Bijlage 2 Besluit vaststelling Beleidskaders subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS: beleidskader subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS
Besluit vaststelling Beleidskaders subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS
Deze bijlage behoort bij het Besluit vaststelling Beleidskaders subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS. Het Besluit vaststelling Beleidskaders subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS regelt de voorwaarden waaronder de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) subsidie kan verstrekken voor de activiteiten die in de beleidskaders omschreven zijn. Dit Beleidskader subsidie onderzoeksinfrastructuur E-RIHS (hierna: het beleidskader) is van toepassing voor subsidieverstrekking in 2026, 2027 en 2028. De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: de Kaderregeling) is van toepassing op dit beleidskader. De subsidies die op grond van dit beleidskader worden verstrekt, worden verstrekt onder toepassing van artikel 53 van Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014/187) (hierna: de Algemene Groepsvrijstellingsverordening). De European Research Infrastructure Heritage Science (hierna: E-RIHS) biedt de Europese gemeenschap van erfgoedonderzoekers een internationaal netwerk voor uitwisseling van expertise, onderzoeksfaciliteiten en -data. E-RIHS richt zich op drie domeinen: roerend erfgoed, gebouwd erfgoed en archeologisch erfgoed. Het is de bedoeling de E-RIHS infrastructuur in Nederland te versterken, mede ter ondersteuning van het E-RIHS European Research Infrastructure Consortium. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: RCE) is hiervoor de coördinator. De minister subsidieert een aantal projecten om de Nederlandse infrastructuur te versterken (voorbeelden hiervan zijn te vinden op de website https://www.E-RIHS.nl). De projecten moeten zijn gericht op cultuurgoederen of op gebouwd of archeologisch erfgoed, waarbij iedere aanvraagronde wordt opengesteld voor aanvragen die betrekking hebben op een specifiek thema. Het gaat om de volgende thema’s: In dit beleidskader wo
- • 2026: textiel, leersoorten en papier;
- • 2027: baksteen, natuursteen en andere steenachtige materialen;
- • 2028: plastics en moderne natuurlijke materialen.
- • natuurlijke personen;
- • gemeenten, provincies, waterschappen of de openbare lichamen, bedoeld in de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- • een project moet zich richten op cultuurgoederen of op gebouwd erfgoed of archeologisch erfgoed;
- • een project dient bij te dragen aan de Nederlandse infrastructuur ter bevordering van onderzoek;
- • het beschikbaar stellen van de resultaten die uit het project voortkomen leidt tot verbetering van de Nederlandse infrastructuur. Voorbeelden hiervan zijn: data-ontsluiting, de ontwikkeling van instrumenten en trainingen;
- • een project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband van ten minste drie partijen. De penvoerder en minimaal één andere partij die deelneemt aan het samenwerkingsverband, dient een Nederlandse instelling te zijn die zich bezig houdt met (het bevorderen van de) instandhouding van of onderzoek naar cultuurgoederen, gebouwd erfgoed of archeologisch erfgoed.
- • het genereren van nieuwe onderzoeksdata;
- • het ontsluiten en (opnieuw) toegankelijk maken of synthetiseren van bestaande onderzoeksdata (bijvoorbeeld archieven);
- • het ontwikkelen en het gedurende de subsidieperiode ter beschikking stellen van (digitale) instrumenten aan de doelgroep;
- • het ontsluiten en toegankelijk maken van kennis en informatie ten behoeve van behoud van vakmanschap of ambachten (bijvoorbeeld oral history informatie);
- • het organiseren van fysieke of online conferenties, workshops of bijeenkomsten, inclusief reiskosten en verblijfskosten voor deelnemende onderzoekers en deskundigen in het geval van fysieke bijeenkomsten;
- • overige reis- en verblijfskosten, voor zover direct aan het project gerelateerd;
- • personeelskosten, voor zover direct aan het project gerelateerd;
- • het ontwikkelen van vernieuwende trainings- en opleidingsmethodes;
- • de aanschaf van bestaande apparatuur of materialen die benodigd zijn voor de uitvoering van het project, voor zover het gaat om apparatuur of materiaal met een prijs tot € 450,– per apparaat of materiaal. Voor de aanschaf van apparatuur of materialen bóven € 450,– zijn alleen afschrijvingskosten subsidiabel.
- • indirecte kosten (overhead en exploitatie);
- • onkosten;
- • onvoorziene kosten;
- • leasekosten die niet zijn toegespitst op het project;
- • kosten voor het opstellen van een accountantsverklaring;
- • kosten voor activiteiten die zijn uitgevoerd voorafgaand aan of ten behoeve van de indiening van de subsidieaanvraag;
- • kosten die op grond van andere rijkssubsidieregelingen subsidiabel zijn, kosten die uit anderen hoofde worden vergoed, of kosten die moeten worden gemaakt uit hoofde van een wettelijke verplichting;
- • het uitvoeren van objectgericht onderzoek op het gebied van cultuurgoederen, gebouwd of archeologisch erfgoed;
- • kosten voor de aanschaf van bestaande apparatuur of materialen die benodigd zijn voor de uitvoering van het project, indien het gaat om apparatuur of materiaal van € 450,– of meer; voor de aanschaf van apparatuur of materialen met een waarde van € 450,– of meer, zijn namelijk alleen afschrijvingskosten subsidiabel.
- • in 2026: een bedrag van € 400.000,–;
- • in 2027: een bedrag van € 400.000,–;
- • in 2028: een bedrag van € 300.000,–.
- a. de mate waarin de beoogde projectresultaten bijdragen aan de onderzoeksinfrastructuur voor het onderzoek naar cultuurgoederen, gebouwd erfgoed of archeologisch erfgoed in Nederland;
- b. de mate waarin de bestaande of nieuwe onderzoeksdata duurzaam beschikbaar worden gemaakt voor het Nederlandse erfgoedveld, zo mogelijk vindbaar, toegankelijk, uitwisselbaar en herbruikbaar (FAIR-principes);
- c. de mate waarin verschillende domeinen gecombineerd worden in het project; en
- d. de mate waarin verschillende expertises en (academische) werkervaring een plaats hebben in het samenwerkingsverband en ingezet worden voor het project.
- • een aanvraag voor een subsidie gaat vergezeld van een activiteitenplan dat voldoet
- • aan artikel 3.4 van de Kaderregeling, alsmede een begroting die voldoet aan
- • artikel 3.5 van de Kaderregeling en die in aanvulling daarop een financieel dekkingsplan en een uitgavenplanning bevat. Het activiteitenplan en de begroting worden opgesteld met gebruikmaking van de modellen die daartoe op https://www.cultureelerfgoed.nl beschikbaar zijn gesteld;
- • de start van het project wordt gepland na de sluiting van de aanvraagperiode, maar voor het einde van het jaar waarbinnen de subsidie wordt verleend;
- • de afronding van het project wordt gepland binnen twee jaar na de startdatum van het project;
- • projectvoorstellen worden ingediend in het Nederlands;
- • de penvoerder en deelnemende partijen in het samenwerkingsverband tonen in de aanvraag aan dat hun instelling zich actief inzet voor het project in geld, in natura of in arbeidsuren. Deze bijdrage kan bestaan uit de inzet van medewerkers of de verlening van toegang tot relevante collecties en onderzoeksfaciliteiten om de activiteiten beschreven in het activiteitenplan mogelijk te maken;
- • in de begroting wordt aangegeven hoe de aangevraagde middelen worden verdeeld over de partijen in het samenwerkingsverband;
- • in de aanvraag verklaart de penvoerder dat hij, noch één van de andere partners in het samenwerkingsverband een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel c, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, alsmede dat tegen de penvoerder noch tegen één van de andere partners in het samenwerkingsverband een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.