Bijlage III Kavelbesluit V windenergiegebied Hollandse Kust (noord): voorschriften
Kavelbesluit V windenergiegebied Hollandse Kust (noord)
De vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Wet windenergie op zee wordt verleend voor een termijn van 30 jaar. De vergunninghouder verwijdert het windpark uiterlijk binnen twee jaar nadat de exploitatie is gestaakt, doch uiterlijk binnen de looptijd van de vergunning. Maatregelen uit het Beheerplan Voordelta98https://www.noordzeeloket.nl/beleid/noordzee-natura-2000/gebieden/voordelta/, het Beheerplan Deltawateren99http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/DW_Deltawateren/documenten+deltawateren/default.aspx#folder=648248, Beheerplan Noordzeekustzone100http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=389024 en Beheerplan Waddenzee101http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=389032http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=389032. Het om de volgende rustgebieden: Bij deze gebieden zijn de volgende voorwaarden beschreven: Verder gaat het in het gebied om de volgende belangrijke platen: Hiervan zijn als rustgebieden aangewezen: Platen en rustgebieden in de Waddenzee en Noordzeekustzone staan weergegeven in: http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=389032 http://rwsnatura2000.nl/Gebieden/noordzeekustzone/NZKZ_Documenten/default.aspx#folder=343139 Bij de aanwezigheid van op de platen rustende zeehonden zal een minimale afstand van 1.200 m aangehouden moeten worden. Ten aanzien van concentraties rustende vogels dient er buiten de vaargeul een afstand te worden gehouden van 500 meter. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de in aanmerking genomen vogelsoorten waarvoor de verbodsbepaling in artikel 3.1, eerste lid van de Wet natuurbescherming wordt overtreden. trekvogels kleine zwaan smelleken velduil roodborst kleine rietgans boomvalk gierzwaluw nachtegaal grauwe gans slechtvalk kauw blauwborst kolgans waterral roek zwarte roodstaart grote Canadese gans waterhoen goudhaan gekraagde roodstaart brandgans meerk
- • akoestisch(e) afschrikmiddel(len): apparaat waarmee door middel van een geluidssignaal zeezoogdieren en vissen worden verjaagd;
- • ashoogte: de hoogte van de rotor-as, waaraan de rotorbladen van de windturbine zijn bevestigd, ten opzichte van het zeeniveau;
- • bevoegd gezag Wet windenergie op zee: de Minister van Economische Zaken en Klimaat;
- • continu gebruik: betreft het voortdurend in gebruik zijn van de windturbine behoudens periodes van onderhoud
- • cut-in windspeed: de laagste windsnelheid waarbij de turbine energie gaat leveren;
- • dB re 1µPa2s: eenheid voor SEL;
- • geluidsniveau: het over de frequentiebanden gesommeerde bronniveau;
- • heiplan: plan waarin de vergunninghouder uiteenzet op welke wijze de funderingspalen worden geheid, welke mitigerende geluid beperkende maatregelen worden genomen en op welke wijze het geluidsniveau wordt gemeten en gerapporteerd;
- • Mean Sea Level (MSL): de gemiddelde hoogte van de zeespiegel (het vlak van de zee), als alle variaties die het gevolg zijn van de getijden worden weggemiddeld.
- • migratieperiode (najaar – vogels): vogeltrek in de periode van 15 augustus tot en met 30 november;
- • migratieperiode (voorjaar – vogels): vogeltrek in de periode van 15 februari tot en met 31 mei;
- • monitorings- en evaluatieprogramma: programma waarin de activiteiten zijn beschreven die door of namens de overheid worden uitgevoerd om de leemtes in kennis vast te stellen;
- • nacht: de periode tussen 18:00 uur in de avond tot 06:00 uur in de ochtend, volgens de Midden-Europese Tijd;
- • nachtlichtperiode: deel van een etmaal met omgevingslichtsterkte minder of gelijk aan 50 cd/m2;
- • normale condities: de gemiddelde meteorologische omstandigheden die gedurende 1 jaar in een bepaald gebied voorkomen;
- • geïnstalleerd vermogen: het vermogen van de productie-installatie dat onder normale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en dat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik, het tijdelijk te leveren vermogen van een booster is hierin niet inbegrepen.
- • rotordiameter: de diameter van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen (wieken) van de windturbine wordt bestreken;
- • rotoroppervlak: het oppervlak van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen (wieken) van de windturbine wordt bestreken;
- • schemerlichtperiode: deel van een etmaal met omgevingslichtsterkte tussen 50 en 500 cd/m2;
- • SEL: Sound Exposure Level;
- • Stilstandvoorziening: het aantal turbines dat in de kavel wordt stilgezet indien mijnbouwplatform Q4C wordt aangevlogen door een helikopter. Het gebied is begrensd door de coördinaten in voorschrift 4.9.c.
- • tiphoogte: de ashoogte plus de halve rotordiameter;
- • tiplaagte: de ashoogte min de halve rotordiameter;
- • UXO-onderzoek: onderzoek naar de aanwezigheid van niet ontplofte munitie in de zeebodem
- • vergunninghouder: houder van een vergunning op grond van artikel 12 van de Wet windenergie op zee;
- • voorspelde massale vogeltrek: een korte tijdspanne tijdens migratieperiodes in de nacht waarop de omstandigheden zodanig zijn dat er sprake is van een voorspelde piek in de verplaatsing van het aantal trekvogels, gebaseerd op het voorspellingsmodel;
- • voorspellingsmodel: een door of namens de Rijksoverheid te beheren model dat een signaal afgeeft wanneer massale vogeltrek wordt voorspeld;
- • wiek: rotorblad.
- 1. Het windpark wordt geplaatst binnen de contour met de volgende coördinaten: De kaart met de ligging van kavel V is opgenomen in de bijlage bij deze voorschriften.
- 2. Het tracé van de aansluitverbinding naar het TenneT platform Hollandse Kust (noord) ligt binnen de volgende coördinaten: De kaart met de ligging van het tracé is opgenomen in de bijlage bij deze voorschriften.
- 3. Er worden geen windturbines geplaatst in de onderhoudszones van de telecomkabels TAT 14 Segment J en UK-NL 14. Er worden geen turbines geplaatst in de in de onderhoudszones van de pijpleidingen Gaspijpleiding Wintershall Q4B-Q4A en Oliepijpleiding Petrogas E&P Q1 Helm-IJmuiden. Deze zones worden begrensd door de coördinaten in onderstaande tabel en die ook zijn weergegeven op de kaart in de bijlage bij deze voorschriften.
- 4. De rotorbladen van de windturbines blijven volledig binnen de in het eerste lid genoemde contour en volledig buiten de in het derde lid genoemde onderhoudszones.
- 5. Het maximale aantal op te richten windturbines is 95.
- 6. Het maximale totale rotoroppervlak is 2.913.840 m2.
- 7. In het windpark worden uitsluitend turbines met, per turbine, een geïnstalleerd vermogen van minimaal 8 MW geplaatst.
- 8. De minimale afstand tussen windturbines bedraagt 4 maal de rotordiameter uitgedrukt in meters.
- 9. De minimale tiplaagte is 25 meter boven zeeniveau (MSL).
- 10. De maximale tiphoogte is 251 meter boven zeeniveau (MSL).
- 11. De kabels vanaf de windturbines moeten aangesloten worden op platform Hollandse Kust (noord).
- 12. De toegestane funderingen voor de windturbines zijn: Indien de vergunninghouder een fundering wil toepassen die niet in dit lid is genoemd zal hij de milieueffecten hiervan moeten bepalen. De milieueffecten worden voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. De milieueffecten mogen de grenzen die in dit besluit zijn vastgelegd niet overschrijden.
- a. monopile;
- b. tripod;
- c. jacket;
- d. gravity based;
- e. suction bucket.
- 13. Als opofferingsanodes gebruikt worden als kathodische bescherming van stalen constructies, bestaan deze uit legeringen van aluminium of magnesium. De legeringen mogen kleine hoeveelheden(< 5 gewicht %) andere metalen bevatten.
- 14. De schepen die door of namens de vergunninghouder worden ingezet, moeten bij hun vaarbewegingen rekening houden met de aanwezigheid van zeehonden op de aanwezige platen en de aangewezen rustgebieden alsmede rekening te houden met aanwezige vogelconcentraties. Hierbij dienen de maatregelen zoals genoemd in het Beheerplan Voordelta, het Beheerplan Deltawateren, het Beheerplan Waddenzee en het Beheerplan Noordzeekustzone in acht te worden genomen. De bepalingen uit de betreffende) Beheerplannen zijn opgenomen in de bijlage bij deze voorschriften. Dit voorschrift vervalt op het moment dat in het Beheerplan Voordelta, het Beheerplan Deltawateren, het Beheerplan Waddenzee en het Beheerplan Noordzeekustzone de schepen zoals bedoeld in de eerste volzin zijn opgenomen als bestaand gebruik.
- 15. De overheid hecht er belang aan dat het windpark een bijdrage levert aan de lokale en regionale economie. De vergunninghouder verstrekt jaarlijks inzicht in de aan lokale en regionale ondernemingen gegunde opdrachten voor ontwerp, bouw en exploitatie van het windpark uitgesplitst naar toeleveranciers, havens, (onder)aannemers en ondersteunende dienstverleners en de daaruit voortvloeiende omzet en werkgelegenheid. De eerste rapportage wordt uiterlijk binnen twee jaar na de datum van afgifte van de vergunning overgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Voor het laatst vindt overlegging plaats acht jaar na de datum van afgifte van de vergunning
- 16. Tijdens reparaties en onderhoud van kabels en leidingen moet het aantal rotaties per minuut per windturbine van de windturbines, die zich in een straal van 1.000 meter van de reparatie- en onderhoudslocatie bevinden, tot minder dan 2 worden gebracht.
- 1. Maatregelen ter voorkoming van permanente fysieke effecten bij bruinvissen en zeehonden en mortaliteit van vissen:
- a) De vergunninghouder maakt gebruik van één of meer op de relevante frequenties afgestelde akoestisch(e) afschrikmiddel(len) gedurende een half uur voor het begin van de heiwerkzaamheden alsmede gedurende het heien. De vergunninghouder onderbouwt in het heiplan welk(e) type(s) afschrikmiddel(len) gebruikt zal of zullen worden, waarbij hij ingaat op de effectiviteit van het of de gekozen type(n);
- b) de heiwerkzaamheden vangen aan met een lage hei-energie. De duur en het vermogen van de lage hei-energie dient zodanig te zijn dat bruinvissen de gelegenheid hebben om naar een veilige locatie te zwemmen. De vergunninghouder onderbouwt in het heiplan duur en vermogen van de lage hei-energie.
- 2. Maatregelen ter voorkoming van verstoring van bruinvissen, zeehonden en vissen (geluidsnorm)
- a) Als gevolg van de bouw van het windpark mag op enig moment het geluidsniveau onder water tijdens het heien de in de onderstaande tabel vermelde geluidsnorm niet overschrijden;
- b) de vergunninghouder mag bij de eerste tien funderingspalen de in de bovenstaande tabel vermelde geluidsnorm overschrijden met maximaal 2 dB re 1 μPa2s SEL1;
- c) het geluidsniveau dient tijdens het heien door of namens de vergunninghouder continu gemeten te worden. De geluidsmetingen dienen per geheide funderingspaal, binnen uiterlijk 48 uur na de afronding van het heien van de betreffende funderingspaal te worden doorgestuurd naar de Minister van Economische Zaken en Klimaat;
- d) wanneer na achtereenvolgende geluidsmetingen blijkt dat het geluidsniveau onder water tijdens het heien van de funderingspalen de in de tabel vermelde geluidsnorm niet overschrijdt, dan kan de Minister van Economische Zaken en Klimaat worden verzocht toe te staan dat de frequentie van de geluidsmetingen wordt verlaagd;
- e) de vergunninghouder stelt een heiplan op en dient dat uiterlijk 8 weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat;
- f) de werkzaamheden worden uitgevoerd conform het heiplan als bedoeld in onderdeel e van dit voorschrift;
- g) de vergunninghouder spant zich in om zo min mogelijk onderwatergeluid te produceren;
- h) de vergunninghouder spant zich in om in een zo kort mogelijk aaneengesloten periode onderwatergeluid te produceren.
- 3. Maatregelen ter beperking van aanvaringsslachtoffers onder vogels op rotorhoogte gedurende migratieperiodes:
- a) Tijdens migratieperiodes brengt de vergunninghouder het aantal rotaties per minuut per windturbine terug tot minder dan twee tijdens het tijdvak in de nacht waarin sprake is van voorspelde massale vogeltrek.
- b) Het in onderdeel a van dit lid bedoelde tijdvak waarin sprake is van voorspelde massale vogeltrek wordt bij besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei vastgesteld. De Minister van Klimaat en Groene Groei baseert het besluit op het signaal van het voorspellingsmodel. De Minister van Klimaat en Groene Groei betrekt bij het besluit een advies van de landelijk netbeheerder en kan een advies van vogeldeskundigen betrekken. Het besluit wordt op een zodanig moment bekend gemaakt dat de vergunninghouder redelijkerwijs kan voldoen aan onderdeel a van dit lid.
- c) De vergunninghouder is verplicht zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan de plaatsing en installatie van apparatuur op, in of aan de door de Minister van Klimaat en Groene Groei aan te wijzen turbines ter uitvoering van de maatregel zoals bedoeld in onderdeel a van dit lid. Dit betreft mede het ter beschikking stellen van bevestigingsconstructies aan de aangewezen turbines. Voor de plaatsing en installatie van de apparatuur zal een overeenkomst worden gesloten met de vergunninghouder, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de operationele werkzaamheden in het windpark.
- d) De vergunninghouder is verplicht zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan toegang ten behoeve van het beheer en onderhoud van de apparatuur zoals bedoeld in onderdeel c van dit lid. Voor het beheer en onderhoud van de apparatuur zal een overeenkomst worden gesloten met de vergunninghouder, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de operationele werkzaamheden in het windpark.
- e) De in onderdeel a van dit lid bedoelde tijdvakken zullen in totaal niet meer dan 60 uur per jaar betreffen, gerekend van najaar tot najaar.
- f) De Minister van Klimaat en Groene Groei evalueert periodiek de in dit lid bedoelde stilstandsvoorziening.
- 4. Maatregelen voor het voorkomen van aanvaringsslachtoffers van vleermuizen op rotorhoogte:
- a) de cut-in windspeed van de turbines bedraagt gedurende de periode van 15 augustus tot en met 30 september tussen 1 uur na zonsondergang tot 2 uur voor zonsopkomst 5,0 m/s op ashoogte;
- b) bij een windsnelheid van minder dan 5,0 m/s op ashoogte brengt de vergunninghouder in de periode, bedoeld in onderdeel a, het aantal rotaties per minuut per windturbine omlaag tot minder dan 2;
- c) de vergunninghouder geeft binnen twee maanden na afloop van de periode, bedoeld in onderdeel a, in een rapportage naar de Minister van Economische Zaken en Klimaat aan hoe en op welke wijze aan dit voorschrift uitvoering is gegeven.
- 5. Maatregelen ter bescherming van archeologie en cultuurhistorie:
- a) Indien de locaties met mogelijke archeologisch waardevolle objecten uit het archeologisch assessment Hollandse Kust (noord)97An archeological assessment of geophysical survey results Hollandse Kust (noord)-Periplus Archeomare, May 2018. met een straal van 100 meter niet gemeden kunnen worden dient voorafgaand aan het leggen van de kabels en het plaatsen van de funderingen van de windturbines, een nader Inventariserend Veldonderzoek (IVO) (verkennend onder water onderzoek) te worden verricht voor deze locaties naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische monumenten. Dit onderzoek dient volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Waterbodems te worden uitgevoerd.
- b) De resultaten van het onder onderdeel a genoemde onderzoek worden uiterlijk 3 maanden voorafgaand aan de start van de bouw van het windpark voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
- c) Afhankelijk van de conclusies uit het onder onderdeel a genoemde onderzoek:
- – kunnen de werkzaamheden ongewijzigd doorgang vinden;
- – is er een vervolgonderzoek nodig;
- – worden er fysieke maatregelen getroffen ter bescherming van archeologische vindplaatsen;
- – worden vindplaatsen uitgesloten van ingrepen met inachtneming van een bufferzone;
- – worden de werkzaamheden archeologisch begeleid.
- d) De vergunninghouder zal de resultaten van zijn UXO onderzoek archeologisch laten analyseren volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Waterbodems
- e) Indien de begraven ijzerhoudende objecten uit het archeologisch assessment Hollandse Kust (noord), en de begraven ijzerhoudende objecten die uit het UXO onderzoek van de vergunninghouder (onder d.) worden geïdentificeerd met een straal van 100 meter niet gemeden kunnen worden, dient het UXO onderzoek terplekke archeologisch te worden begeleid. Deze begeleiding dient volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Waterbodems te worden uitgevoerd.
- 6. Maatregelen voor het verminderen van hinder door verlichting en het verminderen van de zichtbaarheid van het windpark:
- a) Obstakellichten op het hoogste vaste punt op alle windturbines zijn vast brandende rode lichten;
- b) Indien de zichtbaarheid tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode meer bedraagt dan 5 kilometer, wordt de nominale lichtintensiteit van deze obstakellichten tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode tot 30% verlaagd, indien de zichtbaarheid tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode meer bedraagt dan 10 kilometer wordt de intensiteit tijdens de schemer- en/of nachtlichtperiode tot 10% verlaagd;
- c) Als minimaal vereiste geldt dat de contouren van het windpark verlicht dienen te zijn, waarbij, vanuit de cockpit gezien, de afstand op de horizon tussen de afzonderlijke lichten op de windturbines niet meer dan 900 meter is.
- d) Op aanwijzing van de Minister van Economische Zaken en Klimaat of de Kustwacht wordt het windpark geheel of gedeeltelijk verlicht in het geval van een reddingsoperatie in of in de directe omgeving van het windpark.
- e) De mast, de gondel en de bladen van de windturbines worden uitgevoerd in de kleur lichtgrijs (RAL 7035).
- 7. Maatregel ter bevordering van de scheepvaartveiligheid en handhaving in en rond het windpark:
- a) De vergunninghouder is verplicht om zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan de plaatsing van nautische apparatuur die de scheepsbewegingen in en rond het windpark kan waarnemen op de door de overheid bepaalde plek(ken). De in het windpark geldende veiligheidsregels worden daarbij in acht genomen.
- b) de vergunninghouder is verplicht mee te werken aan toegang ten behoeve van het beheer en onderhoud van deze apparatuur;
- 8. Maatregelen ter vergroting van het geschikte habitat voor van nature in de Noordzee voortkomende soorten middels kleine en grote holen en spleten en (be)vestigingssubstraat:
- a) als stenen of andere materialen gebruikt worden als erosiebescherming rondom de fundatie van windturbinepalen, dient de volgende maatregel te worden genomen: 20% van het totale oppervlak van de bovenste gradatie van deze bescherming rondom elke fundatie bestaat uit aaneengesloten oppervlakten van materialen die minimaal twee spleten of holen per vierkante meter oppervlak creëren van minimaal 10 tot 30 centimeter diameter en minimaal 20 tot 50 centimeter diepte;
- b) de verplichting onder a mag op een oppervlak van dezelfde grootte op alternatieve wijze ingevuld worden, namelijk door:
- – het straalvormig ingebed op de erosiebescherming plaatsen van minimaal 2 en maximaal 6 betonnen buizen per windturbinepaal, van elk minimaal 100 cm lengte en een binnen diameter van minimaal 100 cm, waarvan één van de buisuiteinden ten allen tijde toegankelijk dient te zijn, en waarbij de buizen aan de bovenzijde zijn voorzien van een voldoende aantal gaten van 150 tot 300 mm om wateruitwisseling te garanderen;
- – of het rondom een turbinepaal op de erosiebescherming plaatsen van minimaal 2 en maximaal 6 bolvormige betonnen structuren per windturbinepaal met een binnendiameter van 100 tot 200 cm en met elk 7-15 gaten met een diameter van variërend tussen 15 tot 60 cm, waarbij de structuren zodanig zijn geplaatst, dat daarbij inzinking in het zeebed en inspoeling met sediment wordt voorkomen;
- – of het toevoegen van kalkrijk materiaal als vestigingssubstraat, waaronder inbegrepen het toevoegen van natuurlijk substraat zoals schelpen dat als toplaag tezamen met stortsteen is verpakt in schanskorven of gabions;
- – of het actief introduceren van platte oesters in combinatie met de hiervoor genoemde maatregel;
- c) indien de vergunninghouder stenen of andere materialen gebruikt als erosiebescherming rondom de fundatie van windturbinepalen en hij op een andere wijze dan genoemd onder a of b wil voorzien in vergroting van het geschikte habitat voor van nature in de Noordzee voortkomende soorten middels kleine of grote holen en spleten en (be)vestigingssubstraat voor soorten, stelt hij daartoe een plan van aanpak op inclusief een toereikend en locatiespecifiek monitoringsprogramma;
- d) indien a, b of c van toepassing, stelt de vergunninghouder een plan van aanpak op voor de erosiebescherming en dient dat uiterlijk 8 weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat;
- e) de werkzaamheden worden uitgevoerd conform het plan als bedoeld in onderdeel d van dit voorschrift.
- 9. Maatregel om de veilige bereikbaarheid per helikopter van het mijnbouwplatform Q4C bij transport van personeel en bij Search and Rescue (SAR) operaties te waarborgen.
- a) De vergunninghouder wordt door of namens de helikopteroperator van mijnbouwplatform Q4C op de hoogte gesteld van een helikoptervlucht van en naar dit mijnbouwplatform, alsmede het tijdsinterval waarbinnen de helikopter binnen 5 nautische mijl van dit platform zal zijn;
- b) Tijdens het in onderdeel a genoemde tijdsinterval brengt de vergunninghouder het aantal rotaties per minuut per windturbine omlaag tot minder dan 2. Dit gebeurt bij de turbines die zich bevinden in de zone met stilstandvoorziening, binnen 5 nautische mijl van het mijnbouwplatform Q4C en ook binnen 1 nautische mijl van de grens van de kavel. De zone met stilstandvoorziening vanwege helikopterverkeer wordt begrensd door de coördinaten in onderstaande tabel en die ook zijn weergegeven op de kaart in de bijlage bij deze voorschriften. Het betreft alle windturbines wiens rotorbladen binnen de zone met stilstandvoorziening vanwege helikopterverkeer kunnen komen;
- c) De werkwijze die beschreven is in onderdeel a en b wordt door de vergunninghouder uitgewerkt in een procedure die uiterlijk 8 weken voorafgaand aan de start van de bouw aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat wordt voorgelegd.
- 1. De Minister van Economische Zaken en Klimaat laat een monitorings- en evaluatieprogramma opstellen. De vergunninghouder werkt zonder financiële tegenprestatie mee aan dit monitorings- en evaluatieprogramma. De in het windpark geldende veiligheidsregels worden daarbij in acht genomen.
- 2. De Minister van Economische Zaken en Klimaat maakt de gegevens die voortkomen uit het monitorings- en evaluatieprogramma openbaar.
- 3. Ten behoeve van de uitvoering van het monitoring-en evaluatie programma werkt de vergunninghouder mee ten aanzien van onder meer:
- – toegang tot het windpark met vaartuigen ten behoeve van tellingen van natuurwaarden;
- – toegang tot de bodem van een windpark en het nemen van monsters;
- – het (laten) bevestigen van apparatuur zoals camera’s en batdetectors op of aan (onderdelen van) de windturbines en toegang ten behoeve van beheer en onderhoud van deze apparatuur;
- – het (laten) bevestigen van radar op of aan (onderdelen van) de windturbines en toegang ten behoeve van beheer en onderhoud van deze radars;
- – het (laten) bevestigen van meetapparatuur (bijvoorbeeld meetboeien, c-pods, etc.) in het windpark en toegang ten behoeve van het beheer en onderhoud van deze apparatuur;
- – het beschikbaar stellen van bandbreedte op de datakabel.
- 1. Uiterlijk op het moment dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) bewijs heeft ontvangen dat er Garanties van Oorsprong (GvO) zijn afgegeven over de geleverde stroom stelt de vergunninghouder zich garant door middel van een bankgarantie aan de Staat voor een bedrag van € 120.000 per geïnstalleerde MW ten bate van de verwijdering van het windpark.
- 2. De vergunninghouder verhoogt het in het eerste lid genoemde bedrag jaarlijks met 2% als gevolg van indexatie gedurende een periode van 12 jaar na afgifte van de bankgarantie.
- 3. Na een periode van 12 jaar exploitatie, 17 jaar exploitatie en 1 jaar voor het tijdstip van verwijdering verzoekt de vergunninghouder de Minister van Economische Zaken en Klimaat om het bedrag genoemd in het eerste lid en de indexatie daarvan opnieuw vast te stellen.
- 4. Indien een vergunning wordt aangevraagd volgens paragraaf 3.3 van de Wet windenergie op zee wordt de in lid 1 genoemde bankgarantie voor de verwijdering van het windpark afgegeven op het moment dat de eerste fundatie van het windpark wordt geplaatst.
- • Slikken van Voorne (Voordelta);
- • Hinderplaat (Voordelta);
- • Bollen van de Ooster (Voordelta);
- • Middelplaat (voorheen Verklikkerplaat) (Voordelta);
- • Bollen van het Nieuwe Zand (Voordelta).
- • Buiten de winterrustgebieden blijven (in ieder geval geen toegang in de periode 15 december–1 april) en op ruime afstand (>1.500 m, of zoveel als minimaal haalbaar) van de rustgebieden varen om effecten in de rand-zone van het rustgebied te minimaliseren.
- • Minimaal 1.200 m afstand van vaste rustgebieden voor zeehonden (zandplaten bij Middelplaat, Bollen van de Ooster en Hinderplaat). Wanneer dit niet mogelijk is, dient in ieder geval verstoring van pups te worden voorkomen.
- • Bij aanwezigheid van pups niet in de directe nabijheid (>1.200 m) varen in de zoogperiode (mei-juli) van de gewone zeehond.
- • Bij aanwezigheid van pups niet in de directe nabijheid (>1.200 m) varen in de zoogperiode (dec-feb) van de grijze zeehond.
- • Roggenplaat (voor rusten, verharen, zogen) (Oosterschelde);
- • Galgeplaat (of Vondelingsplaat, voor verharen en rusten) (Oosterschelde);
- • Zimmermangeul (Westerschelde);
- • Rug van Baarland (Westerschelde);
- • de Middelplaat (Westerschelde);
- • de Hooge Platen (Westerschelde);
- • Everingen (Westerschelde);
- • Plaat van Breskens (Westerschelde);
- • de Platen van Ossenisse (Westerschelde);
- • de Platen van Valkenisse (Westerschelde).
- • Hooge Platen;
- • Hooge Springer;
- • Rug van Baarland;
- • platen van Valkenisse.