Bijlage 12 Regeling bemanning zeeschepen: behorend bij artikel 3.6.3, eerste lid: keuringsaanwijzingen
Het handhaven en bevorderen van de veiligheid op zee houdt onder andere in een zorgvuldig periodiek geneeskundig onderzoek van zeevarenden. Om in aanmerking te komen voor een geneeskundige verklaring is de betrokkene vrij van enige afwijking, ziekte of verwonding die een veilige uitoefening van de werkzaamheden belemmert of waarvan het aannemelijk is dat die door werkzaamheden op zee dusdanig wordt verergerd dat hij (zij) daardoor ongeschikt wordt voor deze werkzaamheden. Zijn (haar) aanwezigheid aan boord mag geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de andere opvarenden. Van groot belang daarbij is vooral het tijdig herkennen en (laten) behandelen van die aandoeningen die een duidelijke risico verhogende factor zijn. Een zeevarende die een functie uitoefent (of gaat uitoefenen) als bedoeld in artikel 23, eerste en tweede lid, van de wet is daarnaast te allen tijde in staat om adequaat te handelen in geval van nood. Hij moet daarbij niet alleen in staat zijn zichzelf in veiligheid te stellen, maar moet kunnen assisteren bij het bestrijden van brand en het lanceren van reddingmiddelen en moet medebemanningsleden en overige opvarenden kunnen assisteren. Zeevarenden moeten voldoende lichamelijke conditie en fysieke vaardigheid hebben om hun functie naar behoren te kunnen uitoefenen. Zeevarenden die een functie uitoefenen of gaan uitoefenen als bedoeld in artikel 23, eerste en tweede lid, van de wet moeten bovendien voldoende lichamelijke conditie en fysieke vaardigheid hebben om te allen tijde adequaat te kunnen handelen aan boord (ref. STCW-code, tabel B-I/9-2). Hiertoe is vereist dat de zeevarende: De keuringsarts laat zich bij een beslissing tot een goedkeuring onder beperkingen voortvloeiend uit de toepassing van appendix A tot en met E van de Guidelines on the medical examinations of seafarers/ International Labour Office, Sectoral Activities Programme, International Migration Organization 2013 (ILO/IMO/JMS/2011/12) leiden door de navolgende algemene richtlijn
- 1. Geschiktheid: De keurling is geschikt, indien hij op het tijdstip van de keuring op alle punten volledig voldoet aan de medische maatstaven, met inachtneming van de algemene keuringsaanwijzingen, opgenomen in deze bijlage.
- 2. Ongeschiktheid:
- a. de keurling is tijdelijk ongeschikt, indien op medische gronden wordt verwacht dat hij niet langer dan drie jaar ongeschikt zal zijn.
- b. de keurling is blijvend ongeschikt, indien op medische gronden wordt verwacht dat hij langer dan drie jaar ongeschikt zal zijn.
- 3. Indien een specialistisch rapport is voorgeschreven, kan soms worden volstaan met het opvragen van informatie bij de behandelend specialist. Bij het ontbreken van voldoende informatie wordt verwezen naar een niet-behandelend specialist.
- 1. voldoende en zonder assistentie ladders en trappen kan op- en afgaan;
- 2. voldoende en zonder assistentie over een 60 centimeter hoge drempel kan stappen;
- 3. voldoende kan grijpen en tillen, alsmede veilig gereedschap kan hanteren, afsluiters kan open- en dichtdraaien, en kan werken met lijnen en trossen;
- 4. voldoende kan reiken boven schouderhoogte;
- 5. voldoende kan bukken, hurken, knielen en kruipen;
- 6. voldoende kan staan en lopen tenminste, gedurende een wachtperiode;
- 7. zonder assistentie zich door een opening van 60 bij 60 centimeter kan bewegen.
- a. met een in de tijd toenemende kans op het ontwikkelen van complicaties waardoor een beperking van de geldigheidstermijn vereist is;
- b. met een verhoogde kans op afhankelijkheid van medische zorg waardoor een beperking van het vaargebied vereist is;
- c. met een dusdanige beperking dat niet al de taken volledig uitgevoerd kunnen worden waardoor een beperking van de taken vereist is;
- d. met een dusdanige aandoening dat een adequaat hulpmiddel of specifieke voorziening vereist is.
- a. het werk aan boord vertoont onregelmatige fysieke en psychische piekbelastingen;
- b. het werk aan boord vindt niet zelden plaats in situaties met slecht weer of veel wind, en wisselende koude of warme omstandigheden;
- c. afhankelijk van het type zeeschip wordt gewerkt in een min of meer onrustige omgeving met veel achtergrondgeluid en beweging;
- d. het werk aan boord brengt een forse lichamelijke belasting met zich mee, waarbij veel traplopen, het manoeuvreren rond obstakels en beperkte bewegingsruimte met soms een ongunstige werkhouding extra belasting van het bewegingsapparaat met zich meebrengen;
- e. door de aard van de werkzaamheden is er niet altijd gelegenheid om op regelmatige tijden te eten en te slapen; en
- f. het aantal bemanningsleden aan boord is sterk afgenomen ten opzichte van vroeger. Indien een opvarende door ziekte wordt uitgeschakeld, moeten zijn taken worden overgenomen door collega’s.
- a. het navigeren, waarbij vooral voortdurende aandacht is geboden tijdens het varen ’s nachts, bij mist en onder slechte weersomstandigheden;
- b. het wacht houden in de machinekamer, vooral in zgn. ‘stand-by’-situaties, waarbij extra oplettendheid is vereist om op ieder gewenst moment te kunnen manoeuvreren;
- c. het werken met en het verantwoordelijk zijn voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
- d. het werken aan en in de buurt van werktuigen met bewegende delen, zoals kranen, lieren, ankerspillen e.d.;
- e. het uitvoeren van werkzaamheden aan elektrische leidingen en stoomleidingen; en
- f. het verrichten van werkzaamheden op grote hoogte of in en om diepe ruimen.
- a. waardoor een veilige uitoefening van de werkzaamheden belemmerd kan worden;
- b. waardoor de zeevarende niet te allen tijde in staat is om adequaat te handelen in geval van nood;
- c. die tijdens de functie-uitoefening aan boord kan verergeren, in die zin dat daardoor een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid of veiligheid van hemzelf of de overige opvarenden ontstaat, of ernstige hinder voor andere personen aan boord;
- d. die een behandeling behoeft, waarbij voortdurend medisch toezicht is vereist of waarbij acuut ingrijpen door een medicus noodzakelijk kan worden; of
- e. die de gezondheid van andere opvarenden in gevaar kan brengen.
- 1. De gezichtsscherpte wordt bepaald met behulp van de kaart van Landolt TNO, de Snellen letterkaart of een andere test die geacht mag worden gelijkwaardig te zijn. Met beide ogen gelijktijdig wordt, zo nodig met behulp van eigen (reserve)bril of contactlenzen, een gezichtsscherpte bereikt van 0,1.
- 2. Indien bij de keuring gebruik moet worden gemaakt van optische correctiemiddelen, moet aan de keurend arts een adequate reservebril worden getoond.
- 1. Eenmaal in de 2 jaar wordt een onderzoek gedaan met de toon-audiometer. Een gehoorverlies van gemiddeld 40 dB(HL) voor het beste oor is een reden voor ongeschiktheid. Als criterium geldt het rekenkundig gemiddelde van de ongemaskeerde luchtgeleidingsdrempels bij 500, 1.000, 2.000 en 3.000 Hz. Indien de apparatuur een meting bij 3.000 Hz niet toelaat, mag de drempel bij 3.000 Hz per oor worden berekend op basis van het gemiddelde van de drempels bij 2000 en 4.000 Hz voor hetzelfde oor.
- 2. Indien de gemiddelde waarde van 40 dB (HL) wordt overschreden, is het gehoorvermogen toch als voldoende aan te merken, als de conversatiespraak, met of zonder gebruikmaking van een hoortoestel, op 2 meter met elk oor afzonderlijk duidelijk wordt verstaan.