Art. 2.5.8 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

De opsporingsambtenaar stelt de identiteit van de aangehouden verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste lid. Hij onderzoekt tevens een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Verwijst naar

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen