Art. 106 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd, Betrekkingen met de buitenwereld
Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
Zodra hij is geïnterneerd of uiterlijk één week na aankomst in een interneringsoord en evenzo in geval van ziekte, overbrenging naar een ander interneringsoord of naar een ziekeninrichting, zal iedere geïnterneerde in de gelegenheid worden gesteld enerzijds aan zijn familie en anderzijds aan het Centraal Bureau, bedoeld in artikel 140, rechtstreeks een interneringskaart te zenden, zo mogelijk overeenkomstig het als bijlage aan dit Verdrag gehecht model, welke hen inlicht over zijn internering, adres en gezondheidstoestand. Bedoelde kaarten moeten met de grootst mogelijke spoed worden doorgezonden en mogen op geen enkele wijze worden opgehouden.
Vorige artikelen
- Artikel 101 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 102 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 103 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 104 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 105 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
Volgende artikelen
- Artikel 107 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 108 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 109 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 110 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
- Artikel 111 Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd