Bijlage III Kavelbesluit kavel Alpha windenergiegebied IJmuiden Ver: voorschriften
Kavelbesluit kavel Alpha windenergiegebied IJmuiden Ver
In dit besluit wordt verstaan onder: De vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Wet windenergie op zee wordt verleend voor een termijn van 40 jaar. De vergunninghouder verwijdert het windpark uiterlijk twee jaar nadat de exploitatie is gestaakt, doch uiterlijk binnen de looptijd van de vergunning.
- • akoestisch(e) afschrikmiddel(en): apparaat waarmee door middel van een geluidssignaal zeezoogdieren en vissen worden verjaagd;
- • ashoogte: de hoogte van het middelpunt van de rotoras, waaraan de rotorbladen van de windturbine zijn bevestigd, ten opzichte van het zeeniveau;
- • cut-in windspeed: de laagste windsnelheid waarbij de windturbine energie gaat leveren;
- • cybersecurity: alle beveiligingsmaatregelen die men neemt om schade te voorkomen door een storing, uitval of misbruik van een informatiesysteem of computer;
- • dB re 1µPa2s: eenheid voor SELss;
- • derde partij (ingeschakeld door de vergunninghouder): een rechtspersoon anders dan de vergunninghouder die het windpark operationeel kan aansturen;
- • geluidsniveau: het over de frequentiebanden gesommeerde bronniveau;
- • geïnstalleerd vermogen: het maximale elektrische vermogen, ook wel bekend als 'rated power', waartoe een windturbine is ontworpen om onder normale condities benut te kunnen worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, zoals ook kan worden vastgesteld door onafhankelijke certificerende partijen;
- • funderen: het plaatsen van een fundering, waarbij sprake is van geluidsemissies die een impulsachtig of een continu/gelijkmatig karakter hebben;
- • funderingsplan: plan waarin de vergunninghouder onder meer uiteenzet op welke wijze de funderingen worden geplaatst, welke geluidsbeperkende maatregelen worden genomen en op welke wijze het geluidsniveau wordt gemeten en gerapporteerd;
- • migratieperiode (voorjaar – vogels):vogeltrek in de periode van 15 februari tot en met 31 mei;
- • migratieperiode (najaar – vogels): vogeltrek in de periode 15 augustus tot en met 30 november;
- • mijnbouwput: boorgat;
- • MIVSP: Maritieme Informatievoorziening Servicepunt;
- • MSL (Mean Sea Level): de gemiddelde hoogte van de zeespiegel (het vlak van de zee), als alle variaties die het gevolg zijn van de getijden worden weggemiddeld;
- • nacht: de periode tussen 18:00 uur in de avond tot 06:00 uur in de ochtend, volgens de Midden-Europese Tijd;
- • nationale veiligheid: nationale veiligheid zoals bedoel in artikel 1 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet Vifo);
- • operationele aansturing: het feitelijk bepalen en van dag tot dag regelen van het functioneren van het windpark ten aanzien van het kunnen beïnvloeden van ten minste een cumulatief nominaal vermogen van 100 MW;
- • rotordiameter: de diameter van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen van de windturbine wordt bestreken;
- • rotoroppervlak: het oppervlak van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen van de windturbine wordt bestreken;
- • SELsss: Sound Exposure Level (single strike);
- • tiphoogte: de ashoogte plus de halve rotordiameter;
- • tiplaagte: de ashoogte min de halve rotordiameter;
- • UXO-onderzoek: onderzoek naar de aanwezigheid van niet ontplofte munitie in de zeebodem;
- • vergunninghouder: houder van een vergunning op grond van artikel 12 van de Wet windenergie op zee;
- • voorspelde massale vogeltrek: een korte tijdspanne tijdens migratieperiodes in de nacht waarop de omstandigheden zodanig zijn dat er sprake is van een voorspelde piek in de verplaatsing van het aantal trekvogels, gebaseerd op het voorspellingsmodel;
- • voorspellingsmodel: een door of namens de Rijksoverheid te beheren model dat een signaal afgeeft wanneer massale vogeltrek wordt voorspeld.
- 1. Het windpark wordt geplaatst binnen de contour met de volgende coördinaten: De kaarten met de ligging van kavel Alpha zijn als bijlage bij dit lid opgenomen in deel IV van dit besluit.
- 2. Het tracé van de aansluitverbinding naar het TenneT-platform IJmuiden Ver (Alpha) ligt binnen de volgende coördinaten:
- 3. Er worden geen windturbines geplaatst in de onderhoudszones van pijpleidingen en telecomkabels. Deze zones worden begrensd door de punten in onderstaande tabel, die ook zijn weergegeven op de kaart die in deel IV van dit besluit als bijlage bij dit lid is opgenomen.
- 4. De rotorbladen van de windturbines blijven volledig binnen de in het eerste lid genoemde contour en volledig buiten de in het derde lid van dit voorschrift genoemde onderhoudszones.
- 1. Het windpark bestaat uit windturbines, funderingen, erosiebescherming en bekabeling tot het aansluitpunt.
- 2. Het aantal op te richten windturbines is ten hoogste 134.
- 3. In het windpark worden windturbines geplaatst met, per windturbine, een geïnstalleerd vermogen van ten minste 15 MW.
- 4. De afstand tussen de windturbines bedraagt ten minste vier maal de rotordiameter.
- 5. De tiplaagte is ten minste 25 meter boven MSL.
- 6. De tiphoogte is ten hoogste 305 meter boven MSL.
- 7. Het totale rotoroppervlak is maximaal 7.081.150 m2.
- 8. Turbines worden aangesloten op het TenneT-platform IJmuiden Ver (Alpha). Onverminderd andere voorschriften, is het vermogen dat uit technisch oogpunt maximaal kan worden aangesloten 2,3 GW.
- 9. De toegestane funderingen voor de windturbines zijn: Indien de vergunninghouder een fundering wil toepassen die niet in dit lid is genoemd, dient in het funderingsplan door een ter zake deskundige te zijn aangetoond dat de milieueffecten, in het bijzonder op het aspect onderwaterleven, niet negatiever zijn dan in het MER is bepaald voor de onderzochte bandbreedte.
- – monopile;
- – tripod;
- – jacket;
- – gravity based;
- – suction bucket.
- 10. Als opofferingsanodes gebruikt worden als kathodische bescherming van stalen constructies, bestaan deze uit legeringen van aluminium of magnesium. De legeringen mogen kleine hoeveelheden (<5 gewichtsprocent) andere metalen bevatten.
- 1. Maatregelen ter voorkoming van permanente fysieke effecten bij bruinvissen en zeehonden en mortaliteit van vissen.
- a) Heiwerkzaamheden vangen aan met een lage hei-energie en verlengde intervallen tussen slagen. De duur en het vermogen van de lage hei-energie dient zodanig te zijn dat bruinvissen de gelegenheid hebben om naar een veilige locatie te zwemmen. De vergunninghouder onderbouwt in het funderingsplan genoemd in het tweede lid, onderdeel d, duur en vermogen van de lage hei-energie.
- b) Indien sprake is van een andere installatietechniek dan heien, maakt de vergunninghouder gebruik van een of meer op de relevante frequenties afgesteld(e) akoestisch(e) afschrikmiddel(en) gedurende een half uur voor het begin van de werkzaamheden, alsmede gedurende de eerste vijf minuten van de werkzaamheden. Deze procedure wordt herhaald indien de werkzaamheden gedurende een uur of langer onderbroken zijn. De vergunninghouder motiveert in het funderingsplan bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, welk(e) type(n) afschrikmiddel(en) gebruikt zal of zullen worden, waarbij hij ingaat op de effectiviteit van het of de gekozen type(n).
- c) De vergunninghouder kan van het bepaalde in onderdeel b van dit lid afwijken in het geval de in dat onderdeel bedoelde middelen meer geluid produceren dan de te hanteren installatietechniek en/of een ter zake deskundige in het funderingsplan motiveert dat de maatregel als zodanig niet bijdraagt aan het voorkomen van permanente effecten op het gehoor van bruinvissen.
- 2. Maatregelen ter voorkoming van verstoring van bruinvissen, zeehonden en vissen bij de aanleg van het windpark (onderwatergeluidsnormering)
- a) Het geluidsniveau onder water als gevolg van impulsgeluid bij de aanleg van het windpark bedraagt maximaal 164 dB re 1 μPa2s SELsss (op 750 meter van de geluidsbron), behoudens het bepaalde in onderdelen b en f van dit lid.
- b) De vergunninghouder mag bij de eerste tien funderingen de in onderdeel a van dit lid vermelde geluidsnorm overschrijden met maximaal 2 dB re 1 μPa2s SELsss (op 750 meter van de geluidsbron).
- c) Bij toepassing van een techniek die geen impulsgeluid veroorzaakt bedraagt het aantal bruinvisverstoringsdagen ten hoogste 117.000.
- d) De vergunninghouder stelt een funderingsplan op en dient dat uiterlijk acht weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister voor Klimaat en Energie.
- e) In het geval (mede) gebruik wordt gemaakt van een techniek die geen impulsgeluid veroorzaakt bevat het funderingsplan een berekening van het aantal bruinvisverstoringsdagen door een ter zake deskundige, waaruit volgt dat wordt gehandeld in overeenstemming met onderdeel c van dit lid.
- f) In het funderingsplan kan de vergunninghouder voor test- en onderzoeksdoeleinden passend binnen de wet- en regelgeving en met een openbaar belang afwijken van de geluidsnorm als bedoeld in onderdeel a van dit lid. De afwijking is beperkt tot het voor de proef strikt noodzakelijke en geldt voor ten hoogste drie funderingen, en maximaal 25 minuten per fundering. De vergunninghouder motiveert de afwijking in het funderingsplan. De motivering bevat ten minste:
- – nut en noodzaak van de afwijking;
- – een beschrijving van de te hanteren techniek en middelen;
- – het voorziene geluidsniveau, de voorziene duur van de normoverschrijding in de onderscheidende fasen van het heiproces en het voorziene aantal bruinvisverstoringsdagen;
- – een beschrijving van de maatregelen om het geluidsniveau zoveel mogelijk te beperken;
- – de wijze van monitoring en verwerking van onderzoeksresultaten;
- – de termijn waarbinnen de onderzoeksresultaten worden gedeeld met de Minister voor Klimaat en Energie.
- g) De vergunninghouder voert de werkzaamheden uit conform het funderingsplan.
- h) De vergunninghouder spant zich in om de verstoring van bruinvissen zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te beperken en in een zo kort mogelijke aaneengesloten periode onderwatergeluid te produceren.
- i) Het geluidsniveau dient tijdens het funderen door de vergunninghouder continu gemeten te worden. De geluidsmetingen worden per fundering, uiterlijk 48 uur na de afronding van het plaatsen van de fundering, doorgestuurd naar de Minister voor Klimaat en Energie. Daarnaast deelt de vergunninghouder de meetgegevens na afronding van alle funderingswerkzaamheden met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat ten behoeve van internationale rapportageverplichtingen.
- j) Wanneer in het geval van heien na achtereenvolgende geluidsmetingen blijkt dat het geluidsniveau onder water tijdens het funderen de in onderdeel a van dit lid vermelde geluidsnorm niet overschrijdt, kan de vergunninghouder de Minister voor Klimaat en Energie verzoeken toe te staan dat de frequentie van de geluidsmetingen wordt verlaagd.
- 3. Maatregelen ter beperking van aanvaringsslachtoffers onder vogels op rotorhoogte gedurende migratieperiodes.
- a) Tijdens migratieperiodes brengt de vergunninghouder het aantal rotaties per minuut per windturbine terug tot minder dan twee tijdens het tijdvak in de nacht waarin sprake is van voorspelde massale vogeltrek.
- b) Het in onderdeel a van dit lid bedoelde tijdvak waarin sprake is van voorspelde massale vogeltrek wordt bij besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei vastgesteld. De Minister van Klimaat en Groene Groei baseert het besluit op het signaal van het voorspellingsmodel. De Minister van Klimaat en Groene Groei betrekt bij het besluit een advies van de landelijk netbeheerder en kan een advies van vogeldeskundigen betrekken. Het besluit wordt op een zodanig moment bekend gemaakt dat de vergunninghouder redelijkerwijs kan voldoen aan onderdeel a van dit lid.
- c) De vergunninghouder is verplicht zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan de plaatsing en installatie van apparatuur op, in of aan de door de Minister van Klimaat en Groene Groei aan te wijzen turbines ter uitvoering van de maatregel zoals bedoeld in onderdeel a van dit lid. Dit betreft mede het ter beschikking stellen van bevestigingsconstructies aan de aangewezen turbines. Voor de plaatsing en installatie van de apparatuur zal een overeenkomst worden gesloten met de vergunninghouder, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de operationele werkzaamheden in het windpark.
- d) De vergunninghouder is verplicht zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan toegang ten behoeve van het beheer en onderhoud van de apparatuur zoals bedoeld in onderdeel c van dit lid. Voor het beheer en onderhoud van de apparatuur zal een overeenkomst worden gesloten met de vergunninghouder, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de operationele werkzaamheden in het windpark.
- e) De in onderdeel a van dit lid bedoelde tijdvakken zullen in totaal niet meer dan 60 uur per jaar betreffen, gerekend van najaar tot najaar.
- f) De Minister van Klimaat en Groene Groei evalueert periodiek de in dit lid bedoelde stilstandsvoorziening.
- 4. Maatregelen voor het voorkomen van aanvaringsslachtoffers van vleermuizen op rotorhoogte.
- a) In de periode tussen zonsondergang en zonsopkomst van de dagen met dagnummers als aangegeven in de onderstaande tabel, is de cut-in-windspeed op ashoogte van de windturbines aangepast, en bedraagt deze zoals weergegeven in de tabel.
- b) Bij een windsnelheid lager dan de aangepaste cut-in-windspeed, bedoeld in onderdeel a van dit lid, brengt de vergunninghouder in de periode tussen zonsondergang en zonsopkomst, bedoeld in onderdeel a van dit lid, het aantal rotaties per minuut per windturbine omlaag tot minder dan één.
- c) Metingen van windsnelheid en berekeningen van zonsondergang en zonsopkomst worden per windturbine uitgevoerd, met (voor metingen) tijdsintervallen van ten hoogste twintig minuten, waarbij telkens de laatste tijdsinterval-meting bepalend is voor de toepassing van de maatregelen als bedoeld in onderdelen a en b van dit lid.
- d) De vergunninghouder geeft binnen twee maanden na afloop van de periode, bedoeld in onderdeel a van dit lid, in een rapportage naar de Minister voor Klimaat en Energie aan op welke wijze aan de onderdelen a, b en c van dit lid uitvoering is gegeven.
- 5. Maatregelen ter voorkoming van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.
- a) Bij het verrichten van aanleg, beheer-, onderhoud- en verwijderingswerkzaamheden worden stikstofdeposities in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden voorkomen.
- b) De vergunninghouder geeft in een plan van aanpak aan welke werk- en vaartuigen voor aanleg-, beheer- en onderhoudswerkzaamheden van het windpark worden ingezet. De vergunninghouder toont middels een bijgevoegde berekening aan de hand van een bij of krachtens de Wet natuurbescherming voorgeschreven rekenmodel voor de aanlegfase en een bijgevoegde berekening op basis van het hiervoor genoemde rekenmodel voor de beheer- en onderhoudsfase aan dat de stikstofdepositie in de stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden als gevolg van de inzet van werk- en vaartuigen overeenkomstig het plan van aanpak in deze afzonderlijke fasen niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt.
- c) De vergunninghouder geeft in een plan van aanpak aan welke werk- en vaartuigen voor de verwijdering van het windpark worden ingezet. De vergunninghouder toont middels een bijgevoegde berekening aan de hand van een bij of krachtens de Wet natuurbescherming voorgeschreven rekenmodel voor de verwijderingsfase aan dat de stikstofdepositie in de stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden als gevolg van de inzet van werk- en vaartuigen overeenkomstig het plan van aanpak in deze fase niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt.
- d) De vergunninghouder legt het in onderdeel b van dit lid genoemde plan van aanpak uiterlijk acht weken voorafgaand aan de start van de bouw van het windpark ter beoordeling voor aan de Minister voor Klimaat en Energie.
- e) De vergunninghouder legt het in onderdeel c van dit lid genoemde plan van aanpak uiterlijk acht weken voorafgaand aan de start van de verwijdering van het windpark ter beoordeling voor aan de Minister voor Klimaat en Energie.
- f) De vergunninghouder voert de werkzaamheden uit in overeenstemming met de in de onderdeel b en c van dit lid opgestelde plannen.
- 6. Maatregelen ter beperking van de verstoring van zeehonden en vogels tijdens constructie- en onderhoudswerkzaamheden.
- a) Bij transport per schip van en naar de kavel houdt de vergunninghouder rekening met de aanwezigheid van zeehonden op de aanwezige platen en in de aangewezen rustgebieden alsmede met aanwezige vogelconcentraties. Hierbij worden maatregelen uit het Beheerplan Voordelta, het Beheerplan Deltawateren, het Beheerplan Waddenzee en het Beheerplan Noordzeekustzone in acht genomen. De maatregelen zijn als bijlage bij dit lid opgenomen in deel IV van dit besluit.
- b) Dit lid vervalt op het moment dat in het Beheerplan Voordelta, het Beheerplan Deltawateren, het Beheerplan Waddenzee en het Beheerplan Noordzeekustzone het transport per schip van en naar de kavel, bedoeld in onderdeel a van dit lid, is opgenomen als handeling overeenkomstig het beheerplan.
- 7. Maatregelen ter vergroting van het geschikte habitat voor van nature in de Noordzee voortkomende soorten.
- a) Als stenen of andere materialen gebruikt worden als erosiebescherming rondom de windturbinefundering, dan dient bij minimaal 20 procent van alle windturbines het geheel van de bovenste gradatie van de erosiebescherming zo te worden ontworpen dat geen beweging plaatsvindt bij stormcondities met een herhalingsperiode van één jaar.
- b) De in onderdeel a van dit lid genoemde bovenste gradatie van de erosiebescherming dient minimaal twee spleten of holtes per vierkante meter oppervlak te bevatten van minimaal 10 tot maximaal 30 centimeter in diameter en minimaal 20 tot maximaal 50 centimeter diep. Het ontwerp is zodanig dat sedimentatie in de holtes wordt geminimaliseerd.
- c) Onverminderd het in onderdeel a van dit lid bepaalde, mag de verplichting in onderdeel b van dit lid op een alternatieve wijze worden ingevuld door op of in de in onderdeel a genoemde bovenste gradatie van de erosiebescherming zes kunstmatige structuren per windturbine te installeren. Deze structuren dienen stabiel op de erosiebescherming te staan of daarin (gedeeltelijk) te zijn ingebed en dienen zich te bevinden buiten de door de windturbinepaal in de dominante stromingsrichting gecreëerde turbulentie. Het ontwerp is zodanig dat sedimentatie in de holtes wordt geminimaliseerd.
- d) Van de in onderdeel c van dit lid bedoelde kunstmatige structuren zijn (combinaties van) de volgende structuren toegestaan:
- – buizen, geheel cilindervormig of met een hexagonale buitenzijde en een cilindervormige binnenzijde, met zowel een lengte als diameter van minimaal 100 cm. Daarbij dient steeds een van de buisuiteinden te allen tijde toegankelijk te zijn, en is een buis aan de bovenzijde voorzien van minimaal vier gaten van minimaal 15 en maximaal 30 cm per meter om wateruitwisseling te garanderen.
- – bol- of kubusvormige structuren met een binnendiameter van minimaal 100 cm en toegankelijk door minimaal 6 en maximaal 15 openingen met een diameter variërend van 15 tot 50 cm;
- – overige structuren die minimaal 6 afzonderlijke holtes bevatten met de volgende dimensies: minimaal 10 tot maximaal 30 centimeter diameter en minimaal 20 tot maximaal 50 centimeter diepte.
- e) Onverminderd het in onderdelen a en c van dit lid bepaalde, mogen andere dan de in onderdeel d van dit lid aangegeven (combinaties van) kunstmatige structuren worden geïnstalleerd. De afmetingen van holtes en openingen en de aantallen openingen van deze structuren dienen zodanig te zijn, dat de structuren op vergelijkbare wijze een habitat bieden aan de beoogde soorten als de in onderdeel d aangegeven structuren. Daarbij dient de vergunninghouder ook te voorzien in een locatiespecifiek monitoringsprogramma om de effecten van de maatregelen te kunnen vaststellen.
- f) De vergunninghouder stelt een plan van aanpak op voor de te nemen maatregelen en dient dat uiterlijk acht weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister voor Klimaat en Energie.
- g) De werkzaamheden worden uitgevoerd conform het plan als bedoeld in onderdeel f van dit lid.
- 8. Maatregelen ter bescherming van archeologie en cultuurhistorie.
- a) De vergunninghouder verricht geen bodemberoerende activiteiten binnen een straal van 100 meter van de 12 locaties met mogelijk archeologisch waardevolle objecten en de 261 begraven ijzerhoudende objecten die in de bijlage bij dit lid in deel IV van dit besluit vermeld zijn. Overdraai van rotorbladen is wel toegestaan.
- b) Van onderdeel a van dit lid kan worden afgeweken indien de 12 locaties met mogelijk archeologisch waardevolle objecten bedoeld in onderdeel a van dit lid met een straal van 100 meter niet gemeden kunnen worden voor de uitvoering van bodemberoerende activiteiten, en voorafgaand een nader Inventariserend Veldonderzoek (IVO) (verkennend onderwateronderzoek) is verricht voor deze locaties naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische monumenten. Dit onderzoek dient volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Waterbodems te worden uitgevoerd.
- c) Van onderdeel a van dit lid kan worden afgeweken indien de 261 begraven ijzerhoudende objecten bedoeld in onderdeel a van dit lid met een straal van 100 meter niet gemeden kunnen worden voor de uitvoering van bodemberoerende activiteiten, en het UXO-onderzoek ter plekke archeologisch wordt begeleid. Deze begeleiding dient volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Waterbodems te worden uitgevoerd.
- d) De resultaten van de in onderdelen b en c van dit lid genoemde onderzoeken wordt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan de start van de bouw van het windpark voorgelegd aan de Minister voor Klimaat en Energie.
- e) Afhankelijk van de conclusies uit de in onderdelen b en c van dit lid genoemde onderzoeken:
- – kunnen de werkzaamheden ongewijzigd doorgang vinden;
- – is een vervolgonderzoek nodig;
- – worden fysieke maatregelen getroffen ter bescherming van archeologische vindplaatsen;
- – worden vindplaatsen definitief uitgesloten van ingrepen met inachtneming van een bufferzone; of,
- – worden de werkzaamheden archeologisch begeleid.
- f) De vergunninghouder stelt een plan op waarin wordt uiteengezet op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de eisen voortvloeiend uit dit lid en artikel 6.16f van het Waterbesluit, en dient dat uiterlijk drie maanden voorafgaand aan de start van de bouw in bij de Minister voor Klimaat en Energie.
- 9. Maatregelen ter beperking van hinder door verlichting en het bevorderen van de veiligheid voor zeevarenden.
- a) Aeronautische obstakellichten op het hoogste vaste punt op alle windturbines zijn vastbrandende (niet-flitsende) rode lichten.
- b) Alle windturbines zijn voorzien van nautische herkenningstekens die indirect zijn verlicht met een eigen lichtbron van lage lichtsterkte. De herkenningstekens zijn met intervallen van 120 graden gepositioneerd op het transitiestuk of de mast. De identificatiecodes zijn duidelijk leesbaar vanaf een positie op 3 meter boven MSL en ten minste 150 meter afstand van de windturbine.
- c) Onverminderd het bepaalde in onderdelen a en b van dit lid, en in afwijking van artikel 6.16h, tweede lid, van het Waterbesluit, stelt de vergunninghouder het verlichtingsplan, bedoeld in artikel 6.16d, eerste lid, onderdeel d, van het Waterbesluit, op in overeenstemming met het informatieblad ‘Aanduiding offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ en de IALA-richtlijn G1162.
- d) De vergunninghouder houdt in het verlichtingsplan, bedoeld in artikel 6.16d, eerste lid, onderdeel d, van het Waterbesluit, rekening met eisen die voortvloeien uit veiligheidsonderzoeken in het kader van helikoptervluchten van en naar de converterplatforms van TenneT.
- e) Op aanwijzing van de Minister voor Klimaat en Energie of de Kustwacht wordt het windpark (deels) verlicht in het geval van een reddingsoperatie in of in de directe omgeving van het windpark.
- 10. Maatregel ter bevordering van de veiligheid bij reparaties en onderhoud aan kabels, leidingen en mijnbouwputten.
- a) Tijdens reparaties en onderhoud van kabels en leidingen, en reparaties aan (afgesloten) mijnbouwputten, wordt op aanwijzing van de minister voor Klimaat en Energie het aantal rotaties per minuut per windturbine van de windturbines die zich in een straal van 1.000 meter van de reparatie- en onderhoudslocatie bevinden, tot minder dan twee teruggebracht.
- 11. Maatregelen ter bescherming van (afgesloten) mijnbouwputten.
- a) De vergunninghouder verricht geen bodemberoerende activiteiten binnen een straal van 150 meter van de mijnbouwputlocaties vermeld in de bijlage bij dit lid in deel IV van dit besluit. Overdraai van rotorbladen is wel toegestaan.
- b) Van onderdeel a van dit lid kan worden afgeweken indien een (afgesloten) mijnbouwput niet met een afstand van 150 meter gemeden kan worden voor de uitvoering van bodemberoerende activiteiten, en voorafgaand met een nader onderzoek en met instemming van de beheerder van de mijnbouwput is aangetoond dat geen veiligheidsrisico’s kunnen optreden.
- c) Resultaten van het in onderdeel b van dit lid genoemde onderzoek worden uiterlijk drie maanden voorafgaand aan de start van de bouw van het windpark voorgelegd aan de Minister voor Klimaat en Energie.
- 1. Medewerkingsplicht ten aanzien van onderzoek alsmede de installatie, het beheer en het onderhoud van apparatuur en sensoren in het windpark in opdracht van de Rijksoverheid
- a) Onverminderd het bepaalde in voorschrift 4, derde lid, onderdeel c, is de vergunninghouder verplicht zonder financiële tegenprestatie mee te werken aan het ontwerp, de installatie, het beheer en het onderhoud van sensoren en apparatuur in het windpark door of namens de Rijksoverheid in het kader van de publieke takenuitoefening op de volgende aspecten:
- – digitale connectiviteit,
- – ecologie,
- – hydro/meteo-informatie,
- – maritieme security,
- – scheepvaart- en luchtvaartveiligheid.
- b) De verplichtingen bedoeld in onderdeel a van dit lid kunnen onder meer betreffen:
- – het ter beschikking stellen van een MIVSP-opstelpunt in de windturbine (binnen) voor apparatuur, waaronder netwerkapparatuur voor glasvezelcommunicatie naar het TenneT-platform,
- – het ter beschikking stellen van een veilig bereikbaar bevestigingspunt voor sensoren en apparatuur aan de windturbine (buiten),
- – het ter beschikking stellen van een bevestigingspunt voor sensoren en apparatuur aan de windturbinefundering en erosiebescherming,
- – het aanleggen van bekabeling tussen de apparatuur in de windturbine en sensoren en apparatuur aan de windturbine,
- – het leveren van voeding voor de sensoren en de apparatuur in en aan de windturbine,
- – het ter beschikking stellen van glasvezelinfrastructuur van windturbines naar het TenneT-platform,
- – het patchen van de glasvezelinfrastructuur naar de MIVSP-faciliteit.
- c) Onverminderd het bepaalde in voorschrift 4, derde lid, onderdeel d, is de vergunninghouder verplicht zonder financiële tegenprestatie, al dan niet met vaartuigen beschikbaar gesteld door de vergunninghouder, mee te werken aan het tijdig verlenen van toegang tot alle onderdelen van het windpark aan personen die namens de Rijksoverheid taken en werkzaamheden verrichten in het kader van de aspecten genoemd in onderdeel a van dit lid en daaraan gerelateerde onderzoekswerkzaamheden.
- 1. De entiteit die het windpark operationeel aanstuurt, te weten de vergunninghouder dan wel een door hem ingeschakelde derde partij, is gevestigd in de EU.
- 2. De vergunninghouder deelt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan de bouw van het windpark een strategie met de componenten cybersecurity, nationale veiligheid en fysieke weerbaarheid met de Minister voor Klimaat en Energie. De strategie omvat zowel de ontwikkel- als de exploitatiefase en vermeldt welke risico’s beheerd worden en welke hij buiten scope plaatst.
- 3. De strategie bedoeld in het tweede lid bevat het volgende:
- a) De belangrijkste securityrisico’s, op basis van een uiteenzetting van:
- – de continuïteit en integriteit van het aansturen van het windpark (hierna: belangen);
- – de dreigingen waartegen de belangen moeten worden beschermd, waaronder de dreigingen afkomstig van statelijke actoren;
- – de mate waarin de te beschermen belangen bestand zijn tegen de dreigingen, de zogenoemde weerbaarheid.
- b) De te treffen maatregelen om de weerbaarheid op een passend niveau te krijgen en te houden gedurende de gehele exploitatie.
- c) Een beschrijving van de high level architectuur van de gehele IT/OT-omgeving.
- d) Een beschrijving van de fysieke beveiliging.
- e) De volgende onderwerpen aan de hand van de norm ISO/IEC27001 of IEC62443:
- – Opzet Information Security functie binnen organisatie, inclusief de manier waarop hier wordt gecontroleerd.
- – Eisen aan personeel zoals screening, kennis en kunde.
- – Omschrijving van de beheerprocessen in relatie tot (cyber)security met:
- • asset management,
- • risk management,
- • vulnerability management,
- • incident detection, response en recovery,
- • business continuity management,
- • identiteits- en toegangsbeheer in het fysieke en cyberdomein,
- • back-up en restore,
- • oefenstructuur met realistische scenario’s.
- – De risico’s in de toeleveringsketen (supply chain risk management);
- – De wijze waarop wordt voldaan aan de toepasselijke wet- en regelgeving en sectorale richtlijnen op het gebied van (cyber) security;
- – Een beschrijving van ervaring en de aanpak met betrekking tot het ontvangen en delen van securityinformatie en -kennis.
- 4. De vergunninghouder deelt elke vijf jaar een actuele versie van de strategie bedoeld in het tweede lid met de Minister voor Klimaat en Energie.
- 1. Uiterlijk op het moment dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) bewijs heeft ontvangen dat Garanties van Oorsprong (GvO) zijn afgegeven over de geleverde stroom stelt de vergunninghouder zich garant door middel van een bankgarantie aan de Staat voor een bedrag van € 120.000 per geïnstalleerde MW ten bate van de verwijdering van het windpark.
- 2. De vergunninghouder verhoogt het in het eerste lid genoemde bedrag jaarlijks met 2 procent als gevolg van indexatie gedurende een periode van twaalf jaar na afgifte van de bankgarantie.
- 3. Na een periode van twaalf jaar exploitatie, 24 jaar exploitatie en één jaar voor het tijdstip van verwijdering kan de Minister voor Klimaat en Energie zowel het bedrag genoemd in het eerste lid als de indexatie daarvan opnieuw vaststellen.