Art. 2.10.49 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. De rechter-commissaris neemt, indien hij het in artikel 2.10.46, eerste lid, omschreven bevel geeft, zoveel mogelijk in overleg met de officier van justitie, de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om de identiteit van de afgeschermde getuige en de persoon ten aanzien van wie een verzoek of een vordering als bedoeld in artikel 2.10.46, eerste lid, wordt gedaan, verborgen te houden.

2. Artikel 2.10.44, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Verwijst naar

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen