Bijlage 1 Protocol Vliegtuigbergingen en Archeologie, 26 juni 2024: beschrijving van het proces tot waardering en advisering
Protocol Vliegtuigbergingen en Archeologie, 26 juni 2024
- 1) Voorafgaand aan een vliegtuigberging verricht de SOVB een historisch onderzoek naar de achtergronden van het toestel. Het NIMH verricht onderzoek ten behoeve van een historische waardering van het toestel. De SOVB verricht – in afstemming met het bevoegd gezag – eventueel fysiek vooronderzoek op de bergingslocatie.
- 2) Een archeologisch Inventariserend Veldonderzoek op de bergingslocatie voorafgaand aan de berging, zonder betrokkenheid van Defensie, behoort niet tot de mogelijkheden aangezien daarbij mogelijk al menselijke stoffelijke resten en gevaarlijke stoffen zoals explosieven, radioactief materiaal en asbest kunnen worden aangetroffen, die op gepaste en veilige wijze en in overeenstemming met toepasselijke wet- en regelgeving moeten worden behandeld.
- 3) Wel kan het bevoegd gezag of de RCE wensen formuleren voor een vooronderzoek van de bergingslocatie met betrekking tot archeologische aspecten. Indien uitvoerbaar, kan de SOVB bij het eventuele fysieke vooronderzoek dat Defensie uitvoert, rekening houden met deze wensen.
- 4) De SOVB en het NIMH stellen de rapporten van het historisch onderzoek en het eventuele fysieke vooronderzoek op de bergingslocatie ter beschikking aan de RCE.
- 5) De RCE verricht een bureauonderzoek naar de (te verwachten) archeologische waarde van de bergingslocatie. Hiervoor kan een opdracht aan een derde partij worden gegeven.
- 6) Het bureauonderzoek van de RCE richt zich op het inventariseren van de (te verwachten) archeologische waarde van de bergingslocatie. Dit kan zowel resten uit de Tweede Wereldoorlog betreffen als andere archeologische resten.
- 7) Bij het bureauonderzoek worden in ieder geval de volgende functionarissen, instellingen en documenten/kennisbronnen betrokken:
- a. de historische onderzoeksrapporten die zijn opgesteld door de SOVB en het NIMH;
- b. de resultaten van eventuele vooronderzoeken die op het terrein zijn verricht (bijvoorbeeld magnetometeronderzoek naar explosieven);
- c. de kennis die binnen NIMH en de Studiegroep Luchtoorlog 1939–1945 (SGLO) aanwezig is, voor zover nog niet in de historische onderzoeken opgenomen;
- d. de adviseur archeologie van de gemeente en het gemeentelijk archeologiebeleid;
- e. de archeologische kennis en informatie die lokaal aanwezig is, niet alleen bij de gemeente, maar ook bij historische of archeologische verenigingen en deskundigen;
- f. digitale bronnen, zoals het Centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) als bedoeld in artikel 5.12 van de Erfgoedwet, het Portable Antiquities of the Netherlands-project (PAN) en lokale archeologische verwachtingskaarten;
- g. de relevante onderzoeksvragen uit de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) en eventuele regionale onderzoeksagenda’s.
- 8) Het bureauonderzoek zal ten minste verricht worden conform de actuele Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
- 9) Het bureauonderzoek omvat het gehele terrein van de bergingsactiviteiten (inclusief eventuele faciliteiten die voor de berging worden aangebracht, zoals een ketenpark of waterbassin), voor zover hier bodemverstorende activiteiten zullen plaatsvinden.
- 10) Het bureauonderzoek mondt uit in een uitspraak over de (te verwachten) archeologische waarde en bevat aanbevelingen voor eventueel archeologisch veldonderzoek.
- 11) Na vaststelling wordt het onderzoeksrapport gedeeld met de SOVB.
- 1) De SOVB en de RCE stellen op basis van de historische onderzoeksrapporten en het archeologische bureauonderzoek, gezamenlijk een advies op over eventueel archeologisch veldonderzoek bij de vliegtuigberging.
- 2) Daarbij is de RCE verantwoordelijk voor de beoordeling van de (te verwachten) archeologische waarde en de aanbevelingen voor veldonderzoek.
- 3) De SOVB is verantwoordelijk voor de beoordeling van de mogelijkheden en beperkingen voor het doen van archeologisch veldonderzoek binnen de uitvoering van de vliegtuigberging.
- 4) Vanwege de aard van de bergingswerkzaamheden, zal eventueel veldonderzoek het karakter hebben van een archeologische begeleiding7Conform het desbetreffende protocol in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie dat vigerend is ten tijde van het opstellen van het Programma van Eisen voor het uit te voeren onderzoek. Momenteel betreft dit Protocol 4004 Opgraving – variant Archeologische Begeleiding.. Er kan ook worden aanbevolen om geen archeologisch veldonderzoek te verrichten.
- 5) De RCE biedt het gezamenlijke advies aan bij het bevoegd gezag (meestal de desbetreffende gemeente).