HvJ EU 24 juni 2015, C-549/12, ECLI:EU:C:2015:412

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

24 juni 2015 ( *1 )

„Hogere voorziening — Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) — Vermindering van de financiële bijstand — Methode van berekening door extrapolatie — Procedure voor de vaststelling van het besluit door de Europese Commissie — Niet‑inachtneming van de gestelde termijn — Gevolgen”

In de gevoegde zaken C‑549/12 P en C‑54/13 P,

betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 29 november 2012 respectievelijk 31 januari 2013,

Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door T. Henze als gemachtigde, bijgestaan door U. Karpenstein, C. Johann, C. von Donat en J. Lipinsky, Rechtsanwälte,

rekwirante,

ondersteund door:

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. Rubio González als gemachtigde,

Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues, D. Colas en N. Rouam als gemachtigden,

Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. Bulterman en B. Koopman als gemachtigden (C‑54/13 P),

interveniënten in eerste aanleg,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Conte en A. Steiblytė als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, S. Rodin, A. Borg Barthet, E. Levits (rapporteur) en M. Berger, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: K. Malacek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 januari 2014,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 april 2014,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorzieningen verzoekt de Bondsrepubliek Duitsland om vernietiging van de arresten van het Gerecht van de Europese Unie Duitsland/Commissie (T‑265/08, EU:T:2012:434) en Duitsland/Commissie (T‑270/08, EU:T:2012:612) (hierna samen: „bestreden arresten”), waarbij zijn afgewezen haar verzoeken tot nietigverklaring van beschikking C(2008) 1690 definitief van de Commissie van 30 april 2008 inzake de vermindering van de bijdrage van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) voor een operationeel programma in de onder doelstelling 1 vallende regio Land Thüringen (Duitsland) (1994‑1999), overeenkomstig beschikking C(94) 1939/5 van de Commissie van 5 augustus 1994 (hierna: „beschikking inzake de deelstaat Thüringen”), respectievelijk beschikking C(2008) 1615 definitief van de Commissie van 29 april 2008 inzake de vermindering van de bijdrage van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) voor een operationeel programma in de onder doelstelling 1 vallende regio Oost-Berlijn (Duitsland) (1994‑1999), overeenkomstig beschikking C(94) 1973 van de Commissie van 5 augustus 1994 (hierna: „beschikking inzake Oost‑Berlijn”).

Toepasselijke bepalingen

2 Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) is opgericht bij verordening (EEG) nr. 724/75 van de Raad van 18 maart 1975 (PB L 73, blz. 1, met rectificatie in PB 1975, L 110, blz. 44), herhaaldelijk gewijzigd en vervolgens met ingang van 1 januari 1985 vervangen door verordening (EEG) nr. 1787/84 van de Raad van 19 juni 1984 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (PB L 169, blz. 1).

3 In 1988 is het stelsel van de structuurfondsen hervormd bij verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PB L 185, blz. 9).

4 Verordening nr. 2052/88 is op 1 januari 1989 in werking getreden en moest binnen een termijn die op 31 december 1993 verstreek, op voorstel van de Commissie van de Europese Gemeenschappen door de Raad aan een heronderzoek worden onderworpen.

5 Bijgevolg is die verordening gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2081/93 van de Raad van 20 juli 1993 (PB L 193, blz. 5), die zelf vóór 31 december 1999 opnieuw moest worden bezien.

6 Bij die verordeningen zijn de structuurfondsen [Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGL), afdeling „Oriëntatie”, Europees Sociaal Fonds (ESF) en EFRO] ingesteld, die bedoeld zijn om de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Europese Unie ongedaan te maken, met name door de ontwikkeling en de structurele aanpassing van regio’s met een ontwikkelingsachterstand te bevorderen („doelstelling 1”) en regio’s, grensregio’s of deelregio’s (met inbegrip van werkgelegenheidsgebieden en stedelijke gemeenschappen) die zwaar door de achteruitgang van de industrie worden getroffen, om te schakelen („doelstelling 2”).

7 Artikel 7 van verordening nr. 2052/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2081/93 (hierna: „verordening nr. 2052/88”), met als opschrift „Verenigbaarheid en controle”, bepaalt in lid 1: „De acties die door de Structuurfondsen, de [Europese Investeringsbank (EIB)] of een ander bestaand financieringsinstrument worden gefinancierd, moeten in overeenstemming zijn met de Verdragen en de op grond van de Verdragen vastgestelde besluiten, met het beleid van de Gemeenschap, inclusief het beleid inzake mededingingsregels, overheidsopdrachten en milieubescherming, alsmede met de toepassing van het beginsel van gelijke kansen voor mannen en vrouwen.”

8 Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB L 374, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2082/93 van de Raad van 20 juli 1993 (PB L 193, blz. 20; hierna: „verordening nr. 4253/88”), bepaalt in artikel 23, met als opschrift „Financiële controle”: „1. Teneinde de acties van de particuliere of publiekrechtelijke projectontwikkelaars te doen slagen, nemen de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de acties de nodige maatregelen om: — regelmatig te verifiëren dat de door de Gemeenschap gefinancierde maatregelen stipt zijn uitgevoerd, — onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen, — door misbruik of nalatigheid verloren middelen te recupereren. Behalve indien de lidstaat en/of de bemiddelende instantie en/of de projectontwikkelaar het bewijs levert/leveren dat het misbruik of de nalatigheid hem/hun niet kan worden aangerekend, is de lidstaat subsidiair aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen. [...] De lidstaten houden de Commissie op de hoogte van de daartoe genomen maatregelen en verstrekken haar met name een beschrijving van de controle- en beheerssystemen die zijn opgezet om te zorgen voor een doeltreffende uitvoering van de acties. Zij houden de Commissie regelmatig op de hoogte van het verloop van de administratieve en gerechtelijke procedures. [...] 2. Onverminderd de controles van de lidstaten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en onverminderd het bepaalde in artikel 206 van het [EEG-]Verdrag en alle inspecties op grond van artikel 209, onder c), van het Verdrag, mogen ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie de door de Structuurfondsen gefinancierde acties, alsook de beheers- en controlesystemen, ter plaatse controleren, onder meer door middel van steekproeven. [...] 3. Gedurende drie jaren na de laatste betaling voor een actie houden de verantwoordelijke instantie en de verantwoordelijke autoriteiten alle bewijsstukken van de met de actie gemoeide uitgaven en controles ter beschikking van de Commissie.”

9 Artikel 24 van verordening nr. 4253/88, met als opschrift „Vermindering, opschorting en intrekking van de bijstand”, bepaalt: „1. Indien het bedrag van de toegekende financiële bijstand door de stand van de uitvoering van een actie of maatregel noch gedeeltelijk, noch geheel lijkt te worden gerechtvaardigd, gaat de Commissie in het kader van het partnerschap over tot een passend onderzoek van het geval, waarbij zij met name aan de lidstaat of aan de autoriteiten die door de lidstaat voor de tenuitvoerlegging van de actie zijn aangewezen, vraagt om haar binnen een bepaalde termijn hun opmerkingen mee te delen. 2. Na dit onderzoek kan de Commissie de bijstand voor de betrokken actie of maatregel verminderen of schorsen indien het onderzoek een onregelmatigheid bevestigt of een belangrijke wijziging die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de actie of maatregel en waarvoor niet om haar goedkeuring is verzocht. [...]”

10 Ingevolge artikel 11 van verordening (EEG) nr. 4254/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen voor verordening nr. 2052/88 met betrekking tot het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (PB L 374, blz. 15), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2083/93 van de Raad van 20 juli 1993 (PB L 193, blz. 34), met als opschrift „Compatibiliteitscontrole”, „[...] verstrekken de lidstaten de Commissie [in de passende gevallen] volgens de respectieve bijzondere procedures van de diverse beleidssectoren, de gegevens betreffende de naleving van het bepaalde in artikel 7, lid 1, van verordening [...] nr. 2052/88”.

11 Na raadpleging van het Raadgevend Comité voor de ontwikkeling en omschakeling van de regio’s en het comité bedoeld in artikel 147 van het EG‑Verdrag en onder verwijzing naar artikel 23 van verordening nr. 4253/88, heeft de Commissie verschillende toepassingsverordeningen vastgesteld, waaronder verordening (EG) nr. 2064/97 van 15 oktober 1997 tot vaststelling van de voorwaarden ter uitvoering van verordening nr. 4253/88 wat de financiële controle door de lidstaten op door de Structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen betreft (PB L 290, blz. 1).

12 Artikel 8 van verordening nr. 2064/97 bepaalt: „1. Uiterlijk op het tijdstip waarop het verzoek om betaling van het eindsaldo en de laatste uitgavenaangifte voor elke vorm van bijstandsverlening worden ingediend, doen de lidstaten de Commissie een door een van de uitvoerende dienst onafhankelijke persoon of instantie opgestelde verklaring toekomen [...]. In deze verklaring worden de bevindingen van de in de afgelopen jaren verrichte controleonderzoeken samengevat en wordt een algemene conclusie getrokken inzake de deugdelijkheid van het verzoek om betaling van het eindsaldo en inzake de rechtmatigheid en de regelmatigheid van de verrichtingen waarop de laatste uitgavenaangifte betrekking heeft. 2. Indien het wegens het bestaan van belangrijke tekortkomingen in het beheer of de controle, of wegens de hoge frequentie van de onregelmatigheden niet mogelijk is over de deugdelijkheid van het verzoek om betaling van het eindsaldo en de laatste uitgavenaangifte een gunstig algemeen oordeel uit te brengen, wordt zulks in de verklaring gemeld en worden daarin de omvang van het probleem en de financiële gevolgen ervan geraamd. De Commissie kan in een dergelijk geval met het oog op de identificering van onregelmatigheden en de correctie ervan binnen een bepaalde termijn, verzoeken een aanvullende controle uit te voeren.”

13 Voorts heeft de Commissie op 15 oktober 1997 interne richtsnoeren betreffende de netto financiële correcties in het kader van artikel 24 van verordening nr. 4253/88 vastgesteld. In de punten 5 en 6 van die interne richtsnoeren wijst de Commissie erop dat, in afwijking van de regel dat elke netto financiële correctie enkel betrekking heeft op de ontdekte onregelmatigheid of onregelmatigheden, echter in een grotere financiële correctie wordt voorzien ingeval zij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de onregelmatigheid een systemisch karakter vertoont, dat wil zeggen op een systemische tekortkoming in het beheer, de controle of de audit wijst die waarschijnlijk in een reeks gelijkaardige gevallen kan worden aangetroffen. De Commissie verricht een dergelijke financiële correctie door extrapolatie, dat wil zeggen dat zij rekening houdt met het niveau en de specifieke aard van het administratieve systeem waarbij de tekortkoming is vastgesteld alsmede met de waarschijnlijke omvang van het misbruik waartoe de tekortkoming heeft geleid.

14 De verordeningen nr. 2052/88 en nr. 4253/88 zijn met ingang van 1 januari 2000 ingetrokken bij verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (PB L 161, blz. 1).

15 Volgens artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1260/1999 is die verordening van toepassing op het EFRO, het ESF, de afdeling „Oriëntatie” van het EOGFL en het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV).

16 Artikel 39 van die verordening, met als opschrift „Financiële correcties”, bepaalt: „1. De lidstaten zijn in eerste instantie belast met het onderzoek naar onregelmatigheden en laten zich daarbij leiden door de vaststelling van elke belangrijke wijziging die de aard of de voorwaarden van de uitvoering of de controle van een bijstandspakket beïnvloedt, en het verrichten van de nodige financiële correcties. De lidstaat verricht de financiële correcties die in verband met de eenmalige of systematische onregelmatigheid geboden zijn. De door de lidstaat verrichte correcties behelzen een gehele of gedeeltelijke intrekking van de communautaire bijdrage. De aldus vrijgekomen communautaire middelen kunnen door de lidstaat ten behoeve van het betrokken bijstandspakket worden hergebruikt, met inachtneming van de overeenkomstig artikel 53, lid 2, vast te stellen voorwaarden. 2. Indien de Commissie na de nodige verificatie constateert: a) dat een lidstaat zijn verplichtingen uit hoofde van lid 1 niet is nagekomen, of b) dat om redenen die met een geheel bijstandspakket of een deel ervan verband houden, de bijdrage van de fondsen niet of slechts voor een deel gerechtvaardigd is, of c) dat er sprake is van ernstige tekortkomingen in de beheers- en controlesystemen die tot onregelmatigheden met een systematisch karakter kunnen leiden, schorst de Commissie de betrokken tussentijdse betalingen en verzoekt zij de lidstaat, onder opgave van haar redenen, binnen een bepaalde termijn zijn opmerkingen kenbaar te maken en, voor zover nodig, correcties aan te brengen. Indien de lidstaat bezwaar maakt tegen de opmerkingen van de Commissie, wordt de lidstaat door de Commissie gehoord en trachten beide partijen middels samenwerking op grond van het partnerschap overeenstemming te bereiken over de opmerkingen en de daaruit te trekken conclusies. 3. Na afloop van de door de Commissie gestelde termijn kan de Commissie wanneer geen overeenstemming is bereikt en de lidstaat geen correcties heeft aangebracht, rekening houdend met de opmerkingen van de lidstaat, binnen een termijn van drie maanden besluiten: a) het [...] voorschot te verminderen, of b) de vereiste financiële correcties te verrichten door de bijdrage van de fondsen aan het betrokken bijstandspakket geheel of gedeeltelijk in te trekken. De Commissie houdt bij het vaststellen van het bedrag van een correctie, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, rekening met de aard van de onregelmatigheid of de wijziging, alsmede met de omvang en de financiële consequenties van de tekortkomingen die in de beheers- of controlesystemen van de lidstaten zijn geconstateerd. Indien na afloop van de gestelde termijn niet besloten wordt tot de onder a) of b) bedoelde maatregel, komt de opschorting van de tussentijdse betalingen onmiddellijk te vervallen. [...]”

17 Verordening (EG) nr. 1783/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 1999 met betrekking tot het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (PB L 213, blz. 1), waarbij verordening nr. 4254/88 is ingetrokken, bevat geen regels inzake financiële correcties.

18 Artikel 5 van verordening (EG) nr. 448/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de procedure inzake financiële correcties betreffende uit de structuurfondsen toegekende bijstand (PB L 64, blz. 13), luidt: „1. De termijn waarbinnen de betrokken lidstaat kan reageren op een verzoek overeenkomstig artikel 39, lid 2, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 1260/1999 om opmerkingen kenbaar te maken, en voor zover nodig correcties toe te passen, bedraagt twee maanden, uitgezonderd naar behoren gemotiveerde gevallen waarin door de Commissie een langere periode kan worden toegestaan. 2. Wanneer de Commissie een financiële correctie voorstelt op basis van extrapolatie of tegen een forfaitair percentage, wordt de lidstaat in de gelegenheid gesteld door middel van een onderzoek van de betrokken dossiers aan te tonen dat de werkelijke omvang van de onregelmatigheden kleiner was dan door de Commissie ingeschat. In overeenstemming met de Commissie mag de lidstaat de omvang van zijn onderzoek beperken tot een passend gedeelte of een passende steekproef van de betrokken dossiers. De voor dit onderzoek toegestane aanvullende periode kan niet meer bedragen dan twee maanden volgend op de periode van twee maanden bedoeld in lid 1, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen. De resultaten van een dergelijk onderzoek worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 39, lid 2, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 1260/1999. De Commissie houdt rekening met alle door de lidstaat binnen de termijnen verstrekte bewijsmateriaal. 3. Wanneer de lidstaat de door de Commissie gemaakte opmerkingen betwist en er een hoorzitting plaatsvindt op grond van artikel 39, lid 2, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 1260/1999, gaat de periode van drie maanden, waarbinnen de Commissie op grond van artikel 39, lid 3, van genoemde verordening een beslissing neemt in op de datum van de hoorzitting.”

19 Verordening nr. 1260/1999, die vóór 31 december 2006 door de Raad opnieuw moest worden bezien, is ingetrokken bij verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (PB L 210, blz. 25), die volgens artikel 1, eerste alinea, op die fondsen van toepassing is, onverminderd de specifieke bepalingen die in de verordeningen betreffende ieder van die fondsen zijn vastgesteld.

20 Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en tot intrekking van verordening nr. 1783/1999 (PB L 210, blz. 1) bevat geen bepalingen over de procedure inzake financiële correcties waartoe de Commissie kan besluiten. Hetzelfde geldt voor verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1083/2006 en van verordening nr. 1080/2006 (PB L 371, blz. 1).

21 Die financiële correcties zijn onderworpen aan in de artikelen 99 tot en met 102 van verordening nr. 1083/2006 neergelegde regels die voor die drie fondsen gelden.

22 Artikel 100 van deze laatste verordening, met als opschrift „Procedure”, luidt: „1. Voordat de Commissie tot een financiële correctie besluit, leidt zij de procedure in door de lidstaat in kennis te stellen van haar voorlopige conclusies en hem te verzoeken binnen twee maanden zijn opmerkingen te doen toekomen. Als de Commissie een geëxtrapoleerde of forfaitaire financiële correctie voorstelt, wordt de lidstaat in de gelegenheid gesteld om, door onderzoek van de betrokken documentatie, aan te tonen dat de werkelijke omvang van de onregelmatigheid geringer is dan de Commissie in haar beoordeling stelt. In overleg met de Commissie mag de lidstaat dit onderzoek beperken tot een passend deel of passende steekproef van de betrokken documentatie. Behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen mag dit onderzoek niet langer duren dan twee maanden na de bovengenoemde periode van twee maanden. 2. De Commissie houdt rekening met alle door de lidstaat binnen de in lid 1 genoemde termijn aangevoerde bewijsstukken. 3. Als de lidstaat de voorlopige conclusies van de Commissie niet aanvaardt, nodigt de Commissie de lidstaat uit tot een hoorzitting, waar beide partijen in een geest van samenwerking in het kader van het partnerschap proberen overeenstemming te bereiken over de opmerkingen en de daaruit te trekken conclusies. 4. In geval van overeenstemming mag de lidstaat de betrokken communautaire middelen opnieuw gebruiken, overeenkomstig artikel 98, lid 2, tweede alinea. 5. Als er geen overeenstemming wordt bereikt, neemt de Commissie uiterlijk zes maanden na de datum van de hoorzitting een besluit over de financiële correctie, rekening houdend met alle informatie en opmerkingen die in de loop van de procedure zijn voorgelegd. Als er geen hoorzitting plaatsvindt, begint de periode van zes maanden twee maanden na de datum van de door de Commissie gezonden uitnodiging daartoe.”

23 Artikel 108 van verordening nr. 1083/2006, met als opschrift „Inwerkingtreding”, bepaalt in de eerste en de tweede alinea: „Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. De artikelen 1 tot en met 16, 25 tot en met 28, 32 tot en met 40, 47 tot en met 49, 52 tot en met 54, 56, 58 tot en met 62, 69 tot en met 74, 103 tot en met 105, en 108 zijn van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening, alleen voor de programma’s voor de periode 2007‑2013. De overige artikelen zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2007.”

24 Verordening nr. 1083/2006 is ingetrokken bij verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (PB L 347, blz. 320), waarvan artikel 145, lid 6, bepaalt dat „[a]ls de Commissie financiële correcties toepast, [...] zij dit [doet] door middel van uitvoeringshandelingen en binnen zes maanden na de datum van de hoorzitting, of als de lidstaat ermee instemt na de hoorzitting aanvullende informatie in te dienen, binnen zes maanden na de datum van ontvangst van die informatie, [dat d]e Commissie [...] rekening [houdt] met alle in de loop van de procedure ingediende informatie en opmerkingen [en dat a]ls er geen hoorzitting plaatsvindt, [...] de termijn van zes maanden twee maanden na de datum van de door de Commissie gezonden uitnodiging voor de hoorzitting [begint]”.

25 Ingevolge artikel 154 van verordening nr. 1303/2013 is artikel 145 van die verordening van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

26 Dat artikel 145 behoort tot deel 4 van verordening nr. 1303/2013, dat de op het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij van toepassing zijnde algemene regels in verband met het beheer en de controle, het financiële beheer, de rekeningen en de financiële correcties bevat.

27 Noch verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling „Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van verordening nr. 1080/2006 (PB L 347, blz. 289) noch gedelegeerde verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van 3 maart 2014 tot aanvulling van verordening nr. 1303/2013 (PB L 138, blz. 5) bevat een bepaling die betrekking heeft op de procedure inzake financiële correcties waartoe de Commissie kan besluiten.

Voorgeschiedenis van de gedingen en beschikkingen inzake de deelstaat Thüringen en inzake Oost‑Berlijn

28 Op 29 juli 1994 heeft de Commissie beschikking 94/628/EG betreffende de vaststelling van het communautaire bestek voor de structurele bijstandsverlening van de Gemeenschap in de onder doelstelling 1 vallende regio’s in Duitsland, namelijk Mecklenburg-Voorpommeren, Brandenburg, Saksen-Anhalt, Saksen, Thüringen en Berlijn (Oost) (PB L 250, blz. 18) vastgesteld. Deze beschikking maakte operationele programma’s in de nieuwe deelstaten en Oost‑Berlijn mogelijk.

29 De aan de onderhavige gedingen ten grondslag liggende feiten, zoals uiteengezet in de bestreden arresten en de beschikkingen inzake de deelstaat Thüringen en inzake Oost‑Berlijn (hierna samen: „litigieuze beschikkingen”), kunnen als volgt worden samengevat.

Zaak C‑549/12 P

30 Bij beschikking C(94) 1939/5 van 5 augustus 1994 heeft de Commissie haar goedkeuring verleend aan het operationeel programma voor de onder doelstelling 1 vallende deelstaat Thüringen in Duitsland (Arinco nr. 94.DE.16.005) (hierna: „bijstandsverlening aan de deelstaat Thüringen”), dat voorzag in een bijdrage uit de structuurfondsen van 1021771000 ECU, verhoogd tot 1086827000 EUR bij beschikking C(99) 5087 van 29 december 1999, met financiering van het EFRO van ten hoogste 1020719000 EUR. Het ministerie van Economie en Vervoer van de deelstaat Thüringen is aangewezen als beheersautoriteit.

31 Voor maatregel 2.1 inzake steun aan productieactiviteiten van midden‑ en kleinbedrijven (mkb’s) heeft beschikking C(99) 5087 het totale uitgavenbedrag vastgesteld op 674104000 EUR en de bijdrage van het EFRO op 337052000 EUR.

32 In 2001 heeft de Commissie de beheers- en controlesystemen in de deelstaat Thüringen systematisch onderzocht op grond van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 4253/88 en artikel 14 van verordening nr. 2064/97.

33 Op 30 januari 2002 heeft de Commissie haar eindverslag over de operationele programma’s voor de deelstaten Thüringen en Saksen‑Anhalt, met aanbevelingen, uitgebracht.

34 Op 24 juni 2002 is de in artikel 8 van verordening nr. 2064/97 bedoelde verklaring door een accountantskantoor opgesteld en aan de Commissie toegezonden.

35 Bij brief van 18 juli 2002 hebben de Duitse autoriteiten een aanvraag voor een eindbetaling ingediend voor de bijstandsverlening aan de deelstaat Thüringen. Op 27 juni 2003 heeft de Commissie die bijstandsverlening afgesloten en de gevraagde eindbetaling verricht.

36 Na de afsluiting van die bijstandsverlening heeft de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen in oktober, november en december 2003 verschillende controlebezoeken uitgevoerd en in 2004 heeft zij de zwakke punten van die bijstandsverlening geanalyseerd in het kader van het onderzoek van de betrouwbaarheidsverklaring voor boekjaar 2003. Ongeveer 28 projecten van maatregel 2.1 zijn beoordeeld.

37 Op 22 juni 2004 heeft de Rekenkamer haar voorlopig controleverslag aan de Duitse autoriteiten gezonden. Bij brieven van 31 augustus en 13 oktober 2004 hebben die autoriteiten aanvullende informatie meegedeeld aan de Rekenkamer.

38 Bij brief van 17 januari 2005 heeft de Rekenkamer haar controleverslag aan de nationale autoriteiten gezonden. In dat verslag is gewezen op het bestaan van eenmalige en systemische onregelmatigheden inzake specifieke verrichtingen, fouten bij de berekening van de maximumbijstand en het ontbreken van bewijsstukken voor bepaalde soorten uitgaven, zoals de algemene kosten of het eigen vermogen. In dat verslag is geconcludeerd tot het bestaan van onregelmatigheden in de beheers- en controlesystemen van de bijstandsverlening aan de deelstaat Thüringen. Het foutenpercentage dat is vastgesteld in de 28 onder maatregel 2.1 vallende projecten bedroeg 31,36 %.

39 Bij brief van 19 oktober 2006 heeft de Commissie de Duitse autoriteiten de eerste resultaten van haar onderzoek van dat controleverslag doen toekomen en hun verzocht haar hun opmerkingen te doen toekomen.

40 Op basis van de analyse van de zwakke punten door de Rekenkamer heeft de Commissie aan de deelstaat Thüringen financiële correcties ten belope van 135 miljoen EUR aangekondigd. Na bilateraal overleg is bepaalde kritiek echter ingetrokken.

41 Bij brief van 5 januari 2007 hebben de Duitse autoriteiten op de brief van de Commissie van 19 oktober 2006 geantwoord dat zij zich verzetten tegen de toepassing van geëxtrapoleerde financiële correcties en hebben zij aanvullende bewijsstukken overgelegd ter staving van de subsidiabiliteit van bepaalde uitgaven.

42 Bij brief van 23 april 2007 heeft de Commissie de Duitse autoriteiten uitgenodigd voor een bilaterale bespreking, die op 8 mei 2007 te Brussel heeft plaatsgevonden. Na de onderhandelingen tijdens die bespreking hebben die autoriteiten zich ertoe verbonden om binnen twee weken na die bespreking aanvullend bewijs van de subsidiabiliteit van bepaalde verrichtingen en uitgavenposten over te leggen. Die informatie is aan de Commissie meegedeeld bij brief van 22 juni 2007.

43 Bij de beschikking inzake de deelstaat Thüringen heeft de Commissie overeenkomstig artikel 24 van verordening nr. 4253/88 de financiële bijstand uit het EFRO aan die deelstaat met 81425825,67 EUR verminderd wegens de in het kader van maatregel 2.1 vastgestelde eenmalige en systemische onregelmatigheden. De Commissie heeft het foutenpercentage geëxtrapoleerd naar die gehele maatregel, uitgaande van een foutenpercentage van 23,88 %. Voor de eenmalige onregelmatigheden heeft zij een bedrag van 1232012,70 EUR berekend en voor de systemische onregelmatigheden een bedrag van 80193812,97 EUR.

Zaak C‑54/13 P

44 Bij beschikking C(94) 1973 van 5 augustus 1994 heeft de Commissie haar goedkeuring verleend aan het operationeel programma voor de onder doelstelling 1 vallende regio Oost‑Berlijn (Arinco nr. 94.DE. 16.006) (hierna: „bijstandsverlening aan Oost‑Berlijn”). Die beschikking voorzag in een bijdrage uit de structuurfondsen van 743112000 ECU, die nadien is verhoogd tot 779154000 EUR, met financiering van het EFRO ten bedrage van 540886000 EUR.

45 Het ministerie van Economische Zaken, Technologie en Vrouwenzaken van de deelstaat Berlijn is aangewezen als beheersautoriteit.

46 Bij brief van 24 maart 2003 hebben de Duitse autoriteiten een aanvraag voor een eindbetaling ingediend voor de bijstandsverlening aan Oost‑Berlijn.

47 Van 16 tot en met 20 februari 2004, van 29 maart tot en met 2 april 2004 en van 7 tot en met 11 maart 2005 hebben de Commissie en een door haar aangesteld extern accountantskantoor verschillende controlebezoeken uitgevoerd in het kader van de afsluitende controles op de door het EFRO medegefinancierde programma’s in de programmeringsperiode 1994‑1999.

48 Bij brieven van 31 mei en 15 december 2005 heeft de Commissie de Duitse autoriteiten haar auditverslag doen toekomen, waarin is gewezen op verschillende systemische onregelmatigheden inzake specifieke verrichtingen, waaronder met name de declaratie van niet-subsidiabele uitgaven, inbreuken op de aanbestedingsregels en het ontbreken van bewijsstukken. Voor de 29 projecten van de bijstandsverlening aan Oost‑Berlijn die daadwerkelijk zijn gecontroleerd, bedroeg het foutenpercentage 7,56 %. Zeven van de 36 geselecteerde projecten konden wegens faillissement niet worden gecontroleerd.

49 Bij brieven van 21 oktober 2005 en 31 maart 2006 hebben de Duitse autoriteiten hun opmerkingen over die bevindingen ingediend en de Commissie aanvullende informatie verstrekt.

50 Bij brief van 26 januari 2007 heeft de Commissie die autoriteiten haar voorlopige conclusies bekendgemaakt.

51 Bij brief van 9 juli 2007 hebben de Duitse autoriteiten zich, op grond dat er geen rechtsgrondslag voor die conclusies is, verzet tegen de toepassing van forfaitaire en geëxtrapoleerde financiële correcties en aanvullend bewijs overgelegd voor de wettigheid van de betrokken uitgaven.

52 Rekening houdend met de verstrekte aanvullende informatie en bewijsstukken zijn de bevindingen met betrekking tot de resultaten van de verrichte audit gewijzigd en bij brief van 30 augustus 2007 aan de Duitse autoriteiten doorgegeven.

53 Op 14 september 2007 heeft te Brussel een bilaterale bespreking plaatsgevonden. Na de onderhandelingen tijdens die bespreking hebben de Duitse autoriteiten zich ertoe verbonden om binnen vier weken na die bespreking aanvullend bewijs van de subsidiabiliteit van bepaalde maatregelen en uitgavenposten over te leggen. Die informatie is aan de Commissie meegedeeld bij brief van 12 oktober 2007. De tijdens dezelfde bespreking behandelde aangelegenheden zijn vermeld in een verslag van 12 november 2007.

54 Bij de beschikking inzake Oost‑Berlijn heeft de Commissie de financiële bijstand uit het EFRO aan Oost‑Berlijn met 12900719,52 EUR, dat wil zeggen met 2,68 %, verminderd. Die instelling is in die beschikking uitgegaan van een foutenpercentage van de 29 gecontroleerde projecten van 3,63 %. Uitgaande van de aan het operationeel programma verstrekte EFRO‑financiering ten belope van 951243399 Duitse mark (DEM) en op basis van de met het softwareprogramma Audit Command Language (ACL) gemaakte berekeningen heeft de Commissie een geëxtrapoleerde financiële correctie van 25516719 DEM toegepast, wat neerkwam op een vermindering met 2,68 % van de financiële bijstand uit het EFRO voor het gehele betrokken programma.

Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arresten

55 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 respectievelijk 8 juli 2008, heeft de Bondsrepubliek Duitsland beroepen tot nietigverklaring van de litigieuze beschikkingen ingesteld.

56 Het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden hebben in beide procedures voor het Gerecht geïntervenieerd aan de zijde van de Bondsrepubliek Duitsland.

57 Ter ondersteuning van haar beroep tegen de beschikking inzake de deelstaat Thüringen heeft de Bondsrepubliek Duitsland vijf middelen aangevoerd. Het eerste en het tweede middel zijn ontleend aan schending van artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88, het derde middel aan het ontbreken van controle ter plaatse door de Commissie, het vierde middel aan schending van het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het samenwerkingsbeginsel, en het vijfde middel aan schending van het evenredigheidsbeginsel.

58 Ter ondersteuning van zijn beroep tegen de beschikking inzake Oost‑Berlijn heeft die lidstaat vijf middelen aangevoerd. Het eerste en het tweede middel zien op schending van artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88, het derde middel op schending van het evenredigheidsbeginsel, het vierde middel op ontoereikende motivering van die beschikking en het vijfde middel op schending van het partnerschapsbeginsel.

59 Bij de bestreden arresten heeft het Gerecht de aangevoerde middelen en de twee beroepen in hun geheel ongegrond verklaard.

Procesverloop voor het Hof

60 Op 29 november 2012 heeft de Bondsrepubliek Duitsland hogere voorziening ingesteld tegen het arrest Duitsland/Commissie (T‑265/08, EU:T:2012:434).

61 Op 15 februari 2013 hebben zowel de Franse Republiek als de Commissie een memorie van antwoord neergelegd en op 20 februari 2013 heeft ook het Koninkrijk Spanje een memorie van antwoord neergelegd.

62 Op 31 januari 2013 heeft de Bondsrepubliek Duitsland hogere voorziening ingesteld tegen het arrest Duitsland/Commissie (T‑270/08, EU:T:2012:612).

63 De Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, de Commissie en het Koninkrijk Spanje hebben een memorie van antwoord neergelegd op respectievelijk 29 maart 2013, 5 april 2013, 9 april 2013 en 12 april 2013.

64 Bij beschikking van de president van het Hof van 10 juli 2013 zijn de zaken C‑549/12 P en C‑54/13 P voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd.

Conclusies van partijen

65 De Bondsrepubliek Duitsland verzoekt het Hof: — de bestreden arresten te vernietigen en de litigieuze beschikkingen nietig te verklaren, en — de Commissie te verwijzen in de kosten.

66 De Franse Republiek verzoekt het Hof de bestreden arresten in hun geheel te vernietigen, de zaken overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie ten gronde af te doen en de litigieuze beschikkingen nietig te verklaren.

67 Het Koninkrijk Spanje verzoekt het Hof: — de hogere voorzieningen toe te wijzen; — de bestreden arresten te vernietigen, en — de Commissie te verwijzen in de kosten.

68 De Commissie verzoekt het Hof om de hogere voorzieningen af te wijzen en de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten.

Hogere voorzieningen

Argumenten van partijen

69 In zaak C‑549/12 P voert de Bondsrepubliek Duitsland twee middelen aan, die beide betrekking hebben op schending van artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88 juncto artikel 1 van verordening nr. 2988/95 en van het in artikel 5, lid 2, VEU en artikel 7 VWEU neergelegde beginsel van bevoegdheidstoedeling.

70 In zaak C‑54/13 P voert de Bondsrepubliek Duitsland vier middelen aan. De eerste drie middelen betreffen schending van artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88 juncto artikel 1 van verordening nr. 2988/95 en van het in artikel 5, lid 2, VEU en artikel 7 VWEU neergelegde beginsel van bevoegdheidstoedeling. Het vierde middel betreft niet‑nakoming van de uit artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht junctis de artikelen 36 en 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie voortvloeiende motiveringsplicht.

71 Met het eerste onderdeel van haar eerste middel in zaak C‑549/12 P en haar eerste middel in zaak C‑54/13 P betoogt de Bondsrepubliek Duitsland dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de bestreden arresten te oordelen dat eenvoudige administratieve fouten van de nationale autoriteiten „onregelmatigheden” vormen, zodat de Commissie op grond van artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88 financiële correcties kan toepassen.

72 Met het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel in zaak C‑549/12 P voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat, ook al kunnen administratieve fouten onregelmatigheden vormen die een financiële correctie rechtvaardigen, het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in het arrest Duitsland/Commissie (T‑265/08, EU:T:2012:434) te oordelen dat schendingen van het nationale recht en fouten zonder gevolgen voor de begroting van de Unie „onregelmatigheden” kunnen vormen die dergelijke correcties rechtvaardigen.

73 Met het eerste onderdeel van haar tweede middel in zaak C‑549/12 P en het eerste onderdeel van haar tweede middel in zaak C‑54/13 P stelt de Bondsrepubliek Duitsland, ondersteund door het Koninkrijk Spanje en de Franse Republiek, dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de bevoegdheid van de Commissie te erkennen om financiële correcties door extrapolatie toe te passen.

74 Met het tweede onderdeel van haar tweede middel in zaak C‑549/12 P betoogt de Bondsrepubliek Duitsland, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, dat, ook al waren dergelijke correcties mogelijk geweest, het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de in de beschikking inzake de deelstaat Thüringen vastgestelde voorschriften voor de uitvoering van die correcties te bekrachtigen, aangezien volgens die lidstaat met betrekking tot een deel van de betrokken projecten geen nadeel voor de begroting van de Unie is vastgesteld en de Commissie een deel van de verweten fouten niet als systemisch had mogen aanmerken.

75 Met het tweede onderdeel van haar tweede middel in zaak C‑54/13 P stelt de Bondsrepubliek Duitsland, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, dat, ook al was de Commissie bevoegd om op grond van artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88 verminderingen door extrapolatie toe te passen, het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de in de beschikking inzake Oost‑Berlijn vastgestelde voorschriften voor de uitvoering van de extrapolatie te bekrachtigen, aangezien de Commissie volgens die lidstaat de vastgestelde fouten ten onrechte heeft aangemerkt als systemische fouten die het gehele betrokken programma aantasten en de berekende foutenmarge niet naar het gehele programma had mogen extrapoleren, en voorts de gebruikte steekproefmethode niet had mogen toepassen om de bijdrage door extrapolatie te verminderen voor het gehele programma. Met het derde onderdeel van haar tweede middel merkt de Bondsrepubliek Duitsland op dat de Commissie, door niet‑representatieve fouten te extrapoleren en forfaitaire correcties toe te passen, de financiële bijstand voor het betrokken operationeel programma op onevenredige wijze heeft verminderd.

76 Met het eerste onderdeel van haar derde middel in zaak C‑54/13 P betoogt de Bondsrepubliek Duitsland dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie bevoegd was om forfaitaire financiële correcties toe te passen. Met het tweede onderdeel van dat middel voert die lidstaat aan dat het Gerecht, ook al was de Commissie bevoegd om forfaitaire financiële correcties toe te passen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door onevenredige forfaitaire correcties toe te staan.

77 Met haar vierde middel in zaak C‑54/13 P voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat aan de hand van de motivering van het arrest Duitsland/Commissie (T‑270/08, EU:T:2012:612) niet kan worden uitgemaakt of het Gerecht haar in het eerste onderdeel van het tweede middel van haar beroep voor het Gerecht aangevoerde argument inzake de onwettigheid van de forfaitaire financiële correcties heeft onderzocht en evenmin waarom het Gerecht dat argument heeft afgewezen.

78 De Commissie is van mening dat die middelen ongegrond zijn en dat de hogere voorzieningen moeten worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

79 Bij de bestreden arresten heeft het Gerecht de door de Bondsrepubliek Duitsland ingestelde beroepen tot nietigverklaring verworpen op grond dat de vijf middelen die ter ondersteuning van ieder van die beroepen waren aangevoerd, ongegrond waren.

80 Daarmee heeft het Gerecht impliciet maar noodzakelijkerwijs de formele regelmatigheid van de litigieuze beschikkingen erkend.

81 Uit de in de punten 56 tot en met 89 en 93 van de arresten Spanje/Commissie (C‑192/13 P, EU:C:2014:2156) en Spanje/Commissie (C‑197/13 P, EU:C:2014:2157) genoemde gronden volgt echter dat de Commissie bij het nemen van een besluit tot het toepassen van een financiële correctie zich sinds 2000 aan een wettelijke termijn dient te houden.

82 Het Hof is van oordeel dat in de huidige stand van het Unierecht er niets is dat afbreuk kan doen aan die rechtspraak en dat die rechtspraak dus van overeenkomstige toepassing is op de onderhavige zaken.

83 Zoals het Hof in punt 94 van zijn arresten Spanje/Commissie (C‑192/13 P, EU:C:2014:2156) en Spanje/Commissie (C‑197/13 P, EU:C:2014:2157) heeft geoordeeld, verschilt de lengte van de termijn waarbinnen de Commissie een besluit kan nemen, per geldende regeling.

84 Blijkens artikel 108, tweede alinea, van verordening nr. 1083/2006 is artikel 100 van die verordening van toepassing sinds 1 januari 2007, ook op programma’s die dateren van vóór de periode 2007‑2013.

85 Volgens artikel 100, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 leidt de Commissie, voordat zij tot een financiële correctie besluit, de procedure in door de lidstaat in kennis te stellen van haar voorlopige conclusies en hem te verzoeken haar binnen twee maanden zijn opmerkingen te doen toekomen. Als de lidstaat de voorlopige conclusies van de Commissie niet aanvaardt, nodigt de Commissie de lidstaat op grond van artikel 100, lid 3, van die verordening uit tot een hoorzitting, waar beide partijen in een geest van samenwerking in het kader van het partnerschap proberen overeenstemming te bereiken over de opmerkingen en de daaruit te trekken conclusies.

86 Volgens artikel 100, lid 5, van verordening nr. 1083/2006 neemt de Commissie uiterlijk zes maanden na de datum van de hoorzitting een besluit over de financiële correctie en begint de periode van zes maanden, als er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, twee maanden na de datum van de door de Commissie gezonden uitnodiging daartoe.

87 Uit die bepalingen volgt dat wanneer de lidstaat de voorlopige conclusies van de Commissie niet aanvaardt, de Commissie die lidstaat tot een hoorzitting moet uitnodigen en die hoorzitting ook moet houden wil de procedure inzake de financiële correctie regelmatig zijn, en dat de datum van die uitnodiging en van die hoorzitting als uitgangspunt dienen voor de berekening van de termijn waarbinnen de Commissie een besluit tot het toepassen van een financiële correctie moet nemen.

88 Uit de aan het Hof overgelegde dossiers blijkt niet dat de Commissie na de mededeling van haar voorlopige conclusies de Bondsrepubliek Duitsland tot een hoorzitting heeft uitgenodigd of dat een hoorzitting heeft plaatsgevonden in de zin van artikel 100, leden 3 en 5, van verordening nr. 1083/2006. Uit die dossiers blijkt daarentegen dat op 8 mei respectievelijk 14 september 2007 te Brussel bilaterale besprekingen hebben plaatsgevonden tussen de Commissie en de vertegenwoordigers van de Bondsrepubliek Duitsland.

89 In dit verband zij eraan herinnerd dat, daar het in casu om besluiten met aanzienlijke gevolgen voor de begroting gaat, het in het belang van zowel de betrokken lidstaat als de Commissie is dat voorzienbaar is wanneer de procedure voor financiële correcties eindigt, hetgeen impliceert dat vooraf een termijn voor het nemen van het eindbesluit wordt vastgelegd. Voorts is het overschrijden van de gestelde termijn voor het nemen van een besluit om een financiële correctie toe te passen, onverenigbaar met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur (arresten Spanje/Commissie, C‑192/13 P, EU:C:2014:2156, punt 88, en Spanje/Commissie, C‑197/13 P, EU:C:2014:2157, punt 88).

90 Bijgevolg kan de Commissie zich niet onttrekken aan haar verplichting om besluiten tot het toepassen van een financiële correctie binnen een vooraf vastgestelde termijn te nemen, door de handelingen die als uitgangspunt dienen voor de berekening van die termijn, niet te verrichten.

91 Ook al konden de bilaterale ontmoetingen die op 8 mei respectievelijk 14 september 2007 hebben plaatsgevonden, voor de berekening van de termijnen waarbinnen de Commissie besluiten tot het toepassen van een financiële correctie moet nemen, worden gelijkgesteld met hoorzittingen in de zin van artikel 100, leden 3 en 5, van verordening nr. 1083/2006, in ieder geval zijn de litigieuze beschikkingen op 30 respectievelijk 29 april 2008 gegeven en heeft de Commissie de in artikel 100, lid 5, van verordening nr. 1083/2006 gestelde termijn niet in acht genomen.

92 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de niet‑inachtneming van de procedureregels voor de vaststelling van een bezwarende handeling – zoals het feit dat de Commissie geen besluit heeft genomen binnen de door de wetgever van de Unie gestelde termijn – een schending van de wezenlijke vormvoorschriften vormt, die de Unierechter ambtshalve aan de orde dient te stellen (zie arresten Spanje/Commissie, C‑192/13 P, EU:C:2014:2156, punt 103; Spanje/Commissie, C‑197/13 P, EU:C:2014:2157, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Spanje/Commissie, C‑429/13 P, EU:C:2014:2310, punt 34).

93 In dit verband zij eraan herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat de Unierechter, afgezien van bijzondere gevallen zoals met name die welke in de reglementen voor de procesvoering van de rechterlijke instanties van de Unie zijn vermeld, zijn beslissing niet kan baseren op een ambtshalve opgeworpen middel, ook al is het van openbare orde, zonder de partijen eerst te hebben verzocht om hun opmerkingen over dat middel kenbaar te maken (zie arresten Commissie/Ierland e.a., C‑89/08 P, EU:C:2009:742, punt 57, en BHIM/National Lottery Commission, C‑530/12 P, EU:C:2014:186, punt 54).

94 In de zaken die hebben geleid tot de arresten Spanje/Commissie (C‑192/13 P, EU:C:2014:2156) en Spanje/Commissie (C‑197/13 P, EU:C:2014:2157), waarin in wezen identieke feitelijke en juridische kwesties aan de orde waren, heeft de Commissie de kwestie van de termijn waarbinnen een besluit tot het toepassen van een financiële correctie moet worden genomen, reeds behandeld. Overigens had het Hof in die zaken de partijen verzocht hun pleidooien op die kwestie toe te spitsen.

95 Bovendien is die rechtspraak sindsdien door het Hof herhaaldelijk bevestigd (zie arresten Spanje/Commissie, C‑429/13 P, EU:C:2014:2310, en Spanje/Commissie, C‑513/13 P, EU:C:2014:2412).

96 Hieruit volgt dat de Commissie voldoende gelegenheid heeft gehad om in een contradictoire procedure middelen en argumenten betreffende de duur van de in artikel 100, lid 5, van verordening nr. 1083/2006 gestelde termijn aan te voeren en voorts dat de rechtspraak van het Hof inzake de aan die bepaling te geven uitlegging als vaste rechtspraak moet worden aangemerkt.

97 Derhalve vormen de onderhavige zaken een bijzonder geval in de zin van de in punt 93 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak en is het niet noodzakelijk om partijen te verzoeken hun opmerkingen over dat middel kenbaar te maken.

98 Bijgevolg moet de conclusie luiden dat de Commissie de litigieuze beschikkingen heeft vastgesteld met voorbijgaan aan de in een verordening van de Raad gestelde wettelijke termijn.

99 Dientengevolge heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door, in plaats van de schending van de wezenlijke vormvoorschriften waardoor de litigieuze beschikkingen zijn aangetast, te bestraffen, de beroepen van de Bondsrepubliek Duitsland te verwerpen.

100 De bestreden arresten moeten derhalve worden vernietigd.

Beroep in eerste aanleg

101 Ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht in geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening. Het Hof kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.

102 In casu beschikt het Hof over de gegevens die noodzakelijk zijn om definitief uitspraak te doen op de door de Bondsrepubliek Duitsland bij het Gerecht ingestelde beroepen tot nietigverklaring van de litigieuze beschikkingen.

103 In dit verband kan worden volstaan met de opmerking dat de litigieuze beschikkingen op de in de punten 81 tot en met 99 van het onderhavige arrest uiteengezette gronden nietig moeten worden verklaard wegens schending van de wezenlijke vormvoorschriften.

Kosten

104 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten, wanneer het, bij gegrondheid van de hogere voorziening, de zaak zelf afdoet.

105 Volgens artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat ingevolge artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in de hogere voorzieningen in het gelijk is gesteld en de bij het Gerecht ingestelde beroepen gegrond zijn verklaard, dient de Commissie overeenkomstig de vordering van de Bondsrepubliek Duitsland zowel in eerste aanleg als in de hogere voorzieningen te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van deze lidstaat.

106 Ingevolge artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement mutatis mutandis van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. Overeenkomstig die bepalingen dragen het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden hun eigen kosten.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart:

1) De arresten van het Gerecht van de Europese Unie Duitsland/Commissie (T‑265/08, EU:T:2012:434) en Duitsland/Commissie (T‑270/08, EU:T:2012:612) worden vernietigd.

2) Beschikking C(2008) 1690 definitief van de Commissie van 30 april 2008 inzake de vermindering van de bijdrage van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) voor een operationeel programma in de onder doelstelling 1 vallende regio Land Thüringen (Duitsland) (1994‑1999), overeenkomstig beschikking C(94) 1939/5 van de Commissie van 5 augustus 1994, en beschikking C(2008) 1615 definitief van de Commissie van 29 april 2008 inzake de vermindering van de bijdrage van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) voor een operationeel programma in de onder doelstelling 1 vallende regio Oost‑Berlijn (Duitsland) (1994‑1999), overeenkomstig beschikking C(94) 1973 van de Commissie van 5 augustus 1994, worden nietig verklaard.

3) De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten van de Bondsrepubliek Duitsland en in haar eigen kosten, in verband met zowel de procedure in eerste aanleg als de onderhavige hogere voorzieningen.

4) Het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden dragen hun eigen kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Duits.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in