Art. 4.3.8 Wetboek van Strafvordering
1. Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:
a. de verklaring van de verdachte;
b. de verklaring van een getuige;
c. de verklaring van een deskundige;
d. een schriftelijk stuk;
e. een geluids- of beeldopname;
f. de eigen waarneming van de rechter.
2. Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid behoeven geen bewijs.