Bijlage II Kavelbesluit kavel I-A windenergiebied Nederwiek (zuid): toelichting kavelbesluit I-A windenergiegebied Nederwiek (zuid)
Kavelbesluit kavel I-A windenergiebied Nederwiek (zuid)
Het voorliggende kavelbesluit bestaat uit vier delen: Deel II, de toelichting op het kavelbesluit, begint in hoofdstuk 1 met een uiteenzetting van het nut en de noodzaak van maatregelen tegen klimaatverandering, in lijn met nationale en internationale doelen, waaronder het Klimaatakkoord van Parijs. Daarnaast wordt het uitgiftestelsel van kavels voor windparken besproken. Hoofdstuk 2 behandelt de Wet windenergie op zee en de Omgevingswet, die essentieel zijn voor de regulering van windparken op zee. Ook komen de relevante beleidskaders aan bod. Hoofdstuk 3 biedt een inzicht in de procedures en afwegingen die ten grondslag liggen aan het besluitvormingsproces rondom windenergie op zee. Het behandelt de rol van de procedure voor de milieueffectrapportage (mer) en de afstemming met belanghebbenden. Hoofdstuk 4 schetst de kenmerken van kavel I-A binnen het windenergiegebied Nederwiek (zuid). Hieronder vallen o.a. de ligging, bodemsamenstelling en natuurwaarden. Daarnaast worden de verkaveling en de onderdelen van het windpark beschreven. Als laatste komt in dit hoofdstuk de fasering van het project (bouw, exploitatie en verwijdering) aan bod. In hoofdstuk 5 wordt het milieueffectrapport (MER) voor kavel I-A belicht, waarbij de gebruikte bandbreedte in het MER wordt aangegeven. Ook worden de belangrijkste bevindingen uit het MER genoemd. In hoofdstuk 6 worden de gevolgen van de ontwikkeling van een windpark in kavel I-A beschreven en voor verschillende maatschappelijke functies en aspecten zoals mijnbouwactiviteiten, scheepvaartveiligheid en waterkwaliteit. Het beschrijft per gebruiksfunctie het beleid, de potentiële gevolgen van de komst van kavel I-A, de gemaakte belangenafweging en, indien van toepassing, een toelichting op de voorschriften voor dit aspect. Hoofdstuk 7 bespreekt de verschillende ecologische rapporten die zijn opgesteld ten behoeve van de besluitvorming. Per soortgroep worden de gevolgen van een windpark in kavel I-A beschreven. Voor soorten met een in
- I: besluit
- II: toelichting
- III: voorschriften
- IV: bijlagen
- • IJmuiden Ver (Gamma), ca. 2 GW;
- • Hollandse Kust (west), kavel VIII, ca. 0,7 GW;
- • Nederwiek (zuid), ca. 2 GW;
- • Nederwiek (noord), ca. 4 GW;
- • Doordewind, ca. 2 GW;
- • Ten noorden van de Waddeneilanden, ca. 0,7 GW.
- – Voorschrift 2, derde lid, is ambtshalve gewijzigd. Er zijn twee coördinaatpunten uit de tabel verwijderd en er is een coördinaatpunt toegevoegd, zodat de tabel in overeenstemming is met de bijbehorende kaart. De twee verwijderde coördinaatpunten lagen buiten de contour van de kavel.
- – Voorschrift 2, vierde lid, is naar aanleiding van een zienswijze gewijzigd. De onderhoudszone van een bestaande kabel (SEA-ME-WE 3) is op basis van de gegevens over de daadwerkelijke ligging deels in oostelijk richting verschoven om te borgen dat er voldoende onderhoudsruimte beschikbaar is. De coördinatentabel en de bijbehorende kaart zijn aangepast.
- – Voorschrift 2, zesde lid, is naar aanleiding van een zienswijze gewijzigd. In het ontwerpkavelbesluit bevatte het betreffende voorschrift een foutief coördinaatpunt van de reserveringsruimte voor de doorvaartpassage. De coördinatentabel en de bijbehorende kaart zijn aangepast.
- – Aan voorschrift 2 is ambtshalve een achtste lid toegevoegd. Netbeheerder TenneT heeft aangegeven dat er nog onzekerheden bestaan over het net op zee, bijvoorbeeld ten aanzien van het definitieve platformontwerp en de situering van kabels. Om die reden is in het achtste lid een bepaling opgenomen die voorziet in een mogelijkheid tot afwijking van het in voorschrift 2, tweede lid, opgenomen tracé voor de aansluitverbinding indien sprake is van onvoorziene omstandigheden. De afwijking moet in het belang zijn van een doelmatige aansluiting en er moet sprake zijn van overeenstemming tussen de vergunninghouder van het windpark en TenneT.
- – Voorschrift 3, achtste lid, is ambtshalve aangevuld. In het ontwerpkavelbesluit was in deel I (Besluit) wel benoemd dat de kavel wordt aangewezen voor een windpark met een totaal geïnstalleerd vermogen van ten minste 1 GW en ten hoogste 1,15 GW, maar was het minimumvermogen abusievelijk niet opgenomen in een voorschrift. Het bindend vastleggen van een minimumvermogen is van belang om onderbenutting van het net op zee te voorkomen.
- – Voorschrift 3, negende lid, is naar aanleiding van het toetsingsadvies van de Commissie mer aangepast. Vanwege kennisleemtes over de scheepvaartveiligheidsgevolgen van andere funderingstypes dan monopiles is in afwijking van het ontwerpkavelbesluit alleen het gebruik van monopiles toegestaan. Paragraaf 4.3 van de toelichting is hier ook op aangepast.
- – Voorschrift 3, veertiende lid, is naar aanleiding van een zienswijze gewijzigd. In (de aanvulling op) het MER is het maximaal verstoord bodemoppervlak opnieuw berekend en beoordeeld. Het voorschrift is op basis van de nieuwe berekening aangepast. Ook de paragrafen 6.12.4 en 7.3.6 van de toelichting zijn geactualiseerd. Bij de bouw van het windpark wordt niet meer dan 3.397.200 m2 van de zeebodem verstoord.
- – Voorschrift 4, eerste lid, onderdeel d, is naar aanleiding van een zienswijze gewijzigd. De zinsnede ‘en in een zo kort mogelijke aaneengesloten periode onderwatergeluid te produceren’ is uit het voorschrift verwijderd aangezien dit onderdeel van de bepaling mogelijk onbedoelde effecten met zich mee kan brengen. Paragraaf 7.8.4 van de toelichting is hier ook op aangepast.
- – Voorschrift 4, derde lid, onderdelen b en c, is mede naar aanleiding van een zienswijze aangepast. In het voorschrift, dat ziet op de medewerkingsplicht ten aanzien van de installatie en het beheer van een vogeldetectiesysteem, is benoemd dat een overeenkomst zal worden gesloten met de vergunninghouder, waarbij rekening wordt gehouden met kostenefficiëntie.
- – Voorschrift 4, vierde lid, onderdeel c, is naar aanleiding van een zienswijze aangepast. Hiermee is het mogelijk gemaakt om centrale metingen uit te voeren bij het toepassen van de stilstandvoorziening voor vleermuizen. Indien metingen niet per windturbine plaatsvinden, dient dit volgens het voorschrift te gebeuren op een of meer representatieve locatie(s) in het windpark op rotorhoogte.
- – Voorschrift 4, zesde lid, onderdelen c en d, is mede naar aanleiding van zienswijzen verwijderd. De voorschriften bevatten bepalingen over scheepvaartbewegingen en lozingen in Natura 2000-gebieden. Deze handelingen worden echter geregeld in de beheerplannen die gelden voor Natura 2000-gebieden. De Passende beoordeling die is opgesteld bij het kavelbesluit geeft geen aanleiding tot aanvullende bepalingen. Paragraaf 7.8.5 van de toelichting is hier ook op aangepast.
- – De bijlage bij voorschrift 4, achtste lid, onderdeel a, is ambtshalve gewijzigd voor wat betreft de vermeldingen van ijzerhoudende objecten. Ook is paragraaf 6.7.2 van de toelichting aangepast. In het ontwerpkavelbesluit is vermeld dat het 31 anomalieën (duidend op ijzerhoudende voorwerpen) betreft in het windenergiegebied Nederwiek (zuid), waarvan een deel ligt binnen de grenzen van kavel I-A. Het ontwerpkavelbesluit was gebaseerd op een conceptonderzoeksrapport. Dat rapport is op 20 november 2024 in gewijzigde vorm vastgesteld en gepubliceerd.14MSDS Marine and Vestigia, in opdr. van RVO, Archaeological Assessment of Geophysical and Hydrographic Data, ref. V22-5140, versie 1.3 (final), 2024. Uit het gewijzigde rapport volgt dat het om 78 anomalieën gaat in windenergiegebied Nederwiek (zuid). In voorschrift 4, achtste lid, onderdelen a en b, is tevens ambtshalve tot uitdrukking gebracht dat de 100 meter uitsluitingszone in het geval van mogelijk archeologische waarden geldt vanaf de contouren van deze objecten, voor zover die bekend zijn. Dit is ook verduidelijkt in paragraaf 6.7.2 van de toelichting.
- – Voorschrift 4, negende lid, is ambtshalve aangepast. Ook zijn de paragrafen 6.2.2 en 6.2.4 van de toelichting aangepast. In het KEC 5.0 is lichtvervuiling als ecologische drukfactor geïdentificeerd. Ook roept de EU-verordening 2024/1991 de lidstaten op tot het stoppen of zoveel mogelijk verminderen van lichtvervuiling in ecosystemen. Om die reden is in voorschrift 4, negende lid, een nieuw onderdeel a ingevoegd, waarin een verplichting is opgenomen om de lichtintensiteit van de aeronautische obstakelverlichting buiten de daglichtperiode te verminderen, afhankelijk van de zichtomstandigheden. Daarnaast is na de terinzagelegging van het ontwerpkavelbesluit het informatieblad ‘Aanduiding offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ herzien15Stcrt. 2025, nr. 6895., waarmee de relevantie van hetgeen was geregeld in voorschrift 4, negende lid, onderdeel a (oud), is komen te vervallen. In voorschrift 4, negende lid, onderdeel a (oud), was bepaald dat aeronautische obstakellichten op het hoogste vaste punt op alle windturbines vastbrandende (niet-flitsende) rode lichten zijn. Dit is thans als standaard opgenomen in het herziene informatieblad.
- – Voorschrift 4, negende lid, onderdeel g, ziet op het aanleveren van gegevens over beoogde turbineposities ten behoeve van de tijdige vermelding van deze obstakels in de luchtvaartkaarten. De in het ontwerpkavelbesluit benoemde opsomming van gegevens die aangeleverd moeten worden is aangescherpt naar aanleiding van het recent verschenen onderzoek naar de veilige bereikbaarheid van gasdoorvoerplatform K13-A. Het onderdeel g is ambtshalve aangevuld met een aantal gegevens die aanvullend aangeleverd dienen te worden. Daarnaast is het moment dat deze gegevens dienen te worden overgelegd aangepast. Dit was in het ontwerpkavelbesluit vier maanden voorafgaande aan de plaatsing van de eerste turbine. Dit is gewijzigd in vier maanden voorafgaande aan de plaatsing van de eerste fundering, aangezien funderingen die boven het wateroppervlak uitsteken ook relevant zijn voor het luchtverkeer. Ten slotte is een onderdeel h toegevoegd waarin een verplichting is opgenomen om eventuele afwijkingen van bovenbedoelde melding gedurende de bouwwerkzaamheden zo spoedig mogelijk door te geven. Ook zijn de paragrafen 6.6.2 en 6.6.4 op deze aspecten aangepast.
- – Voorschrift 4, elfde lid, onderdeel a, is naar aanleiding van een zienswijze aangepast. De daarin opgenomen afstand is verruimd. Er mogen in beginsel geen bodemberoerende activiteiten worden verricht in een straal van 150 meter rond een afgesloten boorgat in verband met de borging van de technische integriteit van de boorgatafsluiting. De verruiming naar 150 meter (ten opzichte van 100 meter in het ontwerpkavelbesluit) is gedaan uit voorzorg, zodat bij het eventueel falen van een afsluiting, wat zelden voorkomt, voldoende ruimte beschikbaar is voor noodzakelijke herstelwerkzaamheden. Paragrafen 6.4.1 tot en met 6.4.4 van de toelichting zijn hier ook op aangepast.
- – Voorschrift 5, eerste en tweede lid, is mede naar aanleiding van zienswijzen gewijzigd. In het eerste lid is onderdeel b aangepast. Onder het derde streepje van de opsomming is de bekabeling toegevoegd als voorbeeld van een onderdeel van het windpark waar een bevestigingspunt voor sensoren nodig kan zijn, welke in dat geval beschikbaar wordt gesteld door de vergunninghouder. Ook is de toelichting in paragraaf 6.18.3 op dit aspect aangevuld. In het tweede lid is de enuntiatieve opsomming aangepast in een limitatieve opsomming en is het woord ‘ingraafdiepte’ vervangen door ‘initiële begraafdiepte’. Ook is in het tweede lid de zinsnede ‘en daarmee de effecten op vissen, bodemdieren en zeezoogdieren’ geschrapt.
- – De redactie van voorschrift 8 is naar aanleiding van een zienswijze aangepast omdat het voorschrift kennelijk op meerdere wijzen kon worden geïnterpreteerd. De verwijdering van het windpark moet binnen twee jaar na het einde van de exploitatie zijn voltooid, en binnen de looptijd van de vergunning. Ook is de toelichting in paragraaf 4.4.3 om deze reden aangevuld.
- – De paragrafen 6.4.2 en 6.4.3 van de toelichting zijn ambtshalve aangepast. In het ontwerpkavelbesluit is benoemd dat een aanvraag is ingediend voor een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen (CCS) in een gebied dat (deels) overlapt met de kavel. Deze aanvraag voor een opsporingsvergunning voor CO2-opslagcomplexen is gedurende de terinzagelegging van het ontwerpkavelbesluit ingetrokken.
- – Paragraaf 6.17.3 van de toelichting is naar aanleiding van een zienswijze aangepast. In de betreffende paragraaf is de strekking van voorschrift 7, eerste lid, nader toegelicht. Een eventuele toekomstige vergunninghouder van buiten de EU zal ervoor zorg moeten dragen dat alle partijen die de windturbines daadwerkelijk aan en uit kunnen zetten worden ondergebracht bij een entiteit die is gevestigd in de EU, en mag dit niet als zodanig uitbesteden aan partijen die zijn gevestigd in een derde land buiten de EU. Het voorschrift zelf is niet gewijzigd.
- – Naar aanleiding van de vaststelling van het KEC 5.0, na de terinzagelegging van het ontwerpkavelbesluit, zijn in hoofdstuk 7 en elders in de toelichting specifieke verwijzingen naar het KEC 5.0 toegevoegd. Verwijzingen naar KEC 4.0 zijn blijven staan conform de tekst van het ontwerpkavelbesluit. Waar in algemene zin naar de KEC-systematiek wordt verwezen, is geen versienummer benoemd. Het KEC 5.0 biedt nieuwe inzichten over verschillende beschermde vogelsoorten, vleermuissoorten en zeezoogdieren. Het KEC 5.0 onderstreept de conclusie uit het MER, met uitzondering van de effecten in cumulatie op de soorten jan-van-gent en zeekoet. Voor deze soorten is in (de aanvulling op) het MER een aanvullende beoordeling uitgevoerd. Op basis van de aanvullende beoordeling is geconcludeerd dat de staat van instandhouding van de betreffende twee soorten niet verslechtert met de komst van een windpark in kavel I-A, ook niet als dit wordt bezien in cumulatie met andere windparkontwikkelingen. Deze nieuwe inzichten zijn ook verwerkt in hoofdstuk 7.
- – Er zijn in de toelichting en in verschillende voorschriften niet-inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd uit het oogpunt van een duidelijke en uniforme redactie.
- – In de toelichting bij het kavelbesluit zijn nadere duiding en andere ondergeschikte tekstuele wijzigingen doorgevoerd. Zie de nota van beantwoording van de zienswijzen voor meer details over deze wijzigingen.
- – Ten eerste adviseert de Commissie mer om nieuwe inzichten uit het rapport ‘Schipperen met de ruimte’ van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) op het gebied van scheepvaartveiligheid te betrekken in het MER en bij de besluitvorming over de kavelbesluiten. Het gaat hierbij enerzijds om inzichten over te hanteren manoeuvreerruimte voor schepen. Anderzijds gaat het om inzichten over de risico’s op, en gevolgen van, aanvaringen. De commissie beveelt aan om nader in te gaan op de scheepvaartveiligheidsaspecten van andere funderingstypes dan monopiles, op de risico’s van verdrinkingen en op de gevolgen van een beschadiging van de scheepshuid met mogelijke olielekkage tot gevolg. De MER-opsteller heeft naar aanleiding van het advies het MER aangevuld met inzichten uit het OvV-rapport. Ten aanzien van het specifieke advies van de Commissie mer om beter te onderzoeken in hoeverre sprake kan zijn van andere gevolgen bij gebruik van een ander funderingstype dan een monopile, is de conclusie dat dit vooralsnog een kennisleemte betreft. Om die reden is besloten om in afwijking van het ontwerpkavelbesluit in voorschrift 3, negende lid, enkel het gebruik van monopiles toe te staan. Binnen het MOSWOZ-programma zal hier op termijn wel nader onderzoek naar worden gedaan. Gelet op de waterdiepte en bodemomstandigheden in de kavel, is de verwachting dat de inperking van de bandbreedte op dit aspect niet tot uitvoeringsproblemen leidt.
- – Ten tweede heeft de Commissie voor de m.e.r. in het toetsingsadvies opgemerkt dat uit het MER blijkt dat een verhoging van de voorgeschreven minimale tiplaagte het aantal vogelslachtoffers kan beperken. De commissie verzoekt om de afweging rond deze mitigerende maatregel in de definitieve besluitvorming te verduidelijken. De eisen die aan een windpark worden gesteld komen tot stand na een afweging waarbij verschillende, soms conflicterende, ruimtelijke belangen zijn betrokken. Met een tiplaagte van ten minste 25 meter is aangesloten bij eerdere kavelbesluiten en de uitgangspunten van het KEC 5.0. Het is ook internationaal een gangbare tiplaagte. In algemene zin kan hierover gesteld worden dat in het MER is geconcludeerd dat (ook) bij een tiplaagte van 25 meter geen gevolgen zijn te verwachten van het windpark voor de staat van instandhouding van beschermde vogelsoorten. Ter bescherming van vogels en andere soorten wordt primair ingezet op turbines met een hoog vermogen, omdat daar minder van geplaatst hoeven te worden om aan de vermogensdoelstelling van een kavel te kunnen voldoen. Uit het MER volgt dat een tiplaagteverhoging leidt tot een lager aanvaringsrisico voor sommige zeevogelsoorten. Dit effect is afgewogen tegen de ontwerpeisen die een tiplaagteverhoging met zich meebrengt. Denk hierbij aan de verzwaring van de fundering, die bij de aanleg mogelijk tot meer verstoring van onderwaterleven leidt. Bij de voorgeschreven dimensionering spelen voorts zaken als kosten, grondstoffengebruik en energetische terugverdientijd van een windpark een rol. Daarnaast is rekening gehouden met de maximale tiphoogte van 304,8 meter in verband met de veiligheid van het luchtverkeer. De hoogte van 304,8 meter correspondeert met de grens in het luchtruim van 1.000 voet. De verstoring van het luchtverkeer blijft beperkt bij een bouwhoogte tot 1.000 voet. Uitgaande van die tiphoogtegrens, brengt een tiplaagteverhoging met zich mee dat de bandbreedte voor rotordiameters ingeperkt wordt. Met de voorgeschreven tiplaagte van minimaal 25 meter wordt een gelijk speelveld voor ontwikkelaars zoveel mogelijk geborgd.
- – Ten derde constateert de commissie dat het MER aannemelijk maakt dat onderwatergeluid voldoende gemitigeerd kan worden om te kunnen voldoen aan de gestelde geluidnormering van 164 dB re 1 μPa2s SELss (op 750 meter van de geluidsbron). De commissie beveelt wel aan om de randvoorwaarden en de consequenties duidelijk te vermelden in de kavelbesluiten ten behoeve van de uitvoerbaarheid, bouwtijd, beperkingen voor techniekkeuzes en dergelijke. De offshore-sector is volop in beweging, ook ten aanzien van het ontwikkelen van nieuwe funderingstechnieken en middelen om geluidsniveaus bij het gebruik van bestaande technieken te verlagen. Met het stellen van een doelvoorschrift (geluidsnorm) in plaats van een middelvoorschrift wordt innovatie van middelen en technieken ter bescherming van onderwaterleven gestimuleerd. Met de gekozen geluidsnorm is een balans gezocht tussen enerzijds het beperken van de toename van het aantal bruinvisverstoringsdagen en anderzijds het rekening houden met de uitvoerbaarheid van de aanlegwerkzaamheden. Er worden geen beperkingen gesteld ten aanzien van de bouwduur. Wel zal de vergunninghouder de verstoring tot een minimum moeten beperken. De vergunninghouder zal voorafgaande aan de aanleg van het windpark in een funderingsplan voldoende aannemelijk moeten maken dat hij het windpark kan bouwen zonder de geluidsnormering te overschrijden. Daartoe zal hij een funderingsplan als bedoeld in voorschrift 4, tweede lid, onderdeel c, overleggen aan het bevoegd gezag, waarin hij onder meer uiteenzet met welke technieken en maatregelen hij gaat werken. Voorts dient de vergunninghouder op grond van voorschrift 4, tweede lid, onderdeel g, tijdens het funderen continu het geluidsniveau te meten en de gegevens steeds binnen uiterlijk 48 uur te delen met het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan daarnaast op eigen initiatief opdracht verstrekken aan een onafhankelijke derde partij om geluidsmetingen uit te voeren. Op grond van metingen kan effectief toezicht worden gehouden. Het toegestane aantal bruinvisverstoringsdagen is vastgelegd in voorschrift 4, tweede lid, onderdeel g, en is gebaseerd op het MER.
- – Ten vierde vindt de commissie de beoordeling van de gevolgen van het windpark voor bruinvissen onvoldoende navolgbaar. De commissie merkt op dat verschillende aantallen beschikbare bruinvisverstoringsdagen zijn vermeld en beveelt aan om te verduidelijken hoe is gekomen tot het aantal bruinvisverstoringsdagen. Naar aanleiding van het toetsingsadvies heeft de MER-opsteller in het MER verduidelijkt hoe het aantal bruinvisverstoringsdagen is bepaald. De conclusies zijn daarbij niet gewijzigd.
- – Ten vijfde merkt de Commissie mer op dat in het MER als uitgangspunt is gehanteerd dat het windpark zal zijn gesloten voor actieve, bodemberoerende visserij. De Commissie wijst erop dat een windpark waarin wel gevist mag worden mogelijk negatievere effecten veroorzaakt op onderwaterleven en vogels. Gelet hierop stelt de commissie dat het MER voor een situatie waarin visserij in het windpark wel wordt toegestaan onvoldoende milieu-informatie bevat om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij een kavelbesluit. In het Programma Noordzee 2022–2027 is bepaald dat windparken in het zuidelijk deel van de Noordzee gesloten zijn voor actieve, bodemberoerende visserij. Er zijn onderzoeken uitgevoerd naar de implicaties van het toestaan van gesleepte (actieve, bodemberoerende) visserij in windparken. Uit de rapporten kan worden geconcludeerd dat visserij met actieve, bodemberoerende vistuigen in windparken leidt tot hogere kosten voor zowel windparken als voor de visserij. De kostenverhoging houdt niet alleen verband met het dieper ingraven van kabels zodat deze niet beschadigd kunnen worden door vistuig, maar ook met de noodzaak van monitoring van de diepteligging van de kabels. Ook zal het resulteren in hogere verzekeringspremies voor windparkvergunninghouders en vissers. Om deze redenen is in de NRD bepaald dat de MER-opsteller ervan mag uitgaan dat er geen actieve, bodemberoerende visserij zal plaatsvinden in het windpark. Zoals is beschreven in paragraaf 4.4.2 van deze toelichting zal kort voorafgaande aan de bouw van het windpark een toegangsverbod als bedoeld in artikel 2.40 van de Omgevingswet worden ingesteld.
- • een TenneT-platform op zee, dat gelegen is binnen de contour van kavel I-A;
- • ondergrondse elektriciteitskabels van het platform door de zeebodem, door het Veerse Meer en op land naar een converterstation in het Sloegebied (gemeente Borsele);
- • een converterstation in het Sloegebied.
- • maximaal 76 windturbines, elk in hoofdzaak bestaande uit een mast, een gondel, drie rotorbladen en eventuele meetapparatuur;
- • de funderingen van de windturbines, eventueel voorzien van een transitiestuk;
- • erosiebescherming rond de funderingen, doorgaans in de vorm van steenbestorting;
- • bekabeling die de individuele windturbines verbindt en aansluit op een aansluitpunt (inter-array-kabels).
- • een tiphoogte (bovenste stand van een individueel blad) van ten hoogste 304,8 meter;
- • een tiplaagte (laagste stand van een individueel blad) van ten minste 25 meter;
- • een minimaal vermogen van 15 MW.
- • monopile: een stalen buis met een verschillende doorsnede afhankelijk van het gewicht van de windturbine en de grondsoort, waarop de turbine geplaatst wordt;
- • jacket: een open constructie die met vier palen in de bodem is verankerd;
- • tripod: een open constructie die met drie palen in de bodem is verankerd;
- • gravity based fundering: een betonnen voet bestaande uit een holle kegel die ter plaatse wordt afgezonken en op de bodem wordt geplaatst en gevuld wordt met zand;
- • suction bucket30Een suction bucket wordt geïnstalleerd door het op de zeebodem te plaatsen en vervolgens een pomp te activeren die water uit de bucket verwijdert, waardoor de bucket zich vastzuigt en in de bodem dringt. Bovenop de suction bucket wordt de turbinepaal gemonteerd.: een cilindrische constructie geplaatst onder een jacket waarvan de bovenkant is afgesloten.
- • na 12 jaar exploitatie;
- • na 24 jaar exploitatie;
- • 1 jaar voor start van de verwijdering van het windpark.
- – eigenschappen van het object;
- – kromming van de aarde (kimduiking);
- – visus van het menselijke oog;
- – meteorologische omstandigheden.
- – turbine-ID;
- – coördinaten (zowel in WGS84 als in ETRS89 zone 31);
- – rotordiameter (in meter);
- – ashoogte (in meter, MSL);
- – tiphoogte (in meter en voet, MSL);
- – horizontale en verticale meetnauwkeurigheden (conform EU 469/2019 AIS.TR.360);
- – aantal obstakellichten per windturbine;
- – soort en kleur van de obstakellichten;
- – lichtsterkte obstakellichten (in candela);
- – markeringen;
- – hoogte en kleur verlichting halverwege de mast (in meter, MSL);
- – beoogde datum van plaatsing van de eerste fundering van het windpark en de beoogde datum van plaatsing van de laatste windturbine van het windpark.
- – het ter beschikking stellen van een opstelpunt in de windturbine (binnen) voor apparatuur, waaronder netwerkapparatuur voor glasvezelcommunicatie naar het TenneT-platform,
- – het ter beschikking stellen van een veilig bereikbaar bevestigingspunt voor sensoren en apparatuur aan de windturbine (buiten),
- – het ter beschikking stellen van een bevestigingspunt voor sensoren en apparatuur aan de windturbinefundering en aan of nabij de erosiebescherming en bekabeling,
- – het aanleggen van bekabeling tussen de apparatuur in de windturbine en sensoren en apparatuur aan de windturbine,
- – het leveren van voeding voor de sensoren en de apparatuur in en aan de windturbine,
- – het ter beschikking stellen van glasvezelinfrastructuur van windturbines naar het TenneT-platform,
- – het patchen van de glasvezelinfrastructuur naar de MIVSP-faciliteit.
- 1. De cumulatieve effecten op de relevante soorten worden primair in beeld gebracht in relatie tot de Zuidelijke Noordzee populaties98Bij het in beeld brengen van effecten op het niveau van biogeografische regio’s is om pragmatische redenen een studiegebied gedefinieerd voor vogels en vleermuizen; de Zuidelijke Noordzee. Bij deze keuze hebben vooral de karakteristieken van dit gebied en de functies die het heeft voor de relevante soorten een rol gespeeld. Het omvat nu de Zuidelijke Noordzee tussen 51°N (ongeveer Calais) tot aan 56°N, en van de Britse oostkust tot aan de Europese continentale kustlijn (exclusief de Waddenzee en Zeeuwse stromen)., zodat een beeld wordt verkregen van het effect op de staat van instandhouding van de betreffende soorten.99In het geval van vogelsoorten waarvoor populatiemodellen zijn opgesteld, wordt in de ALI-systematiek gekeken naar zowel een nationaal als internationaal scenario. In het nationaal scenario worden de cumulatieve effecten van Nederlandse windparken getoetst aan de Nederlandse vogelpopulatie in het Nederlands deel van de zuidelijke Noordzee. In het internationaal scenario worden alle windparken in zuidelijke Noordzee meegenomen en getoetst tegen de internationale vogelpopulatie in de gehele zuidelijke Noordzee. In overeenstemming met deze aanpak is een analyse opgesteld met inbegrip van windparken in de gehele Zuidelijke Noordzee (ten behoeve van internationale cumulatie). Voor mariene diersoorten wordt deze beoordeling op populatieniveau tevens gebruikt om de mogelijke effecten op de aanwezige aantallen van de relevante soorten in Natura 2000-gebieden in beeld te brengen. Dit vanwege het feit dat de betrokken mariene soorten een diffuse verspreiding kennen en hun migratiepatronen zich door de gehele Zuidelijke Noordzee uitstrekken. De aanwezigheid van deze soorten in Natura 2000-gebieden is in grote mate afhankelijk van de totale aantallen in de populatie.100Deze aanpak is voor de bruinvis ook onderschreven in de uitwerking van het bruinvisbeschermingsplan waarin is aangegeven dat bescherming van deze migrerende soort in alleen Natura 2000-gebieden onvoldoende is om de gunstige staat van instandhouding van deze soort te bereiken en te behouden. Daarom is een Noordzee-brede bescherming voor deze soort meer gepast.
- 2. In het KEC 4.0 is er voor een aantal vogelsoorten voor gekozen om de effecten in beeld te brengen aan hand van de soortspecifieke ‘acceptable level of impact’ (ALI). Hiermee kan beoordeeld worden of cumulatieve effecten ten gevolge van windenergie op zee leiden tot significante gevolgen voor de staat van instandhouding voor een vogelsoort. Populatiekenmerken, de staat van instandhouding en beschikbare hoeveelheid kennis van de betreffende populatie zijn in deze maatstaf gebruikt. Zolang de ALI niet overschreden wordt, is de aanname dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de staat van instandhouding.101In het KEC 4.0 is aangegeven dat voor initiatieven in de nabijheid van Natura 2000-gebieden die voor sommige soorten wel een extra of speciale functie hebben (zoals bv. broedgebied voor zeegaande vogelsoorten als grote stern en kleine mantelmeeuw, rust-, rui- of zooggebied voor gewone en grijze zeehond, of ruigebied voor zeekoet) nog een locatiespecifieke toetsing dient plaats te vinden. Binnen deze toetsing, die heeft plaatsgevonden in de Passende beoordeling, dient te worden bepaald of de (cumulatieve) effecten van het initiatief afbreuk doen aan omvang, kwaliteit en draagkracht van de habitats en leefgebieden van soorten met instandhoudingsdoelstellingen binnen die Natura 2000-gebieden. Voor bruinvissen zijn de te verwachten effecten op de populatie berekend met het Interim PCoD102Interim Population Consequences of Disturbance (interim PCoD, versie 5.2). Het interim PCoD model is een methode om te bepalen in welke mate verstoring van individuele dieren doorwerkt op de gehele populatie. populatiemodel en getoetst aan de in het KEC 4.0 gehanteerde doelstelling. Deze doelstelling is: het met grote zekerheid (95 procent) in stand houden van de Nederlandse bruinvispopulatie op minimaal 95 procent van de in 2016 vastgestelde omvang.
- 3. In het KEC 4.0 is uitgegaan van een scenario van 15 MW windturbines voor de windparken die tussen 2025 en 2030 worden gebouwd. Windturbines met een lage capaciteit zijn (per eenheid opgewekte energie) in het algemeen schadelijker voor verschillende (lokaal verblijvende) zeevogelsoorten, vleermuizen en zeezoogdieren dan de meest vermogende turbines. Hoewel de laatste in omvang groter en als zodanig schadelijker zijn, is voor het totaaleffect op de ecologie in positieve zin bepalend dat er veel minder van geplaatst hoeven te worden om eenzelfde energieopbrengst en bijdrage aan de energiedoelen te behalen. In het MER wordt echter ook een effectbeoordeling gedaan van een variant met 20 MW-turbines, ter vergelijking.
- • Vogels tijdens het trekseizoen;
- • Lokaal verblijvende niet-broedvogels;
- • Vogels uit (kolonies in) beschermde Natura 2000-gebieden die het plangebied kunnen bereiken.
- – een beschrijving van het installatieproces, bestaande uit een beschrijving van de fundering, de te gebruiken apparatuur en schepen, de installatiemethode en de processtappen;
- – een communicatieplan, waarin is beschreven op welke wijze voor, tijdens en na de funderingswerkzaamheden wordt gecommuniceerd met het bevoegd gezag, betrokken overheidsdiensten en de in de plan beschreven andere stakeholders;
- – een geluidsprognose, voorzien van een onderbouwing, waarbij rekening wordt gehouden met de locatiespecifieke omstandigheden;
- – een beschrijving van te treffen mitigerende maatregelen, zoals het gebruik van een akoestisch afschrikmiddel (voor zover van toepassing), soft/slow start en andere geluidsreducerende maatregelen);
- – een beschrijving van de opzet en technische kenmerken van geluidsmetingen.
- – fundering-ID, locatie, lengte en diameter van de fundering;
- – de maximum hoeveelheid energie;
- – een beschrijving van de toegepaste mitigerende maatregelen om het geluidsniveau zoveel mogelijk te beperken;
- – de begin- en eindtijd van de installatie van de fundering;
- – de begin- en eindtijd van het gebruik van een akoestisch afschrikmiddel (voor zover van toepassing);
- – de begin- en eindtijd van de toegepaste maatregelen om het geluidsniveau zoveel mogelijk te beperken;
- – de resultaten van de geluidsmetingen, in SELss (in het geval van impulsgeluid) of SPL142SPL=sound pressure level. (in het geval van continugeluid).