Bijlage 1 Besluit zuivere splitsing 2026: voorwaarden voor de toepassing van artikel 14a, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bij een splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon ophoudt te bestaan (zuivere splitsing)

Besluit zuivere splitsing 2026

In deze voorwaarden wordt verstaan onder: BW Burgerlijk wetboek Wet Vpb 1969 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zuivere splitsing een splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon ophoudt te bestaan als bedoeld in artikel 14a,Wet Vpb 1969 splitsende rechtspersoon de rechtspersoon die in het kader van een zuivere splitsing zijn vermogensbestanddelen overdraagt verkrijgende rechtspersoon een rechtspersoon die in het kader van een zuivere splitsing vermogensbestanddelen verkrijgt, dan wel de fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 Wet Vpb 1969 waartoe deze rechtspersoon behoort bij de splitsing betrokken rechtspersonen: de splitsende rechtspersoon, dan wel een verkrijgende rechtspersoon onderneming de vermogensbestanddelen met de daarbij eventueel behorende activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon splitsingstijdstip het tijdstip met ingang waarvan de overgedragen vermogensbestanddelen worden geacht rechtstreeks voor rekening en risico van de verkrijgende rechtspersonen te komen Als in deze voorwaarden wordt verwezen naar artikel 13c Wet Vpb 1969 wordt daarmee bedoeld de in artikel 33b, vijfde lid, Wet Vpb 1969 opgenomen overgangsregeling op grond waarvan de wettekst zoals deze luidde op 31 december 2011 van toepassing blijft op – kort gezegd – dan bestaande 13c-situaties. Als vorderingen op een verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, Wet Vpb 1969, die na het splitsingstijdstip niet door schuldvermenging teniet gaan, als rechtstreeks gevolg van de zuivere splitsing in waarde verminderen, blijven deze waardeverminderingen bij het bepalen van de winst buiten aanmerking. Latere waardestijgingen van deze vorderingen worden tot het bedrag van de waardeverminderingen bij het bepalen van de winst buiten aanmerking gelaten. Indien tot het vermogen van de splitsende rechtspersoon een immaterieel activum behoort, dan wel na het splitsingstijdstip een immaterieel activum tot het vermogen van de verkrijgende rechtspersoon gaat behoren, treedt de verkr