Art. 3 Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië inzake de status van personeel van hun Ministeries van Defensie aanwezig op elkaars grondgebied in het kader van defensiesamenwerking, Tucht en rechtsmacht
1. Het personeel van de zendstaat eerbiedigt, tijdens de aanwezigheid op het grondgebied van de ontvangende staat in het kader van militaire activiteiten die worden uitgevoerd uit hoofde van dit Verdrag, de wet- en regelgeving van de ontvangende staat en onthoudt zich van elke activiteit die indruist tegen de geest van dit Verdrag, en met name van politieke activiteiten in de ontvangende staat. De officier die het bevel voert over het personeel van de zendstaat neemt de daartoe benodigde maatregelen.
2. De autoriteiten van de ontvangende staat hebben geen disciplinair gezag over het personeel van de zendstaat. Voor dit personeel blijft de nationale militaire tuchtwetgeving van de zendstaat gelden, uitgevoerd door de bevelvoerend officier van dat personeel.
3. De zendstaat heeft voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht in strafzaken over personeel van de zendstaat met betrekking tot de volgende vergrijpen:
a. Wanneer het vergrijp plaatsvindt tegen de veiligheid of eigendommen van de zendstaat, of;
b. Wanneer het vergrijp voortvloeit uit een handelen of nalaten in het kader van de uitoefening van officiële taken, of;
c. Wanneer het vergrijp uitsluitend gericht is tegen de persoon of eigendommen van een ander lid van het personeel van de zendstaat.
4. In het geval dat de autoriteiten van de ontvangende staat een lid van het personeel van de zendstaat in hechtenis nemen wegens strafbare feiten waarvoor de zendstaat voorrang heeft bij de uitoefening van rechtsmacht in strafzaken, zoals bepaald in het derde lid van dit artikel, dragen zij deze persoon onmiddellijk over aan de bevelvoerend officier van het personeel van de zendstaat en zenden deze officier onverwijld een schriftelijk rapport over de aangelegenheid.
5. In het geval dat de zendstaat besluit geen gebruik te maken van zijn voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht in strafzaken zoals voorzien in het derde lid van dit artikel, dan stellen zijn bevoegde autoriteiten de bevoegde autoriteiten van de ontvangende staat zo spoedig mogelijk, en schriftelijk, in kennis van zijn intentie om af te zien van zijn voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht in strafzaken. In een dergelijk geval kan de ontvangende staat zijn rechtsmacht in strafzaken uitoefenen.
6. De ontvangende staat heeft uitsluitend voorrang bij het uitoefenen van rechtsmacht in strafzaken over personeel van de zendstaat dat zich bevindt op het grondgebied van de ontvangende staat, met betrekking tot vergrijpen die voortvloeien uit handelen of nalaten die voldoen aan alle volgende voorwaarden:
a. het vergrijp is begaan door personeel van de zendstaat op het grondgebied van de ontvangende staat of aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig dat in de ontvangende staat is geregistreerd; en
b. het is begaan gedurende een bezoek in het kader van militaire activiteiten; en
c. het valt niet onder de toepassing van het derde lid van dit artikel.
7. In het geval dat de ontvangende staat besluit geen gebruik te maken van zijn voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht in strafzaken zoals voorzien in het zesde lid van dit artikel, dan stellen zijn bevoegde autoriteiten de bevoegde autoriteiten van de zendstaat zo spoedig mogelijk, en schriftelijk, in kennis van zijn intentie om af te zien van zijn voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht in strafzaken. In een dergelijk geval kan de zendstaat zijn rechtsmacht in strafzaken uitoefenen.
8. De autoriteiten van de staat die voorrang heeft bij de uitoefening van rechtsmacht in strafzaken nemen verzoeken van de autoriteiten van de andere staat af te zien van de uitoefening van die voorrang in zaken ten aanzien waarvan die andere staat zulks van bijzonder belang acht in welwillende overweging.
9. Indien de bevoegde autoriteiten van de ontvangende staat daarom verzoeken, stellen de bevoegde autoriteiten van de zendstaat, met inachtneming van hun wet- en regelgeving, deze autoriteiten van de ontvangende staat in kennis van de stand van zaken met betrekking tot strafrechtelijke procedures inzake strafbare feiten die rechtstreeks de belangen van de ontvangende staat en/of zijn onderdanen schaden en die op het grondgebied van de ontvangende staat zijn gepleegd door personeel van de zendstaat, met inbegrip van de afwikkeling van het onderzoek of de vervolging.
10. De autoriteiten van de ontvangende staat mogen geen doodstraf opleggen.
11. De bevoegde autoriteiten van de ontvangende staat en van de zendstaat verlenen elkaar hulp bij de uitvoering van alle noodzakelijke onderzoeken ter zake van vergrijpen en bij het bijeenbrengen en overdragen van bewijsmateriaal, met inbegrip van het inbeslagnemen en in daarvoor in aanmerking komende gevallen het overdragen van voorwerpen die in verband staan met het vergrijp. Het overdragen van deze voorwerpen kan evenwel afhankelijk worden gesteld van teruggave daarvan binnen de tijd hiervoor vastgesteld door de autoriteit, die de voorwerpen overdraagt.
Artikelen die hiernaar verwijzen
Vorige artikelen
- Artikel 1 Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië inzake de status van personeel van hun Ministeries van Defensie aanwezig op elkaars grondgebied in het kader van defensiesamenwerking
- Artikel 2 Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië inzake de status van personeel van hun Ministeries van Defensie aanwezig op elkaars grondgebied in het kader van defensiesamenwerking
Volgende artikelen
- Artikel 4 Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië inzake de status van personeel van hun Ministeries van Defensie aanwezig op elkaars grondgebied in het kader van defensiesamenwerking
- Artikel 5 Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië inzake de status van personeel van hun Ministeries van Defensie aanwezig op elkaars grondgebied in het kader van defensiesamenwerking
- Artikel 6 Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië inzake de status van personeel van hun Ministeries van Defensie aanwezig op elkaars grondgebied in het kader van defensiesamenwerking
- Artikel 7 Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië inzake de status van personeel van hun Ministeries van Defensie aanwezig op elkaars grondgebied in het kader van defensiesamenwerking
- Artikel 8 Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië inzake de status van personeel van hun Ministeries van Defensie aanwezig op elkaars grondgebied in het kader van defensiesamenwerking