling van beperkende maatregelen (hierna: „op 28 oktober 2010 meegedeelde voorstellen”).
22 Op 31 mei 2011 heeft de Raad aan Bank Saderat Iran, als bijlage bij de memorie van dupliek die was neergelegd in het kader van het beroep tot nietigverklaring dat heeft geleid tot het bestreden arrest, een document van de Raad van 27 mei 2011 meegedeeld, dat het uittreksel bevatte van een derde voorstel om Bank Saderat Iran op te nemen op de lijst van entiteiten waarvoor beperkende maatregelen gelden (hierna: „derde voorstel”).
23 Op 1 december 2011 heeft de Raad, na herziening, bij besluit 2011/783 en uitvoeringsverordening nr. 1245/2011 besloten de naam van Bank Saderat Iran op de lijst van besluit 2010/413, respectievelijk de lijst van verordening nr. 961/2010 te laten staan.
24 Onder verwijzing naar de conclusies van de Europese Raad van 9 december 2011 heeft de Raad nieuwe maatregelen vastgesteld bij besluit 2012/35/GBVB van 23 januari 2012 houdende wijziging van besluit 2010/413 (PB L 19, blz. 22).
25 Op 23 maart 2012 heeft hij nieuwe beperkende maatregelen vastgesteld bij verordening nr. 267/2012, die verordening nr. 961/2010 intrekt en vervangt. Artikel 23 van verordening nr. 267/2012 voorziet in de bevriezing van tegoeden en economische middelen. Artikel 23, lid 2, luidde: „Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van de personen, entiteiten en lichamen die in bijlage IX zijn vermeld, worden bevroren. Bijlage IX omvat de natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen van wie uit hoofde van artikel 20, lid 1, onder b) en c), van besluit 2010/413[...] is vastgesteld dat zij: a) betrokken zijn bij, direct verband houden met of steun bieden aan Iraanse proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten of de ontwikkeling door Iran van systemen voor de overbrenging van kernwapens, met inbegrip van betrokkenheid bij het verschaffen van verboden goederen en technologie, of eigendom zijn of onder zeggenschap staan van een dergelijke persoon, entiteit of lichaam, ook op onwettige wijze, of optreden namens hen of handelen op hun aanwijzing; b) een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam zijn die of dat steun heeft verleend aan een op de lijst geplaatste persoon, entiteit of lichaam om de bepalingen van deze verordening, van besluit 2010/413[...] of van [resoluties] 1737 (2006), [...] 1747 (2007), [...] 1803 (2008) en [...] 1929 (2010), te omzeilen of te schenden; [...] d) andere personen, entiteiten of lichamen zijn die steun verlenen aan de regering van Iran, zoals materiële, logistieke of financiële steun, of er banden mede onderhouden; [...]”
26 De naam van Bank Saderat Iran is opgenomen in punt 7 van tabel B, onder titel I, van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012. De redenen voor de plaatsing op die lijst zijn nagenoeg identiek aan die in besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
27 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 oktober 2010, heeft Bank Saderat Iran een beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010. Later heeft zij haar vorderingen uitgebreid en ook verzocht om nietigverklaring van besluit 2010/644, verordening nr. 961/2010, besluit 2011/783, uitvoeringsverordening nr. 1245/2011 en verordening nr. 267/2012, voor zover deze handelingen haar betroffen.
28 Om te beginnen heeft het Gerecht het betoog van zowel de Raad als de Commissie afgewezen dat Bank Saderat Iran niet het recht had zich te beroepen op de aan de grondrechten verbonden bescherming en waarborgen.
29 Vervolgens heeft het Gerecht het beroep van Bank Saderat Iran onderzocht. Deze voerde drie middelen aan. Het eerste middel betrof niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van haar recht van verdediging en haar recht op effectieve rechterlijke bescherming. Volgens het tweede middel was er sprake van een kennelijk onjuiste beoordeling bij de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens haar. Het derde middel betrof schending van het evenredigheidsbeginsel.
30 In het kader van het eerste middel, niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van haar recht van verdediging en haar recht op effectieve rechterlijke bescherming, heeft het Gerecht elke reden betreffende Bank Saderat Iran onderzocht die voorkwam in de litigieuze handelingen en in de voorstellen tot vaststelling van beperkende maatregelen. Het heeft geoordeeld dat de Raad zijn motiveringsplicht niet in acht had genomen met betrekking tot de tweede reden, inzake financiële diensten, die onvoldoende nauwkeurig was. Door deze vaagheid werd ook het recht van Bank Saderat Iran op effectieve rechterlijke bescherming geschonden wat de tweede reden betrof. Dat recht werd wat besluit 2010/413, uitvoeringsverordening nr. 668/2010, besluit 2010/644 en verordening nr. 961/2010 betrof bovendien geschonden wegens de te late mededeling van het derde voorstel tot vaststelling van beperkende maatregelen. Tot slot was het Gerecht van oordeel dat het onderzoek van besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010 ontoereikend was, aangezien niets in de stukken erop wees dat de Raad de relevantie en gegrondheid van de gegevens betreffende Bank Saderat Iran had geverifieerd. Het Gerecht heeft het eerste middel derhalve toegewezen voor zover het besluit 2010/413, uitvoeringsverordening nr. 668/2010, besluit 2010/644 en verordening nr. 961/2010 betrof.
31 Het Gerecht heeft vervolgens het tweede middel onderzocht, inzake een kennelijk onjuiste beoordeling bij de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens Bank Saderat Iran. Dat onderzoek had betrekking op de redenen die werden geacht voldoende nauwkeurig en in overeenstemming met de motiveringsplicht te zijn. Aangezien geen van de door de Raad ten aanzien van verzoekster aangevoerde redenen de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens haar rechtvaardigde, heeft het Gerecht het tweede middel toegewezen en de litigieuze handelingen nietig verklaard voor zover zij verzoekster betroffen, zonder dat het nodig was het derde middel, schending van het evenredigheidsbeginsel, te onderzoeken.
32 Bank Saderat Iran betoogde dat verordening nr. 267/2012 ten aanzien van haar geen echte verordening is, maar een besluit dat is vastgesteld in de vorm van een verordening. Bijgevolg had artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie in casu niet mogen worden toegepast. In punt 123 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat in het licht van de rechtspraak van het Hof moet worden aangenomen dat verordening nr. 267/2012, daaronder begrepen bijlage IX daarbij, de aard van een verordening heeft, aangezien in artikel 51, tweede alinea, ervan is bepaald dat zij in al haar onderdelen verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat, hetgeen overeenstemt met de gevolgen van een verordening zoals bepaald in artikel 288 VWEU. Artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie was dus in casu van toepassing.
Conclusies van partijen
Principale hogere voorziening
33 De Raad verzoekt het Hof: — het bestreden arrest te vernietigen; — de zaak zelf af te doen en het beroep van Bank Saderat Iran tegen de litigieuze handelingen te verwerpen, en — Bank Saderat Iran te verwijzen in de kosten die de Raad in eerste aanleg en in het kader van deze hogere voorziening heeft gemaakt.
34 Bank Saderat Iran verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en de Raad te verwijzen in de kosten.
35 De Commissie steunt de conclusies van de Raad in hogere voorziening volledig.
36 Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland verzoekt het Hof de hogere voorziening toe te wijzen, het bestreden arrest te vernietigen en het beroep van Bank Saderat Iran tegen de litigieuze handelingen te verwerpen.
Incidentele hogere voorziening
37 Bank Saderat Iran verzoekt het Hof: — de incidentele hogere voorziening toe te wijzen en het arrest van het Gerecht te vernietigen wegens onjuiste beoordeling op een aantal punten, zoals uiteengezet in de incidentele hogere voorziening; — de litigieuze handelingen (afzonderlijk) nietig te verklaren voor zover zij gelden voor Bank Saderat Iran, en — de Raad te verwijzen in de kosten van Bank Saderat Iran in het kader van de incidentele hogere voorziening.
38 De Raad verzoekt het Hof de incidentele hogere voorziening af te wijzen en Bank Saderat Iran te verwijzen in de kosten van deze hogere voorziening.
Principale hogere voorziening
39 De Raad stelt dat in het bestreden arrest op een aantal punten blijk wordt gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Exceptie van niet-ontvankelijkheid van de middelen betreffende schending van de grondrechten
Bestreden arrest
40 In punt 44 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geen gevolg gegeven aan het betoog van zowel de Raad als de Commissie dat Bank Saderat Iran niet het recht had zich te beroepen op de aan de grondrechten verbonden bescherming en waarborgen. Het heeft in punt 39 van dit arrest geoordeeld dat het Unierecht geen regel bevat die rechtspersonen die nauw verbonden zijn met derde staten, verhindert om zich in hun belang te beroepen op de aan de grondrechten verbonden bescherming en waarborgen, en in punt 40 dat de Raad en de Commissie hoe dan ook geen gegevens hadden aangevoerd op grond waarvan kon worden vastgesteld dat verzoekster daadwerkelijk nauw verbonden was met de Iraanse Staat.
Argumenten van partijen
41 De Raad komt om te beginnen op tegen de punten 34 tot en met 43 van het bestreden arrest. Hij betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat Bank Saderat Iran zich ondanks de vaststelling dat zij nauw verbonden was met de Iraanse Staat, in haar belang bij de Unierechter kon beroepen op de aan de grondrechten verbonden bescherming en waarborgen.
42 Hij beroept zich op artikel 34 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”), op grond waarvan gouvernementele organisaties en vergelijkbare entiteiten zich niet kunnen wenden tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en op andere vergelijkbare bepalingen, zoals artikel 44 van het Amerikaans Verdrag inzake de rechten van de mens van 22 november 1969. De ratio legis daarachter is dat een staat geen grondrechten kan genieten. De Verdragen van de Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bevatten weliswaar geen bepalingen die vergelijkbaar zijn met artikel 34 EVRM, maar hetzelfde beginsel is van toepassing.
43 Hij stelt dat het Gerecht voorts blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat er geen elementen waren op basis waarvan kon worden vastgesteld dat Bank Saderat Iran wel een gouvernementele organisatie is. Dienaangaande noemt de Raad: — de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de vraag of een entiteit een gouvernementele of niet-gouvernementele organisatie is, een zorgvuldig onderzoek van het specifieke feitelijke en juridische kader vereist; — het werk van de Commissie Internationaal Recht van de Verenigde Naties en in het bijzonder de toelichtingen op artikel 2, lid 1, onder b), van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen van 2 december 2004, volgens welke het begrip „agentschappen of instanties van de staat of andere entiteiten” overheidsbedrijven of andere door de staat opgerichte entiteiten die handelstransacties verrichten, kan omvatten, en — de rechtspraak van het Hof inzake staatssteun (arrest Frankrijk/Commissie, C‑482/99, EU:C:2002:294, punt 55).
44 Het Gerecht heeft dus ten onrechte geoordeeld dat de commerciële activiteiten die Bank Saderat Iran verricht, niet als „openbare dienst” kunnen worden gekwalificeerd omdat zij aan het gemene recht zijn onderworpen, hoewel zij noodzakelijk zijn voor de werking van de economie van een staat. Het Gerecht heeft evenmin naar behoren rekening gehouden met de invloed die de Iraanse regering, ondanks de vermindering van haar deelname ten gevolge van privatisering, op Bank Saderat Iran uitoefent.
45 Bank Saderat Iran betwist het betoog van de Raad.
Beoordeling door het Hof
46 Opgemerkt zij dat het beroep van Bank Saderat Iran binnen het kader van artikel 275, tweede alinea, VWEU valt (arresten Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 50, en Raad/Bank Mellat, C‑176/13 P, EU:C:2016:96, punt 48).
47 Bank Saderat Iran voert middelen aan betreffende schending van haar recht van verdediging en haar recht op effectieve rechterlijke bescherming. Elke natuurlijke persoon of entiteit die een beroep instelt bij de rechterlijke instanties van de Unie kan zich op deze rechten beroepen (arrest Raad/Bank Mellat, C‑176/13 P, EU:C:2016:96, punt 49).
48 Hetzelfde geldt voor de middelen betreffende schending van wezenlijke vormvoorschriften, zoals dat waarmee wordt gesteld dat de verplichting tot motivering van een handeling niet in acht is genomen (arrest Raad/Bank Mellat, C‑176/13 P, EU:C:2016:96, punt 50).
49 Wat betreft de middelen inzake een kennelijk onjuiste beoordeling of schending van het algemene evenredigheidsbeginsel, heeft de vraag of een entiteit van de overheid zich daarop kan beroepen, betrekking op de grond van de zaak (arresten Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 51, en Raad/Bank Mellat, C‑176/13 P, EU:C:2016:96, punt 51).
50 Gelet op het voorgaande moet het middel van de Raad worden afgewezen zonder dat hoeft te worden onderzocht of het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat niet was aangetoond dat Bank Saderat Iran een entiteit van de overheid was, aangezien dit argument niet ter zake dienend is.
Motiveringsplicht, recht van verdediging, recht op effectieve rechterlijke bescherming en toegang tot het dossier
Bestreden arrest
51 In de punten 47 tot en met 49 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de rechtspraak over de in artikel 296, tweede alinea, VWEU neergelegde motiveringsplicht voor handelingen in herinnering gebracht. In de punten 50 tot en met 53 van dat arrest heeft het verwezen naar de rechtspraak inzake het recht van verdediging en de verplichting om de tegen de betrokken entiteit in aanmerking genomen elementen aan haar mee te delen, zodat zij haar standpunt over die elementen naar behoren kenbaar kan maken.
52 In de punten 61 en 62 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat om te beoordelen of is voldaan aan de motiveringsplicht en de verplichting om Bank Saderat Iran de tegen haar in aanmerking genomen elementen mee te delen, niet alleen de redenen in de litigieuze handelingen in de beschouwing moeten worden betrokken, maar ook twee voorstellen tot vaststelling van beperkende maatregelen die de Raad bij brief van 28 oktober 2010 aan verzoekster had meegedeeld, en het derde voorstel dat aan de op 31 mei 2011 ingediende memorie van dupliek van de Raad was gehecht. Volgens het Gerecht zijn die voorstellen aan de delegaties van de lidstaten overgelegd in het kader van de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens verzoekster, zodat zij elementen zijn waarop die maatregelen zijn gebaseerd.
53 In punt 63 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld: „[...] het [is] juist dat de drie voorstellen aan verzoekster zijn meegedeeld na de instelling van het beroep en, wat het voorstel in bijlage bij de dupliek betreft, na de daaropvolgende wijziging van haar conclusies naar aanleiding van de vaststelling van besluit 2010/644 en van verordening nr. 961/2010. Derhalve konden zij niet geldig de motivering aanvullen van besluit 2010/413, van uitvoeringsverordening nr. 668/2010 en, wat het aan de dupliek gehechte voorstel betreft, van besluit 2010/644 en van verordening nr. 961/2010. Zij kunnen echter wel in aanmerking worden genomen in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de latere handelingen, namelijk van besluit 2011/783, van uitvoeringsverordening nr. 1245/2011 en van verordening nr. 267/2012, wat de drie voorstellen betreft alsmede van besluit 2010/644 en van verordening nr. 961/2010 wat de op 28 oktober 2010 meegedeelde voorstellen betreft.”
54 In de punten 64 tot en met 73 van het bestreden arrest heeft het Gerecht elke reden in de litigieuze handelingen en de voorstellen tot vaststelling van beperkende maatregelen onderzocht. In de punten 64 tot en met 66 wordt overwogen: „64 De [litigieuze] handelingen vermelden met betrekking tot verzoekster de volgende vier redenen: — verzoekster is in handen van de Iraanse overheid: voor 94 % volgens besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010, en gedeeltelijk volgens de [latere] handelingen [hierna: ‚eerste reden’]; — verzoekster heeft financiële diensten verricht ten behoeve van entiteiten die aanbestedingen doen voor het kernprogramma en het programma voor ballistische raketten van Iran, waaronder entiteiten die op de lijst van resolutie 1737 (2006) [...] staan [hierna: ‚tweede reden’]; — verzoekster verwerkte nog tot maart 2009 betalingen en kredietbrieven van de Defence Industries Organisation (hierna: ‚DIO’) en van Iran Electronics Industries (hierna: ‚IEI’), die voorwerp waren van beperkende maatregelen [hierna: ‚derde reden’]; — in 2003 verwerkte verzoekster kredietbrieven namens de aan het Iraanse nucleaire programma gerelateerde Mesbah Energy Company [hierna: ‚vierde reden’]. 65 De redenen die zijn vermeld in de voorstellen tot vaststelling van beperkende maatregelen die aan de brief van de Raad van 28 oktober 2010 zijn gehecht, komen volledig overeen met die van de [litigieuze] handelingen. 66 Het derde voorstel tot vaststelling van beperkende maatregelen, dat in bijlage bij de dupliek is gevoegd, voegt evenwel een vijfde reden toe, te weten dat verzoekster financiële diensten ten behoeve van Sanam Industria Group heeft verricht.”
55 In punt 73 heeft het Gerecht geoordeeld dat de Raad zijn motiveringsplicht alsmede de verplichting tot mededeling aan verzoekster van de tegen haar in aanmerking genomen elementen niet is nagekomen wat de tweede reden betreft, aangezien deze uiterst vaag is, maar dat deze verplichtingen voor de andere redenen wel zijn nageleefd.
56 Wat de toegang tot het dossier betreft, heeft het Gerecht in punt 79 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Raad verzoekster niet tijdig toegang tot de voorstellen tot vaststelling van beperkende maatregelen had verleend, aangezien twee voorstellen waren meegedeeld als bijlage bij een brief van 28 oktober 2010 en het derde in de bijlage bij de dupliek, terwijl de door de Raad aan verzoekster gestelde termijn voor het indienen van haar opmerkingen naar aanleiding van de vaststelling van besluit 2010/413 en van uitvoeringsverordening nr. 668/2010 verstreek op 15 september 2010.
57 Met betrekking tot de mogelijkheid voor verzoekster om haar standpunt naar behoren kenbaar te maken, heeft het Gerecht in de punten 82 en 83 van het bestreden arrest geoordeeld dat zij de mogelijkheid heeft gehad haar standpunt naar behoren kenbaar te maken, behalve wat betreft de tweede door de Raad aangevoerde reden, die uiterst vaag is, alsmede wat betreft de drie voorstellen tot vaststelling van beperkende maatregelen, aangezien zij daarover niet beschikte op 15 september 2010.
58 In punt 86 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat de Raad tijdens zijn heronderzoek rekening heeft gehouden met verzoeksters opmerkingen. Het heeft in punt 85 van dit arrest met name opgemerkt dat de Raad de vermelding heeft rechtgezet betreffende de deelname van de Iraanse Staat in het kapitaal van Bank Saderat Iran, waarvan laatstgenoemde de juistheid betwistte.
59 In punt 90 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat verzoeksters recht op effectieve rechterlijke bescherming was geschonden, gezien de vaagheid van de tweede reden van de Raad en de te late mededeling van de drie voorstellen tot vaststelling van beperkende maatregelen.
Argumenten van partijen
60 In de eerste plaats voert de Raad onder de titel „Motiveringsplicht” aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door elke reden afzonderlijk te beoordelen in plaats van alle redenen samen te beschouwen. Die redenen hangen duidelijk met elkaar samen. De derde en de vierde reden zijn meer bepaald een nadere beschrijving van het gedrag waarnaar in de tweede reden wordt verwezen. Voorts werd in de tweede reden weliswaar niet de naam genoemd van de entiteiten op de lijsten van de Verenigde Naties en de Unie waaraan Bank Saderat Iran bankdiensten verleent, maar zij had de betrokken reden kunnen betwisten indien geen van haar klanten op de lijsten van de Verenigde Naties of de Unie stond.
61 De Commissie betoogt dat het standpunt van het Gerecht in punt 73 van het bestreden arrest dat het beroep tot nietigverklaring gegrond is wat bepaalde redenen betreft, maar niet wat de tweede reden betreft, niet verdedigbaar is. De Raad kan niet voor elke reden afzonderlijk worden verweten dat hij zijn motiverings- en mededelingsplicht ten aanzien van verzoekster niet is nagekomen.
62 In zijn memorie in interventie betwist het Verenigd Koninkrijk eveneens de vaststelling van het Gerecht dat de tweede reden te vaag is, terwijl die reden moet worden beschouwd in samenhang met de daaropvolgende redenen.
63 In de tweede plaats betwist de Raad onder de titel „Toegang tot het dossier” de beslissing van het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest dat „om te beoordelen of de motiveringsplicht en de plicht tot mededeling van de tegen haar in aanmerking genomen elementen aan de betrokken entiteit zijn nageleefd, naast de redenen in de [litigieuze] handelingen, ook de drie door de Raad aan verzoekster meegedeelde voorstellen tot vaststelling van beperkende maatregelen in de beschouwing moeten worden betrokken”.
64 Hij stelt dat het Gerecht onjuiste toepassing heeft gemaakt van de in punt 52 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak, die is gewezen in de context van de eerste zaken over terrorisme, toen geen redenen werden gegeven voor plaatsing op een lijst van personen, entiteiten en lichamen die aan beperkende maatregelen zijn onderworpen en de begrippen „redenen” en „elementen” in die omstandigheden dus onderling verwisselbaar waren. In casu waren er redenen opgenomen in de handelingen, zodat er geen grond bestond voor mededeling van de voorstellen tot vaststelling van beperkende maatregelen, die, hoe dan ook, geen toegevoegde waarde zouden hebben.
65 De elementen die niet waren opgenomen in de uiteenzetting van de redenen van de Raad hoefden evenmin afzonderlijk te worden meegedeeld, aangezien niet noodzakelijkerwijze mag worden aangenomen dat de Raad zich hierop heeft gebaseerd als reden of bewijs. Volgens de Raad had het Gerecht toepassing moeten maken van de in punt 53 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak, namelijk dat de Raad wanneer de redenen voldoende nauwkeurig zijn, slechts op verzoek van de betrokkene toegang moet geven tot alle niet-vertrouwelijke administratieve stukken betreffende de betrokken maatregel (arrest Bank Melli Iran/Raad, T‑390/08, EU:T:2009:401, punt 97).
66 Het Verenigd Koninkrijk stelt onder verwijzing naar punt 111 van het arrest Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518) dat wat betreft de lijsten van entiteiten waarvoor beperkende maatregelen gelden, enkel de uiteenzetting van de redenen van de Raad voor de plaatsing op dergelijke lijsten openbaar moet worden gemaakt en niet de voorstellen voor plaatsing van de betrokken entiteiten op de lijsten.
67 Bank Saderat Iran sluit zich aan bij de overwegingen van het Gerecht. Zij stelt dat de derde en de vierde reden de tweede reden niet specifieker kunnen maken.
68 Volgens Bank Saderat Iran moest de Raad de voorstellen voor plaatsing op de betrokken lijsten meedelen op de dag van de plaatsing op de lijsten of kort daarna, aangezien zij de enige elementen in het dossier waren. Op de stelling van de Raad dat mededeling van deze voorstellen voor plaatsing op de lijsten voor Bank Saderat Iran nutteloos zou zijn, antwoordt Bank Saderat Iran dat het niet aan de Raad staat te beoordelen welke elementen van het dossier relevant kunnen zijn voor de verzoeker om toegang. Het is in strijd met het recht van verdediging om de keuze van de elementen van het dossier die relevant zijn aan de Raad over te laten.
69 Bank Saderat Iran betwist dat in casu de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest Bank Melli Iran/Raad (T‑390/08, EU:T:2009:401) had moeten worden toegepast, aangezien zij niet over voldoende nauwkeurige informatie beschikte om haar standpunt over de tegen haar in aanmerking genomen elementen naar behoren kenbaar te maken. Zij benadrukt dat zowel het Gerecht als de Raad zich hebben gebaseerd op de omstandigheid dat de voorstellen voor plaatsing op de lijsten van entiteiten waarvoor beperkende maatregelen gelden, het bewijs vormden, terwijl dit niet het geval was.
Beoordeling door het Hof
70 Volgens vaste rechtspraak dient de verplichting om een bezwarende handeling te motiveren, die een logisch uitvloeisel is van het beginsel van eerbiediging van het recht van verdediging, er enerzijds toe, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de handeling gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid voor de Unierechter kan worden betwist, en anderzijds de Unierechter in staat te stellen de rechtmatigheid van die handeling te toetsen (zie arresten Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 49en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Raad/Bank Mellat, C‑176/13 P, EU:C:2016:96, punt 74).
71 De door artikel 296 VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en aan de context waarin zij is vastgesteld. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 53en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een bezwarende handeling is toereikend gemotiveerd, wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat deze de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (arresten Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 71, en Raad/Bank Mellat, C‑176/13 P, EU:C:2016:96, punt 75).
72 Wat beperkende maatregelen betreft, houdt de in artikel 296 VWEU neergelegde motiveringsplicht in – zonder zo ver te gaan dat gedetailleerd moet worden geantwoord op de opmerkingen van de betrokken persoon – dat in alle omstandigheden, ook wanneer de motivering van de Uniehandeling overeenstemt met de door een internationale instantie uiteengezette redenen, die motivering de individuele, specifieke en concrete redenen aangeeft waarom de bevoegde autoriteiten van mening zijn dat tegen de betrokken persoon dergelijke maatregelen moeten worden vastgesteld. De Unierechter moet dus met name nagaan of de aangevoerde redenen voldoende nauwkeurig en concreet zijn (zie in die zin arresten Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 116 en 118, en Raad/Bank Mellat, C‑176/13 P, EU:C:2016:96, punt 76).
73 In casu heeft het Gerecht bij zijn onderzoek van de tweede reden geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de Raad voor het Gerecht niet had aangevoerd dat de tweede tot en met de vierde reden samen moesten worden beschouwd.
74 Hoe dan ook zou Bank Saderat Iran, gesteld dat de tweede reden, zoals de Raad stelt, moest worden begrepen tegen de achtergrond van de derde en de vierde reden, op basis van deze redenen in hun onderlinge samenhang beschouwd niet concreet kunnen weten welke bankdiensten zij heeft verleend aan welke entiteiten „die aanbestedingen doen voor het kernprogramma en het programma voor ballistische raketten van Iran” waarvan sommige „op de lijst van resolutie 1737 (2006) [...] staan”. In die omstandigheden kan het Gerecht niet worden verweten dat het in punt 73 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de tweede reden voor plaatsing op die lijsten te vaag is.
75 Wat tot slot de toegang tot het dossier betreft, heeft het Gerecht in de punten 77, 83 en 102 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat de Raad zich vóór de vaststelling van de beperkende maatregelen ervan moest vergewissen dat de tegen Bank Saderat Iran in aanmerking genomen elementen tijdig aan haar konden worden meegedeeld, zodat zij haar standpunt naar behoren kenbaar kon maken, en dat de te late mededeling van de drie voorstellen tot vaststelling van beperkende maatregelen verzoeksters recht van verdediging en haar recht op effectieve rechterlijke bescherming schond en derhalve een weerslag had op de rechtmatigheid van besluit 2010/413, uitvoeringsverordening nr. 668/2010, besluit 2010/644 en verordening nr. 961/2010, voor zover deze handelingen Bank Saderat Iran betroffen.
Ontoereikend onderzoek door de Raad
Bestreden arrest
76 Nog steeds in het kader van het middel betreffende niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van het recht van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming vat het Gerecht een argument van Bank Saderat Iran als volgt samen: „91 Verzoekster betoogt dat de Raad de concrete omstandigheden niet daadwerkelijk heeft onderzocht, maar louter de voorstellen van de lidstaten heeft overgenomen. Zowel het onderzoek dat de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens haar voorafgaat, als het periodiek heronderzoek van diezelfde maatregelen is daardoor ontoereikend.”
77 Het Gerecht heeft het volgende beslist: „95 Enerzijds wijst in casu niets in de stukken erop dat de Raad de relevantie en gegrondheid van de hem vóór de vaststelling van besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010 verstrekte gegevens over verzoekster heeft geverifieerd. Integendeel, de foutieve vermelding van de omvang van de deelname van de Iraanse Staat in verzoeksters kapitaal, waarvan de onjuistheid door de Raad niet wordt betwist, is een sterke aanwijzing dat geen toetsing in die zin heeft plaatsgevonden. 96 Anderzijds blijkt uit de punten 84 tot en met 86 hierboven dat de Raad bij de vaststelling van de latere bestreden handelingen de concrete omstandigheden opnieuw heeft onderzocht in het licht van verzoeksters opmerkingen, daar hij de vermelding betreffende de deelname van de Iraanse Staat in verzoeksters kapitaal heeft rechtgezet en heeft geantwoord op verzoeksters betoog betreffende de activiteiten inzake de kredietbrieven. [...] 98 Verzoeksters argumenten over de beweerde onvolkomenheden in het onderzoek door de Raad moeten derhalve worden aanvaard met betrekking tot besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010 en worden verworpen voor het overige.”
78 In punt 100 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de Raad bij de vaststelling van besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010 de verplichting om de relevantie en gegrondheid van de aan hem verstrekte inlichtingen en bewijzen over verzoekster te onderzoeken niet heeft nageleefd, zodat die handelingen onrechtmatig worden.
Argumenten van partijen
79 De Raad, ondersteund door de Commissie, stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 94 en 95 van het bestreden arrest te vereisen dat de stukken aanwijzingen bevatten die aantonen dat de Raad de aan hem verstrekte gegevens heeft geverifieerd. Hij betoogt dat het niet duidelijk is welke aanwijzingen moeten worden aangevoerd om aan te tonen dat de leden van de Raad deze verificatie wel degelijk hebben verricht en dat daarnaast bepaalde gegevens afkomstig waren van vertrouwelijke bronnen waartoe het geheel van de leden van de Raad geen toegang heeft.
80 Bank Saderat Iran betoogt dat het rechtsbeginsel dat de Raad de relevantie en gegrondheid moet onderzoeken van de inlichtingen en bewijzen die aan hem zijn verstrekt, niet ter discussie staat. Volgens haar mocht het Gerecht zijn oordeel dat de Raad geen gepaste verificatie had verricht, baseren op het ontbreken van bewijs dat de Raad deze verificatie had verricht. Zij merkt voorts op dat de Raad erkent dat hij de beweringen in de voorstellen die hem waren overgelegd met betrekking tot de aanwijzing van Bank Saderat Iran als entiteit waarvoor beperkende maatregelen gelden, niet heeft geverifieerd, juist omdat hij geen toegang had tot het onderliggende bewijs, dat als vertrouwelijk werd beschouwd.
Beoordeling door het Hof
81 Blijkens het bestreden arrest is Bank Saderat Iran op de lijsten geplaatst van entiteiten waarvoor beperkende maatregelen gelden door de vaststelling van besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010 louter op basis van de door de lidstaten ingediende voorstellen voor plaatsing op een lijst. Het Gerecht toont echter niet aan hoe dit gegeven een in artikel 263 VWEU neergelegde grond tot nietigverklaring kan vormen.
82 Zoals de advocaat-generaal in punt 95 van haar conclusie heeft opgemerkt, blijkt niet dat de verificatie van de relevantie en gegrondheid van de gegevens betreffende verzoekster die aan de Raad zijn verstrekt vóór de vaststelling van besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010, een wezenlijk vormvoorschrift voor de vaststelling van die handelingen kan vormen dat bij niet-naleving ervan tot ongeldigheid van die handelingen zou kunnen leiden. Het Gerecht heeft niet aangetoond dat een dergelijk vormvoorschrift in het VWEU of een handeling van afgeleid recht is neergelegd.
83 Het Gerecht heeft evenmin aangetoond hoe dit gegeven zou kunnen leiden tot niet-naleving van de motiveringsplicht of schending van het recht van verdediging van Bank Saderat Iran of haar recht op effectieve rechterlijke bescherming, die zij in haar eerste middel heeft aangevoerd, of van een andere rechtsregel.
84 Aangezien het Gerecht niet heeft aangetoond dat de geldigheid van besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010 door een van de in artikel 263 VWEU neergelegde gronden tot nietigverklaring is aangetast omdat de relevantie en gegrondheid van de gegevens betreffende verzoekster niet zijn geverifieerd, zij vastgesteld dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 94 van het bestreden arrest te oordelen dat de Raad bij de vaststelling van een eerste handeling tot vaststelling van beperkende maatregelen jegens vermoedelijk bij nucleaire proliferatie betrokken entiteiten de relevantie en gegrondheid moest onderzoeken van de inlichtingen en bewijzen die hem zijn verstrekt door een lidstaat of de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. Het Gerecht heeft derhalve blijk gegeven van dezelfde onjuiste rechtsopvatting door in punt 100 van het bestreden arrest tot de slotsom te komen dat de Raad bij de vaststelling van besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010 de verplichting om de relevantie en gegrondheid van de aan hem verstrekte inlichtingen en bewijzen over verzoekster te onderzoeken niet had nageleefd, zodat die handelingen onrechtmatig werden.
Kennelijk onjuiste beoordeling
Bestreden arrest
85 In punt 106 van het bestreden arrest heeft het Gerecht overwogen dat gezien het ontbreken van motivering van de tweede door de Raad ten aanzien van verzoekster aangevoerde reden enkel de gegrondheid van de eerste, de derde, de vierde en de vijfde reden moest worden nagegaan.
86 In punt 107 van dit arrest heeft het geoordeeld dat de eerste reden, namelijk dat Bank Saderat Iran voor 94 % in handen van de Iraanse overheid is, berust op een onjuiste feitelijke vaststelling en dus geen grond kan opleveren voor de beperkende maatregelen die jegens verzoekster zijn vastgesteld bij besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010.
87 Wat de vierde reden betreft, inzake Mesbah Energy Company, heeft het Gerecht in punt 109 van dat arrest geoordeeld dat de Raad geen bewijzen of inlichtingen heeft overgelegd om aan te tonen dat dergelijke diensten zijn verricht of dat verzoekster wist dat Mesbah Energy Company, die in 2003 nog niet het voorwerp van beperkende maatregelen was, betrokken was bij nucleaire proliferatie.
88 In punt 110 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat dit ook geldt voor de vijfde reden, voor zover het om de rechtmatigheid van besluit 2011/783, van uitvoeringsverordening nr. 1245/2011 en van verordening nr. 267/2012 gaat. Terwijl verzoekster betwist dat zij financiële diensten ten behoeve van Sanam Industria Group heeft verricht nadat tegen laatstgenoemde beperkende maatregelen waren genomen, heeft de Raad namelijk geen gegevens aangebracht waaruit blijkt dat het tegendeel waar is of dat verzoekster wist dat Sanam Industria Group bij de nucleaire proliferatie was betrokken, nog vóór tegen laatstgenoemde beperkende maatregelen waren vastgesteld.
89 Wat de derde reden betreft, betwistte verzoekster niet dat DIO en IEI bij de nucleaire proliferatie betrokken waren, maar wel dat de diensten die zij ten behoeve van deze entiteiten heeft verricht, rechtvaardigden dat beperkende maatregelen tegen haar werden genomen. In dit verband voerde zij in wezen aan dat die diensten gebruikelijke bankwerkzaamheden waren, die in het verleden werden verricht in het kader van de behandeling van kredietbrieven voor export die door derde banken worden uitgegeven, en dat zij geen betrekking hadden op transacties die verband houden met nucleaire proliferatie. Om de gegrondheid van deze argumenten te toetsen, heeft het Gerecht de Raad verzocht om gedetailleerde inlichtingen betreffende de kredietbrieven die verzoekster voor DIO en IEI had verwerkt. Aangezien de Raad geen gegevens had aangebracht in antwoord op het verzoek van het Gerecht, heeft het Gerecht in punt 116 van het bestreden arrest geoordeeld dat de onmogelijkheid om de gegrondheid van verzoeksters argumenten te toetsen het gevolg was van het feit dat de Raad zijn verplichting niet was nagekomen om de relevante bewijzen en inlichtingen over te leggen.
90 Gelet op die elementen kwam het Gerecht in punt 116 van het bestreden arrest tot de slotsom dat het tweede middel moest worden aanvaard.
Argumenten van partijen
91 Wat de vierde reden betreft, inzake de kredietbrieven voor rekening van de onderneming Mesbah Energy Company, voert de Raad aan dat het Gerecht niet naar behoren rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de activiteiten clandestien zijn, en het bewijs dus afkomstig is van vertrouwelijke bronnen en niet steeds kan worden meegedeeld. Hij wijst ook op het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en de instellingen en het beginsel van loyale samenwerking. Voorts stelt de Raad dat er volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geen absoluut recht op openbaarmaking van bewijs bestaat. Indien dit beginsel geldt voor strafrechtelijke vervolgingen, is het a fortiori van toepassing op de betrokken beperkende maatregelen, die conservatoire maatregelen zijn.
92 Wat de derde reden betreft, inzake de verwerking in maart 2009 van kredietbrieven van DIO, die is opgenomen op de lijst van resolutie 1737 (2006), en IEI, die is opgenomen op de lijst van besluit 2008/475, merkt de Raad op dat Bank Saderat Iran het bestaan daarvan niet heeft ontkend, maar heeft betoogd dat het gebruikelijke bankwerkzaamheden betrof in het kader van kredieten voor export. Ondersteund door het Verenigd Koninkrijk stelt de Raad dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat hij gedetailleerde inlichtingen betreffende die kredietbrieven had moeten verstrekken. Hij is van mening dat de verwerking van die brieven op zich voldoende is om de beperkende maatregelen jegens Bank Saderat Iran te rechtvaardigen. Dienaangaande brengt hij in herinnering dat meerdere bepalingen, zoals artikel 1, lid 4, en artikel 15, lid 1, van besluit 2010/413, artikel 4 van verordening nr. 267/2012, punt 7 van resolutie 1737 (2006) van de Veiligheidsraad en punt 5 van resolutie 1747 (2007) van de Veiligheidsraad, uitvoer vanuit Iran verbieden, en meer bepaald de aankoop van Iran of het vervoer vanuit Iran van proliferatiegevoelige materialen – ook voor andere landen – en wapens en wapensystemen, zodat het onjuist is aan te nemen dat kredietbrieven die uitvoer door DIO en IEI mogelijk maken, geen enkel verband hebben met de nucleaire activiteiten van de Islamitische Republiek Iran. De Raad stelt dat het Gerecht – in strijd met zijn eigen rechtspraak (zie in die zin arrest People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad, T‑256/07, EU:T:2008:461, punt 138) – ten onrechte zijn eigen opportuniteitsbeoordeling in de plaats van die van de Raad heeft gesteld wat betreft de feiten die een bevriezing van tegoeden als conservatoire maatregel rechtvaardigen.
93 Het Verenigd Koninkrijk benadrukt dat Bank Saderat Iran een zeer belangrijke Iraanse bank is, die in Iran een centrale positie inneemt die haar in staat stelt steun te verlenen aan proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten. Zij staat grotendeels onder toezicht van de Iraanse regering en de vrees bestaat dat zij gezien haar positie steun in die zin kan verlenen. Dit rechtvaardigde volgens deze lidstaat conservatoire maatregelen, gelet op de legitieme en belangrijke doelstelling om druk uit te oefenen op Iran opdat deze staat haar proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten beëindigt, ter handhaving van de vrede en veiligheid. Beslissingen van die aard behoren tot de beoordelingsbevoegdheid van de Raad.
94 De Commissie stelt dat de activiteiten van Bank Saderat Iran in een breder perspectief moeten worden beschouwd en niet mogen worden onderzocht als uit de context gehaalde, individuele transacties. Zij herinnert eraan dat de Veiligheidsraad voornemens was Bank Saderat Iran op de lijst te plaatsen.
95 Banken worden op de lijsten geplaatst omdat Iran een beroep moet doen op bankdiensten voor de invoer van uranium, technologie en andere materialen. Volgens de Commissie hangt de uitsluiting van een bank zoals Bank Saderat Iran van een van de voornaamste financiële markten waar dit soort transacties plaatsvindt, logisch samen met de doelstelling van de internationale gemeenschap om de ontwikkeling en proliferatie van nucleaire wapens te voorkomen. De Raad kan niet worden verplicht te bewijzen dat de diensten en transacties die specifiek aan de orde zijn „rechtstreeks” verband hielden met nucleaire proliferatie, zoals het Gerecht lijkt te verlangen. Het volstaat dat de entiteit die op de lijst moet worden geplaatst, diensten verleent aan derden van wie bekend is, zoals in casu van DIO en IEI, dat zij deelnemen aan de nucleaire proliferatie.
96 Bank Saderat Iran betwist de argumenten van de Raad, de Commissie en het Verenigd Koninkrijk.
Beoordeling door het Hof
97 Het betoog van de Raad heeft enkel betrekking op de beoordeling door het Gerecht van de gegrondheid van de derde en de vierde reden.
98 Wat de elementen betreft die in aanmerking zijn genomen om de plaatsing van Bank Saderat Iran op die lijsten te rechtvaardigen en het bewijs van de gegrondheid van die plaatsing, zij eraan herinnerd dat de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie met name vereist dat de Unierechter zich ervan vergewist dat het besluit, dat een individuele strekking heeft voor de betrokken persoon of de betrokken entiteit, berust op een voldoende solide feitelijke grondslag. Dit betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van de redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, zijn gestaafd (zie in die zin arresten Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119; Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, EU:C:2013:775, punt 64; Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 73; Anbouba/Raad, C‑605/13 P, EU:C:2015:248, punt 45; Anbouba/Raad, C‑630/13 P, EU:C:2015:247, punt 46; Ipatau/Raad, C‑535/14 P, EU:C:2015:407, punt 42, en Raad/Bank Mellat, C‑176/13 P, EU:C:2016:96, punt 109).
99 De Unierechter moet dus voor dat onderzoek in voorkomend geval de bevoegde autoriteit van de Unie verzoeken om overlegging van voor een dergelijk onderzoek relevante informatie en bewijzen, vertrouwelijk of niet (zie arresten Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 120; Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, EU:C:2013:775, punt 65, en Raad/Bank Mellat, C‑176/13 P, EU:C:2016:96, punt 110).
100 Indien de bevoegde autoriteit van de Unie niet aan het verzoek van de Unierechter kan voldoen, moet deze laatste zich baseren op de elementen die hem zijn meegedeeld (zie arresten Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 123; Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, EU:C:2013:775, punt 68, en Raad/Bank Mellat, C‑176/13 P, EU:C:2016:96, punt 111).
101 Wat de vierde reden betreft, inzake Mesbah Energy Company, betwist de Raad niet dat hij geen bewijs heeft overgelegd, zoals het Gerecht in punt 109 van het bestreden arrest heeft vastgesteld. Hij stelt daarentegen dat het bewijs van de steun van Bank Saderat Iran aan de nucleaire activiteiten van de Islamitische Republiek Iran afkomstig is van vertrouwelijke bronnen, die bij openbaarmaking ervan tot identificatie van de personen die het bewijs hebben verstrekt, zou kunnen leiden, wat met name het leven en de veiligheid van die personen in gevaar brengt.
102 In dit verband zij vastgesteld dat dit argument voor het eerst in hogere voorziening is aangevoerd. Volgens vaste rechtspraak zou een partij, wanneer zij een middel en argumenten die zij voor het Gerecht niet heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof zou mogen aanvoeren, in feite bij het Hof – dat een beperkte bevoegdheid in hogere voorziening heeft – een geschil aanhangig mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof bijgevolg enkel bevoegd om te oordelen over de beslissing rechtens die is gegeven ten aanzien van de middelen en argumenten die voor de rechter in eerste aanleg zijn aangevoerd (arrest Zweden e.a./API en Commissie, C‑514/07 P, C‑528/07 P en C‑532/07 P, EU:C:2010:541, punt 126en aldaar aangehaalde rechtspraak).
103 Het argument betreffende de vertrouwelijkheid van het bewijs is bijgevolg niet-ontvankelijk.
104 Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting in punt 109 van het bestreden arrest geoordeeld dat de vierde reden geen grond oplevert voor de vaststelling van beperkende maatregelen jegens Bank Saderat Iran.
105 Wat de derde reden betreft, heeft het Gerecht geoordeeld dat het bij ontbreken van gedetailleerde inlichtingen over de kredietbrieven die Bank Saderat Iran voor DIO en IEI heeft verwerkt, de gegrondheid van de argumenten van Bank Saderat Iran niet kon nagaan. De argumenten die de Raad, de Commissie en het Verenigd Koninkrijk baseren op artikel 1, lid 4, en artikel 15, lid 1, van besluit 2010/413, artikel 4 van verordening nr. 267/2012 en de punten 5, 7 en 14 van de resoluties 1737 (2006), 1747 (2007) en 1929 (2010) van de Veiligheidsraad, om aan te tonen dat de verwerking door Bank Saderat Iran van de kredietbrieven voor export van DIO en IEI op zich steun vormt aan de proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van de Islamitische Republiek Iran, moeten worden afgewezen. De Raad heeft bij het Gerecht geen bewijs overgelegd om aan te tonen dat die kredietbrieven betrekking hadden op goederen waarvan de uitvoer vanuit Iran verboden was op grond van de bepalingen van de voornoemde handelingen en resoluties, zodat hij niet heeft aangetoond dat de door Bank Saderat Iran aan DIO en IEI verleende diensten steun in die zin vormden. Het Gerecht heeft dus zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting in punt 116 van het bestreden arrest geoordeeld dat het tweede middel moest worden aanvaard.
106 Bijgevolg moet het betoog van de Raad betreffende de beoordeling door het Gerecht van de gegrondheid van de vierde en de derde reden worden afgewezen.
Resultaat van het onderzoek van de principale hogere voorziening
107 Uit het onderzoek van de hogere voorziening blijkt dat het Gerecht in zijn redenering blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, door de conclusie in punt 100 van het bestreden arrest dat de Raad bij de vaststelling van besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010 de verplichting om de relevantie en gegrondheid van de aan hem verstrekte inlichtingen en bewijzen over Bank Saderat Iran te onderzoeken, niet heeft nageleefd. Evenwel moet worden nagegaan of het dictum van dat arrest kan worden gehandhaafd op basis van de motieven van het arrest waarin geen blijk wordt gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
108 Blijkens het bestreden arrest heeft het Gerecht de litigieuze handelingen nietig verklaard op grond van een combinatie van verschillende motieven.
109 Hoewel het Gerecht in punt 100 van het bestreden arrest dus ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebrek in de beslissing van de Raad de nietigverklaring van besluit 2010/413 en uitvoeringsverordening nr. 668/2010 rechtvaardigde wat Bank Saderat Iran betrof, heeft het in punt 102 van het bestreden arrest diezelfde handelingen echter nietig verklaard wegens andere gebreken ten aanzien waarvan het Hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft vastgesteld. Het in punt 100 van het bestreden arrest vastgestelde gebrek heeft bijgevolg geen weerslag op het dictum van dat arrest.
110 Uit een en ander volgt dat de principale hogere voorziening moet worden afgewezen.
Incidentele hogere voorziening
111 Ter ondersteuning van haar incidentele hogere voorziening voert Bank Saderat Iran twee middelen aan. Volgens het eerste middel zijn de litigieuze handelingen ongegrond. Het tweede middel betreft de werking in de tijd van het bestreden arrest.
Eerste middel, betreffende de ongegrondheid van de litigieuze handelingen
Argumenten van partijen
112 Met haar eerste middel betoogt Bank Saderat Iran dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 95 van het bestreden arrest ten onrechte te veronderstellen dat de gegevens waarover de Raad beschikte bewijs in rechte vormden waarvan de Raad de relevantie en gegrondheid kon nagaan. Het dossier bevatte namelijk geen enkel bewijs, zodat een onderzoek van bewijs per definitie onmogelijk was. Het Gerecht had de oorspronkelijke handelingen en de daaropvolgende handelingen louter op die grond nietig moeten verklaren.
113 Volgens de Raad is het eerste middel ongegrond.
Beoordeling door het Hof
114 Wat het eerste middel betreft, kan overeenkomstig artikel 169, lid 1, en artikel 178, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof een principale of incidentele hogere voorziening slechts strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht.
115 In casu heeft Bank Saderat Iran bij het Gerecht de nietigverklaring van de betrokken plaatsingen op de lijsten verkregen overeenkomstig de vorderingen van haar beroep. Het eerste middel van haar incidentele hogere voorziening strekt in feite enkel tot vervanging van de motivering, die niet kan leiden tot vernietiging van de beslissing van het Gerecht, zelfs geen gedeeltelijke. Het eerste middel van de incidentele hogere voorziening is bijgevolg niet-ontvankelijk.
Tweede middel, betreffende de werking in de tijd van het bestreden arrest
Argumenten van partijen
116 Met haar tweede middel stelt Bank Saderat Iran dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 121 tot en met 124 van het bestreden arrest te oordelen dat artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie van toepassing was op de litigieuze handelingen in de vorm van een verordening. Volgens haar mag een individuele plaatsing op een lijst die, zoals in casu, een individueel besluit in de vorm van een verordening is, niet worden beschouwd als een deel van een verordening in de zin van artikel 60, tweede alinea, van dit Statuut. De nietigverklaring van de plaatsing van Bank Saderat Iran op de lijsten in de litigieuze handelingen had bijgevolg onmiddellijk moeten ingaan. In dit verband verwijst zij naar de rechtspraak over antidumpingverordeningen en de omstandigheid dat de personen en entiteiten individueel op de hoogte worden gebracht van plaatsing op een lijst.
117 Volgens de Raad en de Commissie is het tweede middel ongegrond.
Beoordeling door het Hof
118 Volgens artikel 60, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft het verzoek om hogere voorziening geen opschortende werking. In de tweede alinea van dit artikel is evenwel bepaald dat in afwijking van artikel 280 VWEU beslissingen van het Gerecht waarbij een verordening nietig is verklaard, eerst in werking treden na afloop van de termijn waarbinnen een verzoek om hogere voorziening kan worden ingediend of, indien binnen deze termijn een verzoek om hogere voorziening is ingediend, nadat dit verzoek is verworpen.
119 Zoals het Hof heeft geoordeeld vertonen verordeningen waarbij de bevriezing van tegoeden van op een lijst geplaatste personen en entiteiten wordt opgelegd zowel verwantschap met handelingen van algemene strekking, voor zover zij het een categorie van bepaalde adressaten algemeen en abstract verbieden om met name tegoeden en financiële middelen ter beschikking te stellen van de personen en entiteiten die met naam worden genoemd op de lijsten in de bijlagen daarbij, als met een bundel van individuele besluiten ten aanzien van deze personen en entiteiten (zie in die zin arresten Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punten 241‑244, en Gbagbo e.a./Raad, C‑478/11 P–C‑482/11 P, EU:C:2013:258, punt 56).
120 De individuele aard van deze handelingen maakt voor natuurlijke personen en rechtspersonen de weg vrij naar de Unierechter overeenkomstig de artikelen 275, tweede alinea, VWEU en 263, vierde alinea, VWEU (arrest Gbagbo e.a./Raad, C‑478/11 P–C‑482/11 P, EU:C:2013:258, punt 57). De omstandigheid dat de personen en entiteiten die aan de bij de litigieuze verordening opgelegde beperkende maatregelen zijn onderworpen, met naam worden genoemd, waardoor zij rechtstreeks en individueel lijken te worden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, impliceert echter niet dat deze handeling geen algemene strekking heeft in de zin van artikel 288, tweede alinea, VWEU en niet als een „verordening” kan worden gekwalificeerd (arrest Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 241).
121 In casu heeft verordening nr. 267/2012, bijlage IX daarbij inbegrepen, zoals het Gerecht in punt 123 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, de aard van een verordening, aangezien artikel 51, tweede alinea, ervan, bepaalt dat deze in al haar onderdelen verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat, hetgeen overeenstemt met de gevolgen van een verordening zoals bepaald in artikel 288 VWEU.
122 Het Gerecht heeft derhalve zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting in punt 124 van het bestreden arrest geoordeeld dat artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie in casu van toepassing is.
123 Bijgevolg dient de incidentele hogere voorziening te worden afgewezen.
Kosten
124 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof, wanneer de hogere voorziening ongegrond is, over de kosten.
125 Artikel 138 van dat Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dit reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt in lid 1 ervan dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, voor zover dit is gevorderd.
126 Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld in de principale hogere voorziening, moet hij overeenkomstig de vordering van Bank Saderat Iran worden verwezen in zijn eigen kosten en die van Bank Saderat Iran in beide instanties.
127 Aangezien Bank Saderat Iran in het ongelijk is gesteld in de incidentele hogere voorziening, dient zij overeenkomstig de vordering van de Raad te worden verwezen in haar eigen kosten betreffende de incidentele hogere voorziening en die van de Raad.
128 Artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt dat de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten dragen.
129 Het Verenigd Koninkrijk en de Commissie dragen hun eigen kosten in beide instanties.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) De incidentele hogere voorziening wordt afgewezen.
3) De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten en die van Bank Saderat Iran in beide instanties, met uitzondering van de kosten betreffende de incidentele hogere voorziening.
4) Bank Saderat Iran draagt haar eigen kosten betreffende de incidentele hogere voorziening en de kosten van de Raad van de Europese Unie betreffende de incidentele hogere voorziening.
5) Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten in beide instanties.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 18 februari 2016, C-176/13, ECLI:EU:C:2016:96
- HvJ EU 18 juni 2015, C-535/14, ECLI:EU:C:2015:407
- HvJ EU 21 april 2015, C-630/13, ECLI:EU:C:2015:247
- HvJ EU 21 april 2015, C-605/13, ECLI:EU:C:2015:248
- HvJ EU 28 november 2013, C-280/12, ECLI:EU:C:2013:775
- HvJ EU 28 november 2013, C-348/12, ECLI:EU:C:2013:776
- HvJ EU 18 juli 2013, C-584/10, ECLI:EU:C:2013:518
- HvJ EU 23 april 2013, C-478/11, ECLI:EU:C:2013:258
- HvJ EU 15 november 2012, C-417/11, ECLI:EU:C:2012:718
- HvJ EU 21 september 2010, C-514/07, ECLI:EU:C:2010:541
- Gerecht EU 14 oktober 2009, T-390/08, ECLI:EU:T:2009:401
- Gerecht EU 23 oktober 2008, T-256/07, ECLI:EU:T:2008:461
- HvJ EU 3 september 2008, C-402/05, ECLI:EU:C:2008:461
- HvJ EU 16 mei 2002, C-482/99, ECLI:EU:C:2002:294
Aangehaald in
- HvJ EU 26 juli 2017, C-599/14, ECLI:EU:C:2017:583
- Gerecht EU 21 februari 2018, T-731/15, ECLI:EU:T:2018:90
- Gerecht EU 21 april 2021, T-322/19, ECLI:EU:T:2021:206
- Gerecht EU 3 februari 2021, T-258/20, ECLI:EU:T:2021:52
- Gerecht EU 28 oktober 2020, T-151/18, ECLI:EU:T:2020:514
- Gerecht EU 4 september 2019, T-308/18, ECLI:EU:T:2019:557
- Gerecht EU 18 oktober 2016, T-418/14, ECLI:EU:T:2016:619