Bijlage 1 Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO Bonaire: toetswijzer doorstroomtoets PO Bonaire
Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO Bonaire
Bijlage behorende bij artikel 1. De Wet doorstroomtoetsen po (Stb. 2022,135) wijzigt de WPO BES. De WPO BES schrijft na inwerkingtreding van de wetswijziging voor dat leerlingen op Bonaire in het laatste schooljaar van het primair onderwijs (po) verplicht een onafhankelijke, objectieve doorstroomtoets maken. Met het Toetsbesluit PO wordt beoogd een zorgvuldige en betrouwbare afname te verzekeren van de doorstroomtoets en het goede gebruik van leerling- en onderwijsvolgsystemen te regelen. Het besluit stelt voorschriften om de kwaliteit van de doorstroomtoets po Bonaire en de leerling- en onderwijsvolgsystemen te waarborgen. Het besluit geldt zowel voor Europees Nederland als voor het openbaar lichaam Bonaire (Bonaire). Deze toetswijzer is een nadere uitwerking van deze voorschriften en geeft weer aan welke eisen de doorstroomtoets po Bonaire moet voldoen voor wat betreft inhoud en vorm. In deze toetswijzer worden de inhoudelijke kwaliteitseisen voor de wettelijk verplichte (sub)domeinen en vaardigheden die gelden verder uitgewerkt. Daarnaast worden de kwaliteitseisen beschreven voor de domeinen en vaardigheden die optioneel in de doorstroomtoets po Bonaire kunnen worden opgenomen. De doorstroomtoets po Bonaire verschilt inhoudelijk van de doorstroomtoetsen die in Europees Nederland worden aangeboden, aangezien deze is aangepast aan de Caribische context. Voor de doorstroomtoets po Bonaire is het om die reden noodzakelijk om een aparte toetswijzer te ontwikkelen. De Regeling toetswijzer doorstroomtoets PO voor Europees Nederland houdt geen rekening met de Caribische context en bevat geen terrein Papiamentu. Ook is bij deze reeds bestaande toetswijzer het terrein Nederlandse taal gekoppeld aan de referentieniveaus van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen (het referentiekader)1De term rekenen wordt gebruikt om rekenen-wiskunde kort aan te duiden., waarbij bij de doorstroomtoets po Bonaire Nederlands als vreemde taal geldt en gekoppeld is aan het Eu
- 1 De doorstroomtoets po Bonaire toetst leerlingen op inhouden van het Besluit kerndoelen WPO BES.
- 2 De doorstroomtoets po Bonaire toetst leerlingen op inhouden van en meet hun beheersingsniveau ten aanzien van het Referentiekader rekenen, voor de domeinen Getallen, Verhoudingen, Meten en Meetkunde en Verbanden.
- 3 De doorstroomtoets po Bonaire toetst leerlingen op inhouden van en meet hun beheersingsniveau ten aanzien van het Referentiekader Papiamentu, tenminste voor de domeinen Lezen en, uit het domein Begrippenlijst en Taalverzorging, het subdomein Taalverzorging.
- 4 De doorstroomtoets po Bonaire toetst leerlingen op inhouden van en meet hun beheersingsniveau ten aanzien van het Europees Referentiekader voor vreemde talen voor Nederlands als vreemde taal, tenminste voor de aspecten Lezen (inclusief Woordenschat) en Luisteren.
- 5 De inhoud van de doorstroomtoets po Bonaire maakt bij het terrein rekenen niveaubepaling mogelijk ten aanzien van de referentieniveaus van alle domeinen.
- 6 De inhoud van de doorstroomtoets po Bonaire maakt bij het terrein Papiamentu niveaubepaling mogelijk ten aanzien van de referentieniveaus Lezen en, uit het domein Begrippenlijst en Taalverzorging, het subdomein Taalverzorging.
- 7 De inhoud van de doorstroomtoets po Bonaire maakt bij het terrein Nederlands als vreemde taal niveaubepaling mogelijk ten aanzien van de ERK-niveaus Lezen (inclusief Woordenschat) en Luisteren.
- 8 De doorstroomtoets po Bonaire gaat door de toetsconstructeur vergezeld van verantwoordingsdocumenten met een beschrijving van keuzes die zijn gemaakt ten aanzien van de kwaliteitseisen 2, 3, 4, 5, 6 en 7.
- • een beschrijving van de in de toets opgenomen domeinen;
- • een beschrijving per domein van de in de toets opgenomen verschillende inhoudsonderdelen waarbij de relatie wordt aangegeven tussen de inhouden van het referentiekader en de inhouden van de toets en waarbij inzichtelijk wordt gemaakt of de toets voldoet aan de minimaal wettelijke kwaliteitseisen;
- • een beschrijving die inzicht geeft in de wijze waarop aan kwaliteitseisen 5, 6 en 7 wordt voldaan;
- • een beschrijving die inzicht geeft in de gemaakte keuzes ten aanzien van domeinen, vaardigheden en inhoudsonderdelen;
- • een beschrijving van de manier van toetsen: de vorm waarin opgaven of taken worden aangeboden.
- A notatie, taal en betekenis, waarbij het gaat om de uitspraak, schrijfwijze en betekenis van getallen, symbolen en relaties en om het gebruik van wiskundetaal;
- B met elkaar in verband brengen, waarbij het gaat om het verband tussen begrippen, notaties, getallen en dagelijks spraakgebruik;
- C gebruiken, waarbij het er om gaat rekenkundige vaardigheden in te zetten bij het oplossen van problemen.
- • paraat hebben: kennis van feiten en begrippen, reproduceren, routines, technieken;
- • functioneel gebruiken: kennis van een goede probleemaanpak, het toepassen, het gebruiken binnen en buiten het schoolvak;
- • weten waarom: begrijpen en verklaren van concepten en methoden, formaliseren, abstraheren en generaliseren, blijk geven van overzicht.
- • domein Getallen: ten minste 30 procent en maximaal 40 procent van de gehele toets;
- • domein Verhoudingen: ten minste 20 procent en maximaal 30 procent;
- • domein Meten en Meetkunde: ten minste 20 procent en maximaal 30 procent;
- • domein Verbanden: ten minste 15 procent en maximaal 20 procent.
- • A: geen minimum;
- • B: ten minste 20 procent van de gehele toets;
- • C: ten minste 30 procent van de gehele toets.
- • Mondelinge taalvaardigheid (luister-, spreek- en gespreksvaardigheid);
- • Lezen (zakelijke teksten en fictionele teksten);
- • Schrijven;
- • Begrippenlijst en taalverzorging.
- 1. Zakelijke teksten:
- • informatieve teksten, waarbij de auteur vooral feitelijke informatie geeft;
- • betogende en beschouwende teksten, waarbij de auteur niet alleen feitelijke informatie, maar ook diens mening en opvattingen geeft of waarbij verschillende meningen tegen elkaar worden afgewogen, opdat de lezer uiteindelijk een eigen mening vormt;
- • instructieve teksten, waarin de lezer wordt uitgelegd hoe een bepaalde handeling te verrichten.
- 2. Fictionele teksten (waaronder narratieve en literaire): teksten die niet gaan over werkelijk gebeurde zaken en dienen ter ontspanning van de lezer (lezen als vrijetijdsbesteding).
- 1. De leerlingen lezen verschillende teksten en maken daarbij opdrachten die betrekking hebben op de verschillende hoofd- en deelaspecten van lezen. Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F in het RKP leidend. Leerlingen lezen en maken opdrachten bij minimaal 2 van de 3 hieronder genoemde leestaken:
- a. informatieve teksten;
- b. betogende en beschouwende teksten;
- c. instructieve teksten.
- 2. De teksten in de doorstroomtoets po Bonaire voldoen aan de algemene omschrijving (inhoud en context) en aan de tekstkenmerken op het gebied van structuur, informatiedichtheid, stijl (zinsbouw en woordgebruik) en functie beeldmateriaal, zoals beschreven in het RKP.
- 3. In de doorstroomtoets po Bonaire moeten minimaal de kenmerken a tot en met f van de taakuitvoering worden getoetst. Leerlingen maken opdrachten bij de aspecten van de taakuitvoering, waarbij een evenwichtige verdeling tussen de verschillende aspecten wordt nagestreefd:
- a. leesdoel bepalen;
- b. begrijpen en interpreteren;
- c. woordenschat en strategieën;
- d. samenvatten;
- e. opzoeken;
- f. evalueren.6Er is geen voorbehoud gemaakt t.a.v. het aspect ‘evalueren’. In (vooral de digitale) wereld is er een overvloed aan informatie en jongeren zoeken in toenemende mate online naar nieuws of informatie. Het is daarom cruciaal dat ze ook over hogere-orde-leesvaardigheden beschikken: de inhoud en vorm van een tekst evalueren, conflicterende informatie herkennen, afwegen wat betrouwbare informatie is en wat niet en zo de informatie op waarde schatten (zie ook: Gubbels (2020). Moeite met evalueren en reflecteren: wat betekent dat? Didactiek Nederlands – Handboek).
- 4. Qua inhoud, structuur, lay-out en stijl zijn de teksten die de leerlingen lezen divers. De teksten zijn in hun oorsprong zoveel mogelijk authentiek; dat neemt niet weg dat aanpassingen mogelijk of noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld ten behoeve van betere aansluiting bij het niveau of ten behoeve van mogelijke opgaven.
- 5. Zowel de teksten als de vragen en opdrachten zijn in het Papiamentu gesteld.
- 6. In de formulering van de opgaven wordt gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het RKP en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Literatuur, Betekenis en (Taal)leerproces.
- 1. De leerlingen lezen minimaal één fictionele tekst en maken daarbij opdrachten. Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F in het RKP leidend. Leerlingen lezen en maken opdrachten bij minimaal 1 van de 2 hieronder genoemde leestaken:
- a. verhalende teksten;
- b. poëzie.
- 2. De teksten in de doorstroomtoets po Bonaire voldoen aan de algemene omschrijving en de tekstkenmerken op het gebied van structuur, stijl en functie beeldmateriaal, zoals beschreven in het RKP.
- 3. In de doorstroomtoets po Bonaire moeten minimaal de kenmerken a, b en c van de taakuitvoering worden getoetst. Leerlingen maken opdrachten bij de aspecten van de taakuitvoering, waarbij een evenwichtige verdeling tussen de verschillende aspecten wordt nagestreefd:7Bij het subdomein fictionele teksten is het aspect ‘evalueren’ niet opgenomen, aangezien de uitwerking hiervan in het RKP twee subjectieve kenmerken van de taakuitvoering betreft, waarbij de doorstroomtoets niet geschikt is voor het meten van de beheersing: leeservaringen uitwisselen met medeleerlingen en persoonlijke voorkeuren voor onderwerpen, genres, schrijvers beschrijven.
- a. begrijpen en interpreteren: kenmerken van fictie;
- b. begrijpen en interpreteren: tekstsoorten;
- c. begrijpen en interpreteren: relatie tekst – werkelijkheid.
- 4. Zowel de teksten als de vragen en opdrachten zijn in het Papiamentu gesteld.
- 5. In de formulering van de opgaven wordt gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het RKP en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Literatuur, Betekenis en (Taal)leerproces.
- 1. De leerlingen worden getoetst met opgaven die betrekking hebben op spelling, leestekens en overige regels. Hierbij zijn de beschrijvingen op niveau 1F in het RKP leidend. Leerlingen maken opgaven bij de volgende onderdelen, waarbij een evenwichtige verdeling van de opgaven rond spelling en interpunctie wordt nagestreefd: Spelling en interpunctie worden actief getoetst, m.b.v. dictee-opgaven. De toets spelling kan tevens een aantal meerkeuzeopgaven omvatten (passieve toetsing); deze opgaven zijn dan echter indicatief voor een niveau boven 1F (zie ook 4.6.2).
- a. verschillende categorieën van spellingproblemen en -regels;
- b. regels voor lettergreepgrenzen;
- c. regels voor woordgrenzen;
- d. overige regels;
- e. leestekens en hoofdletters.
- • Lezen;
- • Taalverzorging.
- a. leesdoel en publiek bepalen Bij het kenmerk leesdoel bepalen gaat het erom dat leerlingen zich van tevoren afvragen met welk doel ze de tekst willen/moeten lezen (wat ze met de informatie willen/moeten doen) en welke leesmanier daarbij past. Wanneer je bijv. te weten wilt komen hoe je een taart moet maken, moet je de instructies precies, stap-voor-stap lezen. Wanneer je bij het bekijken van een overzicht antwoord op een bepaalde vraag wilt krijgen, lees je zoekend, op zoek naar tekstgedeelten die een antwoord op die vraag bevatten. Bij publiek bepalen gaat het erom dat leerlingen vaststellen voor welk publiek de auteur de tekst heeft bedoeld (bijv. jongeren, sportliefhebbers, ouderen). Voor welk publiek een tekst bedoeld is, kun je zien aan het onderwerp (tekst over hiphop, tekst over schilderen van je huis), het taalgebruik (teksten voor jongeren bevatten vaak veel eigentijdse en nieuwe woorden, de lezer wordt met ‘je’ aangesproken), de bron en de lay-out (in jongerentijdschriften zie je veel illustraties, grote koppen, veel kleuren en lettertypen; teksten voor volwassenen zien er vaak formeler uit en bevatten vaak minder witregels, minder kleur, kleinere letters, langere zinnen, meer tekst, meer minder-frequente woorden en minder afbeeldingen). In de rubriek leesdoel en publiek bepalen zijn de volgende opgaven ondergebracht:
- • Opgaven die een bepaald leesdoel meegeven en vragen welke tekstvorm het beste kan worden geraadpleegd of opgaven die leerlingen een tekst voorleggen en vragen welk leesdoel en/of leesmanier hier het beste bij past.
- b. begrijpen en interpreteren Bij het kenmerk begrijpen gaat het om het verwerken van informatie die een schrijver in de tekst vermeldt. We noemen dat tekstgestuurde verwerking: centraal staan verwerking van inhoudelijke elementen en relaties tussen tekstdelen. De gevraagde informatie is expliciet in de tekst aanwezig en het antwoord op de vraag staat letterlijk in de tekst of leerlingen kunnen door te parafraseren de vraag beantwoorden. Tijdens het lezen wordt deze tekstgestuurde verwerking gelijktijdig en in samenhang met kennisgestuurde verwerking ingezet: interpreteren. De lezer past de nieuwe informatie in in reeds aanwezige kennis over het onderwerp. Tijdens het lezen is de lezer dus zowel met begrijpen (tekstgestuurd) als met interpreteren (kennisgestuurd) bezig. Omdat beide vormen niet altijd strikt te scheiden zijn en in het RKP ook één categorie vormen, worden ze hieronder samengenomen. In de rubriek begrijpen en interpreteren zijn de volgende opgaven ondergebracht:
- • Opgaven die vragen naar expliciete verbanden binnen of tussen zinnen. Bijvoorbeeld het gebruik van signaalwoorden, het geven van een of meerdere voorbeelden, het maken van een vergelijking, het geven van tegenstellingen, het verband tussen vraag en antwoord, de volgorde van eenvoudige instructies en verwijzingen binnen de tekst of reden-verklaring, oorzaak-gevolg, middel-doel of tijdsopeenvolgingen van gebeurtenissen.
- • Opgaven die vragen naar expliciete overkoepelende relaties over grotere tekstgedeelten (een of meerdere alinea’s) heen. Het gaat dan bijvoorbeeld om deel-/geheelrelaties, mededelingen en uitwerkingen ervan, generalisaties met bijbehorende voorbeelden.
- • Opgaven die vragen naar specifieke, expliciet genoemde inhoudselementen in de tekst, zoals hoofdgedachte of doel van de schrijver.
- • Opgaven waarbij expliciete en impliciete informatie uit de tekst met elkaar wordt verbonden, bijvoorbeeld opgaven over het onderwerp, de hoofdlijnen, het doel van de schrijver. Ook opgaven waarin informatie in de tekst met elkaar moet worden vergeleken, behoren hiertoe.
- • Opgaven waarbij de tekstsoort en de kenmerken daarvan moeten worden herkend.
- • Opgaven die vragen naar de betekenis van de tekst, naar de bedoelingen en gevoelens van de schrijver of naar diens houding ten opzichte van een gebeurtenis.
- • Opgaven waarin gevraagd wordt naar de adequaatheid van de titel, waarbij conclusies moeten worden getrokken.
- c. woordenschat en strategieën Het gaat er hier om of leerlingen in staat zijn de betekenis van woorden en woordgroepen uit de tekst te halen. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om het toetsen van woordkennis op zich. In de rubriek woordenschat en strategieën zijn de volgende opgaven ondergebracht:
- • Opgaven die vragen naar het afleiden van de betekenis van een woord of woordgroep in de tekst.
- • Opgaven die vragen naar de betekenis van een woord of woordgroep en waarvan de betekenis expliciet in de tekst is weergegeven.
- d. samenvatten Samenvatten is een vaardigheid die is gerelateerd aan leren studeren. Na het begrijpen en interpreteren van de informatie moet er iets mee worden gedaan: hoofd- en bijzaken moeten worden onderscheiden, de tekst moet worden verkort en de informatie moet op de een of andere manier opgeslagen worden om deze op een ander moment paraat te hebben, bijvoorbeeld voor een proefwerk, een werkstuk of een mondelinge presentatie. Informatie kan daartoe bewerkt worden in de vorm van herlezen, onderstrepen, aantekeningen maken, samenvatten of schematiseren. In de rubriek Samenvatten zijn de volgende opgaven ondergebracht:
- • Opgaven waarbij een tekst of een alinea in een verkorte lopende tekst of in een passende titel of tussenkop moet worden samengevat.
- • Opgaven waarbij een tekst of een alinea in een concreet beeld moet worden samengevat.
- • Opgaven waarbij een gegeven schema (bijv. lineair schema, boom- of matrix-structuur) moet worden in- of aangevuld of waarbij het meest adequate schema voor de tekst in z’n geheel moet worden geselecteerd.
- e. opzoeken Bij het opzoeken van informatie gaat het om efficiënt en systematisch opsporen van specifieke informatie in schriftelijke of elektronische informatiebronnen (o.a. tijdschriften, kranten, reclame- en voorlichtingsmateriaal, brochures, radio en tv-gidsen, bedrijven- en overheidsgidsen, reisgidsen, telefoongidsen, handleidingen, bijsluiters, beeldbanken, websites en woordenboeken) om deze vervolgens te gebruiken of toe te passen. Om de informatie te vinden zullen lezers selectief, flexibel en doelgericht te werk moeten gaan. Soms zullen ze de informatie grondig lezen, soms vooral scannend. Doelgericht zoeken naar informatie vereist specifieke vaardigheden, waarbij de keuze en combinatie van de juiste informatiebronnen en het doorgronden van de structuur van de informatiebron een centrale plaats innemen. Om de veelheid van gedrukte en digitale informatiebronnen te kunnen hanteren moeten lezers weten dat informatie alfabetisch geordend is of op een andere logische manier is ingedeeld, bijvoorbeeld op plaats of onderwerp. Daarnaast is het kunnen formuleren van zoekvragen, trefwoorden en synoniemen van belang. Tot de rubriek opzoeken behoren de volgende opgaven:
- • Opgaven waarbij het kiezen van een geschikte informatiebron centraal staat. Daarbij wordt kennis van de globale inhoud van verschillende informatiebronnen bekend verondersteld.
- • Opgaven die gericht zijn op het kiezen van de juiste ingang tot een informatiebron. Bij de ingang tot een informatiebron valt te denken aan: inhoudsopgaven, registers, lijsten van afbeeldingen, bibliografische gegevens, indelingen op grond van datum, plaats, rubriek of functie en typografische of inhoudelijke indelingen van ‘links’ op websites.
- • Opgaven waarbij trefwoorden moeten worden geselecteerd en/of een relevante zoekvraag bij een informatievraag moet worden bepaald. Leerlingen moeten bijvoorbeeld kernbegrippen kiezen en vaststellen welke als trefwoord of zoekvraag kunnen dienen. Ook het omzetten van trefwoorden in synoniemen of verwante (boven- of onderschikkende) begrippen behoort tot deze rubriek.
- • Opgaven waarbij het gebruik van specifieke informatiebronnen aan de orde is. De specifieke structuur van zo’n informatiebron moet bekend zijn om de gewenste informatie te kunnen vinden. Woordenboeken hebben bijvoorbeeld eigen regels voor het weergeven van betekenissen, afleidingen, verbuigingen, meervoudsvormen en spreekwoorden. Op websites vormen ‘links’ (meestal geordend in een menu) de verbinding tussen afzonderlijke stukjes informatie.
- f. evalueren Bij evalueren gaat het om het herkennen, vergelijken en onderscheiden van feiten, meningen en argumenten, om het beoordelen van verbanden binnen een tekst (bijvoorbeeld argumenten voor of tegen) en tussen verschillende teksten (overeenkomsten en verschillen) en om de betrouwbaarheid van de bron. Tot de rubriek evalueren behoren de volgende opgaven:
- • Opgaven waarbij leerlingen aangeven of beweringen van een auteur feiten of meningen zijn.
- • Opgaven waarbij leerlingen aangeven of, en zo ja, welke argumenten voor een mening worden aangedragen.
- • Opgaven waarbij leerlingen van twee teksten over hetzelfde onderwerp aangeven welke van de twee het meest bruikbaar is, bijvoorbeeld bij het schrijven van een verslag of maken van een werkstuk.
- a. begrijpen en interpreteren: kenmerken van fictie In de rubriek begrijpen en interpreteren: kenmerken van fictie zijn de volgende opgaven ondergebracht:
- • Opgaven die vragen naar specifieke, expliciet genoemde verhaalelementen in de tekst, zoals hoofd- en bijfiguren en de relaties daartussen, tijd en ruimte, thema, stijl (o.a. beeldspraak), hoofdgedachte of boodschap).
- • Opgaven waarbij het gaat om het afleiden van het karakter van de hoofdpersoon, diens motieven en intenties, en van de tijdsperiode, het thema of de toon van een verhaal. Het betreft ook het doorzien van de opbouw en de structuur: de (impliciete) chronologie, de ontwikkeling van de plot, meerdere verhaallijnen, tijdsprongen en (wisselende) perspectieven. Ook het invullen van ontbrekende woorden en het anticiperen op het vervolg van het verhaal behoort hiertoe.
- b. begrijpen en interpreteren: kenmerken tekstsoorten In de rubriek begrijpen en interpreteren: kenmerken tekstsoorten zijn de volgende opgaven ondergebracht:
- • Opgaven waarbij het gaat om het onderscheiden van (verschillende soorten) verhalen en gedichten en hun kenmerken (sprookje, avonturenverhaal, realistisch verhaal, haiku).
- c. begrijpen en interpreteren: relatie tekst – werkelijkheid Bij dit kenmerk gaat het om het leggen van relaties tussen de werkelijkheid of fantasie in de tekst en ideeën en normen binnen de eigen werkelijkheid. In de rubriek begrijpen en interpreteren: relatie tekst – werkelijkheid zijn de volgende opgaven ondergebracht:
- • Opgaven waarbij het gaat om herkenning van verschillende emoties in een verhaal (boosheid, blijdschap) en van de strekking of toon van bepaalde passages (spannend, dramatisch, realistisch).
- • woorden met de klinkers è, ò, ù en ü (vokal modifiká);
- • woorden met de medeklinker ñ (konsonante modifiká);
- • woorden met tweeklanken (diptongo): ai, oi, ei, ui, uè etc.;
- • woorden met medeklinkercombinaties (dígrafo): ch, dj, sh, zj;
- • woorden met drieklanken (triptongo): iau, ieu, iou, uai, uei;
- • woorden met een natuurlijke klemtoon, waaronder woorden die eindigen op -el, -er, -em, -en (shua): mangel, binager, kuorem, èksamen;
- • woorden zonder een natuurlijke klemtoon: kompliká, bírgen, matá, último;
- • de meest voorkomende leenwoorden (namen van personen en landen);
- • regels voor het gebruik van de medeklinkers c, j, q en x aan het begin van een woord;
- • regeltoepassing bij het afbreken van woorden.
- • Opgaven waarmee via het plaatsen van een hoofdletter wordt nagegaan of leerlingen de grenzen van een zin kunnen bepalen.
- • Opgaven waarmee via het plaatsen van een hoofdletter wordt nagegaan of leerlingen namen (van personen, landen) met een hoofdletter schrijven.
- • Opgaven die nagaan of de leerlingen weten waar er een punt, een uitroepteken of een vraagteken geplaatst moet/kan worden. In één item kunnen ook meer categorieën worden getoetst (moeilijker).
- • Opgaven die nagaan of de leerlingen weten dat bij de directe rede aanhalingstekens geplaatst moeten worden.
- • Opgaven waarbij sprake is van een dubbele punt bij een opsomming en bij de directe rede.
- 1. De leerlingen beluisteren verschillende vormen van gesprekken van anderen, zoals beschreven op niveau 1F van het RKP: minimaal 2 taken uit de volgende 3 taken:
- a. informatieve gesprekken;
- b. betogende gesprekken;
- c. menings- en besluitvormende gesprekken.
- 2. De leerlingen beoordelen gesprekken van anderen op minimaal de kenmerken a tot en met e van de taakuitvoering en eventueel op kenmerk f (RKP):
- a. afstemming op doel;
- b. afstemming op gesprekspartner(s);
- c. beurten nemen en bijdragen aan samenhang;
- d. woordgebruik;
- e. non-verbale communicatie;
- f. (spreektechniek en zinsbouw).8Het kenmerk van de taakuitvoering ‘gespreks-/spreekstrategie en inhoud bepalen’ (RKP) is niet geschikt als beoordelingspunt bij indirecte meting. Daarbij beoordelen leerlingen (aan de hand van vragen) gesprekken en spreektaken van anderen. Het is de vraag of en hoe zij kunnen beoordelen of de leerlingen (in de opname) de juiste inhouden hebben geselecteerd en gespreks- en spreekstrategieën correct inzetten. Ook legt de formulering in het RKP (‘nagenoeg zelfstandig’ en ‘leert’ bij 1F en ‘zo nodig met hulp’ bij 2F) beperkingen op.
- 3. In de formulering van de opgaven wordt gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het RKP en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Betekenis en Klanken.
- 1. De leerlingen beluisteren en maken opdrachten bij minimaal 2 taken uit de 4 taken zoals beschreven op niveau 1F van het RKP:
- a. informatieve teksten;
- b. betogende en beschouwende teksten;
- c. instructieve teksten;
- d. expressieve teksten.
- 2. De leerlingen beoordelen de spreektaken op minimaal de kenmerken a tot en met f van de taakuitvoering en eventueel op kenmerk g (RKP):
- a. samenhang;
- b. afstemming op doel;
- c. afstemming op publiek;
- d. woordgebruik;
- e. non-verbale communicatie;
- f. visuele ondersteuning;
- g. (spreektechniek en zinsbouw).
- 3. In de formulering van de opgaven wordt gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het RKP en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Betekenis en Klanken.
- 1. De leerlingen nemen deel aan minimaal 2 gesprekstaken uit de 3 hieronder genoemde taken, zoals beschreven op niveau 1F van het RKP:
- a. informatieve gesprekken;
- b. betogende gesprekken;
- c. menings- en besluitvormende gesprekken.
- 2. De gesprekken waaraan de leerlingen deelnemen, worden (naast de mate waarin zij inhoudelijk voldoen aan de opdracht)9Zie voor nadere toelichting hierop de beschrijving van de toetsinhouden in paragraaf 4.9.1. beoordeeld op minimaal de kenmerken a tot en met f van de taakuitvoering en eventueel op kenmerk g (RKP):
- a. gespreksstrategie en inhoud bepalen;
- b. afstemming op doel;
- c. afstemming op gesprekspartner(s);
- d. beurten nemen en bijdragen aan samenhang;
- e. woordgebruik;
- f. non-verbale communicatie;
- g. (spreektechniek en zinsbouw).
- 3. In de formulering van de opdracht wordt gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het RKP en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Betekenis en Klanken.
- 1. De leerlingen luisteren naar en maken opgaven bij minimaal 1 tekstsoort uit 3 van de 4 hieronder genoemde luistertaken, zoals die zijn beschreven op niveau 1F van het RKP:
- a. informatieve teksten;
- b. betogende en beschouwende teksten;
- c. instructieve teksten;
- d. expressieve teksten.
- 2. De teksten voldoen aan de algemene omschrijving (inhoud en context) en aan de tekstkenmerken op het gebied van structuur, informatiedichtheid, stijl (zinsbouw en woordgebruik), tekstlengte, relatie tussen gesproken tekst en beeld, tempo, accent en articulatie, zoals beschreven in het RKP.
- 3. De teksten betreffen videofragmenten en daarnaast audiofragmenten.
- 4. Leerlingen maken opdrachten bij aspecten van de taakuitvoering, waarbij een evenwichtige verdeling wordt nagestreefd. Getoetst worden de kenmerken van de taakuitvoering a tot en met c en eventueel het kenmerk d (RKP).
- a. begrijpen en interpreteren;
- b. woordenschat en -strategieën;
- c. samenvatten;
- d. (evalueren).
- 5. In de formulering van de opgaven wordt gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het RKP en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Literatuur, Betekenis en (Taal)leerproces.
- 1. De leerlingen voeren minimaal 2 taken uit van de 4 spreektaken zoals beschreven op niveau 1F in het RKP:
- a. informatieve teksten;
- b. betogende en beschouwende teksten;
- c. instructieve teksten;
- d. expressieve teksten.
- 2. De spreektaken van leerlingen worden (naast inhoudelijk voldoen aan de opdracht) beoordeeld op minimaal de kenmerken a tot en met g van de taakuitvoering en eventueel op kenmerk h (RKP):
- a. spreekstrategie en inhoud bepalen;
- b. samenhang;
- c. afstemming op doel;
- d. afstemming op publiek;
- e. woordgebruik;
- f. non-verbale communicatie;
- g. visuele ondersteuning (indien van toepassing);
- h. (spreektechniek en zinsbouw).
- 3. In de formulering van de opdracht wordt gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het RKP en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Betekenis en Klanken.
- • vóór het schrijven: je oriënteren (plannen, verzamelen, selecteren en ordenen van informatie, nadenken over schrijfdoel, tekstsoort en beoogd publiek);
- • tijdens het schrijven: herlezen, reflecteren op inhoud en stijl en reviseren;
- • na het schrijven: redigeren oftewel vormgeven en verzorgen (lay-out, spelling en interpunctie).
- 1. De leerlingen lezen (om te beoordelen en/of reviseren) verschillende tekstsoorten die beschreven zijn op niveau 1F in het RKP. De gebruikte tekstsoorten voldoen aan de algemene omschrijving op 1F (RKP). De leerlingen lezen en maken opgaven bij minimaal 3 van de 4 hieronder genoemde schrijftaken:
- a. informatieve teksten;
- b. betogende en beschouwende teksten;
- c. instructieve teksten;
- d. expressieve teksten.
- 2. De leerlingen maken daarbij opgaven waarin ze fouten en de passendheid beoordelen op de kenmerken a tot en met e van de taakuitvoering (RKP):
- a. afstemming op doel;
- b. afstemming op publiek;
- c. samenhang;
- d. woordgebruik en zinsbouw;
- e. vormgeving.10Het aspect ‘vormgeving’ is ontleend aan het kenmerk van de uitvoering ’redigeren’ (RKP).
- 3. In de formulering van de opgaven wordt gebruik gemaakt van relevante begrippen uit de Begrippenlijst (1F) van het RKP en wel met name uit de categorieën Taal en communicatie, Teksten, Literatuur en Betekenis.
- 1. Voor beoordeling van schrijven moeten verschillende schrijftaken afgenomen worden.11Zie o.a. Bouwer & Van den Bergh (2015). ‘Toetsen van schrijfvaardigheid: hoeveel beoordelaars, hoeveel taken?’ Levende Talen Tijdschrift, 16(3). Bij de toetsing worden uit 3 van de 4 hieronder genoemde schrijftaken minimaal 2 tekstvormen gevraagd (RKP). De keuze dient in ieder geval schrijftaak a en b te omvatten:
- a. informatieve teksten;