HvJ EU 29 april 2004, C-17/01, ECLI:EU:C:2004:242
Tekst
Zaak C‑17/01
Finanzamt Sulingen
tegen
Walter Sudholz
(verzoek van het Bundesfinanzhof om een prejudiciële beslissing)
„Zesde BTW-richtlijn – Artikelen 2 en 3 van beschikking 2000/186/EG – Forfaitaire beperking van recht op aftrek van BTW over voertuigen die niet uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt – Machtiging met terugwerkende kracht voor nationale fiscale maatregel”
Samenvatting van het arrest
Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde – Aftrek van voorbelasting – Bijzondere afwijkende maatregelen – Beschikking 2000/186 waarin machtiging wordt verleend voor forfaitaire beperking van recht op aftrek – Schending van procedure tot vaststelling of van inhoudelijke eisen – Geen – Toepassing met terugwerkende kracht – Schending van vertrouwensbeginsel
(Richtlijn 77/388 van de Raad, art. 27; beschikking 2000/186 van de Raad, art. 2 en 3)
Beschikking 2000/186, waarbij de Bondsrepubliek Duitsland wordt gemachtigd af te wijken van de artikelen 6 en 17 van de Zesde richtlijn (77/388) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, die krachtens artikel 27 van die richtlijn is gegeven, beoogt onder meer het recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde die is begrepen in uitgaven voor voertuigen die niet uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt, tot 50 % te beperken.
Het feit dat deze beschikking is vastgesteld nadat de Duitse autoriteiten afwijkende maatregelen hadden vastgesteld, dat de Duitse Bondsrepubliek haar verzoek om machtiging om dergelijke maatregelen te treffen niet heeft bekendgemaakt en dat de Raad uit de tekst van dat verzoek om machtiging heeft afgeleid dat het nagestreefde doel erin bestond, de heffing van de belasting te vereenvoudigen, zonder dat deze doelstelling uitdrukkelijk in het verzoek werd ingeroepen, impliceert niet dat de procedure die tot de vaststelling van de beschikking heeft geleid, onregelmatig is.
Artikel 2 van genoemde beschikking, waarin machtiging wordt verleend voor een forfaitaire beperking van de toegestane aftrek tot 50 % van de betaalde voorbelasting over de toegevoegde waarde, voldoet overigens aan de inhoudelijke eisen van artikel 27, lid 1, van de Zesde richtlijn. In het bijzonder mocht de Raad zich op het standpunt stellen dat deze beperking een noodzakelijk en geschikt middel was om belastingfraude en ‑ontwijking tegen te gaan en om de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde te vereenvoudigen.
Artikel 3 van beschikking 2000/186 is daarentegen in strijd met het vertrouwensbeginsel voorzover daarin wordt bepaald dat de door de Raad aan de Bondsrepubliek Duitsland verleende machtiging met terugwerkende kracht van toepassing is, en is derhalve ongeldig. De genoemde bepaling verleent immers machtiging voor het vaststellen van een afwijkende nationale maatregel die in een beperking van de aftrek van de belasting voorziet, voordat de Raad daartoe machtiging had verleend, op een moment waarop de betrokkenen in redelijkheid mochten blijven aannemen dat het beginsel van de volledige aftrek van de belasting van toepassing was.
(cf. punten 23, 25, 30‑31, 39‑41, 43, 60, 70, dictum 1‑3)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer) 29 april 2004(1)
„Zesde BTW-richtlijn – Artikelen 2 en 3 van beschikking 2000/186/EG – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde: uniforme grondslag – Forfaitaire beperking van recht op aftrek van BTW over voertuigen die niet uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt – Machtiging met terugwerkende kracht voor nationale fiscale maatregel”
en
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Duitse regering, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing, bijgestaan door T. Lübbig; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door K. P. E. Lasok, QC; de Raad, vertegenwoordigd door K. Borchers en A.-M. Colaert, en de Commissie, vertegenwoordigd door K. Gross, ter terechtzitting van 30 januari 2003,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 oktober 2002,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 maart 2003,
het navolgende
[…]
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
Jann Timmermans von Bahr
De griffier De president
R. Grass V. Skouris
1 – Procestaal: Duits.
Aangehaald in
- Gerecht EU 7 oktober 2015, T-79/13, ECLI:EU:T:2015:756
- HvJ EU 13 februari 2019, C-434/17, ECLI:EU:C:2019:112
- Gerecht EU 11 december 2015, T-124/14, ECLI:EU:T:2015:955
- HvJ EU 16 oktober 2019, C-490/18, ECLI:EU:C:2019:863
- HvJ EU 14 december 2017, C-305/16, ECLI:EU:C:2017:970
- Conclusie A-G Ettema 30 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:645
- CBb 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:683
- CBb 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:678