HvJ EU 15 juli 2004, C-239/02, ECLI:EU:C:2004:445

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak C‑239/02

Douwe Egberts NV

tegen

Westrom Pharma NV e.a.

(verzoek van de Rechtbank van Koophandel te Hasselt om een prejudiciële beslissing)

„Harmonisatie van wetgevingen – Uitlegging van artikel 28 EG en van richtlijnen 1999/4/EG en 2000/13/EG – Geldigheid van richtlijn 1999/4/EG – Etikettering van en reclame voor levensmiddelen – Verbod van verwijzingen naar gezondheid”

Samenvatting van het arrest

1. Harmonisatie van wetgevingen – Etikettering en presentatie van levensmiddelen – Extracten van koffie en extracten van chicorei – Richtlijn 1999/4 – Verkoopbenamingen – Gelijktijdig gebruik van fantasienaam of handelsmerk – Toelaatbaarheid

(Richtlijn 1999/4 van het Europees Parlement en de Raad, art. 2)

2. Harmonisatie van wetgevingen – Etikettering en presentatie van en reclame voor levensmiddelen – Richtlijn 2000/13 – Nationale regeling die verwijzingen naar „vermageren” en naar „medische aanbevelingen of attesten” in etikettering van levensmiddelen verbiedt – Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardiging – Geen

(Richtlijn 2000/13 van het Europees Parlement en de Raad, art. 18, leden 1 en 2)

3. Vrij verkeer van goederen – Kwantitatieve beperkingen – Maatregelen van gelijke werking – Nationale regeling die verwijzingen naar „vermageren” en naar „medische aanbevelingen of attesten” in reclame voor levensmiddelen verbiedt – Ontoelaatbaarheid – Rechtvaardiging – Geen

(Art. 28 EG en 30 EG)

1. Artikel 2 van richtlijn 1999/4 inzake extracten van koffie en extracten van chicorei, dat bepaalt dat de in de bijlage bij deze richtlijn genoemde verkoopbenamingen uitsluitend mogen worden gebruikt voor de daar genoemde producten en in de handel moeten worden gebruikt ter aanduiding van die producten, moet aldus worden uitgelegd dat het niet is verboden dat bij het in de handel brengen van deze producten naast de verkoopbenamingen, andere benamingen worden gebruikt, zoals een fantasie‑ of handelsnaam.

(cf. punten 24, 29, dictum 1)

2. Artikel 18, leden 1 en 2, van richtlijn 2000/13 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame verzet zich tegen een nationale regeling die verwijzingen naar het „vermageren” en naar „medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring” in de etikettering en de presentatie van levensmiddelen verbiedt.

Levensmiddelen waarvan de etikettering niet-misleidende vermeldingen op het gebied van de gezondheid bevat, moeten immers worden geacht te voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, en de lidstaten mogen de verhandeling van deze levensmiddelen niet verbieden op gronden die zijn ontleend aan de eventuele onregelmatigheid van die etikettering. Richtlijn 2000/13 staat de lidstaten evenwel toe, niet-geharmoniseerde nationale bepalingen, zoals de in het geding zijnde regeling, toe te passen die de verhandeling van aan deze richtlijn conforme levensmiddelen verbieden, wanneer deze bepalingen gerechtvaardigd zijn uit hoofde van met name de bescherming van de volksgezondheid en van de consumenten. Een dergelijke regeling gaat echter verder dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze doelstellingen.

(cf. punten 38‑39, 44, 47, dictum 2)

3. De artikelen 28 EG en 30 EG verzetten zich tegen een nationale regeling die verwijzingen naar het „vermageren” en naar „medische aanbevelingen, attesten, citaten of adviezen of naar verklaringen ter goedkeuring” in reclame voor uit andere lidstaten ingevoerde levensmiddelen verbiedt.

Het is immers niet uitgesloten dat het feit dat de betrokken marktdeelnemer gedwongen wordt, een door hem bijzonder doeltreffend geacht reclamesysteem op te geven, een invoerbelemmering vormt.

Bovendien kan een absoluut verbod op reclame voor de eigenschappen van een product de toegang tot de markt sterker belemmeren voor nieuwe producten uit andere lidstaten dan voor nationale producten, waarmee de consument meer vertrouwd is.

Een dergelijke belemmering kan bovendien niet worden gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van de gezondheid van personen en het tegengaan van misleiding, aangezien een dergelijke regeling verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze doelstellingen.

(cf. punten 52‑53, 56, 59, dictum 3)

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer) 15 juli 2004(1)

„Harmonisatie van wetgevingen – Uitlegging van artikel 28 EG en richtlijnen 1999/4/EG en 2000/13/EG – Geldigheid van richtlijn 1999/4/EG – Etikettering en presentatie van levensmiddelen – Verbod van verwijzingen naar gezondheid”

en

en

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

gehoord de mondelinge opmerkingen van Douwe Egberts NV, vertegenwoordigd door T. Heremans, advocaat; FICS-World BVBA, vertegenwoordigd door Y. Van Wallendael en door M. Roosen, advocaat; de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder en D. Haven als gemachtigden; het Parlement, vertegenwoordigd door A. Baas en M. Moore; de Raad, vertegenwoordigd door E. Karlsson en door B. Driessen als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door M.-J. Jonczy en A. Nijenhuis als gemachtigden, ter terechtzitting van 6 november 2003,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 december 2003,

het navolgende

of

1. de benaming waaronder het product wordt verkocht,

[...]”

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

Timmermans Puissochet Cunha Rodrigues

Schintgen Colneric

De griffier De president van de Tweede kamer

R. Grass C. W. A. Timmermans

1 – Procestaal: Nederlands.

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in