Bijlage 2 Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2024: specifieke criteria voor het bepalen van het passende zorgprofiel
Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2024
Deze bijlage bevat een verduidelijking van de indicatiecriteria voor een aantal zorgprofielen. Bij een aanvraag voor zorgprofiel ‘beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op begeleiding’ is inzicht nodig in het gevolgde behandelbeleid van de ernstige gedragsproblemen. Het gaat om mensen met bijvoorbeeld een ernstige mate van dementie, syndroom van Korsakov, ernstig en blijvend niet aangeboren hersenletsel, ouderen met complexe lichamelijke problematiek in combinatie met actieve psychiatrie en ouderen met doofblindheid op latere leeftijd in combinatie met ernstige gedragsproblemen. Hierbij valt te denken aan o.a. agitatie, agressie, claimend gedrag, ontremming, zwerfgedrag, extreem teruggetrokken gedrag en apathie. Bij personen met psychogeriatrische problematiek beoordelen we aan de hand van de actuele medische informatie en een behandelplan opgesteld door een ter zake kundige behandelaar38Specialist ouderengeneeskunde, GZ-psycholoog, orthopedagoog-generalist, geriater, psychiater.: De richtlijn “Probleemgedrag bij mensen met dementie” van Verenso (2018)39Verenso, Richtlijn Probleemgedrag bij mensen met dementie (2018) of de “Richtlijn behandeling van neuropsychiatrische gevolgen bij niet-aangeboren hersenletsel”40Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, Richtlijn behandeling van neuropsychiatrische gevolgen van niet-aangeboren hersenletsel 2007 kunnen hierbij een goed referentiekader zijn. Pas daarna kunnen we beoordelen of dit het bij deze persoon bestpassende zorgprofiel is. Bij personen met gerontopsychiatrische, neuropsychiatrische of aanverwante aandoeningen kunnen de gedragsproblemen inherent zijn aan de onderliggende ziekte/aandoening41Voorbeelden (niet limitatief) syndroom van Korsakov, fronto-temporale dementie (FTD) of naast de psychogeriatrie psychiatrische ziektebeelden die gepaard gaan met gedragsproblemen zoals angststoornis of borderline persoonlijkheidsstoornis et cetera. en heeft gedragstherapie,
- • De aard en de ernst van het probleemgedrag (frequentie en mate): om welk gedrag gaat het en hoe vaak komt het voor? Wat is de impact van het probleemgedrag voor de persoon zelf en voor zijn omgeving?
- • De analyse van het probleemgedrag: waar wordt het door veroorzaakt?
- • De (vormen van) behandeling die is (zijn) gegeven of momenteel worden ingezet
- • De effecten van de behandeling op het probleemgedrag (evaluatie, bijstelling behandeling)
- • Prognose
- • die medisch specialistische diagnostiek/interventie hebben gehad (meestal tijdens een opname in het ziekenhuis42Wanneer er geen sprake is geweest van een ziekenhuisopname na een acuut opgetreden aandoening of een acute verandering in de medische situatie, wordt de aanvraag onderbouwd door de uitkomst van een geriatrisch assessment of de uitkomst van een triage door de specialist ouderengeneeskunde. Hierbij kan de revalidatiearts, geriater of huisarts betrokken zijn.) en waarbij deze medisch specialistische diagnostiek/interventie – ook van comorbiditeit en multimorbiditeit – is afgerond; én
- • die aansluitend tijdelijk een herstelgerichte behandeling nodig hebben vanuit een integrale en multidisciplinaire aanpak; omdat de verwachting is dat de persoon in die tijdelijke periode kan herstellen en/of een aantal vaardigheden kan leren en trainen waardoor hij beter kan functioneren. Een specifieke benadering is nodig vanwege problemen met regie, regelvermogen en psychosociale/cognitieve functies; én
- • waarbij het functioneren niet zodanig kan verbeteren dat hij op termijn zonder permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid kan (om escalatie dan wel ernstig nadeel te voorkomen). Relevant is dus dat de persoon ook na de herstelgerichte behandeling is aangewezen op de Wlz.
- • Er is een onderbouwde conclusie dat er sprake is van chronische ernstige gedragsproblematiek die niet met reguliere middelen kan worden behandeld of begeleid, en
- • CEP score ≥ 3 (= Consensusprotocol Ernstig Probleemgedrag).
- 1. Een actueel of geactualiseerd zorgplan (maximaal één jaar oud). Uit het plan blijkt welke grondslag en bijzondere gedragsproblematiek de persoon heeft. De volgende onderwerpen moeten in het zorgplan aan bod komen:
- • Welke zorginterventies hebben plaatsgevonden om de bijzonder ernstige gedragsproblematiek te verminderen? Bijvoorbeeld behandeling (eventueel medicamenteus/therapieën/video-opnames), een specifieke benadering, aangepaste groepsgrootte of woonvorm, inzet gespecialiseerd personeel.
- • Welk resultaat hebben de zorginterventies gehad (evaluatierapport)?
- • Een onderbouwde conclusie (op basis van het voorgaande) dat er sprake is van chronische ernstige gedragsproblematiek die niet met de reguliere middelen kan worden behandeld of begeleid.
- 2. Een actueel of geactualiseerd volledig rapport van de CEP-score (maximaal één jaar oud), opgesteld door meerdere deskundigen onder eindverantwoordelijkheid van een gedragsdeskundige. Uit de score blijkt dat de vastgestelde chronische gedragsproblematiek een zwaarte heeft van ten minste 3.
- 3. Als er een consultatietraject is gedaan met het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE): de (advies)rapportage van het CCE.