Art. 4.7.1 Regeling bemanning zeeschepen, Opsomming voorschriften C 188-verdrag
De minister geeft op aanvraag een visserij-arbeidscertificaat als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet af indien na onderzoek blijkt dat voor dat vissersvaartuig ten minste wordt voldaan aan:
a. de minimumleeftijd, gesteld bij of krachtens artikel 3.2, eerste en tweede lid, van de Arbeidstijdenwet;
b. het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 31 van de wet;
c. de bemanningssamenstelling, bedoeld in artikel 20 van de wet, alsmede de rusttijden, gesteld bij of krachtens paragraaf 5.2 en krachtens artikel 5:12, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet;
d. de bemanningslijst, bedoeld in artikel 21 van de wet;
e. de overeenkomst op grond waarvan een visser aan boord werkzaam is, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet;
f. de repatriëring, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet;
g. de betaling aan vissers, bedoeld in 7, tweede lid, van de wet;
h. het verblijf, voeding en drinkwater, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de wet;
i. de voorzieningen voor zieke zeevarenden aan boord en medische zorg, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet;
j. de arbeidsomstandigheden en ongevallenpreventie aan boord, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet; en
k. de bescherming tegen beroepsgerelateerde ziekte, ongeval of overlijden, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet.