Bijlage I Regeling politieonderwijs
Naam kwalificatie 1 Aanrijdingsselecteur 2 Adviseur bewaken en beveiligen 3 Afname celmateriaal t.b.v. DNA-onderzoek 4 Algemeen commandant 5 AVIM Hulpofficier van Justitie 6 AVIM Aangewezen Ambtenaar 7 Bachelor Politiekunde 8 Basis Afdeling Vreemdelingen Identificatie en Mensenhandel (AVIM) 9 Basis intelligence 10 Basis motorsurveillant 11 Basis Plaats Delict Onderzoek Forensische Opsporing 12 Basis rijvaardigheid auto 13 Basis ruiter bereden politie 14 Bedienaar meetmiddelen verkeer 15 Bloedspoorpatroonanalyse (BPA) 16 Bloodstain pattern analysis advanced (BPA Advanced) 17 Brand advanced 18 Brand basis 19 Chauffeur binnen een ME-inzet 20 Chauffeur waterwerper 21 Controleren van voertuigen 22 Coördinatie Plaats Delict unit 23 DNA vooronderzoek eenvoudig 24 DNA vooronderzoek complex 25 Dossiervorming verdieping 26 Dreigingsinschatting 27 Eerste hulp door politie 28 Familieagent 29 Familierechercheur 30 Financieel-administratieve waarheidsvinding 31 Forensic Network Exploration 32 Forensic Scripting 33 Forensische analyse verkeer – Rekenmodellen 2 34 Forensisch coördinator 35 Forensisch-digitaal opsporen in complexe situaties 36 Forensisch-digitaal opsporen in eenvoudige situaties 37 Forensisch onderzoek aan besturingssystemen 38 Forensisch opsporing Schietincidenten 39 Forensisch opsporing Zeden 40 Forensische opsporing Dactyloscopie 41 Forensische opsporing, Opsporen, Bergen en Identificeren 42 Forensische opsporing, Overlijdensonderzoek 43 Forensische opsporing verkeer – Toegepaste dynamica 44 Forensische opsporing – Analyse van verkeersregelinstallaties 45 Forensische opsporing – Identificeren – Individualiseren van schoen- en bandsporen 46 Forensische opsporing – Identificeren – Individualiseren van werktuigsporen 47 Fotoconfrontatie organiseren, coördineren, uitvoeren en schrijven 48 Fysiek-motorische vaardigheid 49 Gebruik van traangas in ME-verband 50 Gebruiken van computersimulatie bij verkeersongevalsanalyse 51 Generalist operationeel centrum 52 Generiek ops
- – Selecteren
- – Coördineren
- – Afhandelen
- – Selectie van verkeersongevallen uitgevoerd volgens aanwijzing Verkeersongevallen
- – Controle op proces ongevalsonderzoek uitgevoerd
- – Ondersteuning BPZ bij dossiersamenstelling geboden
- – Kwalitatief goed en compleet PV ingestuurd naar OM
- – Adequate informatievoorziening externen
- – Verzamelt en deelt informatie om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van het incident en de aangetroffen situatie
- – Toetst situatie aan Aanwijzing Verkeersongevallen en onderbouwt in welke categorie het ongeval waarschijnlijk valt
- – Adviseert snel, doortastend, daadkrachtig en vasthoudend over afhandeling op de plaats delict en houdt hierbij rekening met de belangen van alle betrokkenen
- – Verantwoordt zijn advies ten opzichte van de Aanwijzing Verkeersongevallen, netwerkpartners en ondersteunende diensten
- – Heeft overzicht over het ongeval: situatie, mogelijke oorzaak, mogelijke toedracht, getroffen maatregelen, uitgevoerd onderzoek
- – Beoordeelt het dossier op volledigheid, kwaliteit van onderzoeksproces, rapportage en of het voldoet aan de Aanwijzing Verkeersongevallen
- – Onderbouwt het belang van vervolgstappen op het gebied van vervolgonderzoek en nazorg
- – Afname wangslijm
- – Afname hoofdhaar
- – Volgens FT-norm 250.07 correct afgenomen wangslijmvlies dat op de juiste wijze is verpakt en verzendklaar gemaakt
- – Volgens FT-norm 250.09 correct afgenomen hoofdharen die op de juiste wijze zijn verpakt en verzendklaar gemaakt
- – Stelt de identiteit van de donor vast
- – Voorkomt contaminatie
- – Draagt zorg voor de veiligheid
- – Past DNA wetgeving toe
- – Toont een professionele beroepshouding: kan de procedure uitleggen, kan omgaan met emotioneel gedrag, kan zich inleven in andere mensen en culturen
- – Kan zelfstandig een wangslijm bemonstering voorbereiden, uitvoeren en verpakken conform bijlage 1 van FT-norm 250.07
- – Kan zelfstandig een hoofdhaar bemonstering voorbereiden, uitvoeren en verpakken conform bijlage 1 van FT-norm 250.09
- – Kan toelichten waarom hij formulieren voorafgaand en na afloop van de afname moet invullen en waar deze voor dienen
- – Toont inzicht in de kwaliteit van het werkproces van de afname van celmateriaal
- – Werkt samen met andere recherchemedewerkers binnen en buiten de politie
- – De AVIM hulpofficier van justitie kan in verschillende situaties juist handelen of beslissen op grond van wettelijke bevoegdheden en een juiste belangenafweging maken.
- – Formuleert prioriteitsvragen, doet dit gemotiveerd en voorzien van relevante wetsartikelen en jurisprudentie uitgewerkt tot een juridisch verantwoorde conclusie en/of belangenafweging.
- – Betrekt in de analyse alle voorwaarden die het resultaat van de handeling beïnvloeden en deze rechtmatig of onrechtmatig kunnen maken.
- – Betrekt in de analyse ook het betreden van plaatsen, de vormvoorschriften en de rechtsbeginselen.
- – De AVIM Aangewezen Ambtenaar kan in verschillende situaties juist handelen of beslissen op grond van wettelijke bevoegdheden en een juiste belangenafweging maken.
- – Formuleert prioriteitsvragen, doet dit gemotiveerd en voorzien van relevante wetsartikelen en jurisprudentie uitgewerkt tot een juridisch verantwoorde conclusie en/of belangenafweging.
- – Betrekt in de analyse alle voorwaarden die het resultaat van de handeling beïnvloeden en deze rechtmatig of onrechtmatig kunnen maken.
- 1. al dan niet in groepsverband als ‘troubleshooter’ opereren in de (veranderlijke) omgeving van veiligheidsregio’s, heftige en onverwachte incidenten, risicovolle calamiteiten en niet te plannen activiteiten
- 2. zelfstandig beslissingen nemen op voorbereidend, uitvoerend en coördinerend niveau wat betreft de prioriteit van de inzet, omvang en aard van de middelen
- 3. samen met partners beleid, modellen en strategieën ontwikkelen voor de organisatie en het monitoren van hulpverlening, noodhulp en de opschaling daarvan
- 4. een integraal plan van aanpak van noodhulp en rampenbestrijding ontwerpen, uitvoeren en evalueren – op basis van het inschatten van potentiële risico’s
- 5. in het netwerk van uitvoeringsorganisaties op het terrein van intake en noodhulp opereren, coördineren en partners activeren
- 6. omgaan met technologische vernieuwingen in apparatuur (voor de meldkamer of van medische aard) en de juridische dimensie van noodhulpsituaties
- 7. positie kiezen in de politiek-bestuurlijke en organisatorische ontwikkelingen met betrekking tot het meldkamerdomein en de voorbereiding op rampen en calamiteiten (veiligheidsregio’s, samenwerking met gemeente en provincie en de toenemende rol van de landelijke overheid)
- 8. capaciteitsmanagement, het National Intelligence Model (NIM) of het Referentiemodel Bedrijfsprocessen Politie (RBP) 2008 benutten om omgevingsontwikkelingen te kanaliseren
- 9. conflicten tussen verschillende partijen en stressvolle situaties evenwichtig hanteren en daarbij fysiek, mentaal en verbaal schakelen, ook bij grotere mensenmassa’s
- 10. verwachtingen – wat kunnen/ mogen (ontevreden, lastige of bedreigde) burgers van politiehulp verwachten – vertrouwenwekkend managen
- 11. bij noodhulpvragen van burgers gebruik maken van hun potentieel aan zelfredzaamheid
- 12. in de interactie met bestuur, partners en publiek alert zijn op de kenmerken/ eigenschappen van elke partij, resp. formele positie, taakopvatting, diversiteit
- 13. adviseren over een adequate (her)inrichting van processen van intake en noodhulp
- 14. de toepassing van protocollen en standaardprocessen combineren met actie-intelligent en situatie-intelligent optreden
- 15. de wijze van informatievergaring optimaal afstemmen op die van samenwerkingspartners
- 16. bijdragen aan de verbetering van het uitvoeren en monitoren van noodhulpvraagstukken
- 1. in (on)verwachte en kritische openbare orde situaties methodisch en systematisch het hoofd bieden aan hectiek en mediadruk
- 2. discretionair omgaan met (inter)nationale wet- en regelgeving
- 3. overtredingspatronen herkennen, daarin verbanden leggen en hypothesen voor een proactieve, preventieve of repressieve aanpak daarvan vormen en toetsen
- 4. beleidsplannen, plannen van aanpak, draaiboeken en projecten aangaande risicosituaties op het gebied van bv. verkeer, milieu en evenementen formuleren, uitvoeren en evalueren
- 5. bij het coördineren van gezamenlijke projecten voortgangsbeslissingen nemen tegen de achtergrond van uiteenlopende (criteria voor) besluitvormingsprocessen
- 6. omgaan met diverse rechtsgebieden (staats- en bestuursrecht, strafrecht, civiel recht, internationaal recht)
- 7. rekening houden met (inter)nationale veranderingen in de organisatie en het object van handhaving van de openbare orde (bv. afstoten van taken, nodale i.p.v. gebiedsoriëntatie)
- 8. totstandkoming van (inter)nationale wettelijke kaders en jurisprudentie duiden en veranderingen daarin vertalen in beleidsvoorstellen en procesbewaking
- 9. het eigen handelen en dat van collega’s toetsen op correctheid
- 10. in het netwerken, onderhandelen en vergaderen met instanties rekening houden met verschillende protocollen, procedures en culturen
- 11. extern schakelen en acties afstemmen in termen van gedragsbeïnvloeding en concrete activiteiten, rekening houdend met doelgroep en partners
- 12. integer optreden, rekening houdend met de diversiteit aan medewerkers en betrokkenen
- 13. gedragsmodellen en handhavingsscenario’s ontwerpen en evalueren naar diverse vormen
- 14. adviseren omtrent handhaving, zowel strategisch, tactisch en operationeel
- 15. de effecten van multidisciplinair delen van informatie en het veredelen ervan afwegen en evalueren
- 16. de impact van handhaving relateren aan het duurzame nut voor de organisatie, partners en de burger
- 1. omgaan met hectiek, (georganiseerde) criminaliteit, diverse actoren (media, raadslieden etc.) en diversiteit in rechercheprocessen
- 2. bij het rechercheren rechtmatigheid en wetmatigheid inschatten alsmede rechtsbeginselen en rechtsmiddelen afwegen
- 3. forensische en tactische informatie tot ‘intelligence’ verheffen, onderbrengen in een te formuleren opsporingsplan en de onderzoeksresultaten vastleggen in een dossier
- 4. vanuit een breed politiekundig referentiekader en criminologische expertise een tactische aanpak van (georganiseerde) criminaliteit ontwerpen en het proces ervan bewaken
- 5. in samenwerking met het OM, externe opsporingsinstanties en specialisten de reikwijdte van ieders bevoegdheden benutten en (internationale) rechtshulpverzoeken verwerken
- 6. een ruim arsenaal aan opsporingsactiviteiten (waaronder digitaal/ financieel) overzien en (laten) inzetten
- 7. bij een meer omvattend opsporingsonderzoek rekening houden met maatschappelijke, bestuurlijke, juridische en rechtspsychologische ontwikkelingen (trends in kapitale delicten, politiek-bestuurlijke prioriteiten, jurisprudentie, forensische vernieuwingen, EU-richtlijnen)
- 8. een operationele en strategische criminaliteitsanalyse (laten) doen
- 9. in opsporingsonderzoek relaties managen en medewerkers coachen
- 10. in teamverband samenwerken met personen met verschillende culturele en vakmatige achtergronden en ervaringen (intern, extern, nationaal, internationaal)
- 11. in PV’s, verhoren, zaaksoverleg en (de)briefings: informatie, instructies, conclusies of nazorg helder communiceren en – juridisch en taalkundig – accuraat rapporteren, waar van toepassing in een vreemde taal
- 12. in de opsporing integer gebruik maken van kennis en vaardigheden
- 13. denken in opsporingsscenario’s
- 14. het proces en de resultaten van een opsporingsonderzoek omzetten in een advies en aangeleverd advies benutten
- 15. relevantie en gevoeligheid van (inter)nationaal gedeelde ‘intelligence’ inschatten, erop anticiperen en ervan leren
- 16. recherche-ervaring omzetten in persoonlijke effectiviteit en kwaliteitsverbetering voor de organisatie
- 1. opereren in een versnipperd veld van heterogeen bestuurde en wisselende veiligheidsnetwerken en -instanties
- 2. behalve in een functie ook verantwoordelijkheid en leiding nemen in een rol of positie, met inachtneming van proportionaliteit, subsidiariteit en opportuniteit
- 3. onderzoek naar gebiedsgebonden informatiepatronen koppelen aan nodale informatiestromen (ook internationaal) en de bevindingen omzetten in ‘intelligence’
- 4. samen met de ketenpartners integrale veiligheidsarrangementen opstellen, uitvoeren en evalueren in termen van resultaat, processen, organisatie en samenwerking
- 5. de regie nemen in de samenwerking met publieke en private ketenpartners of burgers bij het bevorderen of realiseren van veiligheid en leefbaarheid in lokaal of regionaal verband
- 6. geografisch of functioneel interventies plannen en plegen, gericht op het beïnvloeden van mechanismen en patronen
- 7. zich vergewissen van het belang van het onderscheid tussen objectieve en subjectieve veiligheid en het effect daarvan op het verwachtingspatroon van de burger
- 8. bovenlokale en internationale problemen, politiek-bestuurlijke en digitale ontwikkelingen vertalen in risico-inventarisaties en integraal veiligheidsbeleid
- 9. collega’s, partners en burgers mobiliseren, motiveren, inspireren en waar nodig in een vreemde taal te woord staan
- 10. netwerkrelaties initiëren en onderhouden met zowel gebiedsgebonden groeperingen als niet-gebiedsgebonden ‘communities’
- 11. burgerparticipatie in het bestrijden van onveiligheid bevorderen
- 12. rekening houden met de culturele verscheidenheid en andere vormen van diversiteit van burgers, maar objectief en zonder aanzien des persoons
- 13. de maatschappelijke en politieel-juridische omgeving adviseren en de media te woord staan over veiligheidsvraagstukken
- 14. onorthodoxe veiligheidsoplossingen kiezen in variabele contexten
- 15. binnen het kader van de National Intelligence Model (NIM) actief informatie delen over de aanpak van gemeenschappelijke veiligheid op alle niveaus (intern en extern)
- 16. de eigen ervaringen m.b.t. (on)veiligheid productief maken voor anderen en de organisatie
- • Organisatie en coördinatie van verkeersveiligheid, milieuvergrijpen en evenementen
- • Risicoplekken inventariseren, analyseren en prioriteren
- • Handhavingsprojecten managen op het terrein van bijv. verkeer, milieu en evenementen
- • Mobiliseren van en overleggen met actoren in het handhavingsnetwerk
- • Briefing en debriefing (van informatie en werkproces) voorbereiden en uitvoeren
- • De openbare orde handhaven in onverwachte en verwachte situaties
- • Gebruiken van het NIM en het RBP
- • Organiserend optreden bij intake (meldingen) en noodhulp in situaties van geweld, ongevallen, overlast, asociaal gedrag en voorbereidende rechercheactiviteiten
- • Noodhulp aansturen, voorbereiden en verbeteren
- • Samenwerken met een netwerk van uitvoeringsorganisaties
- • Afstemmen met meldkamers van bestuurlijke en veiligheidspartners (regionaal en landelijk)
- • Opereren in de bestrijding, voorbereiding en evaluaties van rampen en calamiteiten
- • Hanteren van het NIM, capaciteitsmanagement en het RBP
- • Tactische opsporingsactiviteiten en uitvoeren of uitbesteden
- • Alle elementen van opsporingsonderzoek uitvoeren in een veranderlijke omgeving
- • Briefing en debriefing (van informatie en werkproces) voorbereiden en uitvoeren
- • Coördineren van een meer omvattend opsporingsonderzoek
- • Integraal opsporingsplan opstellen
- • Samenwerken met opsporingsinstanties en het OM
- • Netwerk opbouwen en onderhouden
- • Coördineren van een Plaats Delict
- • Hanteren van het NIM, capaciteitsmanagement en het RBP
- • Samenwerken in veiligheidsnetwerken, met diverse veiligheidsinstanties (overheden, ketenpartners, private partijen) en met (groepen van) burgers
- • Systematisch onderzoeken van informatie en kennisbronnen
- • Definiëren van politieactiviteiten binnen een integrale aanpak
- • Creëren van effectieve samenwerkingsverbanden
- • Gemeenschappelijk veiligheidsbeleid ontwerpen en uitvoering ervan coördineren in regelmatig voorkomende gevallen van criminaliteit, overlast, allerlei vormen van geweld, discriminatie, asociaal gedrag etc.
- • Hanteren van het NIM, capaciteitsmanagement, programmasturing en het RBP
- 1) Democratie, Rechtsstaat en Politiefunctie (‘de politie staat niet op zichzelf’)
- 2) Nederlandse Politie (‘dit is de politie’)
- 3) Politiewerk (‘dit doet de politie’)
- 4) Algemene Politiële Beroepsvorming (‘weten en geweten van de politie’).
- – Beschikt over de vakkennis beschreven in het beroepsprofiel en de kwalificatieprofielen voor de Politiekundige bachelor.
- – Kent de werkprocessen rondom aangifte-, getuigen- en verdachtenverhoor en buurtonderzoek.
- – Kent de richtlijnen binnen het korps met betrekking tot de kerntaken intake, noodhulp, opsporing en handhaving.
- – Kent relevante wet- en regelgeving.
- – Kent de juridische criteria die het Wetboek van Strafvordering stelt aan processen-verbaal.
- – Heeft kennis van de laatste ontwikkelingen in het vakgebied.
- – Kan verbindingen tussen theorie en praktijk leggen.
- – Kan afstemmen, samenwerken, bemiddelen en onderhandelen met betrokken partijen.
- – Is breed inzetbaar
- – Bezit de leervaardigheden om taken die een hoog niveau van autonomie veronderstellen, succesvol af te ronden en een vervolgstudie op dit niveau aan te gaan.
- – Borgt de veiligheid van zichzelf en anderen.
- – Rijdt, verantwoord en veilig naar een (ongeval)melding.
- – Past in onverwachte en hectische situaties de protocollen en standaardprocessen toe en combineert deze met actie-intelligent en situatie-intelligent optreden.
- – Beschikt over de fysieke conditie en vaardigheden om een slachtoffer op het land of in het water in veiligheid te brengen.
- – Verleent eerste hulp volgens de geldende richtlijnen.
- – Beheerst de kennis en vaardigheden zoals beschreven in artikel 1D, 1E en 1F van de Regeling Toetsing Geweldbeheersing Politie (RTGP).
- – Verzamelt en analyseert relevante informatie, legt verbanden en herkent patronen, ontwikkelt bruikbare scenario’s.
- – Vormt een goed onderbouwd oordeel over de essentie van de problematiek.
- – Overziet welke opsporingsactiviteiten ingezet kunnen worden.
- – Formuleert een probleemstelling.
- – Vertaalt een analyse naar een relevant projectvoorstel of plan van aanpak.
- – Neemt een verhoor af en verwerkt dit systematisch.
- – Onderbouwt en beschrijft zijn handelingswijze en de toegepaste methoden.
- – Trekt op basis van onderzoek overtuigende, onderbouwde conclusies en vormt een oordeel.
- – Doet recht aan verschillende perspectieven, benoemt de meest relevante argumenten pro en contra.
- – Verwerkt informatie reproduceerbaar en controleerbaar in een proces-verbaal.
- – Kan de gevoeligheid van intelligence correct inschatten en resultaten in intelligence omzetten.
- – Breidt het proces-verbaal indien gewenst uit met een relaas.
- – Vertaalt onderzoeksresultaten op innovatieve wijze naar de beroepspraktijk.
- – Communiceert en presenteert professioneel, helder, boeiend, kernachtig, efficiënt, overzichtelijk en representatief, waar nodig in een vreemde taal.
- – Onderhoudt en initieert netwerkrelaties.
- – Gaat deskundig om met kritische vragen en kan zijn oordeel met inhoudelijke argumenten onderbouwen.
- – Heeft een professionele grondhouding, handelt: gemotiveerd, effectief, methodisch, discretionair, proportioneel, rechtmatig, zelfstandig, samen, stressbestendig, integer, slagvaardig, vernieuwend, flexibel, probleemgericht, vanuit professionele weerbaarheid en straalt gezag uit.
- – Toont weerbaarheid en reageert effectief en evenwichtig op heftige en onverwachte incidenten, risicovolle calamiteiten en conflicten.
- – Coördineert en regisseert activiteiten op daadkrachtige, betrouwbare en deskundige wijze.
- – Neemt zelfstandig beslissingen op voorbereidend, uitvoerend en coördinerend niveau wat betreft de prioriteit van de inzet, omvang en aard van middelen.
- – Neemt (beleids)initiatieven.
- – Toont bewustzijn van de omvang en reikwijdte van zijn rol binnen de politieorganisatie en kan de positie van politie, ketenpartners en andere actoren inschatten.
- – Overziet alle belanghebbenden in een opsporingssituatie en schakelt tussen uitvoeren en doorverwijzen naar specialist of ketenpartners.
- – Benut de reikwijdte van de bevoegdheden van partners optimaal en gaat zo creatief om met ieders rol in het opsporingsproces.
- – Activeert, motiveert, enthousiasmeert, stemt af met in- en externe partners en spreekt hen aan op hun verantwoordelijkheid.
- – Coacht en begeleidt collega’s. Vervult een voorbeeldfunctie.
- – Handelt ten bate van de kwaliteitsverbetering voor de organisatie.
- – Onderbouwt wat het nut van een actie is voor korps, partners en burgers.
- – Houdt rekening met de belangen van alle betrokkenen.
- – Managet verwachtingen van burgers.
- – Maakt op integere wijze gebruik van de ingewonnen informatie en schat de gevoeligheid van intelligence correct in.
- – Handelt op deskundige en professionele wijze op basis van actuele theoretische kennis en kan zijn handelen verantwoorden.
- – Kan rechtmatigheid en wetmatigheid inschatten en rechtsbeginselen en -middelen afwegen.
- – Heeft de vereiste kennis en vaardigheden om een verhoor voor te bereiden.
- – Onderbouwt welke bevoegdheden hij toepast bij het constateren van een overtreding.
- – Evalueert de resultaten van een actie.
- – Neemt eigen standpunten in en kan deze verdedigen.
- – Biedt tegenspraak ten opzichte van standpunten of conclusies van collega’s.
- – Staat open voor inzichten van anderen en is, indien nodig, bereid zijn standpunt te nuanceren of bij te stellen.
- – Geeft bevoegd gezag deskundig en overtuigend advies en beargumenteert zijn keuzes.
- – Adviseert de maatschappelijke en politieel-juridische omgeving en staat de media te woord over veiligheidsvraagstukken.
- – Maakt afwegingen met betrekking tot het technisch en moreel handelen en beargumenteert en verantwoordt die afwegingen.
- – Signaleert ontwikkelingen en vertaalt deze naar politieel handelen.
- – Toont bewustzijn van maatschappelijke verantwoordelijkheid.
- – Weegt en evalueert de effecten van multidisciplinair delen en veredelen van informatie.
- – Neemt een stimulerende en verbindende rol aan.
- – Beschouwt veiligheids- of leefbaarheidsproblemen vanuit een breed politiekundig referentiekader.
- – Vormt een onderbouwd oordeel gebaseerd op steekhoudende argumenten waarin de wetenschappelijke, maatschappelijke en ethische overwegingen zijn meegenomen.
- – Genereert duurzame, efficiënte, effectieve, innovatieve en creatieve probleemoplossingen en toepassingen van methodieken die bijdragen aan het oplossen van een problematiek of het verbeteren van een situatie. Deze oplossingen en toepassingen zijn gebaseerd op een breed politiekundig referentiekader.
- – Vertaalt bovenlokale en internationale problemen, politiek-bestuurlijke en digitale ontwikkelingen in risico-inventarisaties en integraal veiligheidsbeleid.
- – Stelt samen met de ketenpartners integrale veiligheidsarrangementen op, voert deze uit en evalueert deze in termen van resultaat, processen, organisatie en samenwerking.
- – Plant en pleegt, geografisch of functioneel, interventies, gericht op het beïnvloeden van mechanismen en patronen.