Bijlage II Kavelbesluit kavel Beta windenergiegebied IJmuiden Ver: toelichting kavelbesluit Beta windenergiegebied IJmuiden Ver
Kavelbesluit kavel Beta windenergiegebied IJmuiden Ver
De Rijksoverheid neemt maatregelen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Daarnaast moet de verdere opwarming van de aarde beperkt worden. Hiervoor zijn nationale en internationale doelen afgesproken. In 2016 heeft de Europese Unie mede namens Nederland het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Doel van het akkoord is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. Om de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs te halen zijn afspraken in Europa gemaakt. De EU-lidstaten hebben met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 55 procent minder CO2 moet uitstoten dan in referentiejaar 1990. In 2050 wil de Europese Unie klimaatneutraal zijn. Dat betekent dat er dan netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten. De Nederlandse klimaatdoelen zijn vastgelegd in de Klimaatwet. Windenergie op zee is een belangrijke pijler onder het klimaat- en energiebeleid. In de (oorspronkelijke) routekaart windenergie op zee 20301Kamerstukken II, 2017/18, 33 561, nr. 42., zijn de hoofdlijnen geschetst voor de uitrol van windenergie op zee voor de periode tot 2030. De routekaart voorziet in de uitgifte van een vermogen van 11 GW tot en met 2030. Hiertoe worden kavels vastgesteld binnen de grenzen van de windenergiegebieden Borssele, Hollandse Kust (zuid), Hollandse Kust (noord), Hollandse Kust (west), Ten noorden van de Waddeneilanden, en IJmuiden Ver (kavels Alpha en Beta). Het Kabinet Rutte-IV heeft de doelstelling voor windenergie op zee verder verhoogd met 10,7 GW tot ongeveer 21 GW opgesteld vermogen rond 2030. De capaciteit van 21 GW levert jaarlijks ongeveer 90 terawattuur (TWh) aan elektriciteit. Om deze aanvullende ambitie te verwezenlijken zijn in het Programma Noordzee 2022–2027 drie nieuwe windenergiegebieden aangewezen, Nederwiek, Lagelander en Doordewind, en zijn reeds aangewezen windenergiegebieden herbevestigd. In 2022 heeft het kabinet in een (aanvullende) routekaart 2030 de plannen hiervoor
- 1) aansturen op CO2-reductie;
- 2) verzilveren van de economische kansen die de energietransitie biedt, en;
- 3) integreren van energie in het ruimtelijk beleid.
- • IJmuiden Ver (Gamma), waar ruimte is voor ca. 2 GW;
- • Hollandse Kust (west), kavel VIII, waar ruimte is voor ca. 0,7 GW;
- • Nederwiek (zuid), waar ruimte is voor ca. 2 GW;
- • Nederwiek (noord), waar ruimte is voor ca. 4 GW;
- • Doordewind, waar ruimte is voor ca. 4 GW.
- – In deel I (besluit) is bepaald dat kavel Beta wordt aangewezen als locatie voor een windpark met een totaal geïnstalleerd vermogen van ten minste 2 GW. In het ontwerpkavelbesluit werd nog uitgegaan van een totaal geïnstalleerd vermogen van ten minste 1,9 GW. Hiermee is beoogd de capaciteit van de netinfrastructuur van TenneT beter te benutten.
- – In voorschrift 1 is naar aanleiding van een zienswijze de begripsbepaling van ‘geïnstalleerd vermogen’ aangepast. Er is voor gekozen om in de begripsbepaling aan te sluiten bij de gehanteerde definitie in de NEN-norm IEC 61400-1 voor windturbines. Met geïnstalleerd vermogen wordt bedoeld: het maximale elektrische vermogen, ook wel bekend als 'rated power', waartoe een windturbine is ontworpen om onder normale condities benut te kunnen worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, zoals ook kan worden vastgesteld door onafhankelijke certificerende partijen. Anders dan de in het ontwerpkavelbesluit gehanteerde definitie, wordt in deze begripsbepaling de bijdrage van ‘boosters’ niet per definitie uitgesloten zo lang de ‘rated power’ voldoet aan het minimum vermogen als bepaald in voorschrift 3, derde lid (15 MW).
- – In voorschrift 1 zijn de begripsbepalingen van ‘p-waarde’, ‘standaarden’, ‘statistische significantie’ en ‘Wozep’ komen te vervallen als gevolg van wijzigingen in voorschrift 4, derde lid, en voorschrift 4, vierde lid.
- – In voorschrift 3, zevende lid, van het kavelbesluit is het totale rotoroppervlak naar aanleiding van zienswijzen verhoogd tot maximaal 7.081.150 m2. Dit was in het ontwerpkavelbesluit 6.157.522 m2. Hiermee wordt voorzien in de behoefte aan overplanting met maximaal 0,3 GW. In een aanvulling op het MER is een extra variant onderzocht uitgaande van turbines met een hoog vermogen. In het aanvullende MER-onderzoek is bij die variant van 2,3 GW een totaal rotoroppervlak van 7.081.150 m2 gehanteerd. Volgens het aanvullende MER-onderzoek veranderen de conclusies van het MER niet.
- – In hoofdstuk 7 van de toelichting zijn in relatie tot vogels diverse aanpassingen in de tekst doorgevoerd vanwege het beschikbaar komen van nieuwe slachtofferberekeningen van vogelsoorten in het aanvullende MER-onderzoek. In deze berekeningen is niet alleen rekening gehouden met de overplantingsvariant, ook is gebruik gemaakt van nieuwe ecologische gegevens en uitgangspunten, waaronder nieuwe gegevens over het voorkomen van specifieke vogelsoorten op de Noordzee (dichtheidskaarten). Hierdoor wijken de opnieuw berekende slachtofferaantallen in veel gevallen af van de aantallen die zijn berekend in het oorspronkelijke MER. Dit is ook het geval voor de eerder gehanteerde varianten die uitgingen van een opgesteld vermogen van ca. 2 GW. Het meest opvallend is dat niet langer sprake is van een overschrijding van de ALI-norm in het internationale scenario voor de alk en de zeekoet. Voor onder meer deze soorten zijn op basis van de nieuwe slachtofferaantallen de populatiemodellen geactualiseerd. Waar in hoofdstuk 7 van deze toelichting slachtofferaantallen onder vogelsoorten zijn benoemd, is uitgegaan van de resultaten van het aanvullende MER-onderzoek.
- – Aan voorschrift 3, negende lid, is naar aanleiding van een zienswijze een zinsnede toegevoegd waarin is gesteld dat indien de vergunninghouder een fundering wil toepassen die niet in het lid is genoemd, een ter zake deskundige in het funderingsplan zal moeten aantonen dat de milieueffecten hiervan niet negatiever zijn dan in het MER is bepaald voor de onderzochte bandbreedte. Hiermee worden innovaties gestimuleerd mits wordt geborgd dat effecten binnen de in het MER onderzochte bandbreedte blijven.
- – Aan voorschrift 4, eerste lid, is naar aanleiding van zienswijzen een onderdeel c toegevoegd. Daarin is de mogelijkheid opgenomen om in het funderingsplan het gebruik van een akoestisch afschrikmiddel (ADD) bij toepassing van alternatieve installatietechnieken achterwege te laten, of anderszins van de voorgeschreven ADD-procedure af te wijken, mits uit een motivering door een ter zake deskundige volgt dat met de voorgestelde installatieprocedure geen permanente gehoorschade (PTS) kan optreden onder bruinvissen. Hiermee wordt voorkomen dat bij toepassing van een geluidsarme installatietechniek onnodig een akoestisch afschrikmiddel wordt toegepast.
- – Voorschrift 4, tweede lid, onderdeel e, is naar aanleiding van zienswijzen aangepast. Omdat voor het berekenen van het aantal bruinvisverstoringsdagen bij gebruik van andere technieken niet per sé (alleen) een zeezoogdierdeskundige nodig is, maar bijvoorbeeld (ook) een geluidsdeskundige, is ‘zeezoogdierdeskundige’ vervangen door ‘ter zake deskundige’.
- – In voorschrift 4, tweede lid, onderdeel h, was in het ontwerpkavelbesluit reeds een inspanningsverplichting opgenomen om het produceren van onderwatergeluid te beperken tot een zo kort mogelijke aaneengesloten periode. Daar is aan toegevoegd dat de vergunninghouder zich inspant om de verstoring van bruinvissen zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te beperken.
- – De in voorschrift 4, derde lid, onderdelen c tot en met l, van het ontwerpkavelbesluit opgenomen monitoringsverplichting naar de aanwezigheid en aanvaringen van trekvogels is komen te vervallen. De toelichting in paragraaf 7.8.4 bij het kavelbesluit is hier ook op aangepast. Er bestaat blijkens zienswijzen onzekerheid over de beschikbaarheid van monitoringsapparatuur die voldoet aan de in het ontwerpkavelbesluit gestelde functionele eisen en beveiligingseisen. Bovendien heeft het beoogde onderzoek een reikwijdte en doelstelling die het belang van de vergunninghouder overstijgen. De Rijksoverheid is voornemens om het beoogde monitoringsonderzoek in de kavel ten aanzien van trekvogels en de effectiviteit van de daartoe opgelegde stilstandvoorziening op eigen initiatief te (laten) uitvoeren. De Rijksoverheid kan op die wijze borgen dat de data-inwinning voldoet aan alle criteria. De Rijksoverheid behoudt tevens regie over de datastromen en de beveiliging van apparatuur die op het MIVSP-netwerk wordt aangesloten. De Rijksoverheid zal in dit specifieke kader de kosten voor de aanschaf en het onderhoud van een vogeldetectiesysteem (met meerdere onderdelen) en andere monitoringsapparatuur voor zijn rekening nemen. Er is geen noodzaak tot aanschaf van aanvullende systemen door de vergunninghouder in dit specifieke kader. Wel zal deze onder meer de installatie en het onderhoud van de apparatuur – zonder financiële tegenprestatie – moeten faciliteren, gelet op de medewerkingsplicht uit voorschrift 4, derde lid, onderdelen b en c (nieuw) en voorschrift 5, eerste lid, van het kavelbesluit.
- – De in voorschrift 4, vierde lid, onderdelen e tot en met k, van het ontwerpkavelbesluit opgenomen monitoringsverplichting naar de aanwezigheid van vleermuizen is naar aanleiding van zienswijzen over de uitvoerbaarheid komen te vervallen. De toelichting in paragraaf 7.8.3 bij het kavelbesluit is hier ook op aangepast. Dit onderzoek zal ook niet door of namens de Rijksoverheid worden uitgevoerd. Het is aan de vergunninghouder om eventueel op eigen initiatief de aanwezigheid van vleermuizen te monitoren in het kader van het verkennen van optimalisatiemogelijkheden voor de stilstandvoorziening voor vleermuizen, die wel onverminderd van kracht blijft (voorschrift 4, vierde lid, onderdelen a tot en met d). De vergunninghouder draagt in dat geval zelf zorg voor de monitoringsapparatuur en een gedegen onderzoekskwaliteit. Om dit te borgen is het raadzaam dat de vergunninghouder over het monitoringsonderzoek naar vleermuizen tijdig in overleg treedt met het bevoegd gezag. Het blijft van belang dat de vergunninghouder aansluit bij werkwijzen van Wozep en MIVSP om te waarborgen dat monitoring effectief plaatsvindt. De onderzoeksresultaten zullen immers statistisch significant moeten zijn om ten grondslag te kunnen worden gelegd aan een eventuele toekomstige wijziging van het kavelbesluit.
- – In voorschrift 4, vijfde lid, onderdeel a, is naar aanleiding van een zienswijze het woord ‘volledig’ geschrapt aangezien het volledig voorkomen van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden, in de strikte zin van het woord, niet te garanderen is. Een depositie van 0,00 mol N/ha/jaar in de rekentool AERIUS is niet per definitie nihil. Overigens blijft de normering van maximaal 0,00 mol N/ha/jaar als opgenomen in onderdelen b en c van dat lid onverminderd van kracht.
- – Voorschrift 4, negende lid, onderdeel e, is naar aanleiding van een zienswijze aangepast. In deze bepaling werd in het ontwerpkavelbesluit abusievelijk geëist dat bij reddingsoperaties in of nabij de kavel het windpark geheel of gedeeltelijk kan worden belicht. Een windpark geheel verlichten is niet mogelijk omdat turbines ten minste de afstand van vier rotordiameters uit elkaar staan. Om die reden betreft de verplichting in het kavelbesluit enkel het gedeeltelijk verlichten van het windpark (het verlichten van turbines).
- – Voorschrift 4, tiende lid, onderdeel a, is ambtshalve aangepast om de reikwijdte van de incidentele stilstandvoorziening bij reparaties en onderhoud te verruimen. De stilstandvoorziening geldt ook bij de (uitzonderlijke) situatie dat reparatiewerkzaamheden plaatsvinden aan een (afgesloten) mijnbouwput. Dit is toegelicht in paragraaf 6.4.4.
- – Voorschrift 4, elfde lid, onderdeel a, is ambtshalve aangepast. De daarin opgenomen afstand is verruimd. Er mogen in beginsel geen bodemberoerende activiteiten worden verricht in een straal van 150 meter rond een (afgesloten) mijnbouwput in verband met de veiligheid en monitoringseisen. De verruiming naar 150 meter (was 100 meter in het ontwerpkavelbesluit) is gedaan uit voorzorg dat bij het eventueel falen van een putafsluiting voldoende ruimte is voor noodzakelijke herstelwerkzaamheden. In voorschrift 4, elfde lid, onderdeel b, is bovendien een extra voorwaarde gesteld aan een eventuele afwijking van de 150-meternorm. Afwijken is niet mogelijk zonder instemming van de beheerder van de mijnbouwput.
- – Voorschrift 5, eerste lid, onderdeel b, is ambtshalve aangepast om te verduidelijken dat de medewerkingsplicht ook geldt ten aanzien van de windturbineconstructies onder water (windturbinefunderingen en erosiebescherming).
- – In voorschrift 7 en in de daarbij horende begripsbepalingen in voorschrift 1 zijn mede naar aanleiding van zienswijzen aanpassingen gedaan. Het begrip ‘aansturing’ is vervangen door ‘operationele aansturing’ en een nieuwe definitie die niet langer aansluit bij artikel 26 van de Mededingingswet. Het begrip ‘economische veiligheid’ is vervangen door ‘nationale veiligheid’, waarbij in de definiëring is aangesloten bij artikel 1 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames. Het (aangepaste) voorschrift wordt toegelicht in paragraaf 6.17.3.
- – Er zijn in de toelichting en in verschillende voorschriften niet-inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd uit het oogpunt van een uniforme redactie.
- – In de toelichting bij het kavelbesluit zijn nadere duiding en andere ondergeschikte tekstuele wijzigingen doorgevoerd, in de hoofdstukken 2, 4, 6 en 7. Zie de nota van beantwoording van de zienswijzen voor meer details over deze wijzigingen.
- • een converterplatform op zee;
- • elektriciteitskabels van het platform door de zeebodem naar een converterstation op de Maasvlakte;
- • een kabelsysteem vanaf het converterstation op land naar een nieuw te bouwen hoogspanningsstation op de Maasvlakte.
- • windturbines, bestaande uit een mast, een gondel, rotorbladen en eventuele meetapparatuur;
- • een fundering van de windturbine, en een eventueel transitiestuk;
- • erosiebescherming;
- • bekabeling die de individuele windturbines verbindt en aansluit op een aansluitpunt (inter-array-kabels).
- • tiphoogte: bovenste stand van een individueel blad;
- • tiplaagte: laagste stand van een individueel blad;
- • rotordiameter;
- • aantal bladen per windturbine.
- • monopile: een stalen buis met een verschillende doorsnede afhankelijk van het gewicht van de windturbine en de grondsoort, waarop de turbine geplaatst wordt;
- • jacket: een open constructie die met vier piles in de bodem is verankerd;
- • tripod: een open constructie die met drie piles in de bodem is verankerd;
- • gravity based fundering: een betonnen voet bestaande uit een holle kegel die ter plaatse wordt afgezonken en op de bodem wordt geplaatst en gevuld wordt met zand;
- • suction bucket28Een suction bucket wordt geïnstalleerd door het op de zeebodem te plaatsen en vervolgens een pomp te activeren die water uit de bucket verwijdert, waardoor de bucket zich vastzuigt en in de bodem dringt. Bovenop de suction bucket wordt de turbinepaal gemonteerd.: een cilindrische constructie geplaatst onder een jacket waarvan de bovenkant is afgesloten;
- • na 12 jaar exploitatie;
- • na 24 jaar exploitatie;
- • 1 jaar voor start van de verwijdering van het windpark.
- – eigenschappen van het object;
- – kromming van de aarde (kimduiking);
- – visus van het menselijke oog;
- – meteorologische omstandigheden.
- – het ter beschikking stellen van een opstelpunt in de windturbine (binnen) voor apparatuur, waaronder netwerkapparatuur voor glasvezelcommunicatie naar het TenneT-platform,
- – het ter beschikking stellen van een veilig bereikbaar bevestigingspunt voor sensoren en apparatuur aan de windturbine (buiten),
- – het ter beschikking stellen van een bevestigingspunt voor sensoren en apparatuur aan de windturbinefundering en erosiebescherming,
- – het aanleggen van bekabeling tussen de apparatuur in de windturbine en sensoren en apparatuur aan de windturbine,
- – het leveren van voeding voor de sensoren en de apparatuur in en aan de windturbine,
- – het ter beschikking stellen van glasvezelinfrastructuur van windturbines naar het TenneT-platform,
- – het patchen van de glasvezelinfrastructuur naar de MIVSP-faciliteit.
- 1. De cumulatieve effecten op de relevante soorten worden primair in beeld gebracht in relatie tot de Zuidelijke Noordzee populaties77Bij het in beeld brengen van effecten op het niveau van biogeografische regio’s is om pragmatische redenen een studiegebied gedefinieerd voor vogels en vleermuizen; de Zuidelijke Noordzee. Bij deze keuze hebben vooral de karakteristieken van dit gebied en de functies die het heeft voor de relevante soorten een rol gespeeld. Het omvat nu de Zuidelijke Noordzee tussen 51°N (ongeveer Calais) tot aan 56°N (net ten noorden van het drielandenpunt aan de noordzijde van het NCP, en van de Britse oostkust tot aan de Europese continentale kustlijn (exclusief de Waddenzee en Zeeuwse stromen)., zodat een beeld wordt verkregen van het effect op de staat van instandhouding van de betreffende soorten.78In het geval van vogelsoorten waarvoor populatiemodellen zijn opgesteld, wordt in de ALI-systematiek gekeken naar zowel een nationaal als internationaal scenario. In het nationale scenario worden de cumulatieve effecten van Nederlandse windparken getoetst aan de Nederlandse vogelpopulatie in het Nederlands deel van de zuidelijke Noordzee. In het internationale scenario worden alle windparken in zuidelijke Noordzee meegenomen en getoetst tegen de internationale vogelpopulatie in de gehele zuidelijke Noordzee. In overeenstemming met deze aanpak is een analyse opgesteld met inbegrip van windparken in de gehele Zuidelijke Noordzee (ten behoeve van internationale cumulatie). Voor mariene diersoorten wordt deze beoordeling op populatieniveau tevens gebruikt om de mogelijke effecten op de aanwezige aantallen van de relevante soorten in Natura 2000-gebieden in beeld te brengen. Dit vanwege het feit dat mariene soorten een diffuse verspreiding kennen en hun migratiepatronen zich door de gehele Zuidelijke Noordzee uitstrekken. De aanwezigheid van deze soorten in Natura 2000-gebieden is in grote mate afhankelijk van de totale aantallen in de populatie.79Deze aanpak is voor de bruinvis ook onderschreven in de uitwerking van het bruinvisbeschermingsplan waarin is aangegeven dat bescherming van deze migrerende soort in alleen Natura 2000-gebieden onvoldoende is om de gunstige staat van instandhouding van deze soort te bereiken en te behouden. Daarom is een Noordzee-brede bescherming voor deze soort meer gepast.
- 2. In het KEC 4.0 is er voor een aantal vogelsoorten voor gekozen om de effecten in beeld te brengen aan de soortspecifieke ‘acceptable level of impact’ (ALI).80De ALI’s zijn geformuleerd als ‘de kans op een afname van X procent of meer ten opzichte van de onverstoorde populatie, dertig jaar na de aanleg, mag niet hoger zijn dan Y’. Hierin is X de grenswaarde waarboven een effect (afname) als ‘onwenselijk groot’ wordt geclassificeerd, en Y de maximaal acceptabele kans dat zo’n effect uit de categorie ‘onwenselijk’ zich toch voordoet. Voor het uitrekenen van de soort-specifieke waardes van X en Y worden matrix populatiemodellen gebruikt die voor elk afzonderlijke soort wordt ontwikkeld als onderdeel van het Kader Ecologie en Cumulatie 4.0. De ALI is een indicatieve norm voor het aantal exemplaren van een specifieke soort dat jaarlijks (bovenop de jaarlijkse sterfte en emigratie) aan de betreffende populatie onttrokken kan worden, zonder dat die populatie daardoor structureel achteruit zal gaan. Populatiekenmerken, de staat van instandhouding en beschikbare hoeveelheid kennis van de betreffende populatie zijn in deze maatstaf gebruikt. Zolang de ALI niet overschreden wordt, is de aanname dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de staat van instandhouding.81In het KEC 4.0 is aangegeven dat voor initiatieven in de nabijheid van Natura 2000-gebieden die voor sommige soorten wel een extra of speciale functie hebben (zoals bv. broedgebied voor zeegaande vogelsoorten als grote stern en kleine mantelmeeuw, rust-, rui- of zooggebied voor gewone en grijze zeehond, of ruigebied voor zeekoet) nog een locatiespecifieke toetsing dient plaats te vinden binnen de Wnb. Binnen deze toetsing, die heeft plaatsgevonden in de Passende beoordeling, dient te worden bepaald of de (cumulatieve) effecten van het initiatief afbreuk doen aan omvang, kwaliteit en draagkracht van de habitats en leefgebieden van soorten met instandhoudingsdoelstellingen binnen die Natura 2000-gebieden. In het KEC 4.0 is gebruik gemaakt van ‘werknormen’. Inmiddels zijn de ALI-normen geüpdatet vastgesteld.82https://www.noordzeeloket.nl/@281296/notitie-aanpassing-ali-normering/ Deze vastgestelde normen wijken voor sommige soorten af van de werknormen. Op basis van expert judgement is de norm voor enkele soorten strenger geworden en voor enkele soorten soepeler. De vastgestelde normen vormen het toetsingskader voor het bepalen van de aanvaardbaarheid van slachtoffers onder vogels in het MER bij dit kavelbesluit. Voor bruinvissen zijn de te verwachten effecten berekend met het Interim PCoD83Interim Population Consequences of Disturbance (Interim PCoD, versie 5.2). Het Interim PCoD model is een methode om te bepalen in welke mate verstoring van individuele dieren doorwerkt op de gehele populatie. populatiemodel en getoetst aan de doelstelling “het met grote zekerheid (95 procent) in stand houden van de Nederlandse bruinvispopulatie op minimaal 95 procent van de in 2016 vastgestelde omvang.”84Deze doelstelling is geformuleerd in het Bruinvisbeschermingsplan. Zie Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Updated Conservation Plan for the Harbour Porpoise Phocoena phocoena in the Netherlands, 2020.
- 3. In het KEC 4.0 is uitgegaan van een scenario van 15 MW windturbines voor de windparken die tussen 2025 en 2030 worden gebouwd. Windturbines met een lage capaciteit zijn (per eenheid opgewekte energie) schadelijker voor verschillende (lokaal verblijvende) zeevogelsoorten, vleermuizen en zeezoogdieren dan de meest vermogende turbines. Hoewel de laatste in omvang groter en als zodanig schadelijker zijn, is voor het totaaleffect op de ecologie in positieve zin bepalend dat er veel minder van geplaatst hoeven te worden om eenzelfde energieopbrengst en bijdrage aan de energiedoelen te behalen. Naar verwachting zal het vermogen van windturbines in de toekomst verder toenemen. Wanneer met het gehanteerde worst case scenario geen negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden of de staat van instandhouding van beschermde soorten is geconstateerd, zullen de effecten bij grotere (en daarmee in aantal minder) windturbines per saldo afnemen.
- – Een bovengrens van het aantal te plaatsen windturbines, te weten 134.
- – Een stilstandvoorziening voor het verminderen van aanvaringsslachtoffers onder vogels tijdens seizoensmigratie op basis van een vogelvoorspellingsmodel.
- – Een stilstandvoorziening voor het verminderen van aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen in de (najaars)periode waarin vleermuizen migreren.
- – Een voorziening waarbij de geluidsproductie tijdens het heien wordt begrensd tot een maximale waarde. Naast de onderwatergeluidsnormering dient gebruik gemaakt te worden van een ‘soft/slow start’ procedure waarbij hei-energie en frequentie van slagen langzaam worden opgevoerd om zeezoogdieren te verjagen.
- • Vogels tijdens het trekseizoen;
- • Lokaal verblijvende niet-broedvogels;
- • Vogels uit (kolonies in) beschermde Natura 2000-gebieden die het plangebied kunnen bereiken.
- – De funderinglocatie;
- – De datum en het tijdstip van het funderen (begin- en eindtijd);
- – De SELss (in het geval van impulsgeluid) of SPL103SPL=sound pressure level. (in het geval van continugeluid);
- – De maximum hoeveelheid energie;
- – Het type funderingstechniek;
- – Mitigerende maatregelen ten behoeve van geluidsafscherming, voor zover deze worden gebruikt.