HvJ EU 12 juli 2007, C-507/04, ECLI:EU:C:2007:427
Tekst
Zaak C‑507/04
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Republiek Oostenrijk
„Niet-nakoming – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409/EEG – Uitvoeringsmaatregelen”
Samenvatting van het arrest
1. Milieu – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409 – Uitvoering zonder optreden van wetgever – Grenzen
(Richtlijn 79/409 van de Raad)
2. Milieu – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409 – Werkingssfeer
(Richtlijn 79/409 van de Raad, art. 1 en 11)
3. Milieu – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409 – Uitvoering door lidstaten
(Richtlijn 79/409 van de Raad, art. 9, leden 1, sub a, en 2)
4. Milieu – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409 – Verplichting om jacht te verbieden gedurende bepaalde perioden waarin vogels bijzonder kwetsbaar zijn
(Richtlijn 79/409 van de Raad, art. 7, lid 4)
5. Milieu – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409 – Data van openen en sluiten van jacht
(Richtlijn 79/409 van de Raad, art. 9, lid 1, sub c)
6. Milieu – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409 – Uitvoering door lidstaten
(Richtlijn 79/409 van de Raad, art. 8 en bijlage IV)
1. Voor de omzetting van gemeenschapsrechtelijke bepalingen in nationaal recht is niet noodzakelijk vereist dat die bepalingen formeel en letterlijk in een uitdrukkelijke, specifieke bepaling worden overgenomen; een algemene juridische context kan daartoe voldoende zijn, wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende bepaalde en duidelijke wijze verzekert.
De nauwkeurigheid van de omzetting in nationaal recht is echter van bijzonder belang met betrekking tot richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand, waar het beheer van het gemeenschappelijk patrimonium wordt toevertrouwd aan de lidstaten voor hun respectieve grondgebied.
(cf. punten 89, 92)
2. Artikel 11 van richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand, dat alleen een specifieke verplichting stelt op grond waarvan de lidstaten erop moeten toezien dat de introductie van vogelsoorten die niet natuurlijk in het wild leven op het Europese grondgebied van de lidstaten, geen schade toebrengt aan de plaatselijke flora en fauna, kan niet worden beschouwd als een rechtsgrondslag op basis waarvan kan worden afgeweken van de beschermingsverplichtingen die krachtens artikel 1 van de richtlijn op de lidstaten rusten en die betrekking hebben op alle vogelsoorten die natuurlijk in het wild leven op het Europese grondgebied van de lidstaten, namelijk voor elk van die staten zowel de inheemse soorten als de soorten die alleen in andere lidstaten voorkomen. Gezien het belang van een volledige en doeltreffende bescherming van in het wild levende vogels binnen de gehele Gemeenschap, ongeacht hun verblijfplaats of trekroute, is immers iedere nationale wettelijke regeling die de bescherming van in het wild levende vogels doet afhangen van de nationale fauna, onverenigbaar met de richtlijn.
(cf. punten 101‑103)
3. Het voorkomen van schade aan de wijnbouw kan weliswaar in beginsel een rechtvaardiging zijn voor het vaststellen van afwijkende maatregelen op basis van artikel 9, lid 1, sub a, derde streepje, van richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand, maar laatstgenoemde bepaling biedt geen rechtsgrondslag om een soort, zelfs beperkt in de tijd, volkomen aan de beschermingsregeling van de richtlijn te onttrekken. Wanneer een vogelsoort volkomen wordt onttrokken aan die beschermingsregeling, zelfs gedurende een beperkte periode, kan dit immers een bedreiging vormen voor het bestaan van die soort. De lidstaten mogen dus slechts met inachtneming van de eisen van artikel 9, lid 2, van de richtlijn afwijkingen van de regeling voor de bescherming van in het wild levende vogels toestaan.
(cf. punten 113‑115)
4. De in artikel 7, lid 4, van richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand neergelegde beschermingsregeling is ruim gedefinieerd, met verwijzing naar de biologische eigenschappen van de betrokken soorten, aangezien zij niet alleen betrekking heeft op de nestperiode, maar ook op de verschillende fasen van de broedperiode. Alleen een dergelijke opvatting strookt met de doelstelling van voormeld artikel 7, lid 4, namelijk een volledige bescherming garanderen gedurende de perioden waarin de in het wild levende vogels in het bijzonder in hun voortbestaan worden bedreigd. Elke ingreep gedurende de perioden die van belang zijn voor de voortplanting van de vogels, kan immers een negatieve invloed hebben op die voortplanting, zelfs indien slechts een deel van de populatie wordt getroffen. Dat geldt ook voor de baltstijd, gedurende welke de betrokken soorten bijzonder blootgesteld en kwetsbaar zijn. Die baltstijd maakt dan ook deel uit van de periode waarin de jacht in beginsel verboden is.
(cf. punten 192‑195)
5. Het is een lidstaat ingevolge artikel 9, lid 1, sub c, van richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand toegestaan, af te wijken van de data voor het openen en sluiten van de jacht die met inachtneming van de in artikel 7, lid 4, van deze richtlijn vermelde doelstellingen zijn vastgesteld. In dit verband kan bij de jacht op wilde vogels als liefhebberij gedurende de in voormeld artikel 7, lid 4, bepaalde perioden, mits de in artikel 9, lid 2, van de richtlijn opgelegde voorwaarden zijn vervuld, sprake zijn van een „verstandig gebruik” in de zin van artikel 9, lid 1, sub c. De bewijslast ter zake van de naleving van die voorwaarden voor elke afwijking rust evenwel bij de nationale autoriteit die daarover beslist.
Bij de vaststelling van maatregelen ter uitvoering van deze laatste bepaling moeten de lidstaten overigens waarborgen dat in alle gevallen waarin de aldaar bedoelde afwijking wordt toegepast, voor alle beschermde vogelsoorten de toegestane jacht beneden een maximum blijft conform de beperking daarvan tot kleine hoeveelheden, welk maximum moet worden bepaald aan de hand van uiterst nauwkeurige wetenschappelijke gegevens. In het bijzonder impliceert een met het gemeenschapsrecht overeenstemmende uitvoering van de richtlijn dat de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toestaan van de jacht op vogels van een bepaalde soort, in staat moeten zijn zich voor de in acht te nemen maximumhoeveelheden te baseren op voldoende nauwkeurige richtsnoeren. Daaruit volgt dat het aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat staat om met voldoende juridische nauwkeurigheid en op basis van erkende wetenschappelijke gegevens te waarborgen dat de maximumhoeveelheid in geen geval wordt overschreden, en derhalve dat een volledige bescherming van de bedoelde soorten wordt verzekerd.
(cf. punten 196‑199, 201, 225)
6. De omstandigheid dat in een lidstaat geen gebruik wordt gemaakt van bepaalde door richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand verboden jachtmethodes of vernietigingspraktijken, ontslaat die lidstaat niet van zijn verplichting, wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om een passende uitvoering van de bepalingen van de richtlijn te verzekeren. Het rechtszekerheidsbeginsel verlangt immers, dat de daarin gestelde verboden in dwingende wettelijke bepalingen worden opgenomen.
(cf. punten 280‑281)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
12 juli 2007 (*)
„Niet-nakoming – Behoud van vogelstand – Richtlijn 79/409/EEG – Uitvoeringsmaatregelen”
In zaak C‑507/04,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 8 december 2004,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. van Beek en B. Schima als gemachtigden, bijgestaan door M. Lang, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door H. Dossi als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, E. Juhász, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), G. Arestis en T. von Danwitz, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 januari 2007,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 1, leden 1 en 2, artikel 5, artikel 6, lid 1, artikel 7, leden 1 en 4, artikel 8, artikel 9, leden 1 en 2, en artikel 11 van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1; hierna: „richtlijn”).
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
2 Luidens artikel 1, lid 1, heeft de richtlijn betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het EEG-Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan. Artikel 1, lid 2, preciseert dat de richtlijn van toepassing is op vogels, hun eieren, hun nesten en hun leefgebieden.
3 Artikel 5 van de richtlijn bepaalt:
„Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de lidstaten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:
a) een verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen;
b) een verbod om opzettelijk hun nesten en eieren te vernielen of te beschadigen of hun nesten weg te nemen;
c) een verbod om in de natuur eieren van deze vogels te rapen en deze – zelfs leeg – in bezit te hebben;
d) een verbod om deze vogels, met name gedurende de broedperiode, opzettelijk te storen, voor zover een dergelijke verstoring, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, van wezenlijke invloed is;
e) een verbod om vogels te houden van soorten die niet mogen worden bejaagd of gevangen.”
4 Artikel 6, lid 1, van de richtlijn verbiedt de handel in beschermde vogelsoorten in de volgende bewoordingen:
„Onverminderd het bepaalde in de leden 2 en 3 verbieden de lidstaten voor alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten de verkoop, het vervoer voor verkoop en het in bezit hebben voor verkoop alsmede het ten verkoop aanbieden van levende en dode vogels alsmede van gemakkelijk herkenbare delen van deze vogels of op uit deze vogels verkregen producten.”
5 Voor de in bijlage III/1 en bijlage III/2 bij de richtlijn vermelde soorten is overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 3, van die richtlijn onder bepaalde voorwaarden het verbod van verkoop niet van toepassing.
6 Artikel 7 van de richtlijn regelt de jacht op beschermde vogelsoorten. Artikel 7, lid 1, eerste volzin, luidt:
„Op de in bijlage II vermelde soorten mag, vanwege hun populatieniveau, hun geografische verspreiding en de omvang van hun voortplanting in de hele Gemeenschap, worden gejaagd volgens de bepalingen van de nationale jachtwetgeving.”
7 Artikel 7, lid 4, van de richtlijn bepaalt:
„De lidstaten zien erop toe dat bij de beoefening van de jacht, eventueel met inbegrip van de valkenjacht, zoals deze voortvloeit uit de toepassing van de geldende nationale maatregelen, de principes van een verstandig gebruik en een ecologisch evenwichtige regulering van de betrokken vogelsoorten in acht worden genomen, en dat deze beoefening wat de populatie van deze soorten, in het bijzonder van de trekvogels betreft, verenigbaar is met de uit artikel 2 voortvloeiende bepalingen. Zij zien er in het bijzonder op toe dat soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, niet worden bejaagd zolang de jonge vogels het nest nog niet hebben verlaten of gedurende de verschillende fasen van de broedperiode. Ten aanzien van trekvogels zien zij er met name op toe dat de soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, niet worden bejaagd tijdens de broedperiode noch tijdens de trek naar hun nestplaatsen. De lidstaten zenden de Commissie alle nuttige gegevens betreffende de praktische toepassing van hun jachtwetgeving.”
8 Artikel 8 van de richtlijn luidt:
„1. Wat de jacht op en de vangst of het doden van vogels in het kader van deze richtlijn betreft, verbieden de lidstaten het gebruik van alle middelen, installaties of methoden voor het massale of niet-selectieve vangen of doden van vogels of waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen, en in het bijzonder het gebruik van de in bijlage IV, sub a, genoemde middelen.
2. Bovendien verbieden de lidstaten elke achtervolging met behulp van de in bijlage IV, sub b, genoemde vervoermiddelen op de in die bijlage omschreven wijze.”
9 In artikel 9, lid 1, van de richtlijn is bepaald:
„De lidstaten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8:
a) – in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid
– in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer,
– ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren,
– ter bescherming van flora en fauna;
b) voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt;
c) teneinde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.”
10 Overeenkomstig artikel 9, lid 2, moet in de afwijkingen worden vermeld:
„– voor welke soorten mag worden afgeweken,
– welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan,
– onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen,
– welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen,
– welke controles zullen worden uitgevoerd.”
11 Ingevolge artikel 11 van de richtlijn dienen de lidstaten erop toe te zien dat de eventuele introductie van vogelsoorten die niet natuurlijk in het wild leven op het Europese grondgebied van die staten geen enkele schade toebrengt aan de plaatselijke flora en fauna.
Wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de diverse Oostenrijkse Länder waarvan de verenigbaarheid met de bepalingen van de richtlijn aan de orde is
Land Niederösterreich
12 Het gaat om de volgende bepalingen: § 17, lid 5, § 18 en de §§ 20, lid 4, en 21 van het Niederösterreichisches Naturschutzgesetz 2000 [wet op de natuurbescherming in Niederösterreich, LGBl (Niederösterreich) 87/00; hierna: „Nö NSchG”], § 95 van het Niederösterreichisches Jagdgesetz 1974 [wet op de jacht in Niederösterreich, LGBl (Niederösterreich) 76/74; hierna: „Nö JagdG”], en § 22 van de Niederösterreichische Jagdverordnung [verordening op de jacht in Niederösterreich, LGBl. (Niederösterreich) 28/77; hierna: „Nö JagdVO”].
13 § 17 Nö NSchG bepaalt:
„[...]
5. Voor het uitplanten en de bevordering van gewassen die niet-inheems en niet aan de plaats aangepast zijn, alsmede voor het uitzetten en de bevordering van niet-inheemse dieren in de vrije natuur, is een vergunning van de deelstaatregering vereist. De vergunning wordt geweigerd wanneer aan de plaats aangepaste inheemse populaties, de natuurlijke (genetische) kenmerken van inheemse dier‑ en plantensoorten of de schoonheid en de kenmerken van een landschap blijvend worden aangetast.
[...]”
14 § 18 Nö NSchG luidt:
„1. De bepalingen inzake de bescherming van soorten hebben de bescherming en het onderhoud van in het wild levende dier‑ en vogelsoorten in hun natuurlijke en historische diversiteit tot doel. De soortenbescherming omvat:
1) de bescherming van dieren, planten en hun levensgemeenschappen tegen aantastingen door de mens, in het bijzonder door het menselijke ingrijpen,
2) de bescherming, het onderhoud, de ontwikkeling en het herstel van de habitats van in het wild levende dier‑ en plantensoorten alsmede de bescherming van hun overige leefomstandigheden en
3) de introductie in passende biotopen binnen hun natuurlijke verspreidingsgebied van dieren en planten van verdreven wilde soorten.
2. Wilde planten of wilde dieren waarop niet mag worden gejaagd, waarvan de populatie bescherming of onderhoud behoeft
1) omdat deze zeldzaam is of wordt bedreigd,
2) om wetenschappelijke of met de kennis van land en volk verband houdende redenen,
3) wegens het nut of het belang ervan voor het ecosysteem of
4) met het oog op het behoud van de diversiteit of de eigen aard van natuur en landschap, worden bij verordening van de deelstaatregering geheel dan wel, wanneer dit voor de instandhouding van de soort volstaat, gedeeltelijk of tijdelijk beschermd. In de verordening kunnen de dier‑ en plantensoorten worden aangewezen waarvan de populatie op het grondgebied van het Land met uitsterven is bedreigd.
3. Soorten die niet natuurlijk op het grondgebied van het Land voorkomen, kunnen bij verordening worden gelijkgesteld met bijzonder beschermde soorten die natuurlijk op dat grondgebied voorkomen, wanneer de bescherming van de populatie ervan noodzakelijk is, teneinde in het toepassingsgebied van de onderhavige wet oorzaken voor de achteruitgang van de populatie van de bedoelde soorten die het voortbestaan van deze populatie bedreigen, te beperken of uit te sluiten, en wanneer die soorten
1) in een ander Land van Oostenrijk of in hun land van herkomst bijzonder worden beschermd,
2) in een internationale overeenkomst waarbij Oostenrijk partij is, als zodanig worden bedoeld en geïdentificeerd, of
3) volgens bevestigde inzichten met uitsterven zijn bedreigd, zonder bescherming te genieten in hun land van herkomst.
4. Voor de overeenkomstig de leden 2 en 3 bijzonder beschermde soorten is het verboden:
[...]
2) dieren te achtervolgen, opzettelijk te storen, te vangen, te houden, te verwonden of te doden, levend of dood te verkrijgen, in bezit te hebben, over te dragen, te vervoeren of te koop aan te bieden;
3) eieren, larven, poppen of nesten van die dieren of hun nest‑, broed‑, paar‑ of toevluchtsplaatsen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen, alsmede
4) de leef‑, broed‑, en woonplaatsen van de met uitsterven bedreigde en in de verordening vermelde soorten te verstoren, in het bijzonder door te fotograferen of te filmen.
5. Indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, kunnen van oktober tot eind februari broedplaatsen of nesten van bijzonder beschermde dieren worden weggenomen, beschadigd of vernield wanneer zij geen jonge dieren bevatten en zich in een gebouw bevinden.
6. Zo nodig kunnen in de verordening ook maatregelen ter bescherming van de habitat en de instandhouding en de groei van de populatie van bijzonder beschermde soorten worden vastgesteld, alsmede handelingen worden verboden of beperkt die de populaties verder kunnen doen afnemen.
[...]”
15 In § 20 Nö NSchG is bepaald:
„[...]
4) De deelstaatregering kan bij besluit afwijkingen op § 18 toestaan, met name voor wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, wanneer niet hoeft te worden gevreesd voor een ernstige bedreiging van de beschermde wilde flora en fauna, [...]. In de vergunning dient op zijn minst te worden bepaald:
1. voor welke soorten de afwijking is toegestaan,
2. welke middelen, installaties en methoden mogen worden gebruikt voor het vangen of doden, en
3. welke controles moeten worden verricht.”
16 § 21 Nö NSchG luidt:
„1. Onverminderd bijzondere regelingen overeenkomstig de bepalingen van de onderhavige wet of de op grond van deze wet vastgestelde verordeningen en besluiten, wordt in beginsel geen afbreuk gedaan aan maatregelen in verband met de commerciële exploitatie van terreinen [...]. Deze afwijkingsbepaling is niet van toepassing wanneer opzettelijk schade wordt toegebracht aan beschermde planten en dieren of beschermde habitats, of wanneer met uitsterving bedreigde planten en dieren [...] schade ondervinden van maatregelen.
2. Onverminderd bijzondere regelingen overeenkomstig de bepalingen van de onderhavige wet of op grond van deze wet vastgestelde verordeningen en besluiten, wordt in beginsel geen afbreuk gedaan aan maatregelen in verband met een modern en duurzaam land‑ en bosbouwgebruik van terreinen in het kader van een land‑ en bosbouwexploitatie [...]. Deze afwijkingsbepaling is niet van toepassing wanneer opzettelijk schade wordt toegebracht aan beschermde planten en dieren of beschermde habitats, of wanneer met uitsterving bedreigde planten en dieren [...] schade ondervinden van maatregelen.
3. Een land‑ en bosbouwgebruik wordt als modern en duurzaam beschouwd wanneer de activiteiten in een land‑ en bosbouwexploitatie dienen tot de productie of de winning van plantaardige of dierlijke producten en worden georganiseerd volgens procedés die in een bepaalde regio en op een bepaald tijdstip of op grond van verkregen ervaring gebruikelijk zijn en het aan de natuurlijke omstandigheden aangepaste gebruik in een functionerend systeem duurzaam het prestatievermogen waarborgt zonder de productiegrondslagen uit te putten en de natuur en het landschap onbehoorlijk te belasten.”
17 § 95 Nö JagdG bepaalt:
„1. Alle niet-selectieve jachtmethoden zijn verboden. Het is inzonderheid verboden:
[...]
3) ‘s nachts te jagen [...]; dit verbod geldt niet voor de jacht op [...] het auerhoen en het korhoen, wilde ganzen, wilde eenden en snippen;
4) bij het vangen of het doden van wild gebruik te maken van inrichtingen voor de belichting van het doel [...]
[...]
8) als lokmiddel blindgemaakte of verminkte levende dieren en verdovend lokaas te gebruiken; bandopnemers, elektrische of elektronische inrichtingen, die kunnen doden of verdoven, te gebruiken; spiegels of andere inrichtingen om te verblinden, explosieven of niet-selectief werkende netten te gebruiken; te vergassen of uit te roken;
9) op vederwild te jagen met strikken, lijm, haken, netten of vallen;
10) vanuit luchtvaartuigen, rijdende voertuigen of boten met een aandrijfsnelheid van meer dan 5 km/u te jagen.
[...]”
18 § 22 Nö JagdVO luidt:
„1. Het volgende wild mag in beginsel slechts in de onderstaande perioden worden achtervervolgd, gevangen en gedood:
[...]
15) het auerhoen, van 1 tot en met 31 mei in de even jaren;
16) het korhoen, van 1 tot en met 31 mei in de oneven jaren;
[...]
18) de hybride auerhoen x korhoen, van 1 januari tot en met 31 december;
[...]
22) de houtsnip, van 1 september tot en met 31 december en van 1 maart tot en met 15 april;
[...]”
Land Burgenland
19 Het gaat om de volgende bepalingen: §§ 16, 16a en 16b van het Burgenländisches Naturschutz- und Landschaftspflegegesetz [wet op de natuurbescherming en de landschapszorg in Burgenland, LGBl (Burgenland) 27/1991; hierna: „Bgld NSchLPflG”], §§ 88a, leden 1 en 2, en 88b van het Burgenländisches Jagdgesetz 1988 [wet op de jacht in Burgenland, LGBl (Burgenland) 11/1989; hierna: „Bgld JagdG”], § 76, lid 1, van de Burgenländische Jagdverordnung [verordening op de jacht in Burgenland, LGBl (Burgenland) 24/1989; hierna: „Bgld JagdVO”], en §§ 2 en 6 van de Burgenländische Artenschutzverordnung 2001 [verordening op de bescherming van soorten in Burgenland, LGBl (Burgenland) 36/2001; hierna: „Bgld ArtenschutzVO”].
20 § 16 Bgld NSchLPflG bepaalt:
„1. Voor zover zij niet als wild worden beschouwd of onder de visserijwetgeving vallen, worden beschermd:
a) in het wild levende dieren [...] bedoeld in bijlage I bij richtlijn 79/409/EEG, de bijlagen II, IV en V bij richtlijn 92/43/EEG, de bijlagen II en III bij de Berner Conventie alsmede de in de bijlagen I en II bij het Verdrag van Bonn genoemde soorten;
b) onverminderd het bepaalde sub a, worden alle overige in het wild levende vogelsoorten beschermd, met uitzondering van de spreeuw (Sturnus vulgaris), overeenkomstig § 88a [Bgld JagdG], [...]
2. Voor beschermde of bedreigde dieren stelt de deelstaatregering bij verordening vast:
a) uitzonderingen [...];
b) de maatregelen en methoden voor het vangen die zijn verboden om dierenpopulaties te beschermen;
c) maatregelen die moeten worden genomen om de vernieuwing van de populatie van beschermde soorten te bevorderen; [...]
d) de soorten waarvoor het om beschermingsdoeleinden verboden is de nesten en nestplaatsen, de balts‑, voortplantings‑, rust‑ en overwinteringsplaatsen (bomen met horsten of holle bomen, broedrotsen en ‑ wanden, rietgordels, grondnesten en dergelijke) weg te nemen, te beschadigen of te vernielen, en
[...]
4. Het is in alle stadia van de ontwikkeling ervan verboden beschermde dieren te achtervolgen, te storen, te vangen, te vervoeren, te houden, te verwonden, te doden, in bezit te hebben, weg te nemen of te beschadigen. Het is verboden deze dieren of delen ervan te koop aan te bieden, te verkrijgen of door te geven, ongeacht hun toestand, ouderdom of ontwikkelingsvorm. Evenzo is het verboden in het openbaar aan te kondigen bereid te zijn dergelijke dieren te verkopen of te verkrijgen.
5. Iedereen die bezitter of eigenaar is van dieren die behoren tot beschermde soorten (met inbegrip van delen van deze dieren en ongeacht hun ontwikkelingsvormen), moet op verzoek van de autoriteiten het bewijs leveren van hun herkomst. Beschermde dieren die dood of in zorgbehoevende toestand worden ontdekt, zijn eigendom van het Land en moeten onverwijld aan de autoriteiten of aan een door deze autoriteiten aangewezen wetenschappelijke instelling worden overhandigd.
[...]”
21 § 16a Bgld NSchLPflG luidt:
„1. De deelstaatregering verzekert of herstelt een voldoende diversiteit en oppervlakte van de habitats van de in richtlijn 79/409/EEG en richtlijn 92/43/EEG vermelde soorten [...]. Dit omvat in het bijzonder de volgende maatregelen:
a) de inrichting van beschermde gebieden [...] of het sluiten van overeenkomsten alsmede de toekenning van steun [...];
b) het onderhoud en de op bescherming gerichte inrichting van habitats binnen en buiten de bijzonder beschermde gebieden;
c) het herstel van vernielde habitats;
d) het creëren van habitats;
e) het behoud, het herstel en de verbetering van de ecologische processen die de natuurlijke ontwikkeling van habitats bepalen.
2. De deelstaatregering ziet toe op en documenteert de staat van instandhouding van de in de richtlijnen bedoelde soorten [...]
3. De deelstaatregering stelt bij verordening onderzoeks‑, controle‑ of instandhoudingsmaatregelen vast om veilig te stellen dat het onopzettelijke vangen of het onopzettelijke doden geen nadelige gevolgen heeft voor de beschermde soorten.
[...]”
22 In § 16b Bgld NSchLPflG is bepaald:
„Rekening houdend met hun respectieve beschermingsbehoeften neemt de deelstaatregering speciale beschermingsmaatregelen ten aanzien van geregeld voorkomende trekvogels met betrekking tot hun voortplantings‑, rui‑ en overwinteringsplaatsen en de rustplaatsen in hun trekzones en hun directe omgeving. Met het oog hierop wordt bijzonder belang gehecht aan de bescherming van watergebieden, in het bijzonder de watergebieden van internationale betekenis.”
23 § 88a Bgld JagdG luidt:
„1. Ter bescherming van de wijngaarden (lid 2) is in de periode van 15 juli tot en met 30 november de bestrijding van spreeuwen toegestaan.
2. De noodzaak van deze maatregel moet bij verordening van de deelstaatregering worden vastgesteld wanneer een massaal optreden van spreeuwen in wijngaardgebieden te verwachten is [...]”
24 § 88b Bgld JagdG bepaalt:
„[...]
2. De houtsnip kan van 1 maart tot en met 15 april worden bejaagd (in het kader van de ‚Schnepfenstrich’ [baltsvlucht van de snip]).”
25 In § 76 Bgld JagdVO is bepaald:
„1. De volgende dieren waarop kan worden gejaagd, kunnen tijdens de onderstaande gesloten jachttijden [‚Schonzeiten’] niet worden achtervolgd, gevangen of gedood:
[...]
2. Vederwild:
[...]
e) Wilde duiven:
houtduif en Turkse tortel, van 16 april tot en met 30 juni
tortelduif, van 1 november tot en met 30 juni
f) Snippen:
houtsnip, van 1 januari tot en met 28 februari en van 16 april tot en met 30 september,
[...]
[...]”
26 § 2 Bgld ArtenschutzVO luidt:
„1. Het is verboden schade toe te brengen aan de nest‑, voortplantings‑, rust‑ en overwinteringsplaatsen van de volgende dieren:
de bijeneter (Merops apiaster)
de scharrelaar (Coracias garrulus)
de kauw (Corvus monedula)
de ijsvogel (Alcedo atthis)
[...]
de visdief (Sterna hirundo)
de oeverzwaluw (Riparia riparia)
de witrugspecht (Dendrocopos leucotos)
de ooievaar (Ciconia ciconia)
de hop (Upupa epops)
[...]
2. Het is in het bijzonder verboden
1) rotsen, steile wanden of bosjes die als verblijfplaats dienen voor de in § 2, lid 1, bedoelde soorten, weg te nemen of deze tijdens de voortplantingsperiode te beklimmen;
[...]”
27 § 6 Bgld ArtenschutzVO bepaalt:
„Het land‑ of bosbouwkundige gebruik is overeenkomstig § 19 [Bgld NSchLPflG] toegestaan. De bepalingen van de onderhavige verordening laten de rechtmatige beoefening van de jacht en de visvangst onverlet.”
Land Kärnten
28 Het gaat om de volgende bepalingen: §§ 3, 51, leden 1 tot en met 5, 59, lid 1, en 68, lid 1, van het Kärntner Jagdgesetz 2000 [wet op de jacht in Kärnten, LGBl (Kärnten) 21/2000; hierna: „Krnt JagdG”], en § 9, lid 2, van de Kärntner Jagdgesetz 2000 – Durchführungsverordnung [verordening tot uitvoering van de wet op de jacht in Kärnten, LGBl (Kärnten) 132/1991; hierna: „Krnt JagdVO”].
29 § 3 Krnt JagdG bepaalt:
„1. De beoefening van de jacht dient passend en volgens de regels plaats te vinden en de beginselen van een goed jachtbedrijf moeten in acht worden genomen. Het is verboden de populatie van een soort wild te bedreigen door een ongeschikte beoefening van de jacht. Daarenboven moet de jacht zo worden beoefend dat de van algemeen belang zijnde positieve gevolgen van het bos niet worden verminderd en in het bijzonder dat wordt voorkomen dat het wild schade veroorzaakt die het bos bedreigt [...]
2. Er is sprake van een goed jachtbedrijf wanneer door de beoefening van de jacht, met inbegrip van de verzorging ervan, een gezonde wildpopulatie die rijk is aan soorten en aan de grootte en de kenmerken van het jachtgebied is aangepast, wordt verkregen en in stand gehouden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met een evenwichtig ecosysteem, de behoeften van de land‑ en bosbouw en met een met de beginselen van de ecologie van het wild overeenstemmende ruimtelijke ordening. Een goed jachtbedrijf omvat ook een beoefening van de jachtbescherming volgens de voorschriften.
[...]”
30 § 51 Krnt JagdG luidt:
„1. De jacht is het hele jaar gesloten voor [...]
2. Voor de soorten wild die niet in het eerste lid zijn vermeld, bepaalt de deelstaatregering bij verordening, rekening houdend met de beginselen van een goed jachtbedrijf (§ 3), met het behoud van bedreigde soorten wild en gelet op de ouderdom, het geslacht en de biologische eigenheden van het wild, welk wild tijdens het gehele jaar of tijdens bepaalde perioden (gesloten jachttijden) niet mag worden bejaagd. [...]
3. In het belang van een goed jachtbedrijf kan de deelstaatregering bij ernstige bedreiging van de wildpopulaties ten gevolge van verliezen van wild door buitengewone weersomstandigheden, natuurrampen, epidemieën e.a., in het gehele land, in bepaalde administratieve districten of in bepaalde jachtgebieden de gesloten jachttijden verlengen of bepalen dat de jacht voor bepaalde soorten wild gedurende het gehele jaar gesloten is. Die verordening wordt ingetrokken zodra de reden voor de vaststelling ervan is weggevallen.
4. De deelstaatregering kan voor bepaalde soorten wild de op basis van het eerste of het tweede lid vastgestelde gesloten jachttijden voor alle of bepaalde jachtgebieden verlengen of deze – voor zover het niet om in lid 4a bedoelde soorten wild gaat – ook opheffen of verkorten, wanneer dat in het belang van een goed jachtbedrijf, gelet op de plaatselijke of klimatologische omstandigheden, gerechtvaardigd lijkt. Die verordeningen kunnen voor maximum twee jaar worden vastgesteld.
4a. Om, selectief en in geringe hoeveelheid, het doden, het vangen of het houden van vederwild waarop het gehele jaar niet mag worden gejaagd [...] mogelijk te maken, kan de deelstaatregering – voor zover er geen andere bevredigende oplossing bestaat – de overeenkomstig het eerste lid vastgestelde gesloten jachttijd voor dit wild opheffen of verkorten, en dit in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid, de veiligheid van het luchtverkeer, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren, ter bescherming van wilde flora en fauna of voor doeleinden in verband met onderzoek, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt. Die regeling mag voorts enkel worden vastgesteld op voorwaarde dat de populaties van de in de verordening genoemde soorten ondanks de opheffing of de verkorting van de gesloten jachttijd zonder schade in een gunstige staat van instandhouding blijven voortbestaan. Voor zover het niet gaat om vederwild waarop gedurende het gehele jaar niet mag worden gejaagd, mag een dergelijke regeling ook worden vastgesteld, wanneer aan de overige voorwaarden is voldaan, ter bescherming van de eigendom in het algemeen of met het oog op de instandhouding van de natuurlijke habitat. Die regeling kan voor maximum twee jaar worden vastgesteld.
5. De deelstaatregering kan voorts de voor een bepaalde wildsoort – met uitzondering van een van de in lid 4a genoemde soorten wild – geldende gesloten jachttijd in bepaalde of in alle jachtgebieden van een administratief district voor een passende duur opschorten, wanneer dit in het belang van een goed jachtbedrijf of de land‑ en bosbouw noodzakelijk is. De gesloten jachttijd voor de in lid 4a genoemde soorten wild mag evenwel slechts worden opgeschort wanneer dit ter bescherming van een van de in lid 4a vermelde belangen noodzakelijk lijkt, voor zover er geen andere bevredigende oplossing bestaat en aan de voorwaarden van lid 4a, tweede volzin, is voldaan.
[...]”
31 § 59 Krnt JagdG bepaalt:
„1. De houder van een jachtrecht moet het wild dat in het jachtjaar op zijn jachtgebied is gedood, gevangen of op een andere wijze gestorven, op een daartoe op te stellen lijst plaatsen. Wanneer één enkel jachtplan is opgesteld voor aangrenzende jachtgebieden, wordt één lijst opgesteld. [...]
2. Voor het bijhouden van de lijst van gedood wild, dient gebruik te worden gemaakt van het bij verordening van het bureau van de jagersvereniging van Kärnten vastgelegde formulier. Bij de vaststelling van die verordening moet rekening worden gehouden met de inhoud en het doel van de lijst van gedood wild.
[...]”
32 In § 68 Krnt JagdG is bepaald:
„1. Het is verboden:
[...]
19) nesten en legsels van vederwild te vernielen of de eieren zonder toelating [...] te rapen alsmede de broedplaatsen van vederwild tijdens de broedperiode en de teelt van de jonge dieren te verstoren;
[...]”
33 § 9 Krnt JagdVO luidt:
„[...]
2. Het volgende wild mag enkel in de onderstaande perioden (jachttijden) worden bejaagd en het moet buiten die perioden worden ontzien:
[...]
– het auerhoen: van 10 tot en met 31 mei;
– het korhoen: van 10 tot en met 31 mei;
[...]
– de meerkoet: van 16 augustus tot en met 31 januari;
– de houtsnip: van 1 september tot en met 31 december en van 16 maart tot en met 10 april;
– de houtduif en de Turkse tortel: van 1 augustus tot en met 31 december en van 16 maart tot en met 10 april;
– de zwarte kraai: van 1 juli tot en met 15 maart;
– de Vlaamse gaai: van 1 juli tot en met 15 maart;
– de ekster: van 1 juli tot en met 15 maart.
[...]”
Land Oberösterreich
34 Het gaat om de volgende bepalingen: § 27, leden 1 en 2, van het Oberösterreichisches Natur- und Landschaftschutzgesetz 2001 [wet op de natuur‑ en landschapsbescherming in Oberösterreich, LGBl (Oberösterreich) 129/2001; hierna: „Oö NSchG”], § 48, leden 1 tot en met 4, en § 60, lid 3, van het Oberösterreichisches Jagdgesetz [wet op de jacht in Oberösterreich, LGBl (Oberösterreich) 32/1964; hierna: „Oö JagdG”], §§ 5, lid 2, en 11 van de Oberösterreichische Artenschutzverordnung [wet op de bescherming van soorten in Oberösterreich, LGBl (Oberösterreich) 73/2003; hierna: „Oö ArtenschutzVO”], en § 1 van de Oberösterreichische Schonzeitenverordnung [verordening op de gesloten jachttijden in Oberösterreich, LGBl (Oberösterreich) 30/1990; hierna: „Oö SchonzeitenVO”].
35 § 27 Oö NSchG luidt:
„1. Wilde planten en paddenstoelen alsmede wilde dieren waarop niet mag worden gejaagd, kunnen bij verordening van de deelstaatregering bijzonder worden beschermd, voor zover de betrokken soort in het plaatselijke landschap zeldzaam is of het bestaan van de populatie ervan wordt bedreigd of het behoud ervan om redenen van ecologisch evenwicht van algemeen belang is, indien geen andere algemene belangen zwaarder wegen dan die beschermingsbelangen. Dit laat andersluidende wettelijke bepalingen onverlet.
2. In een verordening in de zin van het eerste lid dient rekening houdend met de artikelen 5 tot en met 7 en 9 van de vogelrichtlijn en de artikelen 12 en 13 van de habitatrichtlijn te worden gepreciseerd:
1) welke soorten volledig of gedeeltelijk worden beschermd;
2) het gebied en de periode van bescherming;
3) de maatregelen ter bescherming van het nageslacht, wild of geteeld, van beschermde planten, paddenstoelen of dieren;
4) de maatregelen ter bescherming van de beperkte habitats van beschermde planten, paddenstoelen of dieren.”
36 § 48 Oö JagdG bepaalt:
„1. Met het oog op de bescherming van het wild [...] dient de jacht rekening houdend met de behoeften van het grondbeheer voor zover nodig te worden gesloten. Na het horen van de adviescommissie inzake de jacht van het Land stelt de deelstaatregering voor de verschillende soorten wild, zo nodig naargelang ouderdom en geslacht, de gesloten jachttijden vast of beëindigt zij de jacht op bepaalde soorten wild volkomen.
2. Tijdens de gesloten jachttijd mogen de dieren van de betrokken soort niet worden bejaagd, gevangen of gedood.
3. Het is verboden legsels en nesten van vederwild weg te nemen, te beschadigen of te vernielen. De houder van het jachtrecht mag evenwel eieren van vederwild met het oog op de kunstmatige teelt rapen en laten uitbroeden.
4. De deelstaatregering kan toestaan dat wild wordt gevangen met het oog op de teelt of wordt gedood om wetenschappelijke of onderzoeksdoeleinden.
[...]”
37 In § 60 Oö JagdG is bepaald:
„[...]
3. In woongebouwen en commerciële gebouwen en in omheinde tuinen voor eigen gebruik kan de bezitter [...] haviken, buizerds en sperwers vangen of doden en zich toe-eigenen indien dit noodzakelijk is om ernstige schade, met name aan gewassen, de teelt en aan andere vormen van eigendom, te voorkomen.”
38 § 5 Oö ArtenschutzVO luidt:
„Zijn beschermd [...]:
2. niet bejaagbare natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie (artikel 1 van richtlijn 79/409/EEG [...]), met uitzondering van de ekster (Pica pica), de Vlaamse gaai (Garrulus glandarius), de zwarte kraai (Corvus corone corone) en de bonte kraai (Corvus corone cornix).
[...]”
39 § 11 Oö ArtenschutzVO bepaalt:
„Het selectieve vangen van [specimens van] de soorten [...] met het oog op de traditionele zangvogeltentoonstellingen kan enkel worden toegestaan in het administratieve district van [...] buiten vogelbeschermingsgebieden (artikel 4, lid 1, vierde volzin, van de vogelrichtlijn) en het houden ervan kan enkel in de districten van [...] en onder de volgende voorwaarden worden toegestaan:
[...]”
40 In § 1 Oö SchonzeitenVO is bepaald:
„1. De volgende dieren waarop kan worden gejaagd, mogen niet worden bejaagd, gevangen of gedood tijdens de onderstaande gesloten jachttijd:
[...]
Auerhoen, hybride auerhoen x korhoen en korhoen:
– haan: van 1 juni tot 30 april;
– hen: het gehele jaar.
[...]
Houtsnip: van 1 mei tot 30 september.
[...]
2. De eerste en de laatste dag van elke gesloten jachttijd zijn in deze periode begrepen.”
Land Salzburg
41 Het gaat om de volgende bepalingen: §§ 3, 54, lid 1, 59, 60, leden 3a en 4a, 72, lid 3, en §§ 103 en 104 van het Salzburger Jagdgesetz 1993 [wet op de jacht in Salzburg, LGBl (Salzburg) 100/1993; hierna: „Sbg JagdG”], § 34 van het Salzburger Naturschutzgesetz 1999 [wet op de natuurbescherming in Salzburg, LGBl (Salzburg) 73/1999; hierna: „Sbg NSchG”], en § 1 van de Salzburger Schonzeiten-Verordnung [verordening op de gesloten jachttijden in Salzburg, LGBl (Salzburg) 53/1996; hierna: „Sbg SchonzeitenVO”].
42 § 3 Sbg JagdG bepaalt:
„Het jachtrecht moet volgens de beginselen van de regels van de jacht [...] aldus worden uitgeoefend dat:
a) een soortenrijke en gezonde wildpopulatie in stand wordt gehouden, die aan de beschikbare habitat is aangepast;
b) de natuurlijke basis voor het leven van het wild in stand wordt gehouden;
c) de van algemeen belang zijnde positieve gevolgen van het bos niet worden verminderd en in het bijzonder dat wordt voorkomen dat het wild schade veroorzaakt die het bos bedreigt;
d) geen afbreuk wordt gedaan aan het algemene belang bij natuur‑ en landschapsbescherming;
e) de wilde fauna in haar diversiteit wordt bewaard als wezenlijk bestanddeel van de inheemse natuur en als bestanddeel van het natuurlijke ecosysteem;
f) het behoorlijke gebruik van terreinen voor land‑ en bosbouwkundige doeleinden zo weinig mogelijk wordt belemmerd.”
43 § 54 Sbg JagdG luidt:
„1. Voor de volgende soorten wild worden bij verordening van de deelstaatregering gesloten jachttijden vastgesteld: [...] het auerhoen, de hybride auerhoen x korhoen, het korhoen, de fazant, de houtduif, de Turkse tortel, de wilde eend, de tafeleend, de kuifeend, de zaadgans, de grauwe gans, de houtsnip, de meerkoet, de zwarte kraai, de bonte kraai, de raaf, de ekster, de Vlaamse gaai, de lachmeeuw, de blauwe reiger, de kormoraan. Tijdens de gesloten jachttijden (met inbegrip van de eerste en de laatste dag) mogen deze soorten wild [...] niet worden achtervolgd, gevangen of gedood. Bij de vaststelling van de gesloten jachttijden moet rekening worden gehouden met de biologische eigenheden van de betrokken soorten teneinde deze duurzaam in stand te houden, alsmede met de behoeften van de land‑ en bosbouw. De gesloten jachttijden kunnen ook afzonderlijk worden vastgesteld naargelang de ouderdom en het geslacht. Voor vogelsoorten die niet in bijlage II bij de vogelrichtlijn [...] zijn genoemd als soorten waarop kan worden gejaagd in Oostenrijk, mogen slechts jachttijden worden vastgesteld indien is voldaan aan de voorwaarden van § 104, lid 4. Voor alle vogelsoorten moet erop worden toegezien dat de gesloten jachttijd de nestperiode, de verschillende fasen van de broedperiode alsmede, bij trekvogels, de trek naar hun nestplaatsen omvat.
[...]”
44 In § 59 Sbg JagdG is bepaald:
„1. [...] Voorts kunnen [specimens van] in het wild levende vogelsoorten, die niet in bijlage II bij de vogelrichtlijn zijn genoemd als soorten waarop mag worden gejaagd in Oostenrijk, enkel worden gedood in het kader van een jachtplan. De deelstaatregering kan bij verordening bepalen dat sommige andere soorten wild evenzo slechts in het kader van een jachtplan mogen worden gedood, wanneer dat noodzakelijk is om een met de beginselen van § 3 overeenstemmende wildpopulatie te verkrijgen en in stand te houden. [...]
2. Bij het opstellen van een jachtplan dient steeds rekening te worden gehouden met het aantal dieren dat in de voorgaande jaren is gedood, met het gebleken aantal dieren die natuurlijk of per ongeluk zijn gestorven, met de omvang en de ontwikkeling van de door het wild aan het bos toegebrachte schade, alsmede met de gezondheidstoestand en de structuur van de wildpopulatie.
3. De deelstaatregering stelt bij verordening de nadere bepalingen vast die noodzakelijk zijn voor de opstelling en de uitvaardiging van het jachtplan. [...]”
45 § 60 Sbg JagdG bepaalt:
„[...]
3a. Voor de in § 59, lid 1, tweede volzin, bedoelde vogelsoorten mag niet worden bepaald hoeveel dieren minstens moeten worden gedood. De deelstaatregering bepaalt bij verordening en met overeenkomstige toepassing van § 104, lid 4, de maximale hoeveelheid dieren die mogen worden gedood, en de verdeling ervan over de jachtgebieden. Voor de vaststelling van die verordening worden de jachtfederatie van Salzburg, de visserijfederatie van het Land Salzburg, de kamer voor land‑ en bosbouw in Salzburg en de milieuombudsman van het Land gehoord. De maximale hoeveelheid dieren die mogen worden gedood, wordt aldus vastgesteld dat op het grondgebied van het Land een met de beginselen van § 3 overeenstemmende populatie van de betrokken vogelsoort wordt verkregen of in stand gehouden zonder dat onaanvaardbare schade wordt veroorzaakt.
[...]
4a. Het jaarlijkse jachtplan vermeldt voor elke soort wild, zo nodig naargelang de ouderdom en het geslacht, de maximumhoeveelheid dieren die mogen worden gedood of hoeveel dieren minstens moeten worden gedood, of beide, alsmede de verdeling van die hoeveelheden over de verschillende jachtgebieden. [...]”
46 § 72 Sbg JagdG luidt:
„[...]
3. Het gebruik van vallen om wilde dieren te doden is in beginsel verboden. De deelstaatregering kan echter jachteigenaars of beschermingsverenigingen bij besluit gelasten dergelijke vallen te gebruiken wanneer:
a) het leven of de gezondheid van de mens door wilde dieren wordt bedreigd en er geen andere wijze is om die bedreiging te stoppen, of
b) algemene belangen van vergelijkbaar gewicht niet anders kunnen worden beschermd.
[...]”
47 § 103 Sbg JagdG luidt:
„1. De volgende soorten wild worden in alle levensstadia bijzonder beschermd:
[...]
b) alle soorten vederwild.
2. Voor de in het eerste lid bedoelde soorten wild gelden de volgende beschermingsbepalingen:
a) Alle opzettelijke vormen van vangen of doden van dieren die uit de natuur worden weggenomen, zijn verboden.
b) Het opzettelijke storen van die soorten, in het bijzonder tijdens de voortplantings‑, broed‑, overwinterings‑ en trekperioden is verboden.
c) De opzettelijke vernieling, beschadiging of wegneming van de voortplantings‑, nest‑ of rustplaatsen is verboden.
d) Het rapen van eieren in de natuur en het bezit van eieren, zelfs leeg, is verboden.
e) Het bezit, het vervoer, de handel of de ruil alsmede het te koop aanbieden van levende of dode specimens van de soorten [...] die uit de natuur worden weggenomen, is verboden. Het verbod heeft ook betrekking op alle uit het dier verkregen producten en op iedere andere waar die, aan de hand van een geleidedocument, de verpakking, een teken, een etiket of iedere andere omstandigheid, als deel of derivaat van het dier kan worden geïdentificeerd.
f) De verkoop van levende of dode specimens van de soorten [...] die uit de natuur zijn weggenomen, alsmede het vervoer en het houden met het oog op de verkoop en het te koop aanbieden van die specimens is verboden. Dit verbod geldt ook voor de herkenbare delen van deze dieren en voor de uit deze dieren verkregen producten.
3. Wanneer ingrepen om land‑ of bosbouwkundige doeleinden, legsels bedreigen, kan de jachteigenaar deze verplaatsen of met het oog op de kunstmatige kweek wegnemen wanneer het legsel anders niet kan worden gered.”
48 In § 104 Sbg JagdG is bepaald:
„[...]
4. De autoriteit kan andere afwijkingen van de verboden vervat in § 103, lid 2, toestaan, wanneer daardoor de populatie van de betrokken wilde soort niet wordt bedreigd en er geen andere bevredigende oplossing bestaat om het beoogde doel te bereiken. Deze afwijkingen mogen enkel om de volgende doeleinden worden toegestaan:
a) de bescherming van andere wilde flora en fauna en de instandhouding van hun natuurlijke habitats;
b) de voorkoming van ernstige schade aan gewassen, veestapels, bossen, viswateren, alsmede, in het geval van haarwild, aan andere vormen van eigendom;
c) de volksgezondheid en de openbare veiligheid, alsmede, in het geval van haarwild, andere dwingende redenen van groot algemeen belang, met name redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
d) het onderzoek en het onderwijs;
e) de repopulatie of de herintroductie van deze soorten, alsmede de daartoe noodzakelijke kweek;
f) de verhandeling van een klein aantal dieren (of delen van dieren of uit deze dieren verkregen producten) van de soorten vederwild die overeenkomstig het eerste lid mogen worden gevangen of gedood.”
49 § 34 Sbg NSchG bepaalt:
„1. De natuurbeschermingsautoriteit kan op verzoek afwijkingen van de verboden van [...] toestaan. De toestemming kan [...] enkel worden verleend voor maatregelen die één van de volgende doelstellingen dienen:
[...]
2. de drankenproductie;
[...]
3. Toelatingen in de zin van het eerste lid kunnen slechts worden verleend wanneer anders het doel van de maatregel niet op bevredigende wijze kan worden bereikt en de populaties van de betrokken dier‑ of plantensoorten in het gebied door de ingreep niet achteruitgaan.”
50 § 1 Sbg Schonzeiten VO luidt:
„Voor de volgende soorten wild worden de gesloten jachttijden, waarin de eerste en de laatste dag is begrepen, als volgt vastgesteld:
Soorten wild Gesloten jachttijden
[...]
Auerhoen 1.6 – 30.4
Hybride auerhoen x korhoen 16.6 – 30.4
Korhoen 16.6 – 30.4
[...]
Houtsnip 1.1 – 28.2
16.4 – 30.9
[...]”
Land Tirol
51 Het gaat om de volgende bepalingen: § 1, lid 1, van de Zweite Durchführungsverordnung zum Tiroler Jagdgesetz 1983 [tweede verordening tot uitvoering van de wet op de jacht in Tirol, LGBl (Tirol) 16/1995; hierna: „DurchfVO Tiroler JagdG”], en § 4, lid 3, van de Tiroler Naturschutzverordnung 1997 [wet op de natuurbescherming in Tirol, LGBl (Tirol) 95/1997; hierna: „Tiroler NSchVO”].
52 § 1 DurchfVO Tiroler JagdG luidt:
„1. Behoudens andersluidende bepaling [...] mogen de volgende soorten wild slechts tijdens de onderstaande perioden (jachttijden) worden bejaagd:
[...]
9) Auerhoen: enkel in de oneven jaren, van 1 mei tot en met 15 mei;
10) Korhoen: van 10 mei tot en met 31 mei;
[...]”
53 § 4 Tiroler NSchVO bepaalt:
„[...]
2. Het is verboden, opzettelijk:
a) vogels van de beschermde soorten te storen, te achtervolgen, te vangen, te houden, levend of dood in bezit te hebben, te vervoeren, te koop aan te bieden, te verkopen, te verkrijgen of te doden;
[...]
3. Het in lid 2, sub a, vervatte verbod heeft geen betrekking op het verdrijven van kraaien, spreeuwen en merels uit land‑ en bosbouwgewassen en tuinen voor eigen gebruik.”
Land Vorarlberg
54 Het gaat om § 27, lid 1, van de Vorarlberger Jagdverordnung [verordening op de jacht in Vorarlberg, LGBl (Vorarlberg) 24/1995; hierna: „Vlbg JagdVO”]. Daarin is bepaald:
„1. Tijdens onderstaande perioden, waarin de eerste en de laatste dag is begrepen, kan worden gejaagd op:
[...]
c) het korhoen 11.05 – 31.05
[...]”
Land Wien
55 Het gaat om de volgende bepalingen: § 69, lid 1, Wiener Jagdgesetz [wet op de jacht in Wien, LGBl (Wien) 6/1948; hierna: „Wiener JagdG”], en § 1, lid 1, van de Wiener Schonzeitenverordnung (verordening op de gesloten jachttijden in Wien, LGBl (Wien) 26/1975; hierna: „Wiener SchonzeitenVO”].
56 § 69 Wiener JagdG luidt:
„1. Rekening houdend met de eisen van het grondbeheer worden volgens de beginselen van een goed jachtbedrijf bij verordening gesloten jachttijden vastgesteld voor de verschillende diersoorten waarop kan worden gejaagd [...], in voorkomend geval naargelang de ouderdom en het geslacht. Tijdens de gesloten jachttijd mag het wild niet worden achtervolgd, gevangen of gedood. De eerste en de laatste dag is in de gesloten jachttijd begrepen.
[...]”
57 § 1 Wiener SchonzeitenVO bepaalt:
„1. De volgende dieren waarop kan worden gejaagd, mogen niet worden achtervolgd, gevangen of gedood tijdens de onderstaande gesloten jachttijden:
[...]
12) De houtsnip: van 16 april tot en met 15 oktober;
[...]”
Precontentieuze procedure
58 Op 13 april 2000 heeft de Commissie de Republiek Oostenrijk een aanmaningsbrief gestuurd met betrekking tot sommige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Länder van die lidstaat. Volgens de Commissie strookten die bepalingen niet met de vereisten van een volledige en juiste uitvoering van de richtlijn.
59 De Republiek Oostenrijk heeft bij brief van 26 juli 2000 geantwoord. In die brief kondigde zij aan dat sommige bepalingen zouden worden gewijzigd, en heeft zij het standpunt van de Commissie over de juiste uitvoering van de bepalingen van de richtlijn bestreden.
60 Op 17 oktober 2003 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij de Republiek Oostenrijk heeft verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden aan dit advies te voldoen. Uit dit advies blijkt dat de Commissie sommige van de aanvankelijk geformuleerde grieven niet had gehandhaafd.
61 Bij brief van 23 december 2003 heeft de Republiek Oostenrijk op dit advies geantwoord. Zij heeft te kennen gegeven dat andere, met de rechtsopvattingen van de Commissie strokende wettelijke en bestuursrechtelijke wijzigingen op stapel stonden, en zij heeft een aantal argumenten ter onderbouwing van het door haar in haar antwoord op de aanmaningsbrief verdedigde standpunt gehandhaafd.
62 Daarop heeft de Commissie besloten om het onderhavige beroep in te stellen.
Procesverloop voor het Hof
63 In haar verzoekschrift had de Commissie negenendertig gronden van niet-nakoming tegen verweerster geformuleerd.
64 In haar verweerschrift heeft verweerster de gegrondheid van dertien van die gronden erkend. Zij heeft voorts toegegeven dat twee andere gronden gedeeltelijk gegrond waren.
65 In de procedure voor het Hof heeft de Commissie van verscheidene gronden van niet-nakoming geheel of gedeeltelijk afstand gedaan omdat zij van oordeel was dat sommige bepalingen van de richtlijn ondertussen in bepaalde Länder juist waren uitgevoerd.
66 In de huidige stand van de procedure heeft het beroep evenwel betrekking op de uitvoering van dezelfde bepalingen als die welke in het verzoekschrift aan de orde waren.
Beroep
Niet-bestreden gronden van niet-nakoming
Voorwerp van de bezwaren van de Commissie
– Schending van artikel 1, leden 1 en 2, van de richtlijn in Kärnten, Niederösterreich en Steiermark
67 Volgens de Commissie blijkt uit bijlage 1 inzake artikel 1 bij de Kärntner Tierartenschutzverordnung (verordening op de bescherming van diersoorten in Kärnten; hierna: „Krnt TaSchVO”), dat de zwarte kraai, de bonte kraai, de Vlaamse gaai, de kauw, de ekster, de huismus en de tamme duif geen beschermde soorten zijn, hoewel het om in het wild levende vogels gaat. De richtlijn eist echter in beginsel dat alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten worden beschermd.
68 De Commissie merkt op dat volgens § 3, lid 5, van de Niederösterreichische Verordnung über den Schutz wildwachsender Pflanzen und freilebender Tiere (verordening op de bescherming van wilde flora en fauna in Niederösterreich; hierna: „Nö NSchVO”), alleen de „inheemse” vogelsoorten volledige bescherming genieten. Overigens zijn vijf soorten die tot deze categorie behoren, namelijk de zwarte kraai, de bonte kraai, de kauw, de huismus en de tamme duif, uitgesloten van de door de richtlijn opgezette beschermingsregeling.
69 De Commissie betoogt dat volgens § 4 van de Steiermärkische Naturschutzverordnung (verordening op de natuurbescherming in Steiermark; hierna: „Stmk NSchVO”), de spreeuw, de huismus, de tamme duif en de raaf, ook al gaat het om inheemse soorten, van de door de richtlijn vereiste bescherming zijn uitgesloten tussen 1 juli en 31 januari.
– Schending van artikel 5 van de richtlijn in Kärnten, Niederösterreich en Steiermark
70 Volgens de Commissie blijkt uit bijlage 1 bij de Krnt TaSchVO dat de zwarte kraai, de bonte kraai, de Vlaamse gaai, de kauw, de ekster, de huismus en de tamme duif niet de door de richtlijn vereiste bescherming genieten.
71 De Commissie merkt op dat volgens § 3, lid 5, Nö NSchVO alleen de „inheemse” vogelsoorten worden beschermd. Bovendien zijn vijf van die soorten, namelijk de zwarte kraai, de bonte kraai, de kauw, de huismus en de tamme duif, uitgesloten van de door de richtlijn opgezette beschermingsregeling. Overigens is de algemene beschermingsregeling van § 18, leden 4 en 5, Nö NSchVO niet van toepassing op die soorten.
72 De Commissie betoogt dat § 13e van het Steiermärkische Naturschutzgesetz (wet op de natuurbescherming in Steiermark) voorziet in de vaststelling van verordeningen voor de bescherming van vogels die onder de richtlijn vallen. Er is evenwel geen enkele verordening op basis van die bepaling vastgesteld. Bovendien worden de spreeuw, de huismus, de tamme duif en de raaf, ook al gaat het om inheemse soorten, slechts beschermd van 1 februari tot en met 30 juni.
– Schending van artikel 7, lid 1, van de richtlijn in Niederösterreich
73 Volgens de Commissie blijkt uit de §§ 3, lid 5, en 4, punten 1 en 2, Nö NSchVO dat de zwarte kraai, de bonte kraai, de kauw en de huismus volkomen zijn uitgesloten van de door de richtlijn vereiste bescherming, en dat de Vlaamse gaai en de ekster gedeeltelijk daarvan zijn uitgesloten. Deze regeling is in strijd met artikel 7, lid 1, van de richtlijn, dat bepaalt dat alleen op de in bijlage II daarbij genoemde soorten mag worden gejaagd.
– Schending van artikel 7, lid 4, van de richtlijn in Steiermark
74 De Commissie benadrukt dat de bepalingen van § 49, lid 1, van het Steiermärkische Jagdgesetz (wet op de jacht in Steiermark; hierna: „Stmk JagdG”) juncto § 1, lid 1, van de Steiermärkische Jagdzeitenverordnung (verordening op de jachttijden in Steiermark), jachttijden vaststellen die voor bepaalde soorten in strijd zijn met de bepalingen van de richtlijn, te weten het auerhoen (1 tot en met 31 mei in plaats van 1 oktober tot en met 28 februari), het korhoen (1 tot en met 31 mei in plaats van 21 september tot en met 31 maart) en de houtsnip (16 maart tot en met 15 april en 1 september tot en met 31december in plaats van 11 september tot en met 19 februari).
– Schending van artikel 9, leden 1 en 2, van de richtlijn in Steiermark
75 Volgens de Commissie houden de §§ 62, lid 2, Stmk JagdG en 5, lid 1, Stmk NSchVO geen rekening met de bepalingen van artikel 9 van de richtlijn, aangezien zij voorzien in een algemene afwijking van de in de richtlijn vervatte beschermingsregeling ter zake van het wegnemen van nesten en het verwijderen van de voortplantingsplaatsen van de beschermde soorten die zich in particuliere tuinen en gebouwen bevinden.
76 De Republiek Oostenrijk merkt op dat wordt gewerkt aan de nodige wijzigingen om alle voormelde nationale rechtsinstrumenten af te stemmen op de richtlijn.
Beoordeling door het Hof
77 Met betrekking tot het bezwaar van de Commissie inzake de verenigbaarheid van de regeling voor de bescherming van de tamme duif in Kärnten met artikel 5 van de richtlijn, dient te worden opgemerkt dat die soort volgens punt 44 van het verzoekschrift onder de bepalingen van de richtlijn valt, terwijl in punt 47 van dat verzoekschrift wordt gesteld dat die soort geen in het wild levende vogel is.
78 Op dit punt bevat het verzoekschrift een tegenstrijdigheid, zodat het niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering. Het beroep is dus niet-ontvankelijk in zoverre het op de regeling voor de bescherming van de tamme duif in Kärnten betrekking heeft.
79 Voor het overige is het vaste rechtspraak dat het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn, en kan het Hof geen rekening houden met sindsdien opgetreden wettelijke of bestuursrechtelijke wijzigingen (zie met name arresten van 30 mei 2002, Commissie/Italië, C‑323/01, Jurispr. blz. I‑4711, punt 8, en 27 oktober 2005, Commissie/Luxemburg, C‑23/05, Jurispr. blz. I‑9535, punt 9).
80 Gelet op de kennisgeving van het met redenen omklede advies op 17 oktober 2003 en op de in dat advies gestelde termijn, dienden de betrokken bepalingen van nationaal recht uiterlijk op 17 december 2003 in overeenstemming te zijn met de voorschriften van de richtlijn.
81 Uit de opmerkingen van de Republiek Oostenrijk over de hierboven vermelde gronden van niet-nakoming blijkt dat die lidstaat toegeeft dat de maatregelen die nodig waren om de richtlijn op die verschillende punten juist uit te voeren, niet binnen de gestelde termijn waren genomen.
82 Derhalve is het beroep gegrond met betrekking tot die gronden van niet-nakoming, met uitzondering van het bezwaar inzake de regeling voor de bescherming van de tamme duif in Kärnten, dat niet-ontvankelijk is.
Bestreden gronden van niet-nakoming
Schending van artikel 1, leden 1 en 2, van de richtlijn in Burgenland en in Oberösterreich
– Land Burgenland
Argumenten van partijen
83 Volgens de Commissie worden krachtens § 16, lid 1, sub b, Bgld NSchLPflG alle in het wild levende vogelsoorten, met uitzondering van de spreeuw, beschermd, onder de in § 88a Bgld JagdG gestelde voorwaarden. De spreeuw is echter een soort die volgens artikel 1 van de richtlijn bescherming moet genieten.
84 De Commissie is ook van mening dat § 88a, lid 2, Bgld JagdG de verordening niet afhankelijk stelt van de naleving van de in artikel 9 van de richtlijn gestelde voorwaarden voor afwijking.
85 De Republiek Oostenrijk betoogt dat in beginsel niet op de spreeuw kan worden gejaagd in Burgenland. Gelet op de aanzienlijke schade die deze soort toebrengt aan de wijnbouw, heeft de wetgever van het Land het noodzakelijk geacht om afwijkende bepalingen vast te stellen op basis van artikel 9, lid 1, sub a, van de richtlijn. Zo kan de jacht op de spreeuw slechts worden toegestaan tussen 15 juli en 30 november.
86 Volgens die lidstaat strookt de bescherming van de wijnbouw, die in § 88a, lid 1, Bgld JagdG wordt vermeld, met de doelstelling van die bepaling van de richtlijn. Bovendien is voldaan aan de voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, aangezien kolonies die tot 50 000 spreeuwen kunnen tellen, elk jaar de wijngaarden van het gebied binnendringen en de gebruikelijke verdrijvingsmiddelen ontoereikend zijn gebleken.
Beoordeling door het Hof
87 Om te beginnen dient in de eerste plaats in herinnering te worden gebracht dat uit artikel 1 van de richtlijn blijkt dat deze betrekking heeft op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten, en de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten beoogt. Voorts is de doeltreffende bescherming van vogels een typisch grensoverschrijdend milieuvraagstuk dat een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de lidstaten impliceert (zie in die zin arrest van 8 juli 1987, Commissie/België, 247/85, Jurispr. blz. 3029, punt 6).
88 Bijgevolg is artikel 1 van de richtlijn niet een bepaling die een koers uitzet op programmatisch vlak, maar een bindende rechtsregel die moet worden omgezet in de rechtsordes van de lidstaten.
89 In dit verband is voor de omzetting van gemeenschapsrechtelijke bepalingen in nationaal recht niet noodzakelijk vereist dat die bepalingen formeel en letterlijk in een uitdrukkelijke, specifieke bepaling worden overgenomen, en kan een algemene juridische context daartoe voldoende zijn, wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende bepaalde en duidelijke wijze verzekert (zie met name arrest van 27 april 1988, Commissie/Frankrijk, 252/85, Jurispr. blz. 2243, punt 5).
90 Aangaande het bezwaar van de Commissie dient te worden vastgesteld dat de wetgeving van Burgenland de spreeuw, een soort die onder artikel 1 van de richtlijn valt, van 15 juli tot en met 30 november volkomen aan de bescherming van de in het wild levende vogels onttrekt.
91 Zoals de advocaat-generaal in punt 10 van haar conclusie heeft opgemerkt, is, los van de vraag of de litigieuze nationale bepalingen konden worden vastgesteld op basis van artikel 9, lid 1, sub a, derde streepje, van de richtlijn, de volledige uitsluiting van een bepaalde soort van de door artikel 1 van de richtlijn voorgeschreven beschermingsregeling, ook gedurende een beperkte, maar aanzienlijke, periode, onverenigbaar met laatstgenoemd artikel.
92 In dit verband is voorts de nauwkeurigheid van de omzetting van bijzonder belang wanneer de richtlijn in geding is, waar het beheer van het gemeenschappelijk patrimonium wordt toevertrouwd aan de lidstaten voor hun respectieve grondgebied (zie arresten van 8 juli 1987, Commissie/Italië, 262/85, Jurispr. blz. 3073, punt 9, en 7 december 2000, Commissie/Frankrijk, C‑38/99, Jurispr. blz. I‑10941, punt 53).
93 Bijgevolg zijn de wettelijke bepalingen van Burgenland waarop het onderhavige bezwaar van de Commissie betrekking heeft, in strijd met artikel 1, leden 1 en 2, van de richtlijn.
94 Dit bezwaar van de Commissie is derhalve gegrond.
– Land Oberösterreich
Argumenten van partijen
95 Volgens de Commissie doet § 27, lid 1, Oö NSchG de bescherming van wilde dieren afhangen van de vaststelling van een uitvoeringsverordening en van een aantal andere voorwaarden. Artikel 1 van de richtlijn legt evenwel de verplichting op, alle in het wild levende vogelsoorten te beschermen. Bovendien zijn volgens § 5, punt 2, Oö ArtenschutzVO de ekster, de Vlaamse gaai, de zwarte kraai en de bonte kraai volledig uitgesloten van de in die bepaling neergelegde beschermingsregeling.
96 De Republiek Oostenrijk benadrukt dat § 27, lid 2, Oö NSchG voorziet in een bestuursrechtelijke regeling voor de bescherming van planten en dieren, die rekening houdt met de vereisten van de richtlijn.
97 Die lidstaat stelt voorts dat de richtlijn een onderscheid maakt tussen inheemse soorten en vreemde soorten en daaraan rechtsgevolgen verbindt. Artikel 11 van de richtlijn eist immers dat toezicht wordt gehouden op de introductie van vreemde soorten teneinde de plaatselijke flora en fauna te beschermen.
Beoordeling door het Hof
98 Om te beginnen heeft het Hof in punt 22 van het reeds aangehaalde arrest van 8 juli 1987, Commissie/België, opgemerkt dat de beschermende werking van de richtlijn moet worden gewaarborgd voor alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van een lidstaat.
99 Bijgevolg dienen de beschermingsmaatregelen die de lidstaten krachtens artikel 1 van de richtlijn moeten nemen, eveneens betrekking te hebben op in het wild levende vogels waarvan de natuurlijke habitat zich niet op het grondgebied van die staat, maar op dat van een of meer andere lidstaten bevindt (zie in die zin arresten van 8 juli 1987, Commissie/België, reeds aangehaald, punt 22, en 8 februari 1996, Vergy, C‑149/94, Jurispr. blz. I‑299, punten 17 en 18).
100 Wat het bezwaar van de Commissie betreft moet worden vastgesteld dat de in § 27, leden 1 en 2, Oö NSchG neergelegde beschermingsregeling, met name de uitvoeringsbevoegdheid die aan de autoriteit met verordenende bevoegdheid wordt verleend, gepaard gaat met talrijke voorwaarden inzake de biologische kenmerken van de bedoelde soorten. Bovendien sluit § 5, punt 2, Oö ArtenSchutzVO sommige soorten volledig van zijn werkingssfeer uit.
101 Met betrekking tot het argument van de Republiek Oostenrijk inzake artikel 11 van de richtlijn dient te worden opgemerkt dat die bepaling enkel een specifieke verplichting stelt op grond waarvan de lidstaten erop moeten toezien dat de introductie van vogelsoorten die niet natuurlijk in het wild leven op het Europese grondgebied van de lidstaten geen schade toebrengt aan de plaatselijke flora en fauna.
102 Derhalve kan dit artikel niet worden beschouwd als een rechtsgrondslag op basis waarvan kan worden afgeweken van de beschermingsverplichtingen die krachtens artikel 1 van de richtlijn op de lidstaten rusten en die betrekking hebben op alle vogelsoorten die natuurlijk in het wild leven op het Europese grondgebied van de lidstaten, namelijk voor elk van die staten zowel de inheemse soorten als de soorten die alleen in andere lidstaten voorkomen.
103 Zoals uit punt 15 van het reeds aangehaalde arrest van 27 april 1988, Commissie/Frankrijk, blijkt, is immers gezien het belang van een volledige en doeltreffende bescherming van in het wild levende vogels binnen de gehele Gemeenschap, ongeacht hun verblijfplaats of trekroute, iedere nationale wettelijke regeling die de bescherming van in het wild levende vogels doet afhangen van de nationale fauna, onverenigbaar met de richtlijn.
104 Bijgevolg is artikel 1, leden 1 en 2, van de richtlijn niet juist uitgevoerd in Oberösterreich.
105 Het op dit punt door de Commissie geformuleerde bezwaar moet dus worden aanvaard.
Schending van artikel 5 van de richtlijn in Burgenland, Kärnten en Oberösterreich
– Land Burgenland
Argumenten van partijen
106 Volgens de Commissie verzekert de regeling betreffende de spreeuw die in § 16, lid 1, sub b, Bgld NSchLPflG en § 88a Bgld JagdG is neergelegd, voor die soort geen bescherming die met artikel 5 van de richtlijn in overeenstemming is, in ieder geval niet gedurende het gehele jaar.
107 De Commissie betoogt ook dat volgens § 6 Bgld ArtenschutzVO de bepalingen van die verordening de visserij‑ en jachtactiviteiten onverlet laten. Op basis van die bepaling zijn dus opzettelijke beschadigingen van nesten en van voortplantings‑, rust‑ en overwinteringsplaatsen van de beschermde soorten mogelijk.
108 De Republiek Oostenrijk zet uiteen dat de wetgever van het Land afwijkende bepalingen heeft vastgesteld omdat de betrokken soort aanzienlijke schade toebracht aan de wijnbouw.
109 Die lidstaat betoogt dat de bescherming van die soort wordt verzekerd in alle ontwikkelingsstadia, met inbegrip van de fase van het ei. Wat § 6 Bgld ArtenschutzVO betreft, kan de laatste volzin ervan niet aldus worden uitgelegd dat deze een algemene afwijking ten gunste van jacht‑ en visserijactiviteiten bevat.
Beoordeling door het Hof
110 Om te beginnen ziet de algemene beschermingsregeling van artikel 5 van de richtlijn volgens de eerste volzin van dit artikel op alle in artikel 1 van die richtlijn bedoelde vogelsoorten. Die regeling omvat onder meer het verbod om de beschermde vogelsoorten opzettelijk te doden, te vangen of te storen.
111 Zoals in de punten 90 en 91 van het onderhavige arrest is vastgesteld, is de omstandigheid dat de spreeuw tussen 15 juli en 30 november volledig is uitgesloten van de beschermingsregeling van de richtlijn, onverenigbaar met artikel 1 van die richtlijn.
112 Bijgevolg zijn de door de in punt 106 van het onderhavige arrest bedoelde bepalingen toegestane ingrepen ook onverenigbaar met de in artikel 5 van de richtlijn gestelde verboden.
113 Wat de door de Republiek Oostenrijk aangevoerde grond voor afwijking betreft, is het juist dat het voorkomen van schade aan de wijnbouw in beginsel een rechtvaardiging kan zijn voor het vaststellen van afwijkende maatregelen op basis van artikel 9, lid 1, sub a, derde streepje, van de richtlijn.
114 Laatstgenoemde bepaling biedt evenwel geen rechtsgrondslag om een soort, zelfs beperkt in de tijd, volkomen aan de beschermingsregeling van de richtlijn te onttrekken.
115 Wanneer een vogelsoort volkomen wordt onttrokken aan de beschermingsregeling van de richtlijn, zelfs gedurende een beperkte periode, kan dit immers een bedreiging vormen voor het bestaan van die soort. De lidstaten mogen dus slechts met inachtneming van de eisen van artikel 9, lid 2, van de richtlijn afwijkingen op de regeling voor de bescherming van in het wild levende vogels toestaan.
116 Wat de bescherming van nesten en voortplantings‑, rust‑ en overwinteringsplaatsen betreft, dient eraan te worden herinnerd dat de betrokken objecten en plaatsen vallen binnen de werkingssfeer van de beschermingsregeling die is neergelegd in artikel 5 van de richtlijn, met name sub b tot en met d daarvan.
117 Met betrekking tot de litigieuze wetgeving dient te worden opgemerkt dat het volgens § 16, lid 4, Bgld NSchLPflG verboden is, beschermde dieren te achtervolgen, te storen, te vangen, te vervoeren, te houden, te verwonden, te doden, in bezit te hebben of weg te nemen.
118 § 16, lid 2, sub d, van die wet bepaalt echter dat een uitvoeringsverordening moet vermelden voor welke soorten het verboden is, de nesten en de balts‑, voortplantings‑, rust‑ en overwinteringsplaatsen weg te nemen, te beschadigen of te vernielen.
119 Vastgesteld moet worden dat, zoals de advocaat-generaal in punt 26 van haar conclusie heeft benadrukt, door de gecombineerde werking van de leden 2 en 4 van § 16 Bgld NSchLPflG, sommige soorten niet worden beschermd, zodat die bepalingen onverenigbaar zijn met artikel 5 van de richtlijn.
120 Voorts verhelpen de bepalingen van de Bgld ArtenschutzVO die niet-uitvoering niet. De in § 2 van die verordening gestelde verboden hebben immers enkel betrekking op de nest‑, voortplantings‑, rust‑ en overwinteringsplaatsen van een klein aantal soorten, en niet op die van alle beschermde soorten.
121 Bovendien gelden krachtens § 6 Bgld ArtenschutzVO de beschermingsmaatregelen van die verordening niet voor jacht‑ en visserijactiviteiten.
122 Dergelijke activiteiten kunnen evenwel schade toebrengen aan de beschermde plaatsen en objecten bedoeld in artikel 5, sub b tot en met d, van de richtlijn.
123 Aangezien de Republiek Oostenrijk geen argumenten heeft aangevoerd die de betrokken rechtsregeling kunnen rechtvaardigen, staat de niet-nakoming vast.
124 Het bezwaar inzake schending van artikel 5 van de richtlijn is bijgevolg gegrond voor alle litigieuze bepalingen van Burgenland.
– Land Kärnten
Argumenten van partijen
125 De Commissie benadrukt dat § 68, lid 1, Krnt JagdG geen uitvoering geeft aan de in artikel 5, sub a en e, van de richtlijn gestelde verboden. De in § 68, lid 1, vervatte verboden hebben immers enkel betrekking op nesten en voortplantingsplaatsen. Overigens waarborgt § 51, lid 4a, Krnt JagdG evenmin de uitvoering van voormelde bepalingen van de richtlijn.
126 Volgens de Republiek Oostenrijk zorgt het geheel van de in Kärnten toepasselijke wettelijke bepalingen voor de nakoming van het verbod op het verstoren van de voortplantingsplaatsen van vederwild. Het is ook verboden de nesten en legsels van die soorten te vernielen of eieren te rapen zonder toestemming.
Beoordeling door het Hof
127 De in § 68, lid 1, Krnt JagdG vervatte regeling bepaalt beschermingsmaatregelen inzake de nesten, legsels, eieren en voortplantingsplaatsen van vederwild, maar zij bevat geen enkele bepaling betreffende de verplichting erop toe te zien dat de in artikel 1 van de richtlijn bedoelde vogels niet worden gedood, gevangen of gehouden, zoals artikel 5, sub a en e, van de richtlijn eist.
128 Voorts waarborgt § 51, lid 4a, Krnt JagdG evenmin dat die bepalingen van de richtlijn worden uitgevoerd, aangezien het enkel voorziet in een geheel van uitzonderingen op de algemene bescherming die voortvloeit uit het in lid 1 van dat artikel opgenomen jachtverbod.
129 Derhalve moet worden vastgesteld dat de in artikel 5, sub a en e, van de richtlijn gestelde verboden, te weten de verboden, beschermde vogels te doden, te vangen of te houden, niet in de in punt 125 van het onderhavige arrest vermelde nationale bepalingen zijn opgenomen.
130 Op dit punt is het bezwaar van de Commissie dus gegrond.
– Land Oberösterreich
Argumenten van partijen
131 Volgens de Commissie bevat § 27, lid 1, Oö NSchG maatregelen van programmatische aard die enkel de inheemse soorten betreffen. Voor de daarin verleende verordenende bevoegdheid is met name als voorwaarde voor bescherming gesteld dat de betrokken soort in het plaatselijke landschap zeldzaam is, dat de populatie ervan wordt bedreigd of dat het behoud ervan van algemeen belang is.
132 De Commissie stelt voorts dat volgens § 5, punt 2, Oö ArtenschutzVO de ekster, de Vlaamse gaai, de zwarte kraai en de bonte kraai volledig zijn uitgesloten van de daarin neergelegde beschermingsregeling.
133 De Republiek Oostenrijk benadrukt dat § 27, lid 2, Oö NSchG voorziet in de bescherming van planten en dieren bij verordening, waarbij met name rekening wordt gehouden met de artikelen 5 tot en met 7 en 9 van de richtlijn. Die doelstelling van de wetgever kan geenszins worden gerelativeerd door de verwijzing naar § 27, lid 1, Oö NSchG.
134 Die lidstaat stelt voorts dat de richtlijn een onderscheid maakt tussen inheemse soorten en vreemde soorten en daaraan rechtsgevolgen verbindt. Artikel 11 van de richtlijn eist immers dat toezicht wordt gehouden op de introductie van vreemde soorten teneinde de plaatselijke flora en fauna te beschermen.
Beoordeling door het Hof
135 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat, zoals uit punt 110 van het onderhavige arrest blijkt, de werkingssfeer van artikel 5 van de richtlijn alle in artikel 1 van die richtlijn bedoelde soorten omvat. Bijgevolg is de uitsluiting van de ekster, de Vlaamse gaai, de zwarte kraai en de bonte kraai van de in Oberösterreich geldende regeling voor de bescherming van de soorten in strijd met de richtlijn.
136 Overigens is ook de omstandigheid dat het aantal beschermde soorten wordt beperkt naargelang bepaalde voorwaarden die betrekking hebben op biologische kenmerken en op overwegingen van algemeen belang, in strijd met de richtlijn.
137 Het argument van de Republiek Oostenrijk dat de autoriteit met verordenende bevoegdheid in overeenstemming met de richtlijn moet handelen, kan die conclusie niet wijzigen. Het volstaat immers op te merken dat de met de bepalingen van een richtlijn overeenstemmende uitvoering door die autoriteit op zich niet de helderheid en nauwkeurigheid kan hebben die met het oog op de rechtszekerheid noodzakelijk zijn (zie in die zin arresten van 19 september 1996, Commissie/Griekenland, C‑236/95, Jurispr. blz. I‑4459, punten 12 en 13, en 10 mei 2001, Commissie/Nederland, C‑144/99, Jurispr. blz. I‑3541, punt 21).
138 Evenzo kan het door die lidstaat aan artikel 11 van de richtlijn ontleende argument niet worden aanvaard. Zoals uit de punten 101 en 102 van het onderhavige arrest blijkt, kan dat artikel immers niet worden beschouwd als een rechtsgrondslag op basis waarvan kan worden afgeweken van de beschermingsverplichtingen die krachtens artikel 1 van de richtlijn op de lidstaten rusten.
139 Bijgevolg moet het bezwaar inzake schending van artikel 5 van de richtlijn in Oberösterreich worden aanvaard.
Schending van artikel 6, lid 1, van de richtlijn in Oberösterreich
– Argumenten van partijen
140 Volgens de Commissie zijn overeenkomstig § 5, lid 2, Oö ArtenschutzVO de ekster, de zwarte kraai en de bonte kraai uitgesloten van de in artikel 6, lid 1, van de richtlijn neergelegde beschermingsregeling.
141 De Republiek Oostenrijk betoogt dat de bedoelde soorten niet zijn opgenomen in de lijst van vogels waarop kan worden gejaagd in Oostenrijk krachtens bijlage II bij de richtlijn, hoewel deskundigen het erover eens zijn dat die soorten voor Oostenrijk in deze bijlage moeten worden opgenomen.
– Beoordeling door het Hof
142 Artikel 6, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten voor alle in artikel 1 van die richtlijn bedoelde vogelsoorten de verkoop, het vervoer voor verkoop en het in bezit hebben voor verkoop alsmede het ten verkoop aanbieden van levende en dode vogels verbieden.
143 Met betrekking tot het door de Commissie geformuleerde bezwaar dient te worden vastgesteld dat de omstandigheid dat bovenvermelde soorten van de werkingssfeer van § 5, lid 2, Oö ArtenschutzVO zijn uitgesloten, door artikel 6, lid 1, van de richtlijn verboden activiteiten inzake de verhandeling van vogels mogelijk maakt.
144 In die omstandigheden slagen de argumenten van de Republiek Oostenrijk betreffende de relevantie van bijlage II bij de richtlijn ten aanzien van het door de Commissie geformuleerde bezwaar niet.
145 Die bijlage betreft immers de bepalingen van artikel 7 van de richtlijn, die betrekking hebben op de situatie van de soorten waarop mag worden gejaagd, en niet op de in artikel 6, lid 1, van de richtlijn vervatte beschermingsregeling.
146 De lidstaten zijn dus ongeacht de geldende jachtregeling verplicht de uitvoering van de in deze laatste bepaling gestelde verboden inzake verhandeling te waarborgen.
147 Uit het voorgaande volgt dat die verboden niet zijn uitgevoerd in Oberösterreich voor de drie vogelsoorten die hierboven zijn vermeld.
148 Op dit punt dient het beroep dus te worden toegewezen.
Schending van artikel 7, lid 1, van de richtlijn in Kärnten en Oberösterreich
– Land Kärnten
Argumenten van partijen
149 Volgens de Commissie kunnen overeenkomstig § 9, lid 2, Krnt JagdVO de zwarte kraai, de Vlaamse gaai en de ekster worden bejaagd van 1 juli tot en met 15 maart. Die regeling is in strijd met de bepalingen van de richtlijn inzake de jacht.
150 De Republiek Oostenrijk benadrukt dat de wetgever de kraaiachtigen niet in bijlage II/2 bij de richtlijn heeft opgenomen in de lijst van soorten die mogen worden bejaagd op het grondgebied van de Republiek Oostenrijk.
Beoordeling door het Hof
151 Overeenkomstig artikel 7, leden 1 en 3, van de richtlijn mag op de in bijlage II/2 bij die richtlijn genoemde soorten worden gejaagd volgens de respectieve nationale jachtwetgevingen, in de lidstaten waarbij deze soorten zijn vermeld.
152 Vaststaat dat de soorten waarop het bezwaar van de Commissie betrekking heeft, niet behoren tot de vogelsoorten die krachtens die bijlage II/2 mogen worden bejaagd in Oostenrijk.
153 Bijgevolg is de invoering van een jachtseizoen voor die soorten in strijd met artikel 7, lid 1, van de richtlijn.
154 Voorts zijn het argument van de Republiek Oostenrijk volgens hetwelk de gemeenschapswetgever nalatig zou zijn geweest met betrekking tot de inhoud van bijlage II/2 bij de richtlijn, en de omstandigheid dat de Republiek Oostenrijk wil verkrijgen dat de betrokken soorten worden opgenomen in de lijst van soorten die op haar grondgebied mogen worden bejaagd, irrelevant om de gegrondheid van het bezwaar van de Commissie te beoordelen.
155 Bijgevolg is artikel 7, lid 1, van de richtlijn niet juist uitgevoerd in Kärnten.
156 Op dit punt dient het beroep van de Commissie derhalve te worden aanvaard.
– Land Oberösterreich
Argumenten van partijen
157 Volgens de Commissie behoren overeenkomstig § 5, punt 2, Oö ArtenschutzVO de ekster, de Vlaamse gaai, de zwarte kraai en de bonte kraai niet tot de soorten die moeten worden beschermd. Met die regeling wordt afgeweken van artikel 7, lid 1, van de richtlijn, dat bepaalt dat alleen de in bijlage II/2 genoemde soorten mogen worden bejaagd in Oostenrijk.
158 De Republiek Oostenrijk verwijst naar haar argumenten betreffende het bezwaar jegens de uitvoering van dezelfde bepaling van de richtlijn in Kärnten (zie punt 150 van het onderhavige arrest).
159 Die lidstaat betoogt eveneens dat die regeling hoe dan ook in overeenstemming met de richtlijn wordt toegepast.
Beoordeling door het Hof
160 Met betrekking tot de gegrondheid van het door de Commissie geformuleerde bezwaar dient te worden verwezen naar punt 154 van het onderhavige arrest, betreffende de relevantie van bijlage II/2 bij de richtlijn voor de toepassing van artikel 7, lid 1, van die richtlijn in Oostenrijk.
161 Daaruit volgt dat § 5, punt 2, Oö ArtenschutzVO in strijd is met die bepaling van de richtlijn.
162 Aangaande het argument van de Republiek Oostenrijk dat de uitvoering in overeenstemming is met de richtlijn, volstaat het eraan te herinneren dat eenvoudige bestuurlijke praktijken, die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, niet kunnen worden beschouwd als een correcte uitvoering van de verplichtingen tot uitvoering van een richtlijn (zie in die zin arresten van 13 maart 1997, Commissie/Frankrijk, C‑197/96, Jurispr. blz. I‑1489, punt 14; 9 maart 2000, Commissie/Italië, C‑358/98, Jurispr. blz. I‑1255, punt 17, en 10 maart 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑33/03, Jurispr. blz. I‑1865, punt 25).
163 Bijgevolg dient het op dit punt door de Commissie geformuleerde bezwaar te worden aanvaard.
Schending van artikel 7, lid 4, van de richtlijn in Burgenland, in Kärnten, in Niederösterreich, in Oberösterreich, in het Land Salzburg, in Tirol, in Vorarlberg en in het Land Wien
– Land Burgenland
Argumenten van partijen
164 Volgens de Commissie kan de houtsnip overeenkomstig § 88b, lid 2, Bgld JagdG van 1 maart tot en met 15 april worden bejaagd in het kader van de Schnepfenstrich. Bovendien wijken de in § 76 Bgld JagdVO vastgestelde beschermingsperioden af van de in artikel 7, lid 4, van de richtlijn bedoelde voorwaarden met betrekking tot de houtduif (beschermd van 16 april tot en met 30 juni, terwijl dit volgens de Commissie van 1 februari tot en met 31 augustus zou moeten zijn), de Turkse tortel (16 april tot en met 30 juni in plaats van 1 maart tot en met 20 oktober), de tortel (1 november tot en met 30 juni in plaats van 11 april tot en met 31 augustus) en de houtsnip (1 januari tot en met 28 februari en 16 april tot en met 30 september in plaats van 20 februari tot en met 10 september).
165 De Republiek Oostenrijk merkt op dat de in § 76 Bgld JagdVO vastgestelde beschermingsperioden rekening houden met de klimatologische omstandigheden in die regio. Overigens wordt selectief gejaagd in Burgenland, zodat hennen, met name van de soort houtsnip, in geen enkel stadium van de voortplantingsperiode worden gestoord. Bovendien wordt bij de vastgestelde beschermingsperioden rekening gehouden met de in artikel 9 van de richtlijn gestelde voorwaarden voor afwijking. Tot slot gaat het, doordat enkel de hanen van deze soort mogen worden bejaagd, om een met dat artikel 9 overeenstemmende ingreep.
Beoordeling door het Hof
166 In haar verzoekschrift heeft de Commissie jachtkalenders voorgelegd voor de houtsnip, de houtduif, de Turkse tortel en de tortelduif, die aanzienlijk verschillen van de jachtkalenders die in de in punt 164 van het onderhavige arrest bedoelde nationale bepalingen zijn vastgesteld.
167 Die kalenders verschillen immers niet alleen met betrekking tot de totale duur van de beschermingsperioden, maar ook wat de data waarop die perioden beginnen en eindigen betreft.
168 Om de gegrondheid van het door de Commissie geformuleerde bezwaar te beoordelen, dient te worden opgemerkt dat de beschermingsperioden die krachtens artikel 7, lid 4, van de richtlijn moeten worden geëerbiedigd, moeten worden vastgesteld met inachtneming van gezaghebbende wetenschappelijke gegevens op het gebied van de avifauna (zie met name arrest van 17 januari 1991, Commissie/Italië, C‑157/89, Jurispr. blz. I‑57, punten 15, 19 en 24).
169 Het verzoekschrift bevat geen gegevens van die aard die de relevantie van de door de Commissie aangevoerde perioden kunnen onderbouwen gelet op de in artikel 7, lid 4, van de richtlijn neergelegde referentiecriteria, zoals de beginselen van een verstandig gebruik en van een ecologisch evenwichtige regulering van de betrokken vogelsoorten.
170 Voorts was de voorlegging van dergelijke wetenschappelijke gegevens temeer noodzakelijk daar de Republiek Oostenrijk te kennen heeft gegeven dat de jachtperioden in Burgenland zijn vastgesteld met inachtneming van de bijzondere klimatologische omstandigheden van die regio.
171 In die context had de Commissie passende wetenschappelijke informatie moeten verstrekken om aan te tonen dat de litigieuze jachtregelingen in strijd zijn met artikel 7, lid 4, van de richtlijn.
172 Aangezien dergelijke informatie niet is verstrekt, moet het beroep op dit punt worden verworpen.
– Land Kärnten
Argumenten van partijen
173 De Commissie voert in de eerste plaats aan dat § 9, lid 2, Krnt JagdVO voor sommige soorten jachtperioden vaststelt die in de diverse fasen van de broedperiode liggen, zonder dat voldoende wordt verwezen naar de in artikel 9 van de richtlijn gestelde voorwaarden voor afwijking. De betrokken soorten zijn het auerhoen (waarop van 10 tot en met 31 mei mag worden gejaagd, terwijl dit volgens de Commissie van 1 oktober tot en met 28 februari zou moeten zijn), het korhoen (10 tot en met 31 mei in plaats van 21 september tot en met 31 maart), de houtsnip (1 september tot en met 31 december en 16 maart tot en met 10 april in plaats van 11 september tot en met 19 februari), de meerkoet (16 augustus tot en met 31 januari in plaats van 21 september tot en met 10 maart), de houtduif (1 augustus tot en met 31 december en 16 maart tot en met 10 april in plaats van 1 september tot en met 31 januari) en de Turkse tortel (1 augustus tot en met 31 december en 16 maart tot en met 10 april in plaats van 21 oktober tot en met 20 februari).
174 Wat in het bijzonder de lentejacht betreft, merkt de Commissie in de tweede plaats op dat de aldus vastgestelde jachtperioden de baltstijd van het auerhoen, het korhoen en de houtsnip omvatten.
175 Op dit punt betoogt de Commissie dat geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de baltstijd en de nest‑ en broedperiode. Bijgevolg is de in punt 173 van het onderhavige arrest bedoelde nationale bepaling in strijd met artikel 7, lid 4, van de richtlijn.
176 De Commissie benadrukt dat de baltstijd een deel is van de nest‑ en broedperiode. Dat de baltstijd vóór de eigenlijke voortplanting plaatsvindt, kan niet tot gevolg hebben dat deze voor de bedoelde soorten van de werkingssfeer van artikel 7, lid 4, van de richtlijn wordt uitgesloten.
177 De Commissie betoogt in de derde plaats dat § 3 Krnt JagdG, dat de criteria voor de goedkeuring van een jachtplanning regelt, geenszins verwijst naar de in artikel 9 van de richtlijn gestelde voorwaarden en criteria voor afwijking.
178 De Republiek Oostenrijk erkent dat de jachtperioden in Kärnten niet in overeenstemming zijn met de richtlijn wat betreft de meerkoet, de houtduif en de Turkse tortel.
179 Die lidstaat is daarentegen van mening dat de jacht op de hanen van de soorten auerhoen, korhoen en houtsnip op de baltsplaatsen plaatsvindt buiten de nest‑ en broedperiode. De voortplanting van die soorten gebeurt immers niet op de baltsplaatsen. Bovendien waarborgen beperkende bepalingen dat slechts een kleine hoeveelheid mannetjes wordt weggenomen en dat de vrouwtjes tijdens de broedperiode worden beschermd.
180 Die lidstaat benadrukt dat de in § 51, lid 2, Krnt JagdG bepaalde jachtregeling strookt met de in artikel 7, lid 4, van de richtlijn vervatte eisen van bescherming. De jachtperioden worden immers zo vastgesteld dat een selectieve bejaging van vederwild, in kleine hoeveelheden en onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk is, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en mits die jacht het behoud van de betrokken populaties niet schaadt.
181 De Republiek Oostenrijk preciseert dat het auerhoen, het korhoen en de houtsnip vallen onder een jachtplanning die in overeenstemming is met de richtlijn. De jacht op die soorten wordt immers toegestaan op basis van een nauwkeurige inventarisering van de populatie voor elk jachtgebied en het doden van specimens wordt individueel toegestaan. Bovendien worden die toelatingen bij administratief besluit verleend aan de houders van een jachtrecht.
182 Die lidstaat zet eveneens uiteen dat wegens de beperkende bepalingen die betrekking hebben op het toezicht op de populaties, het aantal individuele dodingen en de jachtperioden, slechts een kleine hoeveelheid hanen van de betrokken soorten is gedood.
183 Die lidstaat benadrukt tot slot dat een algemeen jachtverbod voor die soorten tijdens de baltstijd tot gevolg zou hebben dat de jagers hun interesse voor die soorten vederwild zouden verliezen en niet langer inspanningen zouden leveren om de habitat van die soorten in stand te houden. Dit zou een directe invloed hebben op de populatie van die soorten, die een specifieke habitat nodig hebben, te weten bosweiland, welke veel zeldzamer is geworden.
Beoordeling door het Hof
184 Aangezien verweerster de onverenigbaarheid van de in Kärnten vastgestelde jachtperioden voor de meerkoet, de houtduif en de Turkse tortel heeft toegegeven, is het onderhavige bezwaar wat die soorten betreft gegrond.
185 Met betrekking tot de houtsnip moet worden opgemerkt dat de jacht niet alleen is toegestaan van het einde van de zomer tot aan het begin van de winter, te weten van 1 september tot en met 31 december, maar ook van het einde van de winter tot aan het begin van de lente, te weten van 16 maart tot en met 10 april. Die jacht is dus gedurende bijna vijf maanden open.
186 Een jachtregeling die zo uitgestrekt is in de tijd, kan in geen geval worden geacht binnen de werkingssfeer van artikel 9 van de richtlijn te vallen.
187 Een dergelijke jachtregeling is immers naar haar aard en door haar draagwijdte onverenigbaar met de beschermingsdoelstellingen van de richtlijn.
188 Aangezien verweerster zich niet heeft beroepen op een van de in artikel 9 van de richtlijn genoemde gronden voor afwijking die de aan de orde zijnde jachtregeling zouden kunnen rechtvaardigen, staat de niet-nakoming ook op dit punt vast.
189 Voor het auerhoen en het korhoen voorziet de aan de orde zijnde regeling slechts in een periode van lentejacht.
190 Die periode valt evenwel gedeeltelijk samen met de baltstijd van de betrokken soorten.
191 Bijgevolg dient te worden uitgemaakt of de in artikel 7, lid 4, van de richtlijn gestelde verboden betrekking hebben op de baltstijd.
192 In dit verband moet worden opgemerkt dat de in die bepaling neergelegde beschermingsregeling ruim is gedefinieerd, met verwijzing naar de biologische eigenschappen van de betrokken soorten, aangezien zij niet alleen betrekking heeft op de nestperiode, maar ook op de verschillende fasen van de broedperiode.
193 Alleen een dergelijke opvatting strookt immers met de doelstelling van artikel 7, lid 4, van de richtlijn, namelijk, zoals het Hof reeds heeft verklaard, een volledig stelsel van bescherming te garanderen gedurende de perioden waarin de in het wild levende vogels in het bijzonder in hun voortbestaan worden bedreigd (zie arresten van 17 januari 1991, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 14, en 19 januari 1994, Association pour la protection des animaux sauvages e.a., C‑435/92, Jurispr. blz. I‑67, punt 9). Die rechtspraak weerspiegelt immers de overweging dat elke ingreep gedurende de perioden die van belang zijn voor de voortplanting van de vogels, een negatieve invloed kan hebben op die voortplanting, zelfs indien slechts een deel van hun populatie wordt getroffen.
194 Dat geldt ook voor de baltstijd, gedurende welke de betrokken soorten bijzonder blootgesteld en kwetsbaar zijn.
195 Geconcludeerd dient dus te worden dat de baltstijd deel uitmaakt van de periode waarin volgens artikel 7, lid 4, van de richtlijn de jacht in beginsel verboden is.
196 Met betrekking tot de vraag of de in artikel 9 van de richtlijn neergelegde afwijkingen van toepassing kunnen zijn op situaties die worden beheerst door de bijzondere beschermingseisen van artikel 7, lid 4, van de richtlijn, heeft het Hof in het arrest van 16 oktober 2003, Ligue pour la protection des oiseaux e.a. (C‑182/02, Jurispr. blz. I‑12105, punt 9), geoordeeld dat op grond van artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van vogels in kleine hoeveelheden met inachtneming van de overige in artikel 9 opgelegde voorwaarden kan worden toegestaan gedurende de in artikel 7, lid 4, van de richtlijn genoemde perioden waarin het voortbestaan van de wilde vogels bijzonder bedreigd is.
197 Bijgevolg kan bij de jacht op wilde vogels als liefhebberij gedurende de in artikel 7, lid 4, van de richtlijn bepaalde perioden, mits de in artikel 9, lid 2, van de richtlijn opgelegde voorwaarden zijn vervuld, sprake zijn van een „verstandig gebruik” in de zin van artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn (zie in die zin arrest Ligue pour la protection des oiseaux e.a., reeds aangehaald, punt 11).
198 De bewijslast ter zake van de naleving van die voorwaarden voor elke afwijking rust evenwel bij de nationale autoriteit die daarover beslist (zie in die zin arresten van 15 december 2005, Commissie/Finland, C‑344/03, Jurispr. blz. I‑11033, punten 39 en 60, en 8 juni 2006, WWF Italia e.a., C‑60/05, Jurispr. blz. I‑5083, punt 34).
199 Met betrekking tot het vraagstuk of de in § 51, lid 2, Krnt JagdG neergelegde jachtregeling verenigbaar is met artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn, met name inzake de voorwaarde dat de toegestane jacht beperkt moet zijn tot „kleine hoeveelheden”, moeten de lidstaten bij de vaststelling van maatregelen ter uitvoering van deze laatste bepaling waarborgen dat in alle gevallen waarin de aldaar bedoelde afwijking wordt toegepast, voor alle beschermde vogelsoorten de toegestane jacht beneden een maximum blijft conform de beperking daarvan tot kleine hoeveelheden, welk maximum moet worden bepaald aan de hand van uiterst nauwkeurige wetenschappelijke gegevens (zie arrest WWF Italia e.a., reeds aangehaald, punt 29).
200 In dit verband is weliswaar, zoals verweerster betoogt, de jacht op het auerhoen en op het korhoen onderworpen aan een algemene jachtplanning, maar bovenvermelde nationale bepaling preciseert niet wat in dit kader moet worden verstaan onder het begrip „kleine hoeveelheden” in de zin van artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn.
201 Een met het gemeenschapsrecht overeenstemmende uitvoering van de richtlijn impliceert dat de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toestaan van de jacht op vogels van een bepaalde soort, in staat moeten zijn zich voor de in acht te nemen maximumhoeveelheden te baseren op voldoende nauwkeurige richtsnoeren (zie in die zin arrest WWF Italia e.a., reeds aangehaald, punt 36).
202 Bijgevolg is de in § 51, lid 2, Krnt JagdG vastgestelde jachtregeling in strijd met artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn.
203 Voorts heeft de Republiek Oostenrijk erkend dat de aan de orde zijnde soorten ook tijdens de herfst en de winter voorkomen op het betrokken grondgebied, maar daarbij gepreciseerd dat de jacht gedurende die periode van het jaar in minder gunstige omstandigheden plaatsvindt. Dit is evenwel irrelevant in het kader van de door de richtlijn opgezette beschermingsregeling.
204 In die omstandigheden is § 51, lid 2, Krnt JagdG evenmin in overeenstemming met de aanhef van artikel 9, lid 1, van de richtlijn, volgens welke afwijkingen van de bepalingen ter bescherming van vogels enkel mogen worden toegestaan indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat (zie in die zin arrest van 9 juni 2005, Commissie/Spanje, C‑135/04, Jurispr. blz. I‑5261, punt 18).
205 Gelet tot slot op de argumenten van de Republiek Oostenrijk inzake de noodzaak om de jacht op het auerhoen en op het korhoen toe te staan met het oog op het behoud en het onderhoud van hun habitat door de jagers, is de bescherming van flora weliswaar een van de in artikel 9, lid 1, sub a, vierde streepje, van de richtlijn genoemde gronden voor afwijking, maar de bescherming van die habitat kan los van de jacht worden gewaarborgd (zie in die zin Commissie/Finland, reeds aangehaald, punten 35 en 40).
206 Zoals de advocaat-generaal in punt 61 van haar conclusie heeft opgemerkt, zijn de lidstaten overigens volgens artikel 4 van de richtlijn tot deze bescherming verplicht, en dit zowel binnen als buiten de bijzondere beschermingsgebieden voor vogels.
207 De argumenten van de Republiek Oostenrijk dienen dus in hun geheel te worden afgewezen.
208 Derhalve moet worden vastgesteld dat de jachtwetgeving in Kärnten voor alle soorten waarop het onderhavige bezwaar betrekking heeft, in strijd is met de richtlijn.
209 Op dit punt is het beroep van de Commissie dus gegrond.
– Land Niederösterreich
Argumenten van partijen
210 Volgens de Commissie bepaalt § 22 Nö JagdVO voor sommige soorten jachtperioden die de nestperiode of de fasen van de broedperiode van de betrokken soorten omvatten. Het gaat om het auerhoen (waarop van 1 tot en met 31 mei mag worden gejaagd in de even jaren, terwijl dit volgens de Commissie van 1 oktober tot en met 28 februari zou moeten zijn), het korhoen (1 tot en met 31 mei in de oneven jaren in plaats van 21 september tot en met 31 maart), de hybride auerhoen x korhoen (1 januari tot en met 31 december in plaats van 1 oktober tot en met 28 maart), de houtsnip (1 september tot en met 31 december en 1 maart tot en met 15 april in plaats van 11 september tot en met 19 februari), en de houtduif (1 augustus tot en met 31 januari in plaats van 1 september tot en met 31 januari).
211 De Republiek Oostenrijk geeft toe dat de opening van de herfstjacht op de houtduif op 1 september had moeten zijn vastgesteld, zoals de Commissie aanvoert.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex