Bijlage II Kavelbesluit V windenergiegebied Hollandse Kust (noord): toelichting kavelbesluit V windenergiegebied Hollandse Kust (noord)
Kavelbesluit V windenergiegebied Hollandse Kust (noord)
Opgesteld door Rijkswaterstaat In opdracht van Ministerie van Economische Zaken en Klimaat Nederland voert al enige kabinetten lang een klimaatbeleid dat binnen de Europese Unie is afgestemd met de andere lidstaten. Hierbij gaan het streven naar het sterk verminderen van de uitstoot van CO2 en het besparen van energiegebruik en het ontwikkelen van bronnen van duurzame energie hand in hand. Doel is het beperken van de opwarming van de atmosfeer tot 2 graden Celsius om aldus ernstige maatschappelijke en economische gevolgen van klimaatverandering af te wenden. Nevendoel is het minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen, met name die uit politiek instabiele regio’s afkomstig zijn. Het uiteindelijke doel is om in 2050 een nagenoeg CO2-neutrale economie te bereiken. Bij het akkoord over het Klimaat- en Energie Beleidsraamwerk voor 20301Kamerstukken II, 2014/15, 21 501-20, nr. 922. is een Europees bindend doel van 27% hernieuwbare energie afgesproken. In het Energieakkoord voor duurzame groei2SER, Energieakkoord voor duurzame groei, september 2013. (hierna: Energieakkoord) is een pakket aan maatregelen afgesproken, waaronder de bouw van grootschalige windparken in de Noordzee. Specifiek voor windparken op zee is afgesproken dat er 4.450 MW operationeel vermogen in 2023 gerealiseerd is. Door de grootschalige uitrol van windenergie op zee wordt een flinke bijdrage geleverd aan het behalen van de kabinetsdoelstelling voor duurzame energie. Met dit pakket aan maatregelen is een inzet van 16% aan duurzame energie in Nederland in 2023 haalbaar. Besparingen op energiegebruik zijn ook afgesproken en vormen onderdeel van het maatregelenpakket. Daarnaast is in het Energieakkoord afgesproken dat het kabinet zorg draagt voor een robuust wettelijk kader om de opschaling van windenergie op zee mogelijk te maken. Kortere doorlooptijden en kostenreductie zijn daarbij belangrijke uitgangspunten. De Wet windenergie op zee voorziet hierin door een stelsel van uitgifte van kavels in
- 1) aansturen op CO2-reductie;
- 2) verzilveren van de economische kansen die de energietransitie biedt en;
- 3) integreren van energie in het ruimtelijk beleid.
- • In paragraaf 4.1.2 is een passage opgenomen over het zogenaamde opstalrecht dat geldt in het deel van de kavel dat is gelegen in de territoriale zee.
- • In paragraaf 6.10.3 is ingegaan op mogelijkheden tot het elektrificeren van mijnbouwplatforms waarbij gebruik gemaakt gaat worden van door windparken op zee opgewekte elektriciteit.
- • Paragraaf 7.8.7 en het bijbehorende voorschrift 4, achtste lid, is tekstueel aangepast.
- • In voorschrift 1 is een definitie van de term stilstandvoorziening opgenomen.
- • Naar aanleiding van actuele informatie over de positie van het TenneT platform Hollandse Kust (noord) en de posities van de exportkabels van het TenneT platform Hollandse Kust (west Alpha) zijn de coördinaten zoals genoemd in voorschrift 2, eerste, tweede en derde lid, gewijzigd. De bijbehorende kaarten in de bijlage zijn ook aangepast.
- • De rotatiesnelheid is in voorschrift 2, zestiende lid en voorschrift 4, derde, vierde en negende lid, gewijzigd van 1 naar 2 rotaties per minuut in verband met de technische beperkingen van grotere windturbines.
- • De tekst van voorschrift 4, negende lid, is verduidelijkt.
- 1. In het MER zijn geen alternatieven onderzocht voor de kavelindeling, waardoor niet duidelijk is of er andere kavelindelingen mogelijk zijn die zorgen voor minder zichtbaarheid vanaf de kust;
- 2. Daarnaast wordt nog niet de volledige bandbreedte van de effecten van hei-energie op onderwatergeluid weergegeven
- • een platform op zee;
- • elektriciteitskabels van het platform door de zeebodem en ondergronds vanaf de kust naar een nieuw te bouwen transformatorstation;
- • een transformatorstation nabij een bestaand hoogspanningsstation te Beverwijk;
- • een (ondergrondse) aansluiting op het hoogspanningsnet.
- • Het aantal biedingen voor de tender een innovatiekavel bij Borssele is zeer beperkt gebleken;
- • De schaalnadelen van gescheiden bouw en exploitatie van een innovatiekavel roepen vragen op over de efficiency van een dergelijke constructie;
- • De Routekaart windenergie op zee 2030 leidt tot een andere focus voor de innovatieopgave. De uitwerking daarvan vergt meer tijd dan op dit moment beschikbaar is, gegeven de planning van de kavelbesluiten voor Hollandse Kust (noord);
- • Met het oog hierop zal worden onderzocht of en zo ja op welke wijze bij toekomstige windparken een innovatiekavel zal kunnen worden ontwikkeld.
- • De innovaties geen belemmering vormen voor de voorgenomen productie van minimaal 700 MW;
- • De innovaties voldoen aan de voorschriften die aan het windpark worden gesteld, zoals opgenomen in bijlage III.
- • Het verlies aan visgrond is een stuk minder. Bovendien blijft het gedeelte van het windenergiegebied met een hoge vis vangstopbrengst voor een groot deel beschikbaar;
- • Er wordt slechts een klein deel van de 10-12 mijlszone gebruikt voor het windpark;
- • Doordat slechts een klein deel van de 10-12 mijlszone wordt gebruikt, heeft dit tot gevolg dat de zichtbaarheid van de windturbines vanaf een aantal kustlocaties verminderd wordt en er een grotere afstand tot het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) ontstaat;
- • Schepen groter dan 24 meter hoeven minder ver om te varen en zijn daardoor niet gedwongen om gebruik te maken van de scheepvaartroutes;
- • Bij slechte weersomstandigheden hoeft minder ver door helikopters om het windpark heen gevlogen te worden om bij olie- en gasplatforms in de buurt te komen;
- • Er is minder habitatverlies voor de flora-en fauna in de Noordzee;
- • Doordat de kavel verder weggelegen is van de bestaande windparken in de omgeving, zal de windafvang voor deze windparken minder zijn.
- • Windturbines opgebouwd uit een fundering, een eventueel transitiestuk, een mast, een gondel en rotorbladen.
- • Bekabeling die de individuele turbines verbindt en aansluit op een platform.
- 1 Turbines Er zijn momenteel veel verschillende typen turbines op de markt. De tendens is om turbines te ontwikkelen met grotere rotoren en grotere vermogens. Hierbij zijn de volgende ontwerpvariabelen te onderscheiden:
- • Tiphoogte: bovenste stand van een individueel blad;
- • Tiplaagte: laagste stand van een individueel blad;
- • Rotordiameter;
- • Aantal bladen per turbine.
- 2 Funderingen Turbines worden aangelegd met behulp van de volgende gangbare funderingstypen:
- • Monopile: een stalen buis met een verschillende doorsnede afhankelijk van het gewicht van de turbine en de grondsoort, waarop de turbine geplaatst wordt;
- • Jacket: een open constructie die met vier monopiles in de bodem is verankerd;
- • Tripod: een open constructie die met drie monopiles in de bodem is verankerd;
- • Gravity based: een betonnen voet bestaande uit een holle kegel die ter plaatse wordt afgezonken en op de bodem wordt geplaatst en gevuld wordt met zand;
- • Suction bucket26Een suction bucket wordt geïnstalleerd door het op de zeebodem te plaatsen en vervolgens een pomp te activeren die water uit de bucket verwijdert, waardoor de bucket zich vastzuigt en in de bodem dringt. Bovenop de suction bucket wordt de turbinepaal gemonteerd.: een cilindrische constructie geplaatst onder een jacket waarvan de bovenkant is afgesloten.
- • Na 12 jaar exploitatie.
- • Na 17 jaar exploitatie.
- • 1 jaar voor start van de verwijdering van het windpark.
- • Eigenschappen van het object
- • De kromming van de aarde
- • De visus van het menselijke oog
- • De meteorologische omstandigheden
- • De ooghoogte van de waarnemer
- 1. De effectieve ruimte om onderhoud uit te voeren is groter dan 500 meter, omdat in voorschrift 2, derde lid, is bepaald dat overdraai van wieken over de onderhoudszone van kabels en leidingen niet is toegestaan. Dit betreft dan de straal van de rotor van ordegrootte 100 meter;
- 2. Er dient ruimte tussen de windturbines aangehouden te worden, waardoor de ruimte om onderhoud uit te voeren effectief groter is. Dit betreft minimaal 4 maal de rotordiameter van ordegrootte 800 meter;
- 3. Voor telecomkabels blijkt uit gegevens van de afgelopen tien jaar dat er in het windenergiegebied Hollandse Kust (noord) nauwelijks reparaties zijn uitgevoerd. Verder neemt de kans op reparaties af omdat er geen bodemberoerende visserij in het windenergiegebied mag plaatsvinden, waardoor de kans op schade aanzienlijk wordt beperkt.
- 1. De cumulatieve effecten op de relevante soorten worden primair getoetst aan de Zuidelijke Noordzee populaties61Bij het in beeld brengen van effecten op het niveau van biogeografische regio’s is om pragmatische redenen een studiegebied gedefinieerd voor vogels en vleermuizen; de Zuidelijke Noordzee. Bij deze keuze hebben vooral de karakteristieken van dit gebied en de functies die het heeft voor de relevante soorten een rol gespeeld. Het omvat nu de Zuidelijke Noordzee tussen 51°N (ongeveer Calais) tot aan 56°N (net ten noorden van het drielandenpunt aan de noordzijde van het NCP, en van de Britse oostkust tot aan de Europese continentale kustlijn (exclusief de Waddenzee en Zeeuwse stromen). Zie figuur 2, kader ecologie en cumulatie, deelrapport A., zodat een beeld wordt verkregen van het effect op de staat van instandhouding van de betreffende soorten. In overeenstemming met deze aanpak is daarom een analyse opgesteld met inbegrip van windparken in de gehele Zuidelijke Noordzee (ten behoeve van internationale cumulatie).
- 2. In het KEC is er voor vogelsoorten en vleermuizen voor gekozen om de effecten te toetsen aan de ‘Potential Biological Removal’63Het effect wordt weergegeven als % van de PBR. Indien het effect groter is dan 100% PBR is er sprake van aantasting van de gunstige staat van instandhouding/significant negatieve effecten. (PBR). De PBR is een maat voor het aantal exemplaren van een soort die jaarlijks (bovenop de jaarlijkse sterfte en emigratie) aan de populatie onttrokken kunnen worden, zonder dat die populatie daardoor structureel achteruit zal gaan. Populatiekenmerken als groei- en herstelcapaciteit, omvang en trend van de betreffende populatie zijn in deze maat verdisconteerd. Zolang de PBR niet overschreden wordt, is het uitgangspunt dat er geen sprake zal zijn van significant negatieve effecten of een aantasting van de gunstige staat van instandhouding64In het KEC is aangegeven dat voor initiatieven in de nabijheid van Natura 2000-gebieden die voor sommige soorten wel een extra of speciale functie hebben (zoals bv. broedgebied voor zeegaande vogelsoorten als grote stern en kleine mantelmeeuw, rust-, rui- of zooggebied voor gewone en grijze zeehond, of ruigebied voor zeekoet) nog een locatie specifieke toetsing dient plaats te vinden binnen de Wnb. Binnen deze toetsing, die heeft plaatsgevonden in de Passende Beoordeling, dient te worden bepaald of de (cumulatieve) effecten van het initiatief afbreuk doen aan omvang, kwaliteit en draagkracht van de habitats en leefgebieden van soorten met instandhoudingsdoelstellingen binnen die Natura 2000-gebieden. In deze situaties wordt niet aan de PBR getoetst.. Voor bruinvissen zijn de berekende effecten uit het Interim PCoD65Interim Population Consequences of Disturbance, Sea Mammal Research Unit (2015). Het Interim PCoD model is een methode om te bepalen in welke mate verstoring van individuele dieren doorwerkt op de gehele populatie. model in eerste instantie vergeleken met de populatiedoelstelling zoals geformuleerd onder het ASCOBANS verdrag.66Agreement on the Conservation of Small Cetaceans of the Baltic and the North Seas. De overeenkomst vloeit voort uit de Bonn-conventie. Het doel is samenwerken om een gunstige staat van instandhouding van tandwalvissen te bereiken en te behouden in de Noordzee en de Baltische zeeën. Het interimdoel is geformuleerd als `to restore and/or maintain stocks/populations to 80% or more of the carrying capacity´. Naar aanleiding van het advies van de Commissie m.e.r.67Commissie m.e.r. project 3091. http://www.commissiemer.nl/advisering/afgerondeadviezen/3091 is bij de besluitvorming ook rekening gehouden met het feit dat de soort zich in een matig ongunstige staat van instandhouding bevindt.
- 3. In het KEC is uitgegaan van een worst case scenario van 4 MW turbines voor de windparken in kavels I en II windenergiegebied Borssele, 6 MW voor de windparken in kavels III-V windenergiegebied Borssele en in kavels I-IV windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) en 8 MW voor het windpark in de kavel V van windenergiegebied Hollandse Kust (noord). Kleinere rotors, en dus meer turbines, zijn schadelijker voor zowel vogels, vleermuizen en zeezoogdieren. Naar verwachting zullen windturbines in de toekomst steeds groter worden. Wanneer er met dit worst case scenario geen negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden of gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten is geconstateerd, zullen de effecten bij grotere turbines alleen maar afnemen, wat gunstig is voor alle onderzochte soorten.
- • Een bovengrens te hanteren van het aantal te plaatsen turbines, te weten 95 in kavel V van Hollandse Kust (noord). Dit voorkeursalternatief is nader uitgewerkt in een voorschrift gebaseerd op het maximaal aantal turbines.
- • Een ondergrens van de toe te passen turbines met een vermogen van 8 MW per turbine. Dit voorkeursalternatief is nader uitgewerkt in een voorschrift gebaseerd op het minimum geïnstalleerd vermogen per turbine.
- • Een voorziening voor het verminderen van aanvaringsslachtoffers onder vogels bij het constateren van massale vogeltrek in combinatie met bepaalde weersomstandigheden.
- • Een voorziening voor het verminderen van aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen in perioden en omstandigheden waarin vleermuizen migreren.
- • Een voorziening waarbij de geluidsproductie tijdens het heien wordt begrensd tot een maximale waarde tussen 165 en 172 dB re µPa2s op 750 meter, afhankelijk van het seizoen en het totaal aantal op te richten windturbines per park69De geluidsnorm is in dit kavelbesluit aangepast ten opzichte van het voorkeursalternatief in de Passende Beoordeling. Omdat er minder geluidsproductie is toegestaan, zullen de effecten op de bruinvispopulatie kleiner zijn..
- • Vogels tijdens het trekseizoen;
- • Lokaal verblijvende niet-broedvogels;
- • Broedende kolonievogels vanuit beschermde Natura 2000-gebieden die het plangebied kunnen bereiken.