Art. 7 Burgerrechtelijk Verdrag inzake Corruptie, Verjaringstermijnen

Burgerrechtelijk Verdrag inzake Corruptie

1. Elke Partij voorziet in haar interne recht erin dat op het instellen van de vordering tot schadevergoeding een verjaringstermijn van ten minste drie jaren van toepassing is, te rekenen vanaf de dag waarop de benadeelde persoon bekend is geworden met of redelijkerwijs bekend had behoren te zijn met de opgetreden schade of met het plaatsvinden van een corrupte handeling en met de identiteit van de verantwoordelijke persoon. Een dergelijke vordering kan evenwel niet meer worden ingesteld na het verstrijken van een verjaringstermijn van ten minste tien jaren, te rekenen vanaf de datum waarop de corrupte handeling plaatsvond.

2. De wetgeving van de Partijen waarin stuiting of schorsing van de verjaringstermijnen worden geregeld is, indien van toepassing, van toepassing op de in het eerste lid voorgeschreven termijnen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen