Bijlage II Kavelbesluit kavel Gamma-B windenergiegebied IJmuiden Ver: toelichting kavelbesluit Gamma-B windenergiegebied IJmuiden Ver
Kavelbesluit kavel Gamma-B windenergiegebied IJmuiden Ver
Het voorliggende kavelbesluit bestaat uit vier delen: I: besluit II: toelichting III: voorschriften IV: bijlagen Deel II, de toelichting op het kavelbesluit, begint in hoofdstuk 1 met een uiteenzetting van het nut en de noodzaak van maatregelen tegen klimaatverandering, in lijn met nationale en internationale doelen, waaronder het Klimaatakkoord van Parijs. Daarnaast wordt het uitgiftestelsel van kavels voor windparken besproken. Hoofdstuk 2 behandelt de Wet windenergie op zee en de Omgevingswet, die essentieel zijn voor de regulering van windparken op zee. Ook komen de beleidskaders aan bod. Hoofdstuk 3 biedt een inzicht in de procedures en afwegingen die ten grondslag liggen aan het besluitvormingsproces rondom windenergie op zee. Het behandelt de rol van de procedure voor de milieueffectrapportage (mer) en de afstemming met belanghebbenden. Hoofdstuk 4 schetst de kenmerken van kavel Gamma-B binnen het bredere windenergiegebied IJmuiden Ver. Hieronder vallen o.a. de ligging, bodemsamenstelling en natuurwaarden. Daarnaast worden de verkaveling en de onderdelen van het windpark beschreven. Als laatste komt in dit hoofdstuk de fasering van het project (bouw, exploitatie en verwijdering) aan bod. In hoofdstuk 5 wordt het milieueffectrapport (MER) voor kavel Gamma-B belicht, waarbij de gebruikte bandbreedte in het MER wordt aangegeven. Ook worden de belangrijkste bevindingen uit het MER genoemd. In hoofdstuk 6 worden de gevolgen van de ontwikkeling van een windpark in kavel Gamma-B beschreven en voor verschillende maatschappelijke functies en aspecten zoals mijnbouwactiviteiten, scheepvaartveiligheid en waterkwaliteit. Het beschrijft per gebruiksfunctie het beleid, de potentiële gevolgen van de komst van kavel Gamma-B, de gemaakte belangenafweging en, indien van toepassing, een toelichting op de voorschriften voor dit aspect. Hoofdstuk 7 bespreekt de verschillende ecologische rapporten die zijn opgesteld ten behoeve van de besluitvorming. Per soortgroep worden de gevol
- • IJmuiden Ver (Gamma), ca. 2 GW;
- • Hollandse Kust (west), kavel VIII, ca. 0,7 GW;
- • Nederwiek (zuid), ca. 2 GW;
- • Nederwiek (noord), ca. 4 GW;
- • Doordewind, ca. 2 GW;
- • Ten noorden van de Waddeneilanden, ca. 0,7 GW.
- – De kavelbegrenzing is aangepast. Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en Tenaz Energy Netherlands (voorheen NAM Offshore B.V.13Per 1 mei 2025 is NAM Offshore B.V. overgegaan naar Tenaz Energy Netherlands.) hebben maatwerkafspraken gemaakt over de inpassing van mogelijk nieuwe mijnbouwactiviteiten in en nabij de kavel. Dit heeft geleid tot aanpassingen in de verkaveling. Het gaat daarbij om ruimtereserveringen ten behoeve van mogelijk toekomstige (onbemande) mijnbouwplatforms ‘K’ en ‘L’14De mijnbouwplatforms met coördinaatpunten K en L waren opgenomen in het ontwerpkavelbesluit. Deze coördinaatpunten zullen in het vervolg van het document worden aangeduid als mijnbouwplatform K en L., de bereikbaarheid daarvan, en een of meer mogelijk toekomstige pijpleidingen. De ruimtelijke reserveringen zijn gesitueerd rond de beoogde platformlocaties en in de vorm van een corridor van 1 NM door de kavel. De laatstgenoemde is bedoeld voor de bereikbaarheid (per schip, maar bij bijzondere activiteiten rondom het platform mogelijk ook per helikopter) van het mogelijk toekomstige platform ‘L’ en voor het aanleggen en onderhouden van een mogelijk toekomstige pijpleiding. Daarnaast is de kavelgrens verlegd in westelijke richting en reikt deze thans tot aan de grens van het windenergiegebied. In het ontwerpkavelbesluit sloot de westelijke begrenzing van de kavel nog aan op een onderhoudszone voor de bestaande pijpleiding ‘K17-FA-1 – K14-FB-1’. Deze bestaande pijpleiding komt door het verleggen van de kavelgrens in westelijke richting binnen de contour van de kavel te liggen. In overeenstemming met Tenaz Energy Netherlands is een onderhoudszone opgenomen van 240 meter aan weerszijden van de bestaande leiding. Zie in dit verband paragraaf 4.2.2 voor meer informatie. Deze aanpassingen zorgen ervoor dat er voldoende ruimte is voor mogelijk nieuwe mijnbouwactiviteiten en dat er aan de westkant extra ruimte is voor windturbines. Met deze maatwerkoplossing kan een win-win-situatie ontstaan waarbij activiteiten van nationaal belang, windenergie en mijnbouw, worden gecombineerd in hetzelfde gebied. In het MER is het gehele windenergiegebied tot aan de westzijde onderzocht. Deze aanpassing van de verkaveling valt daarmee binnen de onderzochte effecten van het beoogde windpark en leidt niet tot andere conclusies in het MER. Mogelijke effecten van eventuele toekomstige mijnbouwactiviteiten zijn onderwerp van besluitvorming en onderzoek in de vergunningprocedure(s) voor die activiteiten, waarbij die mogelijke effecten (ook) beoordeeld zullen moeten worden in relatie tot de aanwezigheid van een windpark. Gelet op het bovenstaande is voorschrift 2 aangepast (zie beschrijving hierna), zijn in de toelichting de figuren 1, 3, 4, 6, 8 en 9 herzien, en zijn wijzigingen aangebracht in de paragrafen 4.2.2, 6.4.2, 6.4.3, 6.4.4, 6.6, 6.6.2, 6.6.4, 6.9.2, 6.9.3 en 6.9.4.
- – In voorschrift 2, eerste lid, is de coördinatentabel van de kavel(contour)begrenzing aangepast. Tevens is de kaart met de ligging van kavel Gamma-B, die als bijlage bij voorschrift 2, eerste lid, is opgenomen in deel IV van het kavelbesluit, aangepast.
- – Voorschrift 2, tweede lid, is vanwege nieuwe inzichten bij TenneT en op verzoek van TenneT aangepast. De coördinatentabel en de bijbehorende kaart, die als bijlage bij voorschrift 2, tweede lid, is opgenomen in deel IV van het kavelbesluit, zijn aangepast.
- – Voorschrift 2, derde lid (oud), is komen te vervallen. De daarin opgenomen bepaling is in aangepaste vorm opgegaan in voorschrift 2, achtste lid (nieuw).
- – Aan voorschrift 2 is een nieuw derde lid ingevoegd ten behoeve van de onderhoudszone van de bestaande pijpleiding die loopt van platform K17-FA-1 naar platform K14-FB-1 in het westen van kavel Gamma-B. Er is een kaart met de ligging van de onderhoudszone toegevoegd als bijlage bij dit voorschrift.
- – Aan voorschrift 2 is een vierde lid toegevoegd ten behoeve van de ruimtelijke reservering voor een of meer mogelijk toekomstige pijpleidingen en voor de bereikbaarheid van het mogelijk toekomstige mijnbouwplatform ‘L’. Er is een kaart met deze reserveringszone toegevoegd als bijlage bij dit voorschrift. In deze reserveringszone mogen geen turbines worden geplaatst. Wel kunnen er inter-array kabels doorheen lopen.
- – Aan voorschrift 2 is een vijfde lid toegevoegd ten behoeve van de ruimtelijke reservering voor de bereikbaarheid van het mogelijk toekomstige mijnbouwplatform ‘K’ en voor (een) eventuele pijpleiding(en). Er is een kaart met deze reserveringszone toegevoegd als bijlage bij dit voorschrift. In deze reserveringszone mogen geen turbines worden geplaatst. Wel kunnen er inter-array kabels doorheen lopen.
- – Aan voorschrift 2 is een zesde lid toegevoegd ten behoeve van de ruimtelijke reservering voor een veiligheidszone rondom de beoogde locatie van het mogelijk toekomstige mijnbouwplatform ‘K’. In deze veiligheidszone mogen geen turbines worden geplaatst en geen inter-array kabels worden gelegd.
- – Aan voorschrift 2 is een zevende lid toegevoegd ten behoeve van de ruimtelijke reservering voor een veiligheidszone rondom de beoogde locatie van het mogelijk toekomstige mijnbouwplatform ‘L’. In deze veiligheidszone mogen geen turbines worden geplaatst en geen inter-array kabels worden gelegd.
- – Aan voorschrift 2 is een achtste lid toegevoegd waarin is bepaald dat windturbines volledig moeten zijn gesitueerd binnen de in het eerste lid genoemde contour en volledig buiten de in het derde lid genoemde onderhoudszone van de bestaande pijpleiding, de in het vierde en vijfde lid genoemde reserveringszones en de in het zesde en zevende lid genoemde veiligheidszones
- – Aan voorschrift 2 is een negende lid toegevoegd. Netbeheerder TenneT heeft aangegeven dat er nog onzekerheden bestaan over het net op zee, bijvoorbeeld ten aanzien van het definitieve platformontwerp en de situering van kabels. Om die reden is in het negende lid een bepaling opgenomen die voorziet in een mogelijkheid tot afwijking van het in voorschrift 2, tweede lid, opgenomen tracé voor de aansluitverbinding indien sprake is van onvoorziene omstandigheden. De afwijking moet in het belang zijn van een doelmatige aansluiting en er moet sprake zijn van overeenstemming tussen de vergunninghouder van het windpark en TenneT.
- – Aan voorschrift 2 is een tiende lid toegevoegd waarin is bepaald dat de Minister van Klimaat en Groene Groei kan instemmen met een eventueel verzoek van de vergunninghouder om af te wijken van een of meer van de beperkingen die zijn gesteld in voorschrift 2, vierde tot en met zevende lid, alsmede de daaraan gerelateerde beperkingen gesteld in het achtste lid, indien vaststaat dat de betreffende gebieden niet worden gebruikt voor mijnbouwactiviteiten van Tenaz Energy Netherlands. Op deze wijze is geborgd dat meer ruimte van het windenergiegebied kan worden benut voor windenergie indien vaststaat dat de thans beoogde mijnbouwactiviteiten niet worden uitgevoerd.
- – Voorschrift 3, achtste lid, is ambtshalve aangevuld. In het ontwerpkavelbesluit was in deel I (Besluit) wel benoemd dat de kavel wordt aangewezen voor een windpark met een totaal geïnstalleerd vermogen van ten minste 1 GW en ten hoogste 1,15 GW, maar was het minimumvermogen abusievelijk niet opgenomen in een voorschrift. Het bindend vastleggen van een minimumvermogen is van belang om onderbenutting van het net op zee te voorkomen.
- – Voorschrift 3, negende lid, is naar aanleiding van het toetsingsadvies van de Commissie mer aangepast. Vanwege kennisleemtes over de scheepvaartveiligheidsgevolgen van andere funderingstypes dan monopiles is in afwijking van het ontwerpkavelbesluit alleen het gebruik van monopiles toegestaan. De paragrafen 4.3 en 4.4 van de toelichting zijn hier ook op aangepast.
- – Voorschrift 3, veertiende lid, is naar aanleiding van een zienswijze gewijzigd. In (de aanvulling op) het MER is het maximaal verstoord bodemoppervlak opnieuw berekend en beoordeeld. Het voorschrift is op basis van de nieuwe berekening aangepast. Ook de paragrafen 6.12.4 en 7.3.6 van de toelichting zijn geactualiseerd. Bij de bouw van het windpark wordt niet meer dan 3.440.200 m2 van de zeebodem verstoord.
- – Voorschrift 4, eerste lid, onderdeel d, is naar aanleiding van een zienswijze gewijzigd. De zinsnede ‘en in een zo kort mogelijke aaneengesloten periode onderwatergeluid te produceren’ is uit het voorschrift verwijderd aangezien dit onderdeel van de bepaling mogelijk onbedoelde effecten met zich mee kan brengen. Paragraaf 7.8.2 van de toelichting is hier ook op aangepast.
- – Voorschrift 4, derde lid, onderdelen b en c, is mede naar aanleiding van een zienswijze aangepast. In het voorschrift, dat ziet op de medewerkingsplicht ten aanzien van de installatie en het beheer van een vogeldetectiesysteem, is benoemd dat een overeenkomst zal worden gesloten met de vergunninghouder, waarbij rekening wordt gehouden met kostenefficiëntie.
- – Voorschrift 4, vierde lid, onderdeel c, is naar aanleiding van een zienswijze aangepast. Hiermee is het mogelijk gemaakt om centrale metingen uit te voeren bij het toepassen van de stilstandvoorziening voor vleermuizen. Indien metingen niet per windturbine plaatsvinden, dient dit volgens het voorschrift te gebeuren op een of meer representatieve locatie(s) in het windpark op rotorhoogte.
- – Voorschrift 4, zesde lid, onderdelen c en d, is mede naar aanleiding van zienswijzen verwijderd. De voorschriften bevatten bepalingen over scheepvaartbewegingen en lozingen in Natura 2000-gebieden. Deze handelingen worden echter geregeld in de beheerplannen die gelden voor Natura 2000-gebieden. De Passende beoordeling die is opgesteld bij het kavelbesluit geeft geen aanleiding tot aanvullende bepalingen. Paragraaf 7.8.5 van de toelichting is hier ook op aangepast.
- – De bijlage bij voorschrift 4, achtste lid, onderdeel a, is ambtshalve gewijzigd voor wat betreft de vermeldingen van de objecten met mogelijke archeologische waarden. In totaal zijn in de kavels Gamma-A en Gamma-B 13 objecten geïdentificeerd met mogelijke archeologische waarden. Sommige objecten zijn meerdere keren gedetecteerd waardoor het gaat om 23 locaties in plaats van 13 locaties zoals was opgenomen in het ontwerpkavelbesluit. Paragraaf 6.7.2 van de toelichting is hierop aangepast.
- – De bijlage bij voorschrift 4, achtste lid, onderdeel a, is ambtshalve gewijzigd voor wat betreft de vermeldingen van ijzerhoudende objecten. In het ontwerpkavelbesluit is vermeld dat het 224 anomalieën (duidend op ijzerhoudende voorwerpen) betreft in de kavels Gamma-A en Gamma-B, waarvan een deel ligt binnen de grenzen van kavel Gamma-B. Sommige anomalieën zijn meerdere keren gedetecteerd, waardoor het gaat om 225 locaties in plaats van 224. Paragraaf 6.7.2 van de toelichting is hierop aangepast.
- – In voorschrift 4, achtste lid, onderdelen a en b, is tevens ambtshalve tot uitdrukking gebracht dat de 100 meter uitsluitingszone in het geval van mogelijk archeologische waarden geldt vanaf de contouren van deze objecten, voor zover die bekend zijn. Dit is ook verduidelijkt in paragraaf 6.7.2 van de toelichting.
- – Voorschrift 4, negende lid, is ambtshalve aangepast. Ook zijn de paragrafen 6.2.2 tot en met 6.2.4 van de toelichting aangepast. In het KEC 5.0 is lichtvervuiling als ecologische drukfactor geïdentificeerd. Ook roept de EU-verordening 2024/1991 de lidstaten op tot het stoppen of zoveel mogelijk verminderen van lichtvervuiling in ecosystemen. Om die reden is in voorschrift 4, negende lid, een nieuw onderdeel a ingevoegd, waarin een verplichting is opgenomen om de lichtintensiteit van de aeronautische obstakelverlichting buiten de daglichtperiode te verminderen, afhankelijk van de zichtomstandigheden. Daarnaast is na de terinzagelegging van het ontwerpkavelbesluit het informatieblad ‘Aanduiding van offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ herzien15Stcrt. 2025, nr. 6895., waarmee de relevantie van hetgeen was geregeld in voorschrift 4, negende lid, onderdeel a (oud), is komen te vervallen. In voorschrift 4, negende lid, onderdeel a (oud), was bepaald dat aeronautische obstakellichten op het hoogste vaste punt op alle windturbines vastbrandende (niet-flitsende) rode lichten zijn. Dit is thans als standaard opgenomen in het herziene informatieblad. Tot slot is in voorschrift 4, negende lid, een nieuw onderdeel d ingevoegd, waarin een uitzonderingsmogelijkheid op de verplichting zoals bedoeld in onderdeel a (nieuw) opgenomen, wanneer dat in het belang is van (onderzoek naar) de bescherming van vogels. Deze uitzonderingsmogelijkheid maakt bijvoorbeeld het gebruik van Aircraft Detection Lighting System (ADLS) mogelijk. Door de toevoeging van het nieuwe onderdeel d, zijn de onderdelen d tot en met g vernummerd tot e tot en met h.
- – Voorschrift 4, negende lid, onderdeel h (nieuw), ziet op het aanleveren van gegevens over beoogde turbineposities ten behoeve van de tijdige vermelding van deze obstakels in de luchtvaartkaarten. De in het ontwerpkavelbesluit benoemde opsomming van gegevens die aangeleverd moeten worden is aangescherpt naar aanleiding van verschillende helikopterbereikbaarheidsonderzoeken, waaronder een flight operational safety assessment (FOSA). Het onderdeel h (nieuw) is ambtshalve aangevuld met een aantal gegevens die aanvullend aangeleverd dienen te worden. Daarnaast is het moment dat deze gegevens dienen te worden overgelegd aangepast. Dit was in het ontwerpkavelbesluit vier maanden voorafgaand aan de plaatsing van de eerste turbine. Dit is gewijzigd naar vier maanden voorafgaande aan de plaatsing van de eerste fundering, aangezien funderingen die boven het wateroppervlak uitsteken ook relevant zijn voor het luchtverkeer. Ten slotte is een onderdeel i toegevoegd waarin een verplichting is opgenomen om eventuele afwijkingen van voornoemde melding gedurende de bouwwerkzaamheden zo spoedig mogelijk door te geven. Ook is paragraaf 6.6.4 op deze aspecten aangepast.
- – Voorschrift 4, tiende lid, dat een stilstandvoorziening bevat in het geval van werkzaamheden aan bestaande infrastructuur, is ambtshalve aangepast. In het ontwerpkavelbesluit bevatte het voorschrift een generieke verwijzing naar kabels, leidingen en boorgaten. Vanwege de aanpassing van de westgrens van de kavel is de pijpleiding ‘K17-FA-1 – K14-FB-1’ binnen de kavelbegrenzing komen te liggen. In de aangepaste redactie van het voorschrift zijn de kabels en leiding waarop het voorschrift ziet gespecificeerd. De generieke verwijzing naar boorgaten is ongewijzigd.
- – Voorschrift 4, elfde lid, onderdeel a, is naar aanleiding van een zienswijze aangepast. De daarin opgenomen afstand is verruimd. Er mogen in beginsel geen bodemberoerende activiteiten worden verricht in een straal van 150 meter rond een afgesloten boorgat in verband met de borging van de technische integriteit van de boorgatafsluiting. De verruiming naar 150 meter (ten opzichte van 100 meter in het ontwerpkavelbesluit) is gedaan uit voorzorg, zodat bij het eventueel falen van een afsluiting, wat zelden voorkomt, voldoende ruimte beschikbaar is voor noodzakelijke herstelwerkzaamheden. Paragrafen 6.4.1, 6.4.2 en 6.4.4 van de toelichting zijn hier ook op aangepast.
- – De bijlage bij voorschrift 4, elfde lid, onderdeel a, is ambtshalve gewijzigd voor wat betreft het aantal boorgaten. In totaal gaat het voor de kavels Gamma-A en Gamma-B om 24 locaties in plaats van 20 locaties zoals was opgenomen in het ontwerpkavelbesluit.
- – Voorschrift 5, eerste en tweede lid, is mede naar aanleiding van zienswijzen gewijzigd. In het eerste lid is onderdeel b aangepast. Onder het derde streepje van de opsomming is de bekabeling toegevoegd als voorbeeld van een onderdeel van het windpark waar een bevestigingspunt voor sensoren nodig kan zijn, welke in dat geval beschikbaar wordt gesteld door de vergunninghouder. Ook is de toelichting in paragraaf 6.18.3 op dit aspect aangevuld. In het tweede lid is de enuntiatieve opsomming aangepast in een limitatieve opsomming en is het woord ‘ingraafdiepte’ vervangen door ‘initiële begraafdiepte’. Ook is in het tweede lid de zinsnede ‘en daarmee de effecten op vissen, bodemdieren en zeezoogdieren’ geschrapt. Daarnaast zijn de woorden ‘de as built-arraykabelindeling’ vervangen door ‘de as laid-gegevens’.
- – De redactie van voorschrift 8 is naar aanleiding van een zienswijze aangepast omdat het voorschrift kennelijk op meerdere wijzen kon worden geïnterpreteerd. De verwijdering van het windpark moet binnen twee jaar na het einde van de exploitatie zijn voltooid, en binnen de looptijd van de vergunning. Ook is de toelichting in paragraaf 4.4.3 om deze reden aangevuld.
- – Paragraaf 6.17.3 van de toelichting is naar aanleiding van een zienswijze aangepast. In de betreffende paragraaf is de strekking van voorschrift 7, eerste lid, nader toegelicht. Een eventuele toekomstige vergunninghouder van buiten de EU zal ervoor zorg moeten dragen dat alle partijen die een cumulatief nominaal vermogen van minimaal 100 MW van het windpark daadwerkelijk aan en uit kunnen zetten worden ondergebracht bij een entiteit die is gevestigd in de EU, en mag dit niet als zodanig uitbesteden aan partijen die zijn gevestigd in een derde land buiten de EU. Het voorschrift zelf is niet gewijzigd.
- – Naar aanleiding van de vaststelling van het KEC 5.0 na de terinzagelegging van het ontwerpkavelbesluit zijn in hoofdstuk 7 en elders in de toelichting specifieke verwijzingen naar het KEC 5.0 opgenomen. Verwijzingen naar KEC 4.0 zijn blijven staan conform de tekst van het ontwerpkavelbesluit. Waar in algemene zin naar de KEC-systematiek wordt verwezen, is geen versienummer benoemd. Het recent verschenen KEC 5.0 biedt nieuwe inzichten over verschillende beschermde vogelsoorten, vleermuissoorten en zeezoogdieren. Het KEC 5.0 onderstreept de conclusie uit het MER, met uitzondering van de effecten in cumulatie op de soorten jan-van-gent en zeekoet. Voor deze soorten is in (de aanvulling op) het MER een aanvullende beoordeling uitgevoerd. Op basis van de aanvullende beoordeling is geconcludeerd dat de staat van instandhouding van de betreffende twee soorten niet verslechtert met de komst van een windpark in kavel Gamma-B, ook niet als dit wordt bezien in cumulatie met andere windparkontwikkelingen. Deze nieuwe inzichten zijn ook verwerkt in hoofdstuk 7.
- – Er zijn in de toelichting en in verschillende voorschriften niet-inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd uit het oogpunt van een duidelijke en uniforme redactie.
- – In de toelichting bij het kavelbesluit zijn nadere duiding en andere ondergeschikte tekstuele wijzigingen doorgevoerd. Zie de nota van beantwoording van de zienswijzen voor meer details over deze wijzigingen.
- – Ten eerste heeft de Commissie mer in het toetsingsadvies opgemerkt dat uit het MER blijkt dat een verhoging van de voorgeschreven minimale tiplaagte het aantal vogelslachtoffers kan beperken. De commissie verzoekt om een nadere beschouwing en uitwerking van deze mitigerende maatregel in de definitieve besluitvorming. De eisen die aan een windpark worden gesteld komen tot stand na een afweging waarbij verschillende, soms conflicterende, ruimtelijke belangen zijn betrokken. Met een tiplaagte van ten minste 25 meter is aangesloten bij eerdere kavelbesluiten en de uitgangspunten van het KEC 5.0. Het is ook internationaal een gangbare tiplaagte. In algemene zin kan hierover gesteld worden dat in het MER is geconcludeerd dat (ook) bij een tiplaagte van 25 meter geen gevolgen zijn te verwachten van het windpark voor de staat van instandhouding van beschermde vogelsoorten. Ter bescherming van vogels en andere soorten wordt primair ingezet op turbines met een hoog vermogen, omdat daar minder van geplaatst hoeven te worden om aan de vermogensdoelstelling van een kavel te kunnen voldoen. Uit het MER volgt dat een tiplaagteverhoging leidt tot een lager aanvaringsrisico voor sommige zeevogelsoorten. Dit effect is afgewogen tegen de ontwerpeisen die een tiplaagteverhoging met zich meebrengt. Denk hierbij aan de verzwaring van de fundering, die bij de aanleg mogelijk tot meer verstoring van onderwaterleven leidt. Bij de voorgeschreven dimensionering spelen voorts zaken als kosten, grondstoffengebruik en energetische terugverdientijd van een windpark een rol. Daarnaast is rekening gehouden met de maximale tiphoogte van 304,8 meter in verband met de veiligheid van het luchtverkeer. De hoogte van 304,8 meter correspondeert met de grens in het luchtruim van 1.000 voet. De verstoring van het luchtverkeer blijft beperkt bij een bouwhoogte tot 1.000 voet. Uitgaande van die tiphoogtegrens, brengt een tiplaagteverhoging met zich mee dat de bandbreedte voor rotordiameters ingeperkt wordt. Met de voorgeschreven tiplaagte van minimaal 25 meter wordt een gelijk speelveld voor ontwikkelaars zoveel mogelijk geborgd.
- – Ten tweede adviseert de Commissie mer om de effecten op aanvaringen en mogelijke verdrinkingen in het scheepvaartveiligheidsonderzoek mee te nemen als kennisleemte en daarbij de mogelijke risico’s van deze kennisleemte te beschouwen en uit te leggen hoe er met deze leemte in kennis wordt omgegaan. De MER-opsteller heeft naar aanleiding van het advies in het MER nader toegelicht welke kennisleemtes er zijn over effecten van aanvaringen en verdrinkingen, en heeft daarbij aangegeven hoe met deze kennisleemtes wordt omgegaan. Ten aanzien van de vraag in hoeverre sprake kan zijn van andere gevolgen bij gebruik van een ander funderingstype dan een monopile, is de conclusie dat dit vooralsnog een kennisleemte betreft. Om die reden is besloten om in afwijking van het ontwerpkavelbesluit in voorschrift 3, negende lid, enkel het gebruik van monopiles toe te staan. Binnen het MOSWOZ-programma zal hier op termijn wel nader onderzoek naar worden gedaan. Gelet op de waterdiepte en bodemomstandigheden in de kavel, is de verwachting dat de inperking van de bandbreedte op dit aspect niet tot uitvoeringsproblemen leidt.
- – Ten derde adviseert de Commissie mer om informatie toe te voegen over risico’s op olie-uitstroom, gebaseerd op bestaand internationaal onderzoek, en daarbij mogelijke mitigerende maatregelen, bijvoorbeeld actieve verkeersbegeleiding, in beeld te brengen evenals de effectiviteit daarvan.
- – De MER-opsteller heeft naar aanleiding van het advies nadere informatie in het MER toegevoegd over de risico’s op olie-uitstroom op basis van (inter)nationaal onderzoek en de effectiviteit van actieve verkeersbegeleiding (VTMon) als mitigerende maatregel. Op basis van aanvullend onderzoek in het MER is de conclusie dat het lastig zal zijn om de effectiviteit van VTMon op kwantitatieve wijze te monitoren. Het aantal scheepsongevallen op de Noordzee is relatief laag en er kunnen per jaar grote variaties optreden in het aantal opgetreden ongevallen zonder dat daarbij de nautische veiligheid is veranderd. Het is de verwachting dat na de implementatie van VTMon het ongeveer 5 jaar zal duren voordat er betrouwbare conclusies kunnen worden getrokken.
- – Ten vierde adviseert de Commissie mer om aandacht te besteden aan het effect van heigeluid op bruinvisverstoringsdagen. Daarbij gaat het om, naast geluidarme funderingstechnieken en funderingstypes, aanvullende maatregelen in te zetten om te kunnen voldoen aan een strengere geluidsnorm voor deze en toekomstige kavelbesluiten. De offshore-sector is volop in beweging, ook ten aanzien van het ontwikkelen van nieuwe funderingstechnieken en middelen om geluidsniveaus bij het gebruik van bestaande technieken te verlagen. Met het stellen van een doelvoorschrift (geluidsnorm) in plaats van een middelvoorschrift wordt innovatie van middelen en technieken ter bescherming van onderwaterleven gestimuleerd. Met de gekozen geluidsnorm is een balans gezocht tussen enerzijds het beperken van de toename van het aantal bruinvisverstoringsdagen en anderzijds het rekening houden met de uitvoerbaarheid van de aanlegwerkzaamheden. Er worden geen beperkingen opgesteld ten aanzien van de bouwduur. Wel zal de vergunninghouder de verstoring tot een minimum moeten beperken. De vergunninghouder zal voorafgaande aan de aanleg van het windpark in een funderingsplan voldoende aannemelijk moeten maken dat hij het windpark kan bouwen zonder de geluidsnormering te overschrijden. Daartoe zal hij een funderingsplan als bedoeld in voorschrift 4, tweede lid, onderdeel c, overleggen aan het bevoegd gezag, waarin hij onder meer uiteenzet met welke technieken en maatregelen hij gaat werken. Voorts dient de vergunninghouder op grond van voorschrift 4, tweede lid, onderdeel g, tijdens het funderen continu het geluidsniveau te meten en de gegevens steeds binnen uiterlijk 48 uur te delen met het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan daarnaast op eigen initiatief opdracht verstrekken aan een onafhankelijke derde partij om geluidsmetingen uit te voeren. Op grond van metingen kan effectief toezicht worden gehouden. Het toegestane aantal bruinvisverstoringsdagen is vastgelegd in voorschrift 4, tweede lid, onderdeel g, en is gebaseerd op het MER.
- • een TenneT-platform op zee;
- • ondergrondse elektriciteitskabels van het platform door de zeebodem naar een converterstation op de Maasvlakte;
- • een converterstation op de Maasvlakte;
- • een kabelsysteem vanaf het converterstation op land naar een nieuw te bouwen hoogspanningsstation op de Maasvlakte.
- • windturbines, bestaande uit een mast, een gondel, rotorbladen en eventuele meetapparatuur;
- • een fundering van de windturbine, en een eventueel transitiestuk;
- • erosiebescherming;
- • bekabeling die de individuele windturbines verbindt en aansluit op een aansluitpunt (inter-array-kabels).
- • tiphoogte: bovenste stand van een individueel blad;
- • tiplaagte: laagste stand van een individueel blad;
- • rotordiameter;
- • aantal bladen per windturbine.
- • monopile: een stalen buis met een verschillende doorsnede afhankelijk van het gewicht van de windturbine en de grondsoort, waarop de turbine geplaatst wordt;
- • jacket: een open constructie die met vier palen in de bodem is verankerd;
- • tripod: een open constructie die met drie palen in de bodem is verankerd;
- • gravity based fundering: een betonnen voet bestaande uit een holle kegel die ter plaatse wordt afgezonken en op de bodem wordt geplaatst en gevuld wordt met zand;
- • suction bucket29Een suction bucket wordt geïnstalleerd door het op de zeebodem te plaatsen en vervolgens een pomp te activeren die water uit de bucket verwijdert, waardoor de bucket zich vastzuigt en in de bodem dringt. Bovenop de suction bucket wordt de turbinepaal gemonteerd.: een cilindrische constructie geplaatst onder een jacket waarvan de bovenkant is afgesloten.
- • na 12 jaar exploitatie;
- • na 24 jaar exploitatie;
- • 1 jaar voor start van de verwijdering van het windpark.
- – eigenschappen van het object;
- – kromming van de aarde (kimduiking);
- – visus van het menselijke oog;
- – meteorologische omstandigheden.
- – turbine-ID;
- – coördinaten (zowel in WGS84 als in ETRS89 zone 31);
- – rotordiameter (in meter);
- – ashoogte (in meter, MSL);
- – tiphoogte (in meter en voet, MSL);
- – horizontale en verticale meetnauwkeurigheden (conform EU 469/2019 AIS.TR.360);
- – aantal obstakellichten per windturbine;
- – soort en kleur van de obstakellichten;
- – lichtsterkte obstakellichten (in candela);
- – markeringen;
- – hoogte en kleur verlichting halverwege de mast (in meter, MSL);
- – beoogde datum van plaatsing van de eerste fundering van het windpark en de beoogde datum van plaatsing van de laatste windturbine van het windpark.
- – het ter beschikking stellen van een opstelpunt in de windturbine (binnen) voor apparatuur, waaronder netwerkapparatuur voor glasvezelcommunicatie naar het TenneT-platform;
- – het ter beschikking stellen van een veilig bereikbaar bevestigingspunt voor sensoren en apparatuur aan de windturbine (buiten);
- – het ter beschikking stellen van een bevestigingspunt voor sensoren en apparatuur aan de windturbinefundering en aan of nabij de erosiebescherming en bekabeling;
- – het aanleggen van bekabeling tussen de apparatuur in de windturbine en sensoren en apparatuur aan de windturbine;
- – het leveren van voeding voor de sensoren en de apparatuur in en aan de windturbine;
- – het ter beschikking stellen van glasvezelinfrastructuur van windturbines naar het TenneT-platform;
- – het patchen van de glasvezelinfrastructuur naar de MIVSP-faciliteit.
- 1. De cumulatieve effecten op de relevante soorten worden primair in beeld gebracht in relatie tot de Zuidelijke Noordzee populaties99Bij het in beeld brengen van effecten op het niveau van biogeografische regio’s is om pragmatische redenen een studiegebied gedefinieerd voor vogels en vleermuizen; de Zuidelijke Noordzee. Bij deze keuze hebben vooral de karakteristieken van dit gebied en de functies die het heeft voor de relevante soorten een rol gespeeld. Het omvat nu de Zuidelijke Noordzee tussen 51°N (ongeveer Calais) tot aan 56°N (net ten noorden van het drielandenpunt aan de noordzijde van het NCP, en van de Britse oostkust tot aan de Europese continentale kustlijn (exclusief de Waddenzee en Zeeuwse stromen)., zodat een beeld wordt verkregen van het effect op de staat van instandhouding van de betreffende soorten.100In het geval van vogelsoorten waarvoor populatiemodellen zijn opgesteld, wordt in de ALI-systematiek gekeken naar zowel een nationaal als internationaal scenario. In het nationale scenario worden de cumulatieve effecten van Nederlandse windparken getoetst aan de Nederlandse vogelpopulatie in het Nederlands deel van de zuidelijke Noordzee. In het internationale scenario worden alle windparken in zuidelijke Noordzee meegenomen en getoetst tegen de internationale vogelpopulatie in de gehele zuidelijke Noordzee. In overeenstemming met deze aanpak is een analyse opgesteld met inbegrip van windparken in de gehele Zuidelijke Noordzee (ten behoeve van internationale cumulatie). Voor mariene diersoorten wordt deze beoordeling op populatieniveau tevens gebruikt om de mogelijke effecten op de aanwezige aantallen van de relevante soorten in Natura 2000-gebieden in beeld te brengen. Dit vanwege het feit dat de te beschouwen (mariene) soorten een diffuse verspreiding kennen en hun migratiepatronen zich door de gehele Zuidelijke Noordzee uitstrekken. De aanwezigheid van deze soorten in Natura 2000-gebieden is in grote mate afhankelijk van de totale aantallen in de populatie.101Deze aanpak is voor de bruinvis ook onderschreven in de uitwerking van het bruinvisbeschermingsplan waarin is aangegeven dat bescherming van deze migrerende soort in alleen Natura 2000-gebieden onvoldoende is om de gunstige staat van instandhouding van deze soort te bereiken en te behouden. Daarom is een Noordzee-brede bescherming voor deze soort meer gepast.
- 2. In het KEC 4.0 is er voor een aantal vogelsoorten voor gekozen om de effecten in beeld te brengen aan de soortspecifieke ‘acceptable level of impact’ (ALI). Hiermee kan beoordeeld worden of cumulatieve effecten ten gevolge van windenergie op zee leiden tot significante gevolgen voor de staat van instandhouding voor een vogelsoort. Populatiekenmerken, de staat van instandhouding en beschikbare hoeveelheid kennis van de betreffende populatie zijn in deze maatstaf gebruikt. Zolang de ALI niet overschreden wordt, is de aanname dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de staat van instandhouding.102In het KEC 4.0 is aangegeven dat voor initiatieven in de nabijheid van Natura 2000-gebieden die voor sommige soorten wel een extra of speciale functie hebben (zoals bv. broedgebied voor zeegaande vogelsoorten als grote stern en kleine mantelmeeuw, rust-, rui- of zooggebied voor gewone en grijze zeehond, of ruigebied voor zeekoet) nog een locatie-specifieke toetsing dient plaats te vinden. Binnen deze toetsing, die heeft plaatsgevonden in de Passende beoordeling, dient te worden bepaald of de (cumulatieve) effecten van het initiatief afbreuk doen aan omvang, kwaliteit en draagkracht van de habitats en leefgebieden van soorten met instandhoudingsdoelstellingen binnen die Natura 2000-gebieden. Voor bruinvissen zijn de te verwachten effecten op de populatie berekend met het Interim PCoD103Interim- Population Consequences of Disturbance (Interim PCoD, versie 5.2). Het Interim PCoD model is een methode om te bepalen in welke mate verstoring van individuele dieren doorwerkt op de gehele populatie. populatiemodel en getoetst aan de in het KEC 4.0 gehanteerde doelstelling. Deze doelstelling is: het met grote zekerheid (95 procent) in stand houden van de Nederlandse bruinvispopulatie op minimaal 95 procent van de in 2016 vastgestelde omvang.
- 3. In het KEC 4.0 is uitgegaan van een scenario van 15 MW windturbines voor de windparken die tussen 2025 en 2030 worden gebouwd. Windturbines met een lage capaciteit zijn (per eenheid opgewekte energie) in het algemeen schadelijker voor verschillende (lokaal verblijvende) zeevogelsoorten, vleermuizen en zeezoogdieren dan de meest vermogende turbines. Hoewel de laatste in omvang groter en als zodanig schadelijker zijn, is voor het totaaleffect op de ecologie in positieve zin bepalend dat er veel minder van geplaatst hoeven te worden om eenzelfde energieopbrengst en bijdrage aan de energiedoelen te behalen. In het MER wordt echter ook een effectbeoordeling gedaan van een variant met 20 MW-turbines, ter vergelijking. In het tweede kwartaal van 2025 is versie 5.0 van het KEC gepubliceerd op basis van een actualisering van onder meer ecologische inzichten, methodieken, ALI-drempelwaarden en uitrolscenario’s. In het KEC 5.0 zijn dezelfde soorten onderzocht als in het KEC 4.0. het betreft de meest relevante/representatieve beschermde vogelsoorten. Het gaat om de drieteenmeeuw, dwergmeeuw, zilvermeeuw, kleine mantelmeeuw, grote mantelmeeuw, jan-van-gent, grote jager, kleine jager, visdief, grote stern, kleine zwaan, rotgans, bergeend, wulp, kanoet, rosse grutto, zwarte stern, spreeuw, noordse stormvogel, aalscholver, eider, roodkeelduiker, zeekoet, alk en papegaaiduiker. Ook zijn binnen de categorie van zeezoogdieren in het KEC 5.0 de cumulatie van effecten op de bruinvis, gewone zeehond en grijze zeehond onderzocht. Andere soorten zeezoogdieren trekken op onregelmatige basis door de Nederlandse wateren.
- • Vogels tijdens het trekseizoen;
- • Lokaal verblijvende niet-broedvogels;
- • Vogels uit (kolonies in) beschermde Natura 2000-gebieden die het plangebied kunnen bereiken.
- – een beschrijving van het installatieproces, bestaande uit een beschrijving van de fundering, de te gebruiken apparatuur en schepen, de installatiemethode en de processtappen;
- – een communicatieplan, waarin is beschreven op welke wijze voor, tijdens en na de funderingswerkzaamheden wordt gecommuniceerd met het bevoegd gezag, betrokken overheidsdiensten en de in het plan beschreven andere stakeholders;
- – een geluidsprognose, voorzien van een onderbouwing waarbij rekening wordt gehouden met de locatie-specifieke omstandigheden;
- – een beschrijving van te treffen mitigerende maatregelen, zoals een akoestisch afschrikmiddel (voor zover van toepassing), soft/slow start en andere geluidsreducerende maatregelen);
- – een beschrijving van de opzet en technische kenmerken van geluidsmetingen.
- – fundering-ID, locatie, lengte en diameter van de fundering;
- – de maximum hoeveelheid energie;
- – een beschrijving van de toegepaste mitigerende maatregelen om het geluidsniveau zoveel mogelijk te beperken;
- – begin- en eindtijd van de installatie van de fundering
- – begin- en eindtijd van het gebruik van een akoestisch afschrikmiddel (voor zover van toepassing);
- – begin- en eindtijd van de toegepaste maatregelen om het geluidsniveau zoveel mogelijk te beperken;
- – de resultaten van de geluidsmetingen, in SELss (in het geval van impulsgeluid) of SPL132SPL=sound pressure level. (in het geval van continugeluid).