Art. 9 Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend

Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds

1. De bijstand kan worden geweigerd of van het voldoen aan bepaalde voorwaarden of vereisten afhankelijk worden gesteld wanneer een Overeenkomstsluitende Partij van mening is dat het verlenen van bijstand in het kader van deze overeenkomst:

a. afbreuk kan doen aan de soevereiniteit van Zuid-Afrika of van een lidstaat die op grond van dit protocol om bijstand is verzocht; of

b. de openbare orde, de staatsveiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar kan brengen, met name in de gevallen bedoeld in artikel 10, lid 2; of

c. de schending inhoudt van een industrieel, een handels- of een beroepsgeheim.

2. De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen op grond van het feit dat deze een onderzoek, een gerechtelijke vervolging of een lopende procedure zou storen. In dat geval raadpleegt de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit om na te gaan of de bijstand kan worden verleend onder voorbehoud van regelingen of voorwaarden die de aangezochte autoriteit kan eisen.

3. Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. Het is dan aan de aangezochte autoriteit om te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek zal reageren.

4. In de in lid 1 en 2 bedoelde gevallen dienen het besluit van de aangezochte autoriteit en de redenen die het besluit ervoor verklaren, onverwijld aan de verzoekende autoriteit te worden meegedeeld.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen