Bijlage 1 Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2024: functionele beschrijving label systematiek topreferente patiënt
Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2024
Het DIS (dbc-informatiesysteem) bevat de gegevens die we gebruiken om de aantallen patiënten per label zoals ontwikkeld in project Robijn te berekenen. Voor het bepalen van de labels gebruiken we DIS-data van de ziekenhuizen. Op de DIS vinden bewerkingen plaats vóór de scores worden berekend. Deze bewerkingen zijn gericht op het verkrijgen van zo geschikt mogelijke data voor de berekening van de label scores. De volgende bewerkingen worden gedaan: Als onderdeel van de datavalidatie worden gegevens gecontroleerd op basis voorwaarden. Dit betreffen controles die gericht zijn op het identificeren van foutieve data. Het gaat hier bijvoorbeeld om verkeerde of ontbrekende codes, onmogelijke aantallen verrichtingen, dubbele registraties en negatieve aantallen. Deze data werkt vervuilend in de berekening van de labelscores en wordt daarom verwijderd. De NZa voert deze schoning uit voordat de labelscores worden berekend. De schoningsredenen kunnen continu worden aangevuld om de kwaliteit van de gebruikte informatie voor de label berekeningen zo hoog mogelijk te houden. Hiervoor sluit de NZa aan bij de meest recente datavalidatie die is uitgevoerd door het team data. In dit traject worden gegevens teruggeven voor en na schoning. Alle afgekeurde trajecten lopen niet mee in de berekening van de labelscores. Eventueel niet beoordeelde trajecten (inclusief heraangeleverde trajecten) worden geaccepteerd en meegenomen in de label berekening. Op een aantal punten bewerken we DIS De gepseudonimiseerde BSN die we via een vaste sleutel omgenummerd ontvangen via een zorgTTP, kan meerdere geboortejaren bevatten voor een unieke patiënt. Een gepseudonimiseerde BSN uit de patiëntentabel wordt in dat geval als niet valide beschouwd indien er meer dan 10 geboortejaren aan gekoppeld worden. We coderen de waarde dan als NULL. Per BSN code wordt er een geboortejaar bepaald. Als er meerdere geboortejaren zijn geregistreerd wordt een geboortejaar bepaald aan de hand van de volgende criteria, op vo
- – Datavalidatie
- – Bewerking DIS
- – Bewerking referentietabellen
- – Afbakening scope BBAZ
- ○ geboortejaar met meeste subtrajecten met een plausibele leeftijd. Een leeftijd wordt als plausibel geacht als de leeftijd uit de subtrajecten tabel overeenkomt met het geboortejaar uit de patiëntentabel.
- ○ geboortejaar met meeste subtrajecten
- ○ geboortejaar met meeste unieke patiëntnummers
- ○ geboortejaar in subtraject met laatste begindatum
- ○ laagste geboortejaar
- ○ De leeftijd uit de subtrajectentabel wordt overgenomen indien deze correspondeert met het geboortejaar uit de patiëntentabel.
- ○ Wanneer het geboortejaar gelijk is aan de openingsdatum van het subtraject dan wordt de leeftijd als 0 gecodeerd.
- ○ Als voorgaande stappen nog niet een sluitend antwoord hebben gegeven wordt vervolgens de leeftijd berekend uitgaande van 1 juli van geboortejaar uit de patiëntentabel.
- ○ Algemeen
- ○ Brandwonden
- ○ Epilepsie
- ○ Geriatrische revalidatiezorg
- ○ Revalidatiezorg
- ○ Stamcel
- • BSN met NULL codering worden uitgesloten.
- • Onverzekerde zorg (declaratiecode waarvan de eerste twee posities beginnen met het cijfer 16 of 17)
- • Geriatrische revalidatiezorg (behandelend specialisme code 8418)
- • Overige zorgproducten (subtrajecten met kenmerk zorgtype 41)
- • IC zorg zonder een zorgtraject van een hoofdbehandelaar (zorgtype 52).
- • Volgens de regelgeving komt zorgtype 51 altijd voor in combinatie met een initieel of vervolg dbc (zorgtype 11 of 21). Zorgtype 51 zal geschoond worden bij afwezigheid van het initieel of vervolg dbc of het ontbreken van een geldig declaratieset nummer (dds_sqn mag niet 0 zijn). De overige subtrajecten met zorgtype 51 (add ons) worden gekoppeld aan het bijbehorende subtraject en zal meelopen bij het label complexe ok en behandelintensiteit.
- – referentiegroep 1: huidige ontvangers van een BBAZ;
- – referentiegroep 2: overige instellingen.
- • Leeftijdsgroep
- • Geslacht
- • Sociaaleconomische status (SES)
- • Reistijd van huisadres tot hoofdvestiging van het ziekenhuis
- – Bij minder dan 1 op de 100.000 patiënten wordt uitgevoerd in de totale patiëntenpopulatie.
- – En/of minimaal 85% van deze verrichtingen door BBAZ ontvangers wordt uitgevoerd.
- • Vaststellen van landelijke verwijspatronen tussen specialismen Allereerst gaan we op zoek naar zorg die aan elkaar gelieerd zijn. Hiervoor baseren we ons op bestaande verwijzingen van BBAZ ontvangers tussen specialismen die gemiddeld of meer dan gemiddeld voorkomen in een bepaalde periode. Voor deze verwijzingen berekenen we een landelijk gemiddeld verwijspatroon. Verwijspatronen die gemiddeld of meer dan gemiddeld voorkomen worden meegenomen als tertiaire verwijzing indien sprake is van een gelijke Diagnose registratie groep (DRG) bij de behandeling in de verschillende instellingen, of indien het een van de belangrijkste DRG's betreft bij de doorverwijzing.
- • Vaststellen van belangrijkste landelijke verwijspatronen. Om te bepalen of een DRG in de categorie belangrijkste DRG's valt wordt op basis van omvang een lijst met DRG's opgesteld waarbij tenminste 80% van de doorverwijzingen wordt geselecteerd voor de relevante verwijspatronen. De DRG's: KGEN-01 en 'GEEN' worden uitgesloten.
- • Het aandeel derdelijnsverwijzingen (via 06-criterium) per DRG/diagnose voor alle nieuw binnenkomende patiënten (zorgtype 11) wordt bepaald per jaar en instelling. Dit is exclusief patiënten die verwezen zijn vanuit dezelfde instelling (code zelfverwijzer=’07’) en patiënten die binnenkomen via de SEH (code zelfverwijzer = ‘01’ en ‘03’).
- • Er wordt één drempelwaarde bepaald voor alle DRG’s per jaar door een mediaan over alle aandelen derdelijnsverwijzingen te berekenen. Met het berekenen van één centrummaat over alle DRG’s wordt er recht gedaan aan de complexiteit van zorg waarbij minder complexe zorg eerder onder de drempelwaarde zal liggen.