Bijlage 3 Beleidsregel Exameninstituut IBKI certificering bijscholingen en bijlessen (2026): leerdoelen theoretische bijscholingen wrm
Beleidsregel Exameninstituut IBKI certificering bijscholingen en bijlessen (2026)
Rijinstructeurs moeten om hun WRM-certificaat geldig te houden in vijf jaar zes dagdelen theoriebijscholing volgen. Eén dagdeel is minimaal drie klokuren. Elke bijscholingscursus die een rijinstructeur volgt moet uniek zijn qua inhoud en leerdoelen. Daarnaast dient per vijf jaar één bijscholing over relevante wet- en regelgeving gevolgd te worden. De theoriebijscholing heeft geen door het IBKI afgenomen toets, alleen een aanwezigheidsverplichting. Wel moet de opleider zelf tijdens de cursus nagaan of elke cursist de behandelde lesstof heeft begrepen, bijvoorbeeld door een meerkeuzevragentoets. De door IBKI vastgestelde leerdoelen staan in dit document. Het document bevat alle onderwerpen waar een rijinstructeur met ingang van 2026 uit kan kiezen. Voor alle genoemde bijscholingsonderwerpen geldt als ingangsdatum 1 januari 2026. Deze bijscholingsonderwerpen kunnen gevolgd worden tot 01 januari 2030. Met ingang van 01 januari 2029 kan een belanghebbende bij IBKI een verzoek indienen om een bijscholingsonderwerp met vier jaar verlengd te krijgen per 1 januari 2030 (kortom tot en met uiterlijk 2034), waarbij de mogelijkheid bestaat dat de leerdoelen worden geactualiseerd. Alle toegestane aanbieders van cursussen staan in een overzichtstabel op de IBKI-site. Alle onderstaande theoretische bijscholingsonderwerpen zijn door IBKI goedgekeurd per 1 januari 2026 en gelden voor een periode van vier jaar. N.B. Deze leerdoelen zijn aangepast aan de laatste versie van de Rijprocedure. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren: Aan het einde van dagdeel 1 kan de instructeur: Aan het einde van dagdeel 2 kan de instructeur: Dagdeel 1: Dagdeel 2: Aan het einde van dagdeel 1 kan de instructeur: Aan het einde van dagdeel 2 kan de instructeur: Dagdeel 1: Dagdeel 2: De docent-rijinstructeur behoeft niet NIBHV- of Oranje Kruis-gecertificeerd te zijn. De bijscholing Auto te water wordt gegeven onder leiding van ervaren duikers en gecertificeerde instructeurs. De rijinstructeur kan: Dez
- 1. De stagementor ordent de te behandelen oefentaken in een lesprogramma van makkelijk naar moeilijk.
- 2. De stagementor plant een aantal lesactiviteiten waarin de stagiaire lestaken leert op een steeds moeilijker/complexer niveau.
- 3. De stagementor werkt in de voorbereiding van zijn programma en de afzonderlijke lessen toe naar de exameneisen, gebruikmakend van het standaard-beoordelingsprotocol.
- 4. De stagementor plant verschillende lesroutes die passen bij de in het programma aan te leren lestaken.
- 5. De stagementor maakt bij het kiezen van lesactiviteiten een verantwoorde mix tussen voordoen, uitleg geven en opdrachten geven.
- 6. De stagementor zorgt ervoor dat het lesvoertuig technisch in orde is en er verzorgd uit ziet. Hij gaat na of de gebruikte leermiddelen beschikbaar zijn en werken.
- 7. De stagementor heeft de activiteiten zo gepland en voorbereid dat er weinig effectieve lestijd verloren gaat.
- 8. De stagementor zorgt bij afwijken van de planning ervoor dat overlast voor de stagiaire wordt vermeden.
- 9. De stagementor maakt na afloop van de les een vervolgafspraak met de stagiaire.
- 10. De stagementor maakt concrete en functionele afspraken met de stagiaire.
- 11. De stagementor geeft aan wat er in de afzonderlijke lesonderdelen aan bod komt en in welke volgorde. Hij beoordeelt de les van de stagiaire hierop en begeleidt op passende momenten desgewenst de stagiaire naar het gewenste niveau (rijinstructeur – mentor – coach).
- 12. De stagementor gaat na of de uitleg en de demonstratie conform de richtlijnen in de Rijprocedure gegeven worden en stuurt dit waar nodig bij.
- 13. De stagementor gaat na of de uitleg en de demonstratie conform de richtlijnen in de handelingsanalyse gegeven worden en stuurt dit waar nodig bij.
- 14. De stagementor stelt het leerresultaat vast, bespreekt essentiële zaken met de stagiaire en vult dit in op het beoordelingsprotocol.
- 15. De stagementor gaat samen met de stagiaire na hoe het leerproces is verlopen.
- 16. De stagementor houdt tijdens de les relevante gebeurtenissen bij in het lesgedrag van de stagiaire.
- 17. De stagementor geeft een beschrijving van het waargenomen lesgedrag van de stagiaire en bespreekt deze waarnemingen met de stagiaire.
- 18. De stagementor vat zijn observaties samen op het evaluatieformulier. De stagementor bespreekt de resultaten zodanig met de stagiaire dat deze aanknopingspunten heeft voor verbetering van het lesgedrag.
- 1. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat structuur in instructie betekent en waarom het aanbrengen van structuur in de motorrijopleiding van belang is.
- 2. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat een lesdoelstelling is en wat de zin en het voordeel is van het werken aan de hand van doelstellingen.
- 3. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat wordt bedoeld met transfer en kan verklaren waarom met name in de motorrijinstructie gebruik gemaakt kan worden van het onderlinge verband tussen instructieonderdelen.
- 4. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat de vier instructiefases zijn en waarom het systematisch doorlopen daarvan van belang is in de instructie.
- 5. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren welke factoren en technieken van belang zijn bij het verzorgen van een duidelijke praktijkdemonstratie in de motorrijinstructie.
- 6. De rijinstructeur kan demonstreren hoe structuur in de motorrijinstructie wordt toegepast.
- 7. De rijinstructeur kan demonstreren hoe in de motorrijinstructie gewerkt wordt aan de hand van een lesdoelstelling.
- 8. De rijinstructeur kan demonstreren hoe in de motorrijinstructie gebruik gemaakt wordt van transfer en het onderlinge verband tussen de diverse instructieonderdelen.
- 9. De rijinstructeur kan hierbij demonstreren hoe instructie door coaching wordt toegepast en hoe gebruik gemaakt kan worden van lerend leren.
- 10. De rijinstructeur kan demonstreren hoe met behulp van zelfgemaakte toetsoefeningen een voertuigbeheersingsopgave in de motorrijinstructie kan worden aangeleerd.
- 11. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat de achtergrond en het belang is van risicoperceptie voor motorrijders.
- 12. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat de risico-cyclus is.
- 13. De rijinstructeur kan demonstreren hoe gebruik gemaakt wordt van risicoperceptie bij het motorrijden.
- 14. De rijinstructeur kan benoemen en demonstreren welke technieken en instrumenten beschikbaar zijn om risicoperceptie in de praktijk over te brengen aan zijn leerlingen.
- 1. De rijinstructeur kan hoofdstuk 1 ‘kleding AVB en bediening voertuig’ verklaren.
- 2. De rijinstructeur kan hoofdstuk 2 ‘Juiste en veilige wijze deelnemen’ verklaren.
- 3. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3 ‘Onderdelen verkeersdeelname’ verklaren.
- 4. De rijinstructeur kan hoofdstuk 4 ‘Toepassing’ verklaren.
- 5. De rijinstructeur kan verklaren wat er bedoeld wordt met meest wenselijk gedrag.
- 6. De rijinstructeur kan verklaren waarom de Rijprocedure A een leerdoel is en geen lesplan.
- 7. De rijinstructeur kan aan de hand van de in de Rijprocedure genoemde volgende factoren de wijze van normering in het examen verklaren:
- – AEX (Aard, Ernst, X = aantal malen)
- – essentieel of niet
- – weg-, weers- en verkeersomstandigheden.
- 8. De rijinstructeur kan verklaren waarom er bij de Rijprocedure een scheiding tussen de wijze van opleiden en de beoordeling dient te zijn.
- 9. De rijinstructeur kan het item ‘beoordeling en afwijkend gedrag (toepassing)’ verklaren.
- 10. De rijinstructeur kan verklaren dat bediening, stuurgedrag en het bewaren van balans essentieel zijn tijdens de onderwerpen Voertuigbeheersing en Verkeersdeelneming.
- 11. De rijinstructeur kan de volgende begrippen verklaren: verkeersinzicht, aangepast en besluitvaardig, belangen andere weggebruikers.
- 12. De rijinstructeur kan verklaren wat essentieel betekent en wat essentiële onderdelen zijn.
- 1. De rijinstructeur kan uitleggen wat het doel is van Duurzaam Veilig.
- 2. De rijinstructeur kan in grote lijnen de geschiedenis van Duurzaam Veilig beschrijven.
- 3. De rijinstructeur kan benoemen welke afspraken genoemd worden in het convenant van het Startprogramma van Duurzaam Veilig.
- 4. De rijinstructeur kan benoemen welke maatregelen (vijf speerpunten) afgesproken zijn in het Startprogramma Duurzaam Veilig om de verkeersveiligheid in het algemeen en speciaal voor de motorrijder een extra impuls te geven.
- 5. De rijinstructeur kan de drie veiligheidsprincipes benoemen van een Duurzaam Veilige infrastructuur.
- 6. De rijinstructeur kan de twee nieuwe toegevoegde veiligheidsprincipes binnen Duurzaam Veilig benoemen en beschrijven.
- 7. De rijinstructeur kan beschrijven waarom gemotoriseerde tweewielers moeilijk in te passen zijn in het programma Duurzaam Veilig.
- 8. De rijinstructeur kan enkele ITS-systemen benoemen en de werking ervan beschrijven.
- 9. De rijinstructeur kan de drie wegcategorieën van Duurzaam Veilig benoemen.
- 10. De rijinstructeur kan de Essentiële Herkenbaarheidskenmerken van de drie wegcategorieën van Duurzaam Veilig beschrijven.
- 11. De rijinstructeur kan als motorrijder de zichtafstand beschrijven bij gebruik van dimlicht en de relatie leggen naar (maximale) snelheid.
- 12. De rijinstructeur kan als motorrijder de zichtafstand bij gebruik van groot licht beschrijven en de relatie leggen naar (maximale) snelheid.
- 13. De rijinstructeur kan benoemen wat er in de wet en in de rijprocedure-A omschreven is omtrent het gebruik van groot licht door de motorrijder.
- 14. De rijinstructeur kan op de motor werken met groot licht tijdens het rijden van bochten.
- 15. De rijinstructeur bezit de kennis over hoe hij/zij met de motor zo effectief mogelijk gebruik kan maken van het groot licht op de rechte weg en bij het tegemoet komen van en volgen van andere weggebruikers.
- 16. De rijinstructeur kan omschrijven wat er voor de motor in de wet is bepaald omtrent het gebruik van mistlicht aan de voorzijde.
- 17. De rijinstructeur kan benoemen wat de kleur is van reflectoren aan de zijden van de rijbaan en welke betekenissen je daaraan kunt aflezen tijdens het rijden bij duisternis.
- 18. De rijinstructeur kan aan de verlichting/reflectie verschillende soorten voertuigen herkennen, zoals tractoren, vrachtauto’s, aanhangwagens, enzovoort.
- 19. De rijinstructeur kan verklaren waarom er verschillende kleuren straatverlichting zijn, zoals natrium, wit licht en amber-gele verlichting.
- 20. De rijinstructeur kan de voor- en nadelen van natriumverlichting verklaren.
- 21. De rijinstructeur kan de beperkingen van de ogen, o.a. adaptatievermogen (= vermogen van ogen zich aan te passen aan verschillende lichtomstandigheden, zoals licht/donker) noemen en weet hiermee om te gaan.
- 22. De rijinstructeur kan de taal van de weg lezen in het donker, aan de hand van de bebording, plaatsing van lantaarnpalen, enzovoort.
- 1. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat wordt bedoeld met het begrip ‘verkeerskunde’.
- 2. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat wordt bedoeld met ‘Duurzaam veilig’.
- 3. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat wordt bedoeld met ‘taal en tekens van de weg’.
- 4. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat wordt verstaan onder ‘gevaarherkenning’.
- 5. De deelnemer kan beschrijven en verklaren welk type wegen er zijn en:
- a) hoe deze wegen herkenbaar zijn
- b) wat het doel is van deze wegen
- c) welk soort weggebruikers hierop te verwachten zijn
- d) welke voorzieningen door de wegbeheerder worden gebruikt om de weg duidelijkheid te geven
- e) wat de verkeerskundige benaming is van alle markeringen e.d.
- 6. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat wordt verstaan onder ‘verkeersruimten’ en welke indeling hierin wordt gemaakt door ‘Duurzaam veilig wegverkeer’.
- 7. De deelnemer kan achtereenvolgens per onderstaande verkeersruimte beschrijven en verklaren wat de (verkeers-)functie is, de specifieke kenmerken zijn en hoe deze gebieden te herkennen zijn:
- a) verblijfsgebieden
- b) gebiedsontsluitingswegen (binnen en buiten de bebouwde kom)
- c) stroomwegen.
- 8. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat de ‘structuur van de weg’ inhoudt volgens de meest recente inrichtingseisen (ontwerp en inrichting d.m.v. belijning, bebording en bebakening).
- 9. De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat de functie is van ‘bebakening en markering’. Het gaat hierbij om:
- a) hoofdgroepen markering
- b) hoofdtaken markering
- c) kleuren markering
- d) zichtbaarheid markering/bebakening
- e) nadelen markering.
- 10. De deelnemer kan ten aanzien van de verkeersborden uit de Bijlage van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens het volgende beschrijven en verklaren:
- a) de functie
- b) de categorisering
- c) relatie tussen vorm en kleur en betekenisinhoud
- 11. wat de vermoedelijke betekenis van het bord is, afgeleid van de achterzijde ervan (vorm en kleur van de rand). De deelnemer kan beschrijven en verklaren wat herkenbaarheidskenmerken zijn van bebakening en markeringen, bebording en signaleringen, openbare straatverlichting en reflectoren bij duisternis en kan daarbij behorende gevaren tijdig herkennen/onderkennen.
- 12. De deelnemer kan tijdens voorkomende praktijksimulaties demonstreren wat de relatie is tussen de ‘taal en tekens van de weg’ en gevaarherkenning. Hij kan tijdens zelfstandige verkeersdeelneming beschrijven en verklaren:
- a) in welke verkeersruimte hij verblijft en wat de kenmerken daarvan zijn
- b) welke bebakening en markeringen hij herkent en wat de relevantie daarvan is
- c) de betekenis met bijbehorende relevantie t.a.v. gevaarherkenning van verkeersborden
- d) de verkeerskundige benaming van de inrichting en structuur van en markering op de desbetreffende weg.
- 1. De bromfietsinstructeur is in staat om aan de hand van de in de rijprocedure AM gestelde leerdoelen voor zijn praktijkopleiding voor de categorie AM-2 een leerplan, leergang en een lesplan te maken.
- 2. De bromfietsinstructeur is in staat om diverse praktijkoefeningen te benoemen, uit te zetten en te demonstreren, om de voertuigbeheersing van de bromfietscursist op voldoende niveau te krijgen zodat deze tijdens de verkeersdeelname de bromfiets voldoende onder controle heeft.
- 3. De bromfietsinstructeur kan verbanden leggen tussen de praktijkoefeningen voor de voertuigbeheersing en de verkeersdeelname.
- 4. De bromfietsinstructeur kan de verkeerswetgeving beschrijven die een specifieke relevantie heeft voor het rijden op de bromfiets en hij kan deze kennis toepassen.
- 5. De bromfietsinstructeur kan op basis van onderzoek (SWOV – MAIDS), de specifieke hoofdoorzaken van bromfietsongevallen uitleggen en integreren in zijn lessen.
- 6. De bromfietsinstructeur kan een aantal aspecten met betrekking tot de functies, onderhoud en defectbehandeling ten aanzien van de bromfiets beschrijven.
- 7. De bromfietsinstructeur kent de inhoud van de Rijprocedure AM en kan deze kennis toepassen in zijn leergangen.
- 8. De bromfietsinstructeur kan specifieke leerlingkenmerken van jong-adolescenten omschrijven en herkennen.
- 9. De bromfietsinstructeur beschikt over kennis van en inzicht in de verschillende didactische en communicatieve vaardigheden die bij de begeleiding van jong-adolescenten een belangrijke rol spelen. Hij weet hoe deze vaardigheden in de praktijk toe te passen en zonodig aan te passen aan de cursist.
- 10. De bromfietsinstructeur is in staat om op adequate wijze administratieve taken uit te voeren zoals bijvoorbeeld het bijhouden van het leerlingvolgsysteem (bv: instructiekaart).
- 1. De rijinstructeur kan vertellen wat rijexamenangst is.
- 2. De rijinstructeur kan verklaren wat faalangst is.
- 3. De rijinstructeur kan de oorzaken van faalangst benoemen.
- 4. De rijinstructeur kan vertellen welke signalen de leerling met faalangst afgeeft.
- 5. De rijinstructeur kan de gevolgen vertellen van faalangst in het rijexamen.
- 6. De rijinstructeur kan de kenmerken van faalangst benoemen.
- 7. De rijinstructeur kan de drie verschillen soorten van faalangst verklaren: cognitief, motorisch en sociaal.
- 8. De rijinstructeur kan mogelijkheden benoemen die leren om te gaan met faalangst.
- 9. De rijinstructeur kan verklaren wat wordt bedoeld met ‘anders leren denken’.
- 10. De rijinstructeur kan het G-denken verklaren.
- 11. De rijinstructeur kan een gesprek demonstreren waarbij het G-denken wordt gebruikt.
- 12. De rijinstructeur kan oefeningen demonstreren die er toe leiden de lichamelijke spanning onder controle te krijgen.
- 13. De rijinstructeur kan de onderdelen van een intakegesprek benoemen.
- 14. De rijinstructeur kan een intakegesprek demonstreren.
- 15. De rijinstructeur kan de onderdelen verklaren van het faalangstexamen.
- 16. De rijinstructeur kan beschrijven wat wordt verstaan onder een paniekaanval.
- 17. De rijinstructeur kan vertellen welke symptomen bij een paniekaanval voorkomen.
- 18. De rijinstructeur kan beschrijven hoeveel procent van de examenkandidaten – bij benadering – de lesstof onvoldoende beheerst en hoe dit van invloed is op het beleven van faalangst.
- 19. De rijinstructeur kan benoemen op welke wijze motorische faalangst wordt behandeld.
- 20. De rijinstructeur kan benoemen op welke wijze cognitieve faalangst wordt behandeld.
- 21. De rijinstructeur kan benoemen op welke wijze sociale faalangst wordt behandeld.
- 1. De motorrijinstructeur is in staat het risico van motorrijden in het algemeen en dat van (jonge) beginnende motorrijders in het bijzonder cijfermatig te duiden, in relatie tot het risico dat auto- inzittenden lopen.
- 2. De motorrijinstructeur kan het verschil uitleggen tussen voertuigbeheersing, hogere orde- vaardigheden en de rol van beide voor de verkeersveiligheid van motorrijders.
- 3. De motorrijinstructeur kan, op basis van wetenschappelijk onderzoek naar motorfietsongevallen (SWOV-publicaties, MAIDS), de specifieke ongevaloorzaken en bijdragende factoren benoemen en deze integreren in zijn lessen.
- 4. De motorrijinstructeur beschikt over kennis van en inzicht in de verschillende didactische en communicatieve vaardigheden die bij de begeleiding van adolescenten en jongvolwassenen een belangrijke rol spelen. Hij weet hoe deze vaardigheden in de praktijk toe te passen en zonodig aan te passen aan de cursist.
- 5. De motorrijinstructeur kan de algemene bouw van het oog, met name het netvlies, de fovea en de verdeling van de twee soorten fotoreceptor over beide uitleggen en in verband brengen met visuele zoekstrategieën en scanpatronen. Hij kent de verschillende bijdragen van het foveale en het perifere gezichtsveld daarbij en kan een aantal factoren benoemen die de opvallendheid van objecten in het perifere gezichtsveld vergroten.
- 6. De motorrijinstructeur kan de begrippen ‘visuele waarneming’, ‘aandacht’, ‘aandacht richten’ en ‘aandacht verdelen’ en hun rol voor verkeersdeelname uitleggen aan de hand van een model van visuele informatieverwerking.
- 7. De motorrijinstructeur kan de betekenis van de begrippen ‘rijervaring’, ‘verkeersinzicht’, ‘risicoperceptie’ en ‘anticiperen’, hun rol voor de verkeersveiligheid en hun onderlinge samenhang duidelijk maken aan de hand van een informatieverwerkingsmodel.
- 8. De motorrijinstructeur kan, op de openbare weg, de eigenschappen van het menselijk visueel waarnemingssysteem en de rol van de in leerdoel 7 genoemde hogere orde-vaardigheden duidelijk maken in een aanzienlijk aantal verkeerssituaties van verschillende aard.
- 9. De motorrijinstructeur kan de betekenis van het begrip ‘kalibratie’ uitleggen, evenals die van de samenstellende onderdelen ‘statusonderkenning’ en ‘risico-onderkenning’; hij kan cursisten motiveren om de zwaarte van de rijtaak af te stemmen op het niveau van diens bekwaamheden; hij weet voorts welke mogelijkheden de cursist daartoe heeft in verschillende verkeerssituaties van verschillende aard en moeilijkheidsgraad.
- 1. De rijinstructeur kan verklaren wat het project ‘2toDrive’ inhoudt.
- 2. De rijinstructeur kan benoemen wanneer een leerling kan beginnen met het volgen van rijinstructie voor de categorie B.
- 3. De rijinstructeur kan benoemen welk verschil er is tussen het verkrijgen van het rijbewijs op 18- jarige leeftijd en op 17-jarige leeftijd.
- 4. De rijinstructeur kan het lagere aantal dodelijke verkeersslachtoffers na invoering van ‘2toDrive’ benoemen, zoals de SWOV heeft berekend.
- 5. De rijinstructeur kan de proeftijd van ‘2toDrive’ benoemen.
- 6. De rijinstructeur kan de tijdsduur benoemen dat de 17-jarige onder begeleiding moet rijden en kan dit aspect motiveren.
- 7. De rijinstructeur kan verklaren hoe men in het bezit kan komen van een begeleiderspas.
- 8. De rijinstructeur kan benoemen welke twee stappen een 17-jarige moet volgen om zelfstandig te mogen rijden.
- 9. De rijinstructeur kan verklaren wanneer en bij wie een begeleider kan worden aangemeld en aan welke eisen de begeleider moet voldoen.
- 10. De rijinstructeur kan benoemen welke eisen er gesteld worden aan een begeleider tijdens een door het bevoegd gezag gehouden controle.
- 11. De rijinstructeur kan benoemen waar het rijbewijs van een 17-jarige geldig is.
- 12. De rijinstructeur kan benoemen hoe lang de begeleiderspas en het rijbewijs geldig zijn.
- 13. De rijinstructeur kan verklaren wanneer de begeleiderspas en het rijbewijs hun geldigheid verliezen.
- 14. De rijinstructeur kan benoemen hoeveel begeleiders een deelnemer maximaal op een begeleiderspas kan laten plaatsen.
- 15. De rijinstructeur kan beschrijven wanneer men een nieuwe begeleiderspas moet aanvragen.
- 16. De rijinstructeur kan aspecten m.b.t. de wettelijke aansprakelijkheid van ‘2toDrive’ verklaren.
- 17. De rijinstructeur kan verklaren welke sancties met betrekking tot ‘2toDrive’ gelden voor de 17-jarige bestuurder wanneer hij/zij de WVW’94 overtreedt.
- 18. De rijinstructeur kan de kenmerken van een 16/17-jarige m.b.t. zijn/haar lichamelijke, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling benoemen en verklaren.
- 19. De rijinstructeur kan de meerwaarde van een begeleider verklaren en waarop dit een positieve werking heeft.
- 20. De rijinstructeur kan benoemen wat instructie geven en coachen inhoudt.
- 21. De rijinstructeur kan verklaren wat de relatie is tussen instructie geven en het aanleren van vaardigheden.
- 22. De rijinstructeur kan verklaren wat de relatie is tussen coachen en vaardigheden.
- 23. De rijinstructeur kan verklaren met welke leerlingkenmerken hij rekening dient te houden om een 16-/17-jarige effectief te kunnen coachen.
- 24. De rijinstructeur kan verklaren welke vragen hij kan stellen om de 16/17-jarige tijdens het coachen goed te kunnen begeleiden.
- 25. De rijinstructeur kan verklaren op welke manier hij met de 16-/17-jarige kan evalueren.
- 26. De rijinstructeur kan verklaren op welke wijze hij feedback kan geven aan de 16-/17-jarige.
- 27. De rijinstructeur kan verklaren hoe een begeleider zijn taak als coach dient uit te voeren.
- 1. De rijinstructeur kan beschrijven, verklaren en demonstreren wat bedoeld wordt met ‘instructie geven’.
- 2. De rijinstructeur kan beschrijven, verklaren en demonstreren wat bedoeld wordt met ‘coaching’.
- 3. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren wat het verschil is tussen instructie geven en coaching.
- 4. De rijinstructeur kan beschrijven, verklaren en demonstreren wat bedoeld wordt met ‘positieve reinforcement’.
- 5. De rijinstructeur kan beschrijven, verklaren en demonstreren wat bedoeld wordt met ‘feedback’.
- 6. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren aan welke eisen het geven van feedback moet voldoen.
- 7. De rijinstructeur kan beschrijven, verklaren en demonstreren wat bedoeld wordt met de didactische werkvorm ‘Onderwijsleergesprek’.
- 8. De rijinstructeur kan beschrijven en verklaren welke rol de Rijprocedure speelt bij het geven van feedback.
- 9. De rijinstructeur kan aan de hand van voorbeeldsituaties demonstreren wat zijn rol als coach inhoudt.
- 1. De rijinstructeur kan de werkingssfeer van hoofdstuk 1 en 2 en de onderlinge samenhang ten aanzien van de bediening en beheersing van het voertuig en voertuigdynamica verklaren.
- 2. De rijinstructeur kan in de les met praktijkvoorbeelden demonstreren op welke wijze leerdoel 1 wordt toegepast in relatie tot de dagelijkse lespraktijk.
- 3. De rijinstructeur kan de werkingssfeer van hoofdstuk 3 en de relatie tot de (dagelijkse) praktijk van het lesgeven beschrijven en verklaren.
- 4. De rijinstructeur kan de werkingssfeer van de toepassing en de relatie tot de (dagelijkse) praktijk van het lesgeven beschrijven en verklaren.
- 5. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.1 ‘Wegrijden’ verklaren.
- 6. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.2 ‘Rijden op rechte en bochtige weggedeelten’ verklaren.
- 7. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.3 ‘Gedrag nabij en op kruispunten’ verklaren.
- 8. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.4 ‘Invoegen – uitvoegen’ verklaren.
- 9. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.5 ‘Inhalen/zijdelings verplaatsen’ verklaren.
- 10. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.6 ‘Gedrag nabij en op bijzondere weggedeelten’ verklaren.
- 11. De rijinstructeur kan hoofdstuk 3.7’ Bijzondere manoeuvres’ verklaren.
- 12. De rijinstructeur kan aan de hand van het hoofdstuk ‘Toepassing’ verklaren wat bedoeld wordt met de zgn. AEX en verklaren wat de relatie is met het praktijkexamen.
- 13. De rijinstructeur kan aan de hand van het hoofdstuk ‘Toepassing’ verklaren wat essentiële en niet essentiële punten van beoordeling zijn en verklaren wat de relatie is met het praktijkexamen.
- 1. Artikel 1acb; Puntstuk.
- 2. Artikel 1aga; Uitvaartstoet van motorvoertuigen.
- 3. Artikel 1ai; Verdrijvingsvlak.
- 4. Artikel 15; Het verlenen van voorrang.
- 5. Artikel 16; Doorsnijden militaire kolonne en uitvaartstoeten van motorvoertuigen.
- 6. Artikel 18; Voor laten gaan bij afslaan.
- 7. Artikel 24; Parkeren.
- 8. Artikel 25; Parkeerschijfzone.
- 9. Artikel 26; Parkeren voor gehandicapten.
- 10. Artikel 30c; Herkenningsteken motorvoertuig uitvaartstoet.