Art. 2. Rijkswet inperking gevolgen Brexit, Optierecht
Rijkswet inperking gevolgen Brexit
1. Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap herkrijgt een vreemdeling door een bevestiging als bedoeld in artikel 6, derde lid, van die rijkswet het Nederlanderschap, indien:
a. het verlies van het Nederlanderschap heeft plaatsgevonden op een moment tussen 23 juni 2016 en de inwerkingtreding van deze rijkswet;
b. dat verlies heeft plaatsgevonden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, of artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c of e, van de Rijkswet op het Nederlanderschap omwille van het verkrijgen of bezitten van de Britse nationaliteit; en
c. die vreemdeling vanaf 23 juni 2016 tot het moment waarop de optieverklaring wordt afgelegd onafgebroken hoofdverblijf heeft in het Verenigd Koninkrijk.
2. Indien de vreemdeling is geboren na 23 juni 2016, moet in het eerste lid, onderdeel c, in plaats van «vanaf 23 juni 2016» worden gelezen «vanaf zijn geboorte».
3. Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader, moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, die een verklaring als bedoeld in het eerste lid aflegt, deelt in de verkrijging indien het in de verklaring tot dat doel is vermeld en voldoet aan de in het eerste lid onder a en b genoemde voorwaarden.
4. Artikel 6, tweede tot en met zesde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 en hoofdstukken I en II, paragrafen 1 en 5, en IIIA van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, zijn van overeenkomstige toepassing.
5. De artikelen 6, negende lid, en 6a van de Rijkswet op het Nederlanderschap zijn niet van toepassing.