Bijlage 2 Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting: behorende bij de artikelen 2.5, eerste lid, onderdelen b en g, en 3.8 van de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting
Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting
In de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting (hierna: de regeling) wordt gebruik gemaakt van taxatierapporten en de daarin gerapporteerde waarden voor het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie (zie artikel 3.8 van de regeling). De kosten van het laten opstellen van taxatierapporten in het kader van deze regeling kunnen ook in aanmerking komen voor subsidie (zie de artikelen 2.5 en 3.11 van de regeling). De relevante taxaties betreffen: Om gebruikt te kunnen worden in het kader van subsidieverstrekking op grond van de regeling dienen deze rapporten aan de in deze bijlage bij de regeling beschreven eisen te voldoen. Ten algemene dienen taxatierapporten te zijn opgesteld in overeenstemming met de reglementen en praktijkhandleidingen ten aanzien van het taxeren van agrarisch vastgoed van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs (NRVT, www.nrvt.nl) voor zover het rapporten betreft over vastgoed gelegen in Nederland, of in overeenstemming met de actuele taxatiestandaarden voor de taxatie van agrarisch vastgoed van de International Valuation Standards Council (IVSC, www.ivsc.org) of de European Valuation Standards zoals gepubliceerd door The European Group of Valuers’ Associations (TEGOVA, www.tegova.org) als het agrarisch vastgoed betreft gelegen in andere lidstaten van de Europese Unie dan Nederland. Daarnaast gelden de hierna te noemen eisen voor taxatierapporten van de vervangingswaarde van bouwwerken op de te verlaten veehouderijlocatie (onderdeel A) en de marktwaarde van bouwwerken op de hervestigingslocatie (onderdeel B). Het taxatierapport bevat ten minste de volgende informatie: Het taxatierapport bevat ten minste de volgende informatie:
- A. een taxatie van de vervangingswaarde (als gedefinieerd in artikel 1.1 van de regeling) van de bouwwerken ten behoeve van het drijven van de veehouderijonderneming op de te verlaten locatie en
- B. een taxatie van de marktwaarde (als gedefinieerd in artikel 1.1 van de regeling) van de bouwwerken ten behoeve van het drijven van de veehouderijonderneming op de hervestigingslocatie.
- 1. De identiteit en status van de bij de opstelling van het taxatierapport betrokken taxateur(s): de taxateur dient te zijn ingeschreven in de Kamer Landelijk en Agrarisch Vastgoed van het NRVT (artikel 1.1).
- 2. De opdrachtgever: (vertegenwoordiger of gemachtigde) van de veehouderijonderneming.
- 3. Andere beoogde gebruikers:
- – In de opdrachtverlening en in het rapport dient de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) als belanghebbende(n) opgenomen te zijn.
- – Het rapport bevat de schriftelijke toestemming voor het delen en gebruiken van het taxatierapport of delen daarvan (inclusief alle bijlagen) met en door RVO, het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voor gebruik in het kader van de subsidieverstrekking op grond van de regeling.
- 4. Het doel van de taxatie: Doel van de taxatie is de bepaling van de vervangingswaarde van de bouwwerken ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van vee op de te verlaten veehouderijlocatie conform de definitie als opgenomen in artikel 1.1 van de regeling.
- 5. Het taxatietype (volledige taxatie, hertaxatie en update): Uitgegaan wordt van een volledige taxatie waarbij in elk geval de bouwwerken ten behoeve van het voeren van het veehouderijbedrijf gedetailleerd beschreven worden en afzonderlijk gewaardeerd worden, met een conclusie in de vorm van een onderbouwde vervangingswaarde per bouwwerk. De volledige taxatie mag maximaal 6 maanden oud zijn op het moment van subsidieaanvraag.
- 6. Het onderwerp van de taxatie: Het vaststellen van de vervangingswaarde (voor te hanteren definitie zie punt 8.) van elk bouwwerk ten behoeve van het voeren van het veehouderijbedrijf (zoals dierenverblijven, maar ook werkruimten, schuren, bergingen en opslagen die ten dienste staan aan het bedrijfsmatig houden van vee) op de te verlaten veehouderijlocatie.
- 7. Zakelijk recht: aangeduid wordt bij wie het eigendom ligt van de aanwezige bouwwerken ten behoeve van het voeren van het veehouderijbedrijf.
- 8. De waardegrondslag:
- – Het rapport beschrijft de vervangingswaarde van elk bouwwerk voor het voeren van het veehouderijbedrijf (zoals dierenverblijven, maar ook werkruimten, schuren, bergingen en opslagen die ten dienste staan aan het bedrijfsmatig houden van vee) op de te verlaten veehouderijlocatie. De in het rapport gehanteerde definitie dient dus in overeenstemming te zijn met de definitie van vervangingswaarde in artikel 1.1 van de regeling. Onder vervangingswaarde wordt derhalve verstaan: het herleidbare bedrag dat vervanging van een bouwwerk door een modern equivalent met gelijke functie, maatvoering en nut, en met een actueel ontwerp en vervaardigd met actuele kosteneffectieve materialen en technieken zou kosten op het moment van taxatie door een taxateur, waarbij uitgangspunt is vervaardiging met materialen en technieken die zo veel mogelijk of gelijk of gelijkwaardig zijn aan de materialen en technieken gebruikt in het bestaande bouwwerk. Het betreft dus de vervangingswaarde zonder correcties, dus de vervangingswaarde gebaseerd op vervangingskosten zonder correctie voor leeftijd, staat van onderhoud, e.d.
- – In het rapport is voor elk afzonderlijk bouwwerk voor het voeren van het veehouderijbedrijf op de te verlaten veehouderijlocatie een gedetailleerde berekening opgenomen met de prijs die de vervanging van dat bouwwerk door een modern equivalent met gelijke functie, maatvoering en nut, en met een actueel ontwerp en vervaardigd met actuele kosteneffectieve materialen en technieken zou kosten, waarbij uitgangspunt is vervaardiging met materialen en technieken die zo veel mogelijk of gelijk of gelijkwaardig zijn aan de materialen en technieken gebruikt in het bestaande bouwwerk.
- – Daarvoor wordt per bouwwerk een nauwkeurige beschrijving gegeven van de functie; de precieze afmetingen (lengte*breedte*hoogte), oppervlak en inhoud; de capaciteit in termen van dierplaatsen, ook uitgedrukt in GVE in geval van dierenverblijven; aanduiding houderijsysteem/stalsysteem; nummer van het stalsysteem en emissiefactor conform bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling; gebruikte bouwmaterialen; uitvoering van de bouw; en het bouwjaar (renovatiejaar) van het bouwwerk of onderdelen daarvan.
- – In het rapport wordt geëxpliciteerd welke uitgangspunten en aannames zijn gehanteerd voor het bepalen van wat als modern equivalent van het betreffende bouwwerk ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport wordt beschouwd, als in de uitgevoerde berekening afgeweken zou worden van maatvoering en bouwmaterialen en technieken van het betreffende bouwwerk.
- – In het rapport wordt van alle bouwwerken vermeld of deze in overeenstemming zijn met de op de betreffende locatie geldende regelgeving inzake bouw, ruimtelijke ordening, diergezondheid/dierenwelzijn en milieu en natuur en welke regelgeving het betreft indien dit niet het geval is. Als er sprake is van gedeeltelijk niet voldoen aan geldende regelgeving, wordt weergegeven welk deel van het bouwwerk dit betreft.
- – De voor de vervangingswaardeberekening gehanteerde actuele bron(nen) voor (gestandaardiseerde) prijzen en kosten worden vermeld.
- – Naast de aldus bepaalde vervangingswaarde per bouwwerk is in het rapport ook de vervangingswaarde van alle bouwwerken voor het voeren van het veehouderijbedrijf op de te verlaten veehouderijlocatie gezamenlijk de vervangingswaarde weergegeven.
- 9. De aard en bron(nen) van de informatie waarop de taxateur zich baseert: gebruik wordt gemaakt van actuele bronnen en actuele prijzen/kosten, met duidelijke bronverwijzingen naar vindbare en voor het bepalen van vervangingskosten geaccepteerde bronnen.
- 10. De Waardepeildatum en andere relevante data: het taxatierapport is maximaal zes maanden oud op het moment van indienen van de aanvraag (artikel 3.16 van de regeling).
- 11. Een verklaring inzake een eventuele eerdere betrokkenheid van de taxateur(s) bij het vastgoed of bij de betrokken partijen.
- 12. Een bevestiging dat er geen sprake is van een potentiële belangenverstrengeling van de betrokken taxateur(s) inzake de getaxeerde bouwwerken.
- 1. De identiteit en status van de taxateur(s):
- – In geval de taxatie betrekking heeft op onroerende zaken gelegen in Nederland:
- – de taxateur dient te zijn ingeschreven in de Kamer Landelijk en Agrarisch Vastgoed van het NRVT (artikel 1.1).
- – In geval de taxatie betrekking heeft op onroerende zaken gelegen in een andere EU-lidstaat dan Nederland:
- – de betrokken taxateur is ingeschreven is in een register gelijkwaardig aan het NRVT in de lidstaat waar de betreffende agrarische onroerende zaak is gelegen, waarbij dit register ten minste voorziet in:
- a. doorlopend toezicht op de naleving van de gedragsregels;
- b. een meldplicht indien geregistreerde taxateurs handelen in strijd met de gedragsregels, en
- c. onafhankelijke tuchtrechtspraak.
- – De taxateur dient bewezen deskundig te zijn, aantoonbare professionele ervaring met de taxatie van agrarische onroerende zaken te hebben en te werken conform de taxatiestandaard in overeenstemming met de European Valuation Standards (EVS) of de International Valuation Standards (IVS). Taxateurs die beschikken over een geldig certificaat van ‘Recognised European Valuer’ uitgegeven door de bij ‘The European Group of Valuer Assocations’ aangesloten organisaties, of een certificaat van ‘chartered member’ van het Royal Institution of Chartered Surveyors (MRICS; Member of the Royal Institution of Chartered Surveyors) voldoen aan deze eisen.
- 2. De Opdrachtgever: (vertegenwoordiger of gemachtigde) van de veehouderijonderneming;
- 3. Andere beoogde gebruikers:
- – In de opdrachtverlening en in het rapport dient de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) als belanghebbende(n) opgenomen te zijn.
- – Het rapport bevat de schriftelijke toestemming voor het delen en gebruiken van het taxatierapport of delen daarvan (inclusief alle bijlagen) met en door RVO, het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voor gebruik in het kader van de subsidieverstrekking op grond van de regeling.
- 4. Het doel van de taxatie: Het doel van de taxatie is de vaststelling van de marktwaarde van de bouwwerken ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van vee op hervestigingslocatie, conform de definitie als opgenomen in artikel 1.1 van de regeling.
- 5. Het taxatietype (volledige taxatie, hertaxatie en update): Een volledige taxatie waarbij de verschillende onderdelen van het bedrijf overzichtelijk gescheiden worden. De volledige taxatie mag maximaal 6 maanden oud zijn op het moment van subsidieaanvraag.
- 6. Het onderwerp van de taxatie: Het vaststellen van de marktwaarde van de aanwezige bouwwerken ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van vee (zoals dierenverblijven, maar ook werkruimten, schuren, bergingen en opslagen die ten dienste staan aan het bedrijfsmatig houden van vee) op hervestigingslocatie. In het kader van de subsidieverlening op basis van artikel 3.8 van de regeling is de marktwaarde van de bouwwerken ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van vee op hervestigingslocatie van belang; de waarde van andere bouwwerken, bedrijfswoning, erfgrond en cultuurgrond is daarvoor niet van belang, maar kan wel deel uitmaken van het rapport.
- 7. Zakelijk recht: Het belang en de aard van het gebruik van het bouwwerk (daaronder begrepen of bijvoorbeeld sprake is van vol eigendom, recht van erfpacht, recht van opstal, appartementsrecht).
- 8. De waardegrondslag:
- – De waardegrondslag voor de taxatie van de bouwwerken ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van vee op hervestigingslocatie is de marktwaarde conform de definitie van marktwaarde in artikel 1.1 van de regeling. Deze definitie komt overeen met de door de NRVT gehanteerde definitie.
- – De bepaling van de marktwaarde dient gebeurd te zijn conform de standaarden en richtlijnen van de NRVT, of in geval het vastgoed in andere EU-lidstaten dan Nederland betreft, conform de standaarden van de EVS of de IVS.
- – In het rapport dienen de te onderscheiden bouwwerken (zie de definitie in artikel 1.1 van de regeling) voor het voeren van het veehouderijbedrijf (inclusief de daarmee aard- of nagelvast verbonden zaken) afzonderlijk beschreven en getaxeerd te worden, los van erfgrond/ondergrond, de bij het bedrijf horende cultuurgrond, de bedrijfswoning en eventuele andere bouwwerken niet bestemd en/of gebruikt voor het voeren van het veehouderijbedrijf.
- – Van elk bouwwerk bevat het rapport een gedetailleerde, feitelijke beschrijving van de functie, capaciteit, grootte en hoogte (de exacte oppervlakte van de dierenverblijven in vierkante meters, het aantal beschikbare en bruikbare dierplaatsen, ook uitgedrukt in GVE’s, de inhoud van de bouwwerken); aanduiding houderijsysteem/stalsysteem; nummer van het stalsysteem en emissiefactor conform bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling (alleen voor hervestigingslocaties in Nederland); uitvoering van het bouwwerk en gebruikte bouwmaterialen; bouwjaar/leeftijd en staat van onderhoud; en relevante specifieke kenmerken van de locatie.
- – Indien een bouwwerk bestaat uit onderdelen die een verschillende levensduur hebben en/of relevant verschillen in (technische) staat van onderhoud, dan wordt dit voor het betreffende bouwwerk per onderdeel beschreven.
- – Van alle bouwwerken wordt vermeld of deze in overeenstemming zijn met de op de betreffende locatie geldende regelgeving inzake bouw, ruimtelijke ordening, diergezondheid/dierenwelzijn, milieu en natuur (zie ook de artikelen 3.3, 3.5 en 3.17 van de regeling) en welke regelgeving het betreft, en voor welk bouwwerk, indien dit niet het geval is. Als er sprake is van gedeeltelijk niet voldoen aan geldende regelgeving, wordt weergegeven welk deel van het bouwwerk dit betreft.
- 9. De waardepeildatum en andere relevante data; Het taxatierapport is maximaal zes maanden oud op het moment van indienen van de aanvraag (artikel 3.16 van de regeling).
- 10. De aard en bron(nen) van de informatie waarop de taxateur zich baseert: gebruik wordt gemaakt van actuele bronnen en actuele prijzen/kosten.
- 11. Een verklaring inzake een eventuele eerdere betrokkenheid van de taxateur bij het vastgoed of de betrokken partijen;
- 12. Een bevestiging dat er geen sprake is van een potentiële belangenverstrengeling van de taxateur inzake het getaxeerde object;
- 13. De verklaring dat de professionele taxatiedienst is uitgevoerd in overeenstemming met de standaarden EVS en/of IVS.