Bijlage 4 Besluit kerndoelen primair en speciaal onderwijs 2026: functionele kerndoelen arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel als bedoeld in artikel 4
Besluit kerndoelen primair en speciaal onderwijs 2026
Kerndoel 1 De school stimuleert de taalcompetentie van leerlingen. Doelzin: Het gaat hierbij om: A. De school zorgt voor een rijke taal- en leesomgeving. a. aanbieden van taalactiviteiten in betekenisvolle contexten; b. aanbieden van teksten aansluitend bij de interesses of de actualiteit; c. aanbieden van kennis en vaardigheden uit het leergebied Nederlands in onderlinge samenhang; d. stimuleren van de leesmotivatie en de durf om te spreken en/of te schrijven; e. ruimte bieden aan verschillende talen en taalvariëteiten van leerlingen. B. De school stimuleert de taalontwikkeling van de leerling in alle leergebieden en praktijkvakken. a. stimuleren van betekenisvolle activiteiten waarin school- en vaktaal en vakspecifieke taalvaardigheden verworven kunnen worden; b. stimuleren van het gebruiken van rijke teksten over inhoudelijke thema’s in alle leergebieden en praktijkvakken; c. stimuleren van taalproductie en interactie in alle leergebieden en praktijkvakken; d. stimuleren van aandacht voor taalverzorging en taalgebruik in alle leergebieden en praktijkvakken; e. aanbieden van een schoolbrede set van aanpakken en flexibel inzetbare strategieën bij het ondersteunen van taalactiviteiten in andere leergebieden en praktijkvakken. Kerndoel 2 De leerling doet ervaring op met teksten. Doelzin: Het gaat hierbij om: A. De leerling toont basaal begrip van teksten. a. actief luisteren, kijken en/of lezen, eventueel met inzet van ondersteunde communicatie; b. inzetten en uitbreiden van woordenschat, kennis over taal, kennis van de wereld en werkgerelateerde onderwerpen; c. beschrijven van perspectieven, communicatieve doelen, publiek, context; d. in eigen woorden weergeven van de inhoud van teksten; e. toepassen van aanpakken en begripsverhogende strategieën. B. De leerling verkent vorm en inhoud van verschillende bronnen. a. oriënteren op kenmerken van aangereikte bronnen: maker, tekstsoort en verschijningsdatum; b. benoemen van inhouds- en vormelementen die vragen oproepen; c